Parketnummer : 20-002328-22
Uitspraak : 2 mei 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de economische kamer van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 3 oktober 2022, in de strafzaak met parketnummer 82-282232-20 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1997,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman van de verdachte heeft zich ten aanzien van de vraag of de aan de verdachte onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard, gerefereerd aan het oordeel van het hof. Van de aan de verdachte onder 4 en 5 tenlastegelegde feiten heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Voorts heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de kwalificaties van de bewezenverklaarde feiten – nu daarin, gelet op de desbetreffende bewijsmiddelen, bewijsoverwegingen en bewezenverklaringen, kennelijk abusievelijk verzuimd is op te nemen dat deze feiten opzettelijk zijn begaan –, de opgelegde gevangenisstraf en de strafmotivering. Ook ziet het hof, mede gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman van de verdachte is aangevoerd, reden om de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen als opgenomen in het vonnis te verbeteren en aan te vullen op na te melden wijze. Tot slot zullen de in het vonnis opgenomen toepasselijke wettelijke voorschriften worden vervangen.
Verbetering en aanvulling van de bewijsmiddelen
Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals opgenomen in het vonnis, als volgt dienen te worden verbeterd en aangevuld.
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, Dienst Regionale Recherche, registratienummer PL2000-2021029921, gesloten d.d. 26 juli 2021, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 2717). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Allereerst dient het in Bijlage I ten aanzien van feit 2 achter het zesde gedachtestreepje genoemde bewijsmiddel (Het proces-verbaal van de politie Landelijke Eenheid, met nummer LERFB20002-125 (DOC.008, p. 548-573), inhoudende de bevindingen van de verbalisanten) te worden gewijzigd in: “De processen-verbaal van de politie Landelijke Eenheid (DOC.008, p. 548-573), inhoudende de bevindingen van de verbalisanten”.
Voorts dienen de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen met de volgende bewijsmiddelen te worden aangevuld .
Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5
- De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 18 april 2025, voor zover inhoudende:
Ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3
Het klopt dat ik de aan mij onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heb gepleegd, een en ander zoals door de rechtbank is bewezen verklaard.
Ten aanzien van feit 4
De onder feit 4 tenlastegelegde 291 stuks Cobra 6, die door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan een ander zijn verkocht, waren afkomstig van mij. Ik heb dit vuurwerk aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verkocht. Omdat zij het vuurwerk niet verkocht kregen, heb ik, op hun verzoek, via Telegram een afnemer geregeld. Ik heb [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dus geholpen om van het vuurwerk af te komen. Het klopt dat ik tijdens de verkoop via Telegram contact had met de (later bleek: pseudo)koper.
Ten aanzien van feit 5
Oudjaarsavond (het hof begrijpt: de avond van 31 december 2020) heb ik met vrienden bij mij thuis gevierd. Deze vrienden namen vuurwerk mee, dat we in de garage bij mijn woning hebben neergelegd en na 00:00 uur op straat voor de garage hebben afgestoken. Eén van deze vrienden heeft mij later verteld dat de 35 stuks Dumbum die de politie in mijn garage heeft aangetroffen, van hem waren. Deze persoon is inmiddels overleden.
Ten aanzien van feit 1
- Het proces-verbaal van onderzoek, bevindingen (vuurwerk) d.d. 6 juli 2021, pagina’s 1352 tot en met 1356 (DOC-066), voor zover inhoudende als het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op 6 juli 2021 is door mij, [verbalisant 2] , brigadier van politie, behorende tot het Centraal Onderzoeksteam Vuurwerk (COV) te Ridderkerk, als materiedeskundige vuurwerk, een aangetroffen, mogelijke bestellijst - en afleverlijst van vuurwerk, nader onderzocht.
Ik zag dat de door mij onderzochte Lijsten waren voorzien van een aantal benamingen, alsmede letter- en cijfer combinaties (artikelnamen en artikelnummers). De artikelnamen en artikelnummers komen mij bekend voor, als zijnde vuurwerkartikelen, die ik eerder COV heb onderzocht, en/of vuurwerkartikelen die zijn onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Ik raadpleegde het (COV) Politie bedrijfsproces-systeem Pyroscript. Ik zag dat ook in de data base van Pyroscript deze benamingen en artikel nummers waren opgenomen en beschreven.
Het betreft, zo ik zag, allemaal Professioneel vuurwerk wat niet is genoemd of opgenomen in de Regeling Aanwijzing Consumenten en Theater Vuurwerk (RACT).
Definitie: Professioneel vuurwerk: is vuurwerk dat is ingedeeld in categorie F4 alsmede vuurwerk dat is ingedeeld in categorie F2 of F3 en dat niet bij of krachtens het Vuurwerk besluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
De onderzochte (bestel)lijst, en afleverlijst, is door mij ingedeeld in de Lijsten 1 t/m IV conform de Richtlijn Voor Strafvordering Vuurwerkdelicten 2020R001. Tevens is een vermelding opgenomen onder welke Gevaren klasse van het ADR dit
vuurwerk moet/kan worden ingedeeld.
- Cobra 6 imitatie 50/3
Vermoedelijk de Ground Maroon/Flash Banger Super Cobra 6 imitatie 0163-F4-1019. (klasse 1.1G)
- Mad bulldog Nitraat 60/20
Flash Banger, Triplex XP4001 (SZA1T) Arpi Shpk 0163-F4-3243 NEM 5 gram. (klasse 1.1G)
- Retomo 100 3/1
Flash Banger van Arpi Shpk. categorie F4 Knalvuurwerk/Flash Bangers. (klasse 1.1G) ( het hof heeft geconstateerd dat in het politiedossier voor bepaald vuurwerk zowel de benaming Retorno, Retormo als Retomo wordt gebruikt, kennelijk door de grafische gelijkenis van de letters “m”en “rn”; gelet op het “Verkort rapport” van het NFI d.d. 11 april 2020, zaaknummer 2019.11.06.091, pagina 3, is de juiste benaming “Retorno 100”)
- Scream 100 1/1
Flash Banger, 0163-F4-3263. (klasse 1.1G)
- Little Joe 1/1
Flash Banger Lj 100, NEM 100 gram, Big Titanium Salute. (klasse 1.1G)
- Joker 50g 4/1
Flash Banger, 0163-F4-3263 NEM 50 gram. Arpi (klasse 1.1G)
- Zink 901 & 902
Lawine pijlen. Categorie F4, met CE markering, NEM circa 30-43 gram Het betreft een Duitse fabrikant, importeur van Professioneel vuurwerk. (klasse 1.1G)
Veel van bovenstaande artikelen zijn NFI bekend, onderzocht en gerapporteerd. Het betreft allemaal Professioneel vuurwerk, wat is in te delen in Lijst III van de Richtlijn Strafvordering Vuurwerkdelicten 2020R001. Het gevaarlijkste vuurwerk heeft de Gevaren klasse 1.1G wat massa explosief betekent.
Ten aanzien van feit 2
- Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 november 2020, pagina’s 1285 tot en met 1297 (DOC-056), voor zover inhoudende als de verklaring van [medeverdachte 3] :
V: Heb jij dit jaar wel eens in een gehuurde auto gereden?
A: Ja.
V: Wij hebben onderzoek gedaan naar de gehuurde voertuigen bij het bedrijf [bedrijf 1] . Waar werden deze huurvoertuigen voor gebruikt?
A: Vuurwerk. Het vervoer ervan.
V: Hoe zag een dag er voor jou uit als jij ging rijden?
A: Ik kreeg van [medeverdachte 4] de dag ervoor te horen dat ik een vrachtwagen naar Duitsland moest brengen.
V: Hoe en waar heb je de bus opgehaald?
A: Ik ben naar [medeverdachte 4] gereden. Toen samen met [medeverdachte 4] naar het verhuurbedrijf met [medeverdachte 4] zijn auto. Daar ben ik in de verhuurbus gestapt en ben naar Duitsland gereden.
V: Even voor de duidelijkheid. Wie bedoel je met [medeverdachte 4] ?
A: [medeverdachte 4] . Dat is mijn oom.
V: [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij zich strafbaar heeft gemaakt aan handel in vuurwerk maar dat zijn aandeel niet zo groot is als dat van zijn vader. Jullie zijn op heterdaad aangehouden in Vuren. [medeverdachte 5] verklaart dus wel over zijn aandeel. Wat was jouw aandeel?
A: Voor mij was het een korte periode. Het werd drukker bij [medeverdachte 4] en toen heeft hij mij gevraagd om te helpen. Ik ben dus één keer naar Duitsland gereden en heb bestellingen klaargezet. Ik ben ook mee geweest met de verkoop aan klanten.
(…)
A: Ik ga uitleggen hoe de rit naar Duitsland is gegaan. Ik ben samen met [medeverdachte 6] naar Duitsland gereden. Ik bracht de bus naar [verdachte] .
V: Hoe ging het verder?
A: Ik reed naar de parkeerplaats in Duitsland. Toen kwam [verdachte] naar mij toe. We zeiden elkaar gedag. Toen nam een andere man de bus over. Die man ken ik niet.
V: [verdachte] . Waar was hij?
A: [verdachte] bleef ook op de parkeerplaats. Wij stonden niet bij elkaar.
V: Hoe wist je datje met [verdachte] een ontmoeting had?
A: Dat had [medeverdachte 4] tegen mij gezegd. [verdachte] zwaaide vanuit zijn auto naar mij toen ik aankwam. Het was vroeg in de ochtend, dus de parkeerplaats was leeg.
V: Waar ken jij [verdachte] van?
A: [verdachte] ken ik niet als persoon, maar als naam die ik van [medeverdachte 4] kreeg.
V: Waar kwam de man die de bus overnam vandaan?
A: Dat weet ik niet. Hij kwam met zijn eigen auto aan en ik zag dat hij in gesprek ging met [verdachte] .
V: Hoe kan je [verdachte] omschrijven?
A: 1,80 m. Zelfde bouw als [medeverdachte 4] . Dik.
V: Wat is zijn echte naam?
A: Dat weet ik niet. Volgens mij wist [medeverdachte 4] dat ook niet en wist [verdachte] ook de echte naam van [medeverdachte 4] niet.
V: Hoe hadden [medeverdachte 4] en [verdachte] contact met elkaar?
A: Telefonisch volgens mij. Via Telegram en Wicker.
V: Nadat de man met de bus terug kwam met het ingeladen vuurwerk. Wat gebeurde er toen?
A: Toen heeft [verdachte] de bus naar Nederland gereden. Ik ben met [medeverdachte 6] in de auto van [verdachte] naar Nederland gereden.
V: Wat deden jullie in Nederland nadat je de grens over was?
A: Ik moest van [verdachte] naar een tankstation rijden en daar op hem wachten.
V: Hoe lang heb je op het tankstation gewacht op [verdachte] ?
A: Ik denk zo anderhalf uur. Toen kwam hij aan met de gehuurde vrachtwagen.
V: Was de vrachtwagen toen nog vol?
A: Nee. Die was leeg.
V: Hoe wist je dan dat het om vuurwerk ging?
A: Daar ben ik vanuit gegaan.
V: Had [medeverdachte 4] daar iets over gezegd?
A: [medeverdachte 4] had gezegd dat [verdachte] vuurwerk nodig had, maar dat hij geen tijd had om nog een vrachtwagen te regelen.
V: Waar ken jij de [medeverdachte 4] in combinatie met [verdachte] van?
A: [medeverdachte 4] sprak wel eens over hem als de grootste van Nederland.
V: Waarin de grootste?
A: Ik maakte daaruit op dat hij de grootste in de handel van vuurwerk is.
V: Nadat [verdachte] terug was gekomen naar het tankstation. Wat is er toen gebeurd?
A: Toen zijn we gewisseld van voertuig en heb ik de huurvrachtwagen weer terug gebracht naar de verhuurder samen [medeverdachte 6] .
Ten aanzien van feit 4
- Het geschrift, te weten een afbeelding van een chatgesprek op Telegram tussen [verdachte] en de pseudokoper (verbalisant), pagina’s 359 tot en met 362, voor zover inhoudende:
23 november
Pseudokoper: He maat zag je berich van die c6 heb je nog of ben je er al doorheen :(
[verdachte] : Heb nog 750€
Pseudokoper: Echt? 1 k?
[verdachte] : Nee immi
24 november
Pseudokoper: Ben er en jij
[verdachte] : Hij is onderweg maat
Pseudokoper: Ok ik zit in de auto voor [bedrijf 2]
[verdachte] : Ik belde hem. Hij zeg nu. 5 min max. Dus hij is er echt zo zo maat. Haha. Sorry voor wachte.
Pseudokoper: Ok top maatje komt goed
[verdachte] : Gelukt? ???
Gemiste oproep van [verdachte] .
[verdachte] : Halo??
Gemiste oproep van [verdachte] .
Voorts dient het in Bijlage II van het vonnis ten aanzien van feit 4 achter het vierde gedachtestreepje genoemde bewijsmiddel (Het proces-verbaal van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, met nummer PSK ZWB20.103 (DOC-002, p.348-362), inhoudende de bevindingen van de verbalisant) te worden gewijzigd in: “De processen-verbaal van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, met dossiernummer PSK ZWB20.103 (DOC-002, p.348-358), inhoudende de bevindingen van de verbalisanten” en te worden aangevuld met de volgende inhoud:
Pagina 352
Bij mij, verbalisant [verbalisant 5] , is bekend dat in een origineel karton Cobra’s 100 pakketten van 3 stuks en in zogenoemde imitatie in een karton Cobra’s 50 pakketten van 3 stuks zitten.
Pagina 356
Op 24 november 2020 heb ik, verbalisant [verbalisant 6] , met “ [verdachte] ” tussen 11.45 uur en 17.11 uur via persoonlijke Telegram berichten contact onderhouden. In de berichten werd de afspraak gemaakt om naar [adres 3] te komen voor de aankoop van 1 x C6 (éénmaal een karton Cobra 6) om 16.00 uur, wat later tussen 16.30 uur en 16.45 uur werd.
Op 24 november 2020 parkeerde ik verbalisant, omstreeks 16:46 uur op [adres 3]
. Dit betrof het pand van [bedrijf 2] .
Omstreeks 16:50 uur stuurde ik naar de telegram account van [verdachte] dat ik op de afgesproken plaats stond te wachten.
Er werd even over en weer gechat tussen mij en [verdachte] .
Ten aanzien van feit 5
- Het aanvullend proces-verbaal d.d. 13 september 2022, pagina’s 1 en 2, voor zover inhoudende als het relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :
1. Locatie van het aantreffen van het vuurwerk
Ik, [verbalisant 3] , heb onderzoek gedaan naar de vraag waar het professionele vuurwerk in de woning (garage) in beslag is genomen. Op 22 juni 2021 is de woning, gelegen aan [adres 2] , doorzocht. Tijdens de doorzoeking is professioneel vuurwerk aangetroffen en in beslag genomen; en voorzien van de
ibn-code: [postcode] .07.01.001. Deze code staat voor de locatie/ruimte waar het professioneel vuurwerk in beslag is genomen. Beginnend met de postcode ‘ [postcode] ’ gevolgd door een cijfercombinatie. De cijfercombinatie is bij politie gekoppeld aan de garage van de woning.
2. [betrokkene]
Gegevens volgens de inschrijving van de Kamer van Koophandel
Gedurende het onderzoek is op 15 februari 2021 de Kamer van Koophandel geraadpleegd op het adres [adres 2] . Hieronder de geregistreerde gegevens:
Statutaire naam: [bedrijf 3]
Handelsnaam: [bedrijf 3]
Statutaire zetel: Sint Willebrord
Eerste inschrijving Handelsregister: [datum]
Enig aandeelhouder/bestuurder: [betrokkene] , [geboortedag 2] 1946
Telefonisch contact [betrokkene]
Op 22 juni 2021 of een van de directe dagen erna heb ik telefonisch contact gehad met [betrokkene] over de doorzoeking in de woning Van het gesprek weet ik nog dat [betrokkene] mij vertelde dat hij de verhuurder is van de woning, dat hij de woning verhuurt aan [verdachte] .
Doorzoeking
Ik, [verbalisant 4] , was aanwezig bij de doorzoeking op 22 juni 2021. Ik zag dat de garage te betreden was op 2 manieren. Dat was via een deur gelegen in het pand en via de garage door middel van een roldeur welke aan de straatzijde was gelegen.
Voorts is in Bijlage II van het vonnis ten aanzien van feit 5 achter het vijfde gedachtestreepje (Het proces-verbaal van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, met nummer -130 (DOC.079. p.1500-1503), inhoudende de bevindingen van de verbalisant) een tabel opgenomen die dient te worden vervangen door de volgende tabel:
Verbetering en aanvulling van de bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 4
De in het vonnis ten aanzien van feit 4 opgenomen bewijsoverweging dient als volgt te worden aangevuld. Tussen de zin “De rechtbank overweegt dat verdachte weliswaar niet bij de daadwerkelijke overdracht van het vuurwerk aanwezig was, maar dat hij wel degene is geweest die het vuurwerk te koop heeft aangeboden en die de afspraak heeft gemaakt voor de overdracht van het vuurwerk.” en de zin “Ook blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 2] dat verdachte degene is die de beslissingen neemt over het te verkopen vuurwerk.” dient de volgende zin te worden toegevoegd: “Daar komt bij dat de verdachte voorafgaand aan en ten tijde van de overdracht van het vuurwerk via Telegram contact had met de pseudokoper.” Voorts dient na de zin “Uit de bewijsmiddelen volgt afdoende dat sprake is geweest
van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bij
het ter beschikking stellen van het vuurwerk aan de pseudokoper.” de volgende zin te worden toegevoegd: “Hoewel de verdachte niet fysiek bij het feit aanwezig was, was de bijdrage van de verdachte aan (de totstandkoming en verwezenlijking van) dat feit van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.”
Ten aanzien van feit 5
De in het vonnis ten aanzien van feit 5 opgenomen bewijsoverweging dient in het geheel te worden vervangen door de hierna volgende overwegingen.
“De verdachte wordt onder feit 5 (doorzoeking d.d. 22 juni 2021 te Sint Willebrord (NB)
verweten dat hij op of omstreeks 22 juni 2021 tezamen en in vereniging met een (of meer)
ander(en) professioneel vuurwerk (35 stuks Dumbum) heeft opgeslagen en voorhanden
heeft gehad.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte niet wist dat het vuurwerk in kwestie in de (door hem gehuurde) garage aan [adres 2] lag.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, is vereist dat de verdachte dit vuurwerk bewust aanwezig had. Daarbij dient sprake te zijn van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid, wat betekent dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het vuurwerk, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken of tot de exacte locatie van dat vuurwerk. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. (vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992, HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504 en 510 en HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:527)
Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, is voorts vereist dat de verdachte feitelijke macht over dat vuurwerk kon uitoefenen in die zin dat hij daarover kon beschikken. Daarvoor hoeft het vuurwerk zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Evenmin is vereist dat de verdachte eigenaar is van het vuurwerk.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat tijdens een doorzoeking op 22 juni 2021 in een garage aan [adres 2] , 35 stuks Dumbum, zijnde professioneel vuurwerk, zijn aangetroffen door de politie. De woning en garage aan [adres 2] werd op dat moment door de verdachte gehuurd. De garage kon zowel via de straat als via de woning worden betreden.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij Oudjaarsavond (het hof begrijpt: de avond van 31 december 2020) met vrienden bij hem thuis aan [adres 2] heeft gevierd. Deze vrienden hadden vuurwerk meegenomen, dat in de garage bij de woning is neergelegd en na 00:00 uur op straat voor de garage is afgestoken. Eén van deze vrienden heeft de verdachte later verteld dat de 35 stuks Dumbum die in de garage zijn aangetroffen van hem waren.
Het hof stelt vast dat de verdachte, nadat zijn vrienden na Oudjaarsavond (het hof begrijpt: de avond van 31 december 2020) zijn huis weer hadden verlaten, en wetende dat deze vrienden in de garage een hoeveelheid vuurwerk hadden neergelegd, zich niet ervan heeft vergewist dat al het (eventueel) overgebleven vuurwerk uit de garage, waar het immers, alvorens het af te steken, was neergelegd, was verwijderd. De verdachte heeft daarmee bewust de (aanmerkelijke) kans aanvaard dat in de garage vuurwerk was achtergebleven. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat de verdachte “een meerdere of mindere mate” van bewustheid heeft gehad ten aanzien van 35 stuks Dumbum die op 22 juni 2021 in de door hem gehuurde garage zijn aangetroffen.
Ook had de verdachte de beschikkingsmacht over dat vuurwerk, dat immers in de door hem gehuurde garage is aangetroffen. Dat het vuurwerk (mogelijk) van iemand anders was, laat het voorgaande onverlet.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem onder 5 tenlastegelegde feit heeft begaan. Met de rechtbank is het hof evenwel van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat dat de verdachte het vuurwerk tezamen en in vereniging met een ander zou hebben opgeslagen en voorhanden gehad, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.”
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
Het onder feit 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
Het onder feit 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
Het onder feit 5 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Op te leggen straffen
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf(fen) gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het op grote schaal voorhanden hebben, opslaan, invoeren en ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk dat bestemd was voor particulier gebruik. De naam van de verdachte is in drie onderzoeken in het noorden, het westen en het oosten van het land naar boven gekomen als verkopende en/of invoerende partij, terwijl hij zelf in het zuiden van Nederland woonachtig is. Hij noemde zichzelf, op de berichtensoftware Telegram, de grootste vuurwerkhandelaar en is ook door verschillende medeverdachten op die manier aangeduid. Meerdere medeverdachten hebben verklaard dat zij door de verdachte zijn bedreigd en dat zij bang voor hem zijn.
Door zeer grote hoeveelheden illegaal vuurwerk voorhanden te hebben, op te slaan en ter beschikking te stellen heeft de verdachte de algemene veiligheid van personen en goederen ernstig in gevaar gebracht. De verdachte heeft enkel gedacht aan zijn eigen financieel gewin en zich niet bekommerd om de risico’s die met zijn handelen teweeg zijn gebracht.
Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 januari 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Ook in de periode tussen de behandeling van deze zaak in eerste aanleg en de behandeling in hoger beroep is de verdachte niet met justitie in aanraking gekomen.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent gebleken dat de verdachte momenteel met zijn vriendin in een huurhuis in België woont, daar werkt als monteur bij een keukenbedrijf voor horecakeukens en bezig is met het aflossen van zijn schulden. Ook heeft de verdachte met zijn ex-vriendin een zoontje, dat elk weekend bij hem verblijft en voor wie hij dan zorgt. Voorts is de verdachte slachtoffer geweest in een ontvoeringszaak die 10 jaren geleden plaatsvond en ondervindt hij daar (in Nederland) nog altijd veel last van. Tot slot heeft de verdachte na een maagverkleining chronische ruggenmerg- en zenuwschade opgelopen en kampt hij mede daardoor met lichamelijke klachten.
De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest waarvan 10 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren.
De advocaat-generaal heeft het hof gevorderd het vonnis waarvan beroep integraal te bevestigen.
De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht om bij de straftoemeting rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat hij first offender is en om daarom aan de verdachte een forse voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf op te leggen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zou betekenen dat de verdachte zijn baan en zijn huis zal verliezen en voorts dat hij niet meer (financieel) voor zijn zoontje kan zorgen.
Met name gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die hiervoor zijn beschreven – de verdachte lijkt zijn leven te hebben gebeterd en op orde te hebben – en op de proceshouding van de verdachte, acht het hof de door de rechtbank opgelegde straf onder de huidige omstandigheden niet (meer) passend en geboden. Het hof zal daarom aan de verdachte een lichtere straf opleggen, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 14 maanden voorwaardelijk met aftrek van de duur van het voorarrest en een proeftijd van twee jaren. Gelet evenwel op de ernst van het feit zal het hof eveneens aan de verdachte opleggen een taakstraf van 240 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis.
Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer en artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificaties van het bewezenverklaarde en de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor vermeld;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 14 (veertien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. A.R. Hartmann en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,
en op 2 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. T. van de Woestijne is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.