ECLI:NL:GHSHE:2025:117

ECLI:NL:GHSHE:2025:117, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21-01-2025, 200.323.708_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 21-01-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.323.708_01
Rechtsgebied Civiel recht; Goederenrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2022:6971
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0005289 BWBR0005291

Samenvatting

Renvooiprocedure. Cessie van vorderingen. Is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste?

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.323.708/01

arrest van 21 januari 2025

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. S.N. Peijnenburg te Purmerend,

tegen

[geïntimeerde] ,

gevestigd te Dublin,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J. Meuleman te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 februari 2023 ingeleide hoger beroep van het tussenvonnis van 2 maart 2022 en het eindvonnis van 23 november 2022, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellante] als eiseres tot verificatie en [geïntimeerde] als verweerster tot verificatie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/391190 / HA ZA 21-626)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

Achtergrond van het geschil

De besloten vennootschap [bedrijf A] (hierna: [bedrijf A] ) is in 2021 failliet verklaard. Zowel [appellante] als [geïntimeerde] pretenderen vorderingen te hebben op [bedrijf A] die in het faillissement van [bedrijf A] moeten worden geverifieerd. Op de verificatievergadering in het faillissement van [bedrijf A] bleek dat [appellante] en [geïntimeerde] over en weer elkaars vorderingen betwisten. In deze renvooiprocedure gaat het over de erkenning van de vorderingen van [appellante] en de betwisting daarvan door [geïntimeerde] . Ook met betrekking tot de erkenning van de vorderingen van [geïntimeerde] en de betwisting daarvan door [appellante] is bij dit hof een renvooiprocedure aanhangig.

De feiten

In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten.

i. [bedrijf A] in liquidatie is bij vonnis van 5 januari 2021 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van [persoon A] als curator. Bij beschikking van 18 augustus 2022 is [persoon A] vervangen door [persoon B] .

[bedrijf A] was op 11 november 2014 al een keer eerder failliet verklaard. Dit

faillissement is bij gebrek aan baten opgeheven. In verband met een nagekomen

bate is de vereffening heropend, waarna opnieuw het faillissement van [bedrijf A] is

aangevraagd.

De bestuurder van [bedrijf A] is [persoon C] (hierna: [persoon C] ), de

echtgenoot van [appellante] .

[persoon C] is op 17 september 2015 persoonlijk failliet verklaard. Dat faillissement is

op 20 maart 2018 opgeheven wegens gebrek aan baten.

Tijdens het faillissement van [persoon C] heeft zijn curator met [appellante] op

7 augustus 2017 een "vaststellingsovereenkomst tevens akte van overdracht/cessie"

(hierna: de akte van cessie) gesloten. In de akte van cessie staat onder andere:

“(…)

Boedel draagt alle resterende, door de curator gepretendeerde activa/vorderingen van [persoon C] (de boedel) over aan [appellante]

12. De curator draagt in eigendom over alle nog resterende activa en vorderingen van curandus voor zover deze hem bekend zijn en redelijkerwijs bekend kunnen zijn, waaronder in ieder geval de vordering die de Curator meent te hebben op [bedrijf B] , terzake door [persoon C] verrichte werkzaamheden ten behoeve van [bedrijf B] , zowel voor als na faillissement (dit ex art. 479a Rv).

(….)

13. De Curator draagt de vorderingsrechten, voor zover zij zouden bestaan, middels deze akte ex art. 3:94 BW over aan [appellante] , en deze overeenkomst belichaamt ten aanzien daarvan dan ook een akte houdende cessie. Beide partijen zijn gerechtigd mededeling van deze overdracht te doen aan [bedrijf B]

(…)”

[appellante] heeft in het faillissement van [bedrijf A] vier vorderingen ter verificatie

ingediend. Tijdens de verificatievergadering van 15 oktober 2021heeft zij twee vorderingen gehandhaafd, te weten een vordering ter hoogte van € 2.450.000,- terzake planschade (hierna: de planschadevordering) en een vordering ter hoogte van € 725.922,- terzake pensioengelden (hierna: de pensioenvordering). Volgens [appellante] zijn deze vorderingen door de curator in het faillissement van [persoon C] met de akte van cessie aan haar overgedragen.

Uit het proces-verbaal van de verificatievergadering volgt dat de vorderingen van [appellante] worden betwist door [geïntimeerde] , een voorlopig erkende schuldeiser in het faillissement van [bedrijf A] . De rechter-commissaris heeft de betwisting van de vorderingen van [appellante] door [geïntimeerde] verwezen naar de onderhavige renvooiprocedure. De vordering van [geïntimeerde] wordt betwist door [appellante] . Die betwisting wordt behandeld in een renvooiprocedure onder zaak-rolnummer 200.323.565.

De procedure bij de rechtbank

In de procedure bij de rechtbank vorderde [appellante] dat de rechtbank

[geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaart, althans de betwisting door [geïntimeerde] ongegrond verklaart;

de vorderingen van [appellante] volledig erkent zodat zij wordt toegevoegd aan de lijst van voorlopig erkende vorderingen;

[geïntimeerde] veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dit verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

In het tussenvonnis van 2 maart 2022 heeft de rechtbank een verschijning van partijen bevolen voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en ter beproeving van een minnelijke regeling.

In het eindvonnis van 23 november 2023 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.

De procedure bij het hof

[appellante] heeft in hoger beroep acht grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het eindvonnis van 23 november 2023.

Het hof zal de grieven van [appellante] gezamenlijk behandelen.

Niet-ontvankelijk in hoger beroep van het tussenvonnis

Tegen het tussenvonnis van 2 maart 2022 is geen grief gericht, zodat [appellante] in het beroep daarvan niet-ontvankelijk is.

Moeten de planschadevordering en de pensioenvordering in het faillissement van [bedrijf A] worden erkend?

Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of de planschadevordering en de pensioenvordering van [appellante] in het faillissement van [bedrijf A] moeten worden erkend.

Volgens [appellante] is de planschadevordering de vordering van [persoon C] op [bedrijf A] terzake de koopprijs die [bedrijf A] aan [persoon C] moet betalen omdat [persoon C] zijn vordering op [gemeente A] in verband met planschade aan [bedrijf A] heeft overgedragen. De pensioenvordering is volgens [appellante] de vordering van [persoon C] op [bedrijf A] uit hoofde van een pensioenovereenkomst tussen [persoon C] en [bedrijf A] . [appellante] stelt dat beide vorderingen bij de akte van cessie op 7 augustus 2017 aan haar zijn gecedeerd.

[geïntimeerde] betwist onder andere het bestaan en de cessie van de vorderingen.

De eerste vraag die het hof moet beantwoorden, is of [appellante] rechthebbende is geworden van de vorderingen.

Het hof stelt hierbij voorop dat uit artikel 3:84 lid 2 BW voortvloeit dat de akte van cessie ten tijde van de cessie de te cederen vorderingen in voldoende mate moet bepalen. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is daarvoor noodzakelijk, maar ook voldoende, dat de desbetreffende akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842). De vraag hoe specifiek die gegevens in de akte dienen te zijn, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval (vgl. Hoge Raad 4 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6165).

Een generieke omschrijving van de te verpanden vorderingen kan tot een geldige verpanding leiden indien aan de hand van de gegeven omschrijving kan worden bepaald welke vorderingen zijn verpand. Het ontbreken van nadere specificaties van de betrokken vorderingen hoeft daarom niet eraan in de weg te staan dat zij voldoende bepaald zijn in de zin van artikel 3:84 lid 2 BW (Hoge Raad 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012: BT6947). Voldoende is dat achteraf aan de hand van objectieve gegevens kan worden vastgesteld welke vorderingen zijn overgedragen (zie bv. Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:590).

Voor de beoordeling of is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste, is de bedoeling van partijen slechts relevant, voor zover die bedoeling aan de hand van gegevens in de akte zelf, eventueel achteraf, kan worden vastgesteld (vgl. Hoge Raad 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1841).

Naar het oordeel van het hof zijn de te cederen vorderingen in de akte van cessie niet voldoende bepaald. Hiervoor is het volgende redengevend.

Van een generieke omschrijving in die zin dat “alle” vorderingen van [persoon C] worden overgedragen is geen sprake. De cessie is immers beperkt tot de vorderingen waarmee de curator ten tijde van het aangaan van de akte van cessie bekend is of redelijkerwijs had kunnen zijn.

De akte zelf vermeldt slechts de vordering op [bedrijf B] Andere vorderingen waarmee de curator bekend is of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, zijn in de akte niet vermeld. Om vast te stellen welke andere vorderingen zijn overgedragen, is derhalve aanvullende informatie nodig.

De akte bevat ten slotte geen verwijzing naar objectieve gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of de planschadevordering en de pensioenvordering door de curator aan [appellante] zijn overgedragen. Hierbij is van belang dat het gaat om hetgeen de curator wist of redelijkerwijs kon weten, hetgeen minst genomen een subjectief element bevat.

Hierbij komt dat uit hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd, naar het oordeel van het hof niet volgt dat er sprake is van objectieve gegevens waaruit blijkt dat de curator bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn met de planschadevordering en de pensioenvordering.

[appellante] heeft in dit verband uitsluitend verwezen naar de jaarrekening van [bedrijf A] waarin de pensioenvoorziening van [persoon C] was opgenomen, een e-mailbericht van de curator in het faillissement van [bedrijf A] aan [persoon C] met kopie aan de curator in het faillissement van [persoon C] waarin wordt gerefereerd aan “de pensioenvoorziening” en het faillissementsverslag van 22 mei 2017 in het faillissement van [persoon C] waarin onder het kopje lopende procedures wordt verwezen naar een bezwaarschriftprocedure over een verzoek van [persoon C] aan [gemeente A] om planschadevergoeding.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat uit de door [appellante] genoemde documenten wetenschap van de curator volgt. Zij heeft onder andere aangevoerd dat de planschadevordering en de pensioenvordering niet zijn opgenomen bij de vorderingen die staan vermeld onder het kopje activa in het faillissementsverslag. Dit is volgens [geïntimeerde] een belangrijke aanwijzing dat de curator juist niet uitging van het bestaan van de vorderingen.

Hierbij komt nog het volgende. De planschadevordering betreft volgens de eigen stellingen van [appellante] de vordering van [persoon C] op [bedrijf A] terzake de koopprijs die [bedrijf A] aan [persoon C] moet betalen omdat [persoon C] zijn vordering op [gemeente A] in verband met planschade aan [bedrijf A] heeft overgedragen. Dat in het faillissementsverslag in het faillissement van [persoon C] de procedure van [persoon C] tegen [gemeente A] is genoemd, zegt hooguit iets over de eventuele bekendheid van de curator met een vordering van [persoon C] op [gemeente A] . Dat de curator bekend was met de door [appellante] gestelde vordering op [bedrijf A] volgt hier naar het oordeel van het hof in ieder geval niet uit.

Uit dit alles volgt dat gegevens waar [appellante] naar verwijst niet eenduidig zijn, en geen uitsluitsel geven over de vraag of de curator bekend was, of redelijkerwijs bekend kon zijn, met de planschadevordering en de pensioenvordering en heeft beoogd de planschadevordering en de pensioenvordering aan [appellante] over te dragen.

[appellante] heeft aangeboden haar stelling dat er wel objectieve gegevens zijn aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de curator bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering dan wel dat hij hiermee redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, te bewijzen. Uit hetgeen hiervoor in rov. 3.6.4. is overwogen, volgt echter dat [appellante] haar stellingen op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Dit betekent dat het hof aan bewijslevering niet toekomt.

Uit hetgeen hiervoor in rov. 3.6.3-3.6.5. is overwogen volgt dat naar het oordeel van het hof niet is voldaan aan het vereiste dat de akte van cessie zodanige gegevens moet bevatten dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. Dat door het horen van getuigen kan worden vastgesteld of de curator ten tijde van de cessie bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering, maakt dit niet anders. Dit betekent immers niet dat sprake is van objectieve gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de curator bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering dan wel dat hij hiermee redelijkerwijs bekend had kunnen zijn.

Omdat niet aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan, zijn de planschadevordering en de pensioenvordering niet aan [appellante] overgedragen. [appellante] is geen rechthebbende van deze vorderingen en kan om die reden dus ook niet als schuldeiser in het faillissement van [bedrijf A] worden erkend. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan de vraag of de pensioenvordering overdraagbaar is en ook niet aan de vraag naar bestaan en omvang van de planschadevordering en de pensioenvordering.

Belang [geïntimeerde] bij betwisting?

[appellante] heeft nog aangevoerd dat [geïntimeerde] geen belang heeft bij de betwisting van haar vorderingen en dat het afwijzen van haar vordering tot verificatie in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Indien de planschadevordering en de pensioenvordering niet aan haar zijn overgedragen, is [persoon C] nog steeds rechthebbende van die vorderingen en komen zij om die reden ten laste van de boedel, aldus [appellante] .

Het hof volgt [appellante] hierin niet. In deze renvooiprocedure ligt uitsluitend de vraag voor of de vorderingen van [appellante] moeten worden erkend. Dit is waarover het hof moet beslissen. De vraag of vorderingen van [persoon C] moeten worden erkend ligt niet voor en dus kan het hof daarover ook niet beslissen. Dat de planschadevordering en de pensioenvordering gezien de uitkomst van deze renvooiprocedure mogelijk alsnog (opnieuw) door [persoon C] ter verificatie worden ingediend, levert geen grond op voor toewijzing van de vordering tot verificatie van [appellante] .

Slotsom

Uit het voorgaande volgt dat de grieven van [appellante] niet slagen, dan wel geen nadere behandeling behoeven. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op:

Griffierechten € 783,-

Salaris advocaat € 4.249,- (3,5 punten x tarief II)

Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 5.210,-

Het hof heeft liquidatietarief II gehanteerd. Dit tarief is onder andere van toepassing op zaken van onbepaalde waarde. Het hof is voor de bepaling van het toepasselijke liquidatietarief niet uitgegaan van de nominale waarde van de vorderingen van [appellante] die de inzet zijn van deze renvooiprocedure. De reden hiervoor is dat het in deze procedure gaat om de vraag of de vorderingen van [appellante] in het faillissement van [bedrijf A] moeten worden erkend. Toewijzing van de vorderingen zou niet hebben geleid tot betaling van het nominale bedrag van de vorderingen aan [appellante] , maar tot een uitkering in het faillissement van [bedrijf A] . Aangezien onzeker is of het daadwerkelijk tot een uitkering in het faillissement van [bedrijf A] zou komen en voor welk bedrag, ligt toepassing van liquidatietarief II voor de hand.

4. De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep van het tussenvonnis van 2 maart 2022;

bekrachtigt het eindvonnis van 23 november 2022,

veroordeelt [appellante] in de proceskosten in het principale hoger beroep van € 5.210,-,

te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [appellante] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellante] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.W.M. van den Heuvel, A.C. van Campen en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 januari 2025.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOR 2025/165 met annotatie van mr. J.J. Rekker NJF 2025/285
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?