GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummers : 200.337.009/01 en 200.341.853/01
zaaknummer rechtbank : C/01/388328 FA RK 22-5565
beschikking van de meervoudige kamer van 22 mei 2025
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R. Shahbazi te 's-Gravenhage.
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 15 mei 2023 en 28 december 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
De vrouw is op 13 februari 2024 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 28 december 2023. Bij haar beroepschrift zijn de bijlagen 1 tot en met 8 overgelegd.
De man heeft op 29 april 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. Bij dit verweerschrift is één productie overgelegd.
De vrouw heeft op 14 mei 2024 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
De verzoeken die betrekking hebben op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zijn ter griffie ingeschreven onder zaaknummer 200.337.009/01. Het verzoek dat betrekking heeft op de kinderalimentatie is ter griffie ingeschreven onder zaaknummer 200.341.853/01.
Bij het hof zijn geen nadere stukken ingekomen.
De mondelinge behandeling in beide zaaknummers heeft op 28 maart 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
3. De feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
4. De omvang van het geschil
Bij (tussen)beschikking van 15 mei 2023 heeft de rechtbank de vrouw ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen en is iedere verdere beslissing aangehouden.
Bij de bestreden beschikking van 28 december 2023 heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand € 195,-- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] en zijn de verzoeken ter zake van (het hof begrijpt:) de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, afgewezen.
De vrouw verzoekt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 december 2023 te vernietigen, voor zover het betreft de beslissing ten aanzien van de auto (met kenteken [kenteken] ) en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het voertuig aan de man wordt ‘toegedeeld’, onder verrekening van de helft van de waarde van € 32.500,-- aan de vrouw, zodat aan de vrouw toekomt een bedrag van € 16.250,--, althans het bedrag dat het hof juist acht.
De man concludeert in het principaal hoger beroep tot afwijzing van het verzoek van de vrouw en tot bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 december 2023 op dit punt.
De man verzoekt in incidenteel hoger beroep:
om de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 december 2023 te vernietigen voor zover is bepaald dat de man aan de vrouw ten behoeve van [minderjarige] € 195,-- per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen en zijn verzoek omtrent de nihilstelling van de alimentatie toe te wijzen;
Om zijn verzoek omtrent ‘toedeling’ van de helft van de inhoud van de kluis toe te wijzen.
De vrouw concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man in incidenteel hoger beroep.
5. De motivering van de beslissing
Kinderalimentatie
Het hof stelt voorop dat de Nederlandse rechter op grond van art. 3 sub a) onder i van de Verordening (EG) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (hierna ook: Brussel II-ter) rechtsmacht toekomt ter zake van de echtscheiding.
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot
echtscheiding, heeft hij op grond van art. 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr.
4/2009 Raad van 18 december 2008) ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.
Er zijn geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is op onderhavig geschil, zodat ook het hof hiervan uitgaat (HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200).
De rechtbank heeft ten aanzien van de kinderalimentatie het volgende overwogen:
“2.18. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afspraken gemaakt over de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna: kinderalimentatie).
Partijen komen overeen dat de man een bedrag van € 195,-- per maand aan de vrouw zal voldoen als kinderalimentatie. Door partijen is geen standpunt ingenomen over de ingangsdatum. Aangezien als voorlopige voorziening eveneens een bedrag aan kinderalimentatie van € 195,-- per maand is vastgelegd, zal de rechtbank aansluiten bij de datum van inschrijven van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.”
De rechtbank heeft de overeengekomen kinderalimentatie vervolgens ook in het dictum opgenomen.
De man verzoekt in hoger beroep om nihilstelling van de kinderalimentatie. Als toelichting voert de man het volgende aan. Het is juist dat hij ter zitting bij de rechtbank akkoord is gegaan met € 195,-- per maand aan kinderalimentatie, maar zijn financiële situatie is gewijzigd waardoor hij niet meer aan zijn financiële verplichting kan voldoen. Hij kan door de stress van de echtscheidingsprocedure niet meer werken en dus heeft hij geen inkomen. Zijn spaargeld, wat zich in de kluis bevond, heeft hij niet meer tot zijn beschikking want de vrouw heeft de kluis leeggehaald. Hij kan daarom ook niet terugvallen op zijn spaargeld om te voldoen aan de financiële verplichting inzake de kinderalimentatie.
De vrouw weerspreekt de stellingen van de man. Hij heeft geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zijn financiële situatie is gewijzigd.
Het hof stelt voorop dat de ingangsdatum van de kinderalimentatie – zijnde de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (of wel 26 juni 2023) niet in geschil is. Evenmin is in geschil dat [minderjarige] behoefte heeft aan een bijdrage van € 195,-- per maand van de man in de kosten van haar verzorging en opvoeding.
Het hof begrijpt de aan het verzoek van de man tot nihilstelling ten grondslag liggende grief van de man in samenhang met zijn verzoek aldus, dat de tussen partijen tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg overeengekomen kinderalimentatie moet worden vernietigd. Daartoe stelt hij dat zijn financiële situatie is gewijzigd en hij niet (langer) in staat is tot nakoming van die overeenkomst. Die stelling wordt door de vrouw gemotiveerd betwist. De man laat na om zijn stelling nader te onderbouwen, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. Dat betekent dat zijn grief reeds daarom faalt en dat zijn verzoek zal worden afgewezen.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden
Omdat het inleidend verzoekschrift van de vrouw is ingediend na 29 januari 2019 (namelijk op 9 december 2022) wordt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van de verzoeken kennis te nemen, bepaald aan de hand van de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (HuwVermVo). Omdat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter inzake de echtscheiding volgt uit het bepaalde in art. 3 sub a) onder i Brussel II-ter (partijen hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland) brengt rechtsmacht in de echtscheidingszaak op grond van art. 5 lid 1 HuwVermVo ook rechtsmacht mee met betrekking tot de vermogensrechtelijke afwikkeling.
Er zijn geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Iraans van toepassing is op onderhavig geschil, zodat ook het hof hiervan uitgaat (HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200).
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw recht heeft op de helft van (de waarde van) het vermogen van de man dat hij tijdens het huwelijk van partijen heeft opgebouwd, zodat ook het hof hiervan uitgaat. Evenmin is in geschil dat als peildatum – voor de omvang en samenstelling van het te verrekenen vermogen, alsmede voor wat betreft de waarde – 13 december 2022 heeft te gelden.
Auto
De rechtbank heeft in rov. 2.45 van de bestreden beschikking ter zake van de auto het volgende overwogen:
“De vrouw verzoekt, naar de rechtbank begrijpt, de auto aan de man toe te delen onder verrekening van de helft van de waarde van € 32.500,--, zodat aan de vrouw toekomt een bedrag van € 18.415,-- [sic]. De man betwist dat hij de Mercedes nog in zijn bezit heeft en betwist daarnaast dat de Mercedes een waarde heeft van € 32.500,--. Gelet op de betwisting van de man, had het op de weg van de vrouw gelegen om de waarde van de auto te onderbouwen. De vrouw heeft dit nagelaten. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw afwijzen.”
De vrouw heeft een grief gericht tegen dit oordeel. Zij voert aan dat zij de waarde van de auto wel degelijk heeft onderbouwd en dat de man dit onvoldoende heeft betwist. De peildatum voor bepaling van de omvang van de gemeenschap en voor waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is 13 december 2022. Op deze datum stond de auto geregistreerd op naam van de man, zoals ook blijkt uit de door de vrouw overgelegde bijlage 7. De man heeft de auto aangeschaft voor € 32.500,--, zoals blijkt uit de factuur, maar uit de door haar overgelegde bijlage 3 blijkt dat voor vergelijkbare auto’s op marktplaats € 59.900,-- wordt gevraagd. Ter onderbouwing van de huidige waarde heeft de vrouw een ANWB-koerslijst, een waarderapport van ‘kenteken check’ en een uitdraai van ‘ [website] ’ overgelegd. De vrouw gaat uit van een waarde van € 32.500,--, waarvan de helft aan haar toekomt. Voor zover de man heeft aangevoerd dat hij met de verkoop van de auto schulden heeft afgelost, betwist de vrouw het bestaan van die schulden.
De man weerspreekt de grief van de vrouw. De man geeft aan dat hij de auto op 3 maart 2023 aan zijn vader heeft overgedragen. De reden hiervoor was dat hij geld schuldig was aan zijn vader, omdat hij geld had geleend voor het opstarten van zijn bedrijf. Hij was genoodzaakt afstand te doen van zowel zijn bedrijf als zijn auto om verdere schulden te voorkomen. Omdat hij niet meer de eigenaar is van de auto dient om die reden het verzoek van de vrouw reeds te worden afgewezen .
Voorts betwist de man de waarde van de auto zoals door de vrouw gesteld. Uit de stukken die de vrouw heeft overgelegd, kan niet worden vastgesteld dat de auto op de peildatum een waarde van € 32.500,-- had, zodat haar verzoek moet worden afgewezen. De auto is veel minder waard dan door de vrouw gesteld. Uit de ANWB-koerslijst volgt een waarde van € 24.250,--, zodat niet uitgegaan kan worden van de door de vrouw gestelde waarde van € 32.500,--. Nu de precieze waarde van de auto niet vastgesteld kan worden, dient het verzoek te worden afgewezen. Tot slot stelt de man zich op het standpunt dat indien het hof zou bepalen dat de man de helft van de waarde van de auto dan wel de inkomsten van de overdracht van de auto aan de vrouw dient te voldoen, dit verrekend dient te worden met de inhoud van de kluis die de vrouw heeft leeggehaald.
Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat dat de vrouw recht heeft op de helft van (de waarde van) het vermogen van de man dat hij tijdens het huwelijk van partijen heeft opgebouwd. Evenmin is tussen partijen in geschil dat de auto op de peildatum tot het te verrekenen vermogen van de man behoorde. Dat de man de auto ná de peildatum heeft verkocht en derhalve thans geen eigenaar meer is van de auto, is daarom niet relevant.
Vaststaat dat de auto op 3 januari 2022 is aangekocht voor een bedrag van € 32.500,--. Het hof ziet in de overgelegde stukken en in de stellingen van partijen aanleiding om voor de waarde van de auto op de peildatum uit te gaan van een bedrag van € 24.250,-- conform de door de vrouw in het geding gebrachte ANWB-koerslijst. Dit betekent dat de man ter verrekening aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 12.125,--. Daarmee slaagt de grief van de vrouw ten dele.
De kluis
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking ter zake van de kluis het volgende overwogen:
“2.46. De vrouw stelt dat de man beschikt over een kluis bij de Nederlandse Bank. De man heeft volgens de vrouw € 100.000,-- in de kluis opgeborgen. De vrouw stelt dat partijen dat bedrag tijdens het huwelijk samen hebben gegenereerd. Ter onderbouwing van het verzoek, heeft de vrouw diverse transcripties overgelegd, waarin de man het bedrag van € 100.000,-- zou bevestigen. De vrouw moet daarom nog de helft van dit bedrag ontvangen, zijnde € 50.000,--. De man betwist dat er geld in de kluis ligt en dat dit tijdens het huwelijk is gegenereerd. Hij stelt dat de vrouw zelf de kluis heeft leeggehaald. Voor zover de rechtbank zou aannemen dat er wel geld in de kluis ligt, dan is niet vast te stellen om welk bedrag het gaat.
De rechtbank overweegt als volgt. Door de man wordt niet betwist dat er geld in een kluis heeft gelegen. De hoogte van het bedrag wordt wel door de man betwist. Aan de hand van de door de vrouw overgelegde transcripties kan de rechtbank niet vaststellen hoeveel geld er in de kluis heeft gelegen. Evenmin kan de rechtbank vaststellen dat er geld in de kluis lag op de peildatum. Bovendien heeft de vrouw onvoldoende gesteld om vast te kunnen stellen dat het geld in de kluis tijdens het huwelijk van partijen is gegenereerd en dus tot het te verdelen vermogen behoort. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, dit verzoek van de vrouw afwijzen.”
De man verzoekt in incidenteel hoger beroep om te bepalen dat de helft van de inhoud van de kluis aan hem wordt toegedeeld. In zijn toelichting wijst de man erop dat de vrouw aan de man heeft toegegeven dat zij de kluis heeft leeggehaald. Ter onderbouwing wijst hij op de door hem in het geding gebrachte productie 1 (inhoudende een vertaalde transcriptie van een geluidsfragment en een overzicht van de kluisbezoeken). Er lag in de kluis een bedrag aan contant geld van € 30.000,-- en een hoeveelheid goud met een waarde van eveneens (ongeveer) € 30.000,--. Dit betrof geleende gelden van de oom van de man en gelden die hij opzij had gezet voor noodgevallen.
De vrouw weerspreekt de stellingen van de man. De man heeft zijn stelling dat er € 30.000,-- aan contanten en voor € 30.000,-- aan goud in de kluis lag niet met verifieerbare stukken onderbouwd. Hij overlegt slechts een document waaruit volgens hem blijkt dat de vrouw de kluis heeft bezocht en een vertaling van een geluidsopname waaruit volgens hem blijkt dat de vrouw heeft erkend dat zij geld uit de kluis heeft meegenomen. De vrouw stelt dat de geluidsopname door de man is bewerkt. In ieder geval is dit fragment dusdanig kort dat daaruit niets kan worden afgeleid. De vertaling van het geluidsfragment en het overzicht van kluisbezoeken bieden geen bewijs voor het standpunt van de man dat de vrouw geld en goud ter waarde van € 60.000,-- uit de kluis heeft gehaald. Uit het overgelegde overzicht van kluisbezoeken kan niet worden afgeleid wat de inhoud van de kluis was op enig moment.
Het hof begrijpt dat de man verzoekt om te bepalen dat de vrouw de helft van de (waarde van de) inhoud van de kluis aan de man dient terug te geven. Van toedeling kan immers geen sprake zijn, nu geen sprake is van enige gemeenschap (zie ook rov. 5.10).
Het verzoek van de man wordt afgewezen. Het hof kan op grond van de stukken niet vaststellen of er op de peildatum vermogensbestanddelen in de kluis lagen die verrekend moeten worden. De door de man overgelegde transcriptie kan hem niet baten. Nog los van het feit dat de vrouw de juistheid daarvan betwist, volgt uit die transcriptie niet wat er op de peildatum aan te verrekenen vermogen in de kluis lag. De aangiften IB van de man over de jaren 2019 tot en met 2022 geven evenmin aanknopingspunten te veronderstellen dat er spaargelden in de kluis lagen. De stelling van de man is daarom niet vast komen te staan.
6. De slotsom
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover het betreft de auto vernietigen en beslissen als volgt.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de uit die relatie geboren kind alsmede de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden betreft.
7. De beslissing
Het hof:
in het principaal en incidenteel hoger beroep
vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 28 december 2023, voor zover het verzoek van de vrouw ter zake van de auto (Mercedes met kenteken [kenteken] ) is afgewezen en, in zoverre, opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw ter verrekening van de waarde van de auto (Mercedes met kenteken [kenteken] ) dient te voldoen een bedrag van € 12.250,--;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.J.F. Manders, G.J. Vossestein en H.J. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025 door mr. M.J. van Laarhoven in tegenwoordigheid van de griffier.