ECLI:NL:GHSHE:2025:1361

ECLI:NL:GHSHE:2025:1361, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 01-05-2025, 20-001090-24

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 01-05-2025
Datum publicatie 13-01-2026
Zaaknummer 20-001090-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 11 april 2024, parketnummer 02-024934-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf met het parketnummer 02-268223-21, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

ingeschreven in de BRP: [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van twee feiten van ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ (feit 1 en feit 2) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. De politierechter heeft daarnaast de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met het parketnummer 02-268223-21 afgewezen.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. Met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de proeftijd zal verlengen met één jaar.

De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd, in welk verband de raadsman heeft bepleit dat het hof de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar zal verklaren. Met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf heeft de raadsman primair bepleit dat het hof de vordering zal afwijzen en subsidiair dat het hof de proeftijd met één jaar zal verlengen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.hij op of omstreeks 31 oktober 2023 te Tilburg, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] (telefonisch/voicemailbericht) dreigend de woorden toe te voegen: “Als je godverdomme nog een keer in mijn buurt komt, dan vermoord ik je!” en/of “Ik snij je kapot. Helemaal kapot” en/of “Ik sla je helemaal verrot” en/of “Ik vermoord je nog als je in mijn buurt komt! Ik vermoord je nog een keer.”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.hij op of omstreeks 31 oktober 2023 te Tilburg, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend (telefonisch/voicemailbericht) de woorden toe te voegen dat die [slachtoffer 2] hem, verdachte, met rust moest laten en dat hij, verdachte, die [slachtoffer 2] zou vermoorden als hij, verdachte, die [slachtoffer 2] tegen zou komen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.hij op 31 oktober 2023 in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 1] (telefonisch/voicemailbericht) dreigend de woorden toe te voegen: “Als je godverdomme nog een keer in mijn buurt komt, dan vermoord ik je!” en/of “Ik sla je helemaal verrot” en/of “Ik vermoord je nog als je in mijn buurt komt! Ik vermoord je nog een keer.”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.hij op 31 oktober 2023 in Nederland [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 2] dreigend (telefonisch/voicemailbericht) de woorden toe te voegen dat die [slachtoffer 2] hem, verdachte, met rust moest laten en dat hij, verdachte, die [slachtoffer 2] zou vermoorden als hij, verdachte, die [slachtoffer 2] tegen zou komen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, op ambtseed opgesteld door [verbalisant 1] , brigadier van politie, registratienummer PL2000-2023307247, gesloten d.d. 24 januari 2024, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 45. De inhoud van de hierna opgenomen bewijsmiddelen, is waar nodig, zakelijk en samengevat weergegeven.

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 21 november 2023 (dossierpagina’s 6 en 7), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] , namens het slachtoffer [slachtoffer 2] :

Ik doe namens de zorginstelling [zorginstelling] aangifte van bedreiging tegen een medewerker.

De bedreiging is geuit door een client genaamd [verdachte]

geboortedatum: [geboortedag] 1974.

Ik ben werkzaam als manager bedrijfsuitvoering.

Op 31 oktober 2023 omstreeks 16:26 uur is een medewerker genaamd [slachtoffer 2]

telefonisch bedreigd door client [verdachte] .

Hij heeft eerst [slachtoffer 2] gebeld op haar werktelefoonnummer. Haar werktelefoonnummer

is: [telefoonnummer 1] . Het telefoonnummer waarmee [verdachte] belde is: [telefoonnummer 2]

Vervolgens heeft [verdachte] een voicemailbericht ingesproken.

[slachtoffer 2] ging het voicemailbericht beluisteren. Zij hoorde dat [verdachte] een bedreiging had

uitgesproken. Hij zei: “Als jij godverdomme nog een keer in mijn buurt komt dan vermoord ik jou (…). ik sla je kop eraf, ik vermoord jou, ik doe het echt hoor”.

Hij benoemt de bedreigingen meerdere keren in het voicemailbericht.

[slachtoffer 2] vond dat de bedreigingen persoonlijk waren. De bedreigingen waren op haar

gericht. De cliënt benadrukt ook dat hij de bedreigingen ten uitvoer zal

brengen.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 januari 2024 (dossierpagina’s 9 tot en met 11), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [slachtoffer 2] :

Ik ben [functie 1] die binnen de organisatie [zorginstelling] valt. De

client [verdachte] valt onder deze aanpak en betreft de persoon waar aangifte

tegen was gedaan door mijn manager, omtrent de bedreigingen die hij had geuit tegen

mij.

Op 31 oktober 2023 was ik voor werkzaamheden in Rotterdam. Op de terugweg naar huis,

omstreeks 16.15 uur, zag ik dat ik een gemiste oproep had van [verdachte] en dat er een

voicemailbericht was achtergelaten. Het telefoonnummer waar [verdachte] mee belde betrof:

[telefoonnummer 2] . Ik zat samen met een andere collega in auto en ik luisterde het

voicemailbericht terug. Ik hoorde dat [verdachte] met een boze stem zei dat ik een kutwijf

en kuthoer was. Daarnaast hoorde ik dat hij zei dat ik hem met rust moest laten en

als hij mij tegen zou komen dat hij mij zou vermoorden. [verdachte] bleef deze uitspraken

herhalen en zei dus meerdere malen dat hij mij zou vermoorden. Ik herkende de stem

als zijnde de stem van [verdachte] . Ik wist zeker dat het [verdachte] betrof, omdat ik meerdere

keren met hem gesproken had. Ik voelde me lam geslagen en stond perplex van hetgeen ik zojuist gehoord had. Ik voelde me bedreigd door de uitingen die [verdachte] had gedaan in het voicemailbericht. Ik voelde mij bedreigd, omdat [verdachte] een onvoorspelbare man kan zijn. Hij had in het verleden al eerder grensoverschrijdend gedrag getoond naar een hulpverlener. [verdachte] is een rigide man, waar nog weinig onderzoek naar is gedaan. Hij is lastig te

begeleiden en ik had niet verwacht dat het zo uit de hand zou lopen. Ik herkende deze

kant van [verdachte] nog niet en was geschrokken. De dagen nadat ik dit voicemailbericht

gehoord had, was ik een stuk alerter en hield het mij bezig.

3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 december 2023, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op 2 december 2023, luisterde ik, verbalisant [verbalisant 2] , naar het spraakbericht

dat in deze zaak werd aangeleverd door de aangever. Het bericht, genaamd “Audio dhr.

[verdachte] .aac”, duurde 52 seconden.

Ik luisterde naar het bericht en hoorde het volgende:

“Als je godverdomme kankerhoer kankerhoer nog een keer in me buurt komt dan sla ik je

kop eraf ja. Kankerhoer dat je bent. Dat je gisteren voor mijn neus stond. Kankerhoer

dat je bent. Nog een keer flik je dat te doen, ik vermoord je en ik doe het ook hoor.

Ik vermoord je kutwijf. Kankerhoer dat je bent. Dat je dat godverdomme doet.

Kankerhoer. Ik vermoord je kankerhoer. Kom niet meer in mijn buurt ja. Dan sla je ik

kapot. Dan sla je helemaal verrot kankerhoer dat je bent. Kankerhoer dat je bent. Sla

ik helemaal je kop eraf als je nog een keer in mijn buurt komt. Ik vermoord je

kankerhoer. Kutwijf dat je bent. Nog een keer in mijn buurt en ik vermoord je.

Ik hoorde dat de tekst werd gesproken door een mannen stem. Ik hoorde dat de man erg

boos was en alle woorden schreeuwend uitsprak.

4. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 22 november 2023 (dossierpagina’s 14 tot en met 17), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 1] :

Ik doe aangifte van bedreiging met de dood. Op 31 oktober 2023, omstreeks

15:55 uur, ben ik met de dood bedreigd door [verdachte] , wonende aan [adres]

.

Ik ben werkzaam als [functie 2]

in de gemeente Tilburg.

Vanuit mijn rol als [functie 2] heb ik regie inzake de casus [verdachte] .

Ik werd op 31 oktober 2023, om 15:55 uur (het hof begrijpt: gebeld).

Ik zag een gemiste oproep. Ik zag dat ik een gesprek van [verdachte] had gemist. [verdachte]

heeft mij gebeld met telefoonnummer [telefoonnummer 2] .

Ik zag dat hij een voicemailbericht had ingesproken. Toen ik mijn voicemail

afluisterde, hoorde ik hem zeggen:

“Als je godverdomme kankervent nog een keer in mijn buurt komt, dan vermoord ik je!

Kankervent dat je bent!

Ik snij je kapot. Helemaal kapot! Als je nog een keer in mijn buurt komt. Kunnen

jullie hulpverleners mij nooit eens met rust laten. Ik sla je kapot Kankervent! Ik

sla je helemaal verrot! Ik sla je verrot, als je nog een keer in mijn buurt komt!

Godverdomme wat zijn jullie klootzakken! Kankerlijders! Kankerlijder dat jullie zijn,

jullie zijn kankerlijders!

Ik vermoord je nog als je in mijn buurt komt!

Ik herkende de stem, als zijnde de stem van [verdachte] . Ik herken deze omdat

ik vaker met hem heb gesproken en omdat hij vaker in het verleden mijn voicemail

heeft ingesproken.

Ik voel mij bedreigd door zijn woorden. Ik kom regelmatig bij [locatie] , waarbij ik

[verdachte] ook tegen kan komen. Ik ben bang dat hij mij iets gaat aandoen en dat hij zijn

bedreiging gaat uitvoeren. Dat hij mij daadwerkelijk gaat aanvallen.

Ik kan hem ook tegenkomen als ik naar het station ga vanuit mijn werk.

Ik voel mij echt niet prettig en kijk om mij heen of ik hem niet tegen kom.

In het verleden heb ik regelmatig berichten van hem ontvangen, waarin hij frustraties

uit, maar dit is de eerste dat hij mij met de dood bedreigd.

Multimedia

De aangever verstrekte het bij het incident behorende multimedia bestand:

Multimedianummer: Voicemail bericht.

5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 januari 2024 (dossierpagina’s 18 en 19), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

Voor een onderzoek naar geuite bedreigingen, luisterde ik naar het volgende audiobestand: ‘AUD-20231107-WA0002 (2)’. Dit audiobestand was beschikbaar gesteld door de aangever. Het betrof een audio-opname van de aangever zijn ingesproken voicemail. Ik zag dat het audiobestand 1 minuut en 49 seconden duurde.

Bericht 2:

Als je godverdomme kanker (…) nog een keer in de buurt komt dan vermoord ik je. Kankervent dat je bent. Ik (…) je kapot, helemaal kapot als je nog een keer in mijn

buurt komt. (…) Ik sla je kapot (…). Ik sla je helemaal verrot. Ik sla je

verrot als je nog een keer in mijn buurt komt. Godverdomme wat zijn jullie

klootzakken. Kankerlijers. Kankerlijers dat jullie zijn. Jullie zijn kankerlijers.

Ik vermoord je als je nog in mijn buurt komt. Ik vermoord je nog een keer.

6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 januari 2024 (dossierpagina 23 en 24), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

In verband met een onderzoek naar geuite bedreigingen, verrichtte ik een

CIOT-bevraging (Centraal informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie). Hierbij verzocht

ik de gegevens te verkrijgen van de gebruiker van het telefoonnummer: [telefoonnummer 2] .

Dit telefoonnummer werd genoemd door de aangevers in de aangiften. Dit telefoonnummer

was namelijk gebruikt om de voicemailberichten in te spreken waar de bedreigingen in

waren geuit. Ik verkreeg het rapport vanuit het CIOT en zag dat het telefoonnummer op

naam stond van: [verdachte] . Het adres van deze gebruiker betrof: [adres]

. Deze naam werd genoemd als zijnde de verdachte door de aangevers.

7. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 januari 2024 (dossierpagina’s 30 tot en met 36), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :

V: = Vraag van de verbalisanten

A: = Antwoord van de verdachte

O: = Opmerking van de verbalisanten

O: Je hebt twee hulpverleners genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gebeld en hun voicemail

ingesproken en daarin bedreigingen geuit naar hun.

V: Wat kan je ons daarover vertellen?

A: (…) zij weten ook wel waarom dat gebeurd is.

Bewijsoverwegingen

I.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

II.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte de in de tenlastelegging opgenomen woorden heeft geuit uit frustratie en onmacht. Derhalve had de verdachte niet de bedoeling om de slachtoffers angst aan te jagen, in welk verband de raadsman heeft aangevoerd dat de woorden bovendien in algemene zin gericht waren jegens de hulpverlening en niet de desbetreffende slachtoffers. Daarnaast zijn de uitingen, gelet op de context en de achtergrond van de omstandigheden – te weten dat de aangevers de verdachte kenden en moesten weten dat de verdachte dit anders bedoelde – niet van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat bij aangevers de redelijke vrees kon ontstaan dat het feit waarmee werd gedreigd daadwerkelijk zou kunnen worden gepleegd.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, onder meer is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij of zij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, daarop ook was gericht. De beoordeling of sprake is van redelijke vrees is geobjectiveerd en wordt niet slechts bepaald door eventueel bij het slachtoffer veroorzaakte angstgevoelens.

In het licht van bovenstaande vooropstelling is het hof van oordeel dat de door de verdachte gedane uitlatingen op zichzelf en objectief bezien dreigend van aard zijn en geschikt zijn om in de gegeven omstandigheden bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vorenbedoelde redelijke vrees te doen ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. Uit zowel de aangifte van [slachtoffer 1] als die van [slachtoffer 2] blijkt dat zij de bedreigingen, in de context waarin deze plaatsvonden, hebben opgevat als bedreigingen met de dood. Daarbij overweegt het hof nog dat – hoewel de redelijke vrees geobjectiveerd is en dus niet enkel wordt bepaald door de bij de slachtoffers veroorzaakte angstgevoelens – geldt dat uit beide aangiften volgt dat bij de slachtoffers de vrees bestond dat de verdachte opvolging zou geven aan de dreigementen.

Het verweer inhoudende dat de dreigementen niet jegens de slachtoffers waren gericht, doch in algemene zin bedoeld waren in de richting van de hulpverlening, wordt door het hof verworpen. Daartoe overweegt het hof dat de verdachte niet louter telefonisch contact heeft gezocht met de desbetreffende slachtoffers en de dreigementen op hun voicemail heeft ingesproken, maar ook dat de dreigementen – gelet op de bewoordingen – bovendien geacht moeten worden als jegens hen persoonlijk te zijn gericht. De verdachte heeft de slachtoffers immers op indringende wijze aangesproken.

De overige door de raadsman genoemde omstandigheden, te weten dat de bewoordingen dienen te worden gezien als een emotionele uitlating, dat de verdachte vaker soortgelijke dingen heeft gezegd en dat de aangevers de verdachte kenden en derhalve wisten dat hij zijn woorden niet meende, doen aan het bedreigende karakter van zijn uitlatingen niets af. In dat verband overweegt het hof in het bijzonder nog dat uit de aangifte van [slachtoffer 1] volgt dat de verdachte zijn frustraties eerder in de richting van het slachtoffer kenbaar heeft gemaakt, doch dat dit de eerste keer is geweest dat de verdachte hem met de dood heeft bedreigd. In vergelijkbare zin heeft aangeefster [slachtoffer 2] verklaard dat zij zich bedreigd voelde omdat de verdachte volgens haar een onvoorspelbare man kan zijn die lastig te begeleiden is en het slachtoffer niet had verwacht dat het zo uit de hand zou lopen, waarbij aangeefster heeft verklaard ‘deze kant’ van de verdachte niet te kennen. Daarmee faalt ook om die reden het verweer dat bij aangevers niet de redelijke vrees bestond dat de verdachte opvolging zou kunnen geven aan zijn dreigementen.

Het hof oordeelt tot besluit dat tevens sprake is van opzet aan de zijde van de verdachte. De verdachte heeft immers door het onomwonden en met nadruk bezigen van dergelijke ongenuanceerde teksten waarbij hij op indringende wijze ten gehore heeft gebracht dat hij het leven van aangevers zou beëindigen minst genomen de aanmerkelijke kans op het doen van ontstaan van de redelijke vrees bij de aangevers dat zij het leven zouden verliezen bewust aanvaard.

Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het hof de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar zal verklaren en dat het hof die omstandigheid in sterke mate ten faveure van de verdachte zal verdisconteren in de straftoemeting. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat, hoewel het dossier geen Pro Justitia rapportage(s) bevat waaruit volgt dat de verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar was, het dossier evenwel voldoende aanwijzingen bevat dat hij verminderd toerekeningsvatbaar is te achten. In dat verband heeft de raadsman – in de kern weergegeven – gewezen op de omstandigheid dat eerder bij de verdachte psychiatrische stoornissen zijn vastgesteld, welke doorgaans plegen te blijven voortbestaan, het voortdurend delictpatroon, de omstandigheid dat verdachte eerder meermalen is ontslagen van alle rechtsvervolging, dat de reclassering beschrijft dat sprake is van complexe casuïstiek, alsmede dat de verdachte in het verleden heeft verbleven op de meeste zware afdeling van GGZ-instelling [GGZ] , een en ander in samenhang beschouwd.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof volgt het verweer van de raadsman niet. Het hof wil aannemen dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde kampte met diverse problemen en moeilijkheden en dat hij – ten dele daardoor – in een lastige periode verkeerde. Bij gebreke van een gedragsdeskundige rapportage van een psycholoog en/of psychiater, zijn er naar het oordeel van het hof, evenwel onvoldoende concrete, dan wel voldoende zwaarwegende aanknopingspunten voorhanden om voldoende aannemelijk te achten dat de verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar was. Om die reden moet het ervoor worden gehouden dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde volledig toerekeningsvatbaar was.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De verdachte heeft hen beide via voicemailberichten op indringende wijze gedreigd om het leven te brengen. Aldus heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en bij hen gevoelens van onveiligheid en onbehagen teweeggebracht. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten heeft het hof ten nadele van de verdachte in het bijzonder in aanmerking genomen dat de bedreigingen gericht waren tegen een medewerker van [zorginstelling] , door wie verdachte werd begeleid, alsmede een medewerker van het [zorgorganisatie] in de gemeente Tilburg en aldus jegens personen die zich inspanden om de verdachte, alsook anderen, te helpen. Dit wordt de verdachte ernstig door het hof aangerekend.

Het hof heeft ten nadele van de verdachte acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 februari 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijk dat hij eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld, waaronder ter zake van bedreiging. Voorts en bovendien zijn onderhavige feiten begaan gedurende de proeftijd van een eerdere veroordeling tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf, eveneens ter zake van bedreiging. Die voorwaardelijke straf en eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om zich opnieuw schuldig te maken aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Ten slotte heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan gedurende het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte de nacht doorbrengt bij [locatie] en dat hij overdag een zwervend bestaan leidt. De hulpverlening vindt vooralsnog voorzichtig doorgang.

Het hof is van oordeel dat, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alles afwegende acht het hof – anders dan gevorderd door de advocaat-generaal en bepleit door de raadsman – oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, passend en geboden. In hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi naar voren heeft gebracht met betrekking tot de op te leggen straf ziet het hof, in het bijzonder afgezet tegen het justitiële verleden van de verdachte en gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, geen aanleiding om tot een andere strafoplegging. Het hof komt aldus tot een hogere straf dan door de politierechter is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, nu de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf, naar het oordeel van het hof, onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Zeeland-West-Brabant van 16 mei 2022 onder parketnummer 02-268223-21 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte hebben respectievelijk gevorderd en bepleit dat het hof de proeftijd met één jaar zal verlengen.

Hoewel de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan twee strafbare feiten, ziet het hof in het verhandelde ter terechtzitting en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals hiervoor vermeld aanleiding om niet over te gaan tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straf, maar om de bij voormeld vonnis vastgestelde proeftijd te verlengen met één jaar. Bij dit oordeel heeft het hof tevens meegewogen dat het hof aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt voor de duur van één maand.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 mei 2022, met parketnummer 02-268223-21, met een termijn van 1 (één) jaar.

Aldus gewezen door:

mr. F. van Es, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. E.J. Huijskens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,

en op 1 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. F. van Es
  • mr. O.M.J.J. van de Loo
  • mr. E.J. Huijskens

Griffier

  • mr. T.S. Vos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?