GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.337.231/01
zaaknummer rechtbank : C/02/357064 FA RK 19-1732
beschikking van de meervoudige kamer van 22 mei 2025
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. G.V. van Campen te Tilburg,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. Z. Gademan te Breda.
Vooraf
Tussen partijen bestaat een ontbonden (algehele) gemeenschap van een geregistreerd partnerschap. Tot de gemeenschap behoren aandelen in een besloten vennootschap. Wat is met het oog op een voorgenomen verdeling de peildatum voor waardering van de aandelen?
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 3 april 2020, 14 juli 2020, 25 augustus 2021, 14 juni 2023 en 31 oktober 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
Bij beschikking van 31 oktober 2023 voornoemd, heeft de rechtbank bepaald dat van haar beschikking van 14 juni 2023 tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld. De vrouw heeft op 29 januari 2024 een beroepschrift, tevens houdende vermeerdering van verzoek in eerste aanleg ingediend. Het beroepschrift is gericht tegen de beschikking van 14 juni 2023, maar eveneens tegen de beschikkingen van 25 augustus 2021 en 3 april 2020. Bij dit beroepschrift zijn de producties 76 tot en met 80 overgelegd.
De man heeft op 22 maart 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend met daarbij de producties A. tot en met E.
De vrouw heeft op 8 mei 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend met daarbij productie 81.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een V-formulier van de zijde van de vrouw van 17 maart 2025, met als bijlage een brief van diezelfde datum, een productieoverzicht en productie 82;
- een V-formulier alsmede een e-mailbericht van de zijde van de man van 20 maart 2025.
De mondelinge behandeling heeft op 28 maart 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
3. De feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten:
4. De omvang van het geschil
De beschikkingen in het kort
Bij beschikking van 3 april 2020 voornoemd heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, overwogen dat partijen – na correctie van bedragen die alleen voor rekening van de man komen (zijnde de door de man opgevoerde advocaatkosten ter hoogte van in totaal € 2.413,--) – ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden aan de moeder van de man, welke schulden na voormelde correctie € 19.387,-- bedragen.
Bij beschikking van 25 augustus 2021 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de verzoeken aangehouden en zich iedere verdere beslissing voorbehouden.
Bij beschikking van 14 juni 2023 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, overwogen dat 29 december 2022 als peildatum van de waarde van de aandelen in [B.V. 1] B.V. heeft te gelden.
Bij beschikking van 31 oktober 2023 heeft de rechtbank bepaald dat van de beschikking gewezen op 14 juni 2023 hoger beroep kan worden ingesteld voordat de eindbeschikking is gewezen en heeft de rechtbank iedere beslissing aangehouden.
De verzoeken
De vrouw verzoekt in haar beroepschrift om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 april 2020, 25 augustus 2021 en 14 juni 2023, enkel voor wat betreft de onderdelen waartegen grieven zijn gericht, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
de man te veroordelen binnen 14 dagen na de in dezen te wijzen beschikking aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 131.266,50 in verband met de door de vrouw betaalde aanslagen inkomstenbelasting en premie zorgverzekeringswet over de jaren 2017 en 2018;
de man te veroordelen binnen 14 dagen na de in dezen te wijzen beschikking aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 18.444,44, zijnde de helft van de rekeningcourantschuld op de peildatum;
de man te veroordelen binnen 14 dagen na de in dezen te wijzen beschikking aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 2.594,50 in verband met de door de man ontvangen teruggaven inkomstenbelasting en premie zorgverzekeringswet over de jaren 2017 en 2018;
het (niet gespecificeerde) verzoek van de man ten aanzien van de schulden aan zijn moeder alsnog af te wijzen;
ten aanzien van schulden aan moeder man:
Primair: de man te veroordelen aan de gemeenschap te vergoeden een bedrag van
€ 4.370,50;
Subsidiair: de man te veroordelen aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 12.000,--,
zijnde de helft van de waarde van de door hem aangeschafte inboedel;
6. de verdeling van de aandelen in [B.V. 1] B.V. vast te stellen in die zin, dat deze aandelen aan de vrouw worden toegedeeld tegen de waarde van deze aandelen op 4 april 2019 subsidiair 3 april 2020, althans tegen een door uw Hof in goede justitie te bepalen datum eerder dan 29 december 2022.
De man verzoekt in zijn verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep:
in principaal hoger beroep om de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken c.q. de verzoeken van de vrouw in hoger beroep af te wijzen als zijnde ongegrond/onbewezen, met terugverwijzing van deze zaak naar de rechtbank Zeeland West Brabant, locatie Breda, voor verdere behandeling.
ten aanzien van de nieuwe/vermeerderde verzoeken van de vrouw onder 1 en 2 (aanslagen IB 2017 en 2018 op naam van de vrouw & de rekening courant positie met [B.V. 1] B.V): om de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans deze verzoeken van de vrouw af te wijzen als zijnde ongegrond. Dan wel de aanslagen IB 2017 en 2018 op naam van de vrouw en/of de rekening courant positie tussen de vrouw en [B.V. 1] B.V. in de vermogensrechtelijke afwikkeling tussen partijen (lees: de wijze van verdeling) mee te nemen op de wijze zoals beschreven onder de nummers 62 t/m 65 en 70 t/m 74 van het verweerschrift.
in incidenteel hoger beroep: om de beschikking van de rechtbank Zeeland West Brabant, locatie Breda d.d. 14 juni 2023 met kenmerk C/02/357064 FA RK 19-1732 te vernietigen voor zover het de overweging van de rechtbank in rov. 2.7 betreft en opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat rov. 2.7 van de beschikking van de rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 14 juni 2023 aldus gelezen dient te worden:
“Uit de ten behoeve van de mondeling behandeling ontvangen stukken van partijen blijkt dat [B.V. 1] B.V. de aandelen van [B.V. 2] B.V. per 30 december 2022 heeft verkocht aan [B.V. 3] B.V. voor een bedrag ter hoogte van € 437.500,00. Voorts is gebleken dat [B.V. 4] (het hof begrijpt: [B.V. 4] B.V.) 100% aandeelhoudster is van [B.V. 3] B.V., de vrouw 90% van de aandelen in [B.V. 4] B.V. houdt en dat de vrouw de bestuurder is van laatstgenoemde [B.V. 4] B.V.”
Dan wel een zodanig beslissing te nemen ten aanzien van rechtsoverweging 2.7 voornoemd als uw gerechtshof geraden acht.
in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep:
met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
Het hof begrijpt de reactie van de vrouw op het incidenteel hoger beroep van de man aldus, dat zij zich niet verzet tegen toewijzing van de grief van de man.
5. De motivering van de beslissing
Ontvankelijkheid
Bij beschikking van 31 oktober 2023 heeft de rechtbank bepaald dat van de beschikking gewezen op 14 juni 2023 hoger beroep kan worden ingesteld voordat de eindbeschikking is gewezen en heeft de rechtbank iedere beslissing aangehouden. De grieven van de vrouw richten zich niet alleen tegen de beschikking van 14 juni 2023, maar eveneens tegen de beschikkingen van 25 augustus 2021 en 3 april 2020.
De man refereert zich aan het oordeel van het hof voor wat betreft het antwoord op de vraag of de vrouw tijdig hoger beroep heeft ingesteld. Eveneens refereert de man zich aan het oordeel van het hof of de vrouw ontvankelijk is in haar hoger beroep tegen de tussenbeschikkingen van 25 augustus 2021 en 3 april 2020.
Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1924) overweegt het hof dat de vrouw tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van 14 juni 2023. Uit deze uitspraak van de Hoge Raad (rov. 3.2.4) volgt dat het “hoger beroep dient te worden ingesteld voordat de appeltermijn is verstreken, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis waarbij tussentijds hoger beroep is opengesteld.” Verder volgt uit dat arrest (rov. 3.2.6) dat het “voorgaande (…) van overeenkomstige toepassing [is] op tussentijds hoger beroep van tussenbeschikkingen op de voet van art. 358 lid 4 Rv en op tussentijds beroep in cassatie op de voet van art. 401a lid 2 Rv, in verzoekprocedures in verbinding met art. 426 lid 4 Rv.”
Nu de vrouw binnen drie maanden – te rekenen vanaf 31 oktober 2023 – hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van 14 juni 2023, kan zij derhalve ontvangen worden in dit hoger beroep.
Uit voornoemd arrest, dat – zoals hiervoor reeds is overwogen – via de schakelbepaling van art. 358 lid 4 Rv van overeenkomstige toepassing is op verzoekschriftprocedures – blijkt voorts dat de vrouw ook kan worden ontvangen in haar hoger beroep, voor zover dit zich richt tegen eerdere tussenbeschikkingen:
“3.2.2. (…) c. Heeft de rechter met betrekking tot een tussenvonnis geen tussentijds hoger beroep opengesteld maar met betrekking tot een later tussenvonnis wel, dan kan ter gelegenheid van het tussentijds hoger beroep van het latere tussenvonnis ook het eerdere tussenvonnis in het hoger beroep worden betrokken, zonder dat daarbij ook tegen het latere tussenvonnis grieven behoeven te worden gericht.”
De ontvankelijkheid van het hoger beroep, gericht tegen de beschikkingen van 14 juni 2023, 25 augustus 2021 en 3 april 2020, is daarmee gegeven.
Overeenstemming
Het hof stelt allereerst vast dat, zoals blijkt uit de hiervoor onder rov. 2.4 genoemde V-formulieren, partijen (gedeeltelijk) overeenstemming hebben bereikt over de door de vrouw opgeworpen grief – grief III – ter zake de aanslagen IB en de rekening-courant-schuld, alsmede ten aanzien van de vermeerdering van haar verzoeken. Partijen zijn het erover eens dat:
op de peildatum een schuld aanwezig was van € 262.533 ten aanzien van aanslagen inkomstenbelasting van de vrouw tot en met het jaar 2018, welke schulden na de peildatum door de vrouw zijn voldaan, zodat de vrouw een regresrecht heeft op de man ter hoogte van 50% van dit bedrag;
op peildatum een vordering aanwezig was van de man op de belastingdienst in verband met aanslagen inkomstenbelasting van de man tot en met het jaar 2018, welke vordering aan de man wordt toegedeeld onder de gehoudenheid de helft van dit bedrag aan de vrouw te voldoen;
ieder de eigen aanslagen IB 2019 voor zijn eigen rekening neemt (voor zover het een te betalen bedrag betreft) c.q. behoudt (voor zover het een te ontvangen bedrag betreft), zonder verrekening met de ander;
op de peildatum een vordering in rekening-courant aanwezig was op [B.V. 1] B.V. ter hoogte van € 214.095,--, welke vordering aan de vrouw wordt toegedeeld onder de gehoudenheid de helft hiervan aan de man te voldoen;
voornoemde bedragen worden met elkaar verrekend, evenals de andere bedragen die partijen over en weer op grond van eerdere beschikkingen van de rechtbank nog aan elkaar verschuldigd zijn en waarover geen discussie bestaat. Dit leidt tot het volgende overzicht:
Vermogensbestanddeel
Man aan vrouw betalen
Vrouw aan man betalen
Banksaldo man [rekeningnummer 1] (betaal) ad € 322,00
€ 161,00
Banksaldo man [rekeningnummer 1]
(spaar) ad € 800,00
€ 400,00
Banksaldo vrouw [rekeningnummer 2]
(betaal) ad € 1.716,81
€ 858,40
Polis [verzekeringsmaatschappij] [nummer 1]
(uitgekeerde waarde € 13.561,71)
€ 6.780,86
Polis [verzekeringsmaatschappij] [nummer 2]
(uitgekeerde waarde
€ 42.987,24)
€ 21.493,62
Motor man (€ 4.500)
€ 2.250,00
Aanslag IB 2017 man
(teruggave ad € 2.397)
€ 1.198,50
Aanslag IB 2018 man
(teruggave ad € 2.423)
€ 1.211,50
Aanslagen IB vrouw
(2017 en 2018 na middeling totaal € 262.533)
€ 131.266,50
r-c vordering op B.V. ad
€ 214.095
€ 107.047,50
TOTAAL
€ 164.761,98
€ 107.905,90
Na verrekening resteert een door de man aan de vrouw te betalen bedrag van € 164.761,98 min € 107.905,90 is € 56.856,08. Dit door de man aan de vrouw verschuldigde bedrag wordt verrekend met het door de vrouw uit hoofde van de verdeling van de aandelen in aanvulling op de reeds betaalde voorschotten nog aan de man verschuldigde bedrag (PM), zodat de man thans niets aan de vrouw hoeft te betalen. Indien de vrouw nog een bedrag aan de man moet betalen in verband met de door hem gestelde schuld aan zijn moeder op de peildatum, komt dit bedrag in mindering op voornoemd bedrag van € 56.856,08. De vrouw verzoekt het deze afspraken “op te nemen” in de te geven beschikking en trekt haar de verzoeken uit het beroepschrift onder 1 t/m 3 in en zij verklaart dat ter beslissing enkel nog voorliggen de grieven I (peildatum waardering) en II (schulden moeder man) van de vrouw. De man heeft hiermee ingestemd. Het hof begrijpt het verzoek van partijen aldus dat zij over en weer veroordeling wensen tot nakoming van hetgeen zij zijn overeengekomen. Aldus zal worden beslist.
Grief man in incidenteel hoger beroep
Het hof stelt verder vast dat de vrouw geen verweer heeft gevoerd tegen het door de man ingestelde incidenteel hoger beroep. Sterker nog, in haar verweerschrift op het incidenteel hoger beroep “merkt [de vrouw] in reactie op deze grief op dat hetgeen de man onder de toelichting op deze grief vermeldt, correct is.” Voorts “constateert [zij] dan ook dat de door de man opgeworpen grief in feitelijke zin correct is.” Partijen zijn het er aldus over eens dat rechtsoverweging 2.7 van de beschikking van de rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 14 juni 2023 een onjuiste weergave van de feiten bevat. De feiten zijn, zoals door de man in het petitum van zijn incidenteel hoger beroep weergegeven (zie hiervoor rov. 4.6). Van die feiten, voor zover van belang, zal dan ook worden uitgegaan.
Het voorgaande brengt met zich dat thans bij het hof nog enkel ter bespreking voorliggen de grieven I (de peildatum voor de waardering van de aandelen in [B.V. 1] B.V.) en II (de schulden aan de moeder van de man) van de vrouw. Het hof zal deze grieven hieronder bespreken.
Grief I vrouw: peildatum waardering aandelen [B.V. 1] B.V.
Deze grief van de vrouw richt zich tegen rov. 2.14 van de beschikking van 14 juni 2023. Daarin heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“De rechtbank is van oordeel dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in onderhavig geval met zich brengen dat als peildatum heeft te gelden de dag vóór verkoop van de dochteronderneming [B.V. 2] B.V., ofwel 29 december 2022. Daarbij heeft de rechtbank onder meer betrokken de recente verkoop van deze aandelen en de voorliggende vraag of hiervoor een te lage, niet marktconforme, prijs is voldaan. Daarbij merkt de rechtbank op dat ten aanzien van de waardering van de aandelen op de peildatum 29 december 2022 vanuit praktisch oogpunt daarvoor kan worden aangesloten bij de gebruikelijke boekhoudkundige waarderingsdatum van 31 december 2022 blijkend uit de jaarcijfers 2022 met uitzondering van (lees: normalisatie) van de verkoop van de dochteronderneming [B.V. 2] B.V.”
De vrouw geeft expliciet aan dat zij zich niet verzet tegen een deskundigenonderzoek, noch tegen de door de rechtbank geformuleerde (en naar aanleiding van het commentaar van
de vrouw aangepaste) vragen, noch tegen de persoon van de door de rechtbank voorgestelde deskundige.
Zij is het evenwel niet eens met de peildatum die de rechtbank hanteert voor waardering van de aandelen in [B.V. 1] B.V. (29 december 2022). De peildatum voor waardering dient op grond van de redelijkheid en billijkheid primair vastgesteld te worden op de datum waarop het inleidend verzoek is ingediend (4 april 2019) dan wel subsidiair op 3 april 2020, zijnde de datum van de eerste tussenbeschikking, nu daarin is opgenomen dat partijen het – los van de financiële consequenties – eens zijn over toedeling van de aandelen in [B.V. 1] B.V. aan de vrouw.
Van meet af aan is tussen partijen duidelijk geweest dat de aandelen in [B.V. 1] B.V. aan de vrouw zouden worden toegedeeld. Hun verzoeken over en weer hielden ook steeds in dat de aandelen in [B.V. 1] B.V. aan de vrouw moesten worden toegedeeld. De vrouw wijst ook op rov. 4.46 van de beschikking van 3 april 2020, waarin de rechtbank overwoog: “In beginsel zijn partijen het erover eens dat de aandelen in [ [B.V. 1] B.V.] aan de vrouw kunnen worden toebedeeld. De vrouw heeft daarbij evenwel een voorbehoud gemaakt, in die zin dat dit enkel en alleen zo kan en zal zijn, als zij ook financieel in staat is om deze aandelen met de man af te rekenen.". Het mediationtraject dat partijen bij dhr. [betrokkene] hebben doorlopen, ging ook enkel over de waardering van de aandelen. Weliswaar is na het mislukken van dit traject verkoop van de aandelen ter sprake gekomen en is daarover gedebatteerd, maar partijen hebben tijdens het vervolg van de procedure nog altijd primair verzocht om toedeling van de aandelen aan de vrouw. Zij wijst in dit verband op rov. 2.7 en rov. 2.8 van de beschikking van 25 augustus 2021, waarin de verzoeken over en weer zijn samengevat. Eveneens wijst zij op rov. 2.14 van die beschikking, waaruit blijkt dat de discussie enkel ging over de waardering van de aandelen in [B.V. 1] B.V.. Ook nadien is door de man nog steeds verzocht om toedeling van die aandelen aan de vrouw. De vrouw wijst in dit verband op het gewijzigde verzoek van de man d.d. 24 januari 2023.
Kortom, toedeling van de aandelen in [B.V. 1] B.V. aan de vrouw is van meet af aan niet in geschil. De man heeft ook reeds verschillende voorschotten ontvangen op de verdeling van de aandelen in [B.V. 1] BV.
Voorts is van belang dat de vrouw altijd feitelijk de onderneming heeft gevoerd, zowel vóór als ná de ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Waardewijzigingen sinds de indiening van het inleidend verzoek zijn uitsluitend het gevolg van het door de vrouw gevoerde beleid, haar persoonlijke inzet en arbeidsinspanningen. Tot slot voert de vrouw aan dat partijen al sedert februari 2017 gescheiden wonen en de scheidingsmelding dateert van april 2018. Er is dan ook sprake van een groot tijdsverloop sinds de beslissing om uiteen te gaan. Gelet op voormelde omstandigheden dienen waardestijgingen, maar ook waardedalingen van de aandelen na de ontbinding van het geregistreerd partnerschap voor rekening en risico van de vrouw te komen.
De man voert hiertegen het volgende aan. Hij vindt de door de rechtbank gehanteerde peildatum voor waardering van de aandelen in [B.V. 1] B.V. wél juist. Volgens de man heeft geenszins van meet af aan tussen partijen vastgestaan dat de aandelen in [B.V. 1] B.V. aan de vrouw zouden worden toebedeeld. De vrouw heeft steeds wisselende standpunten ingenomen over het al dan niet toegedeeld willen krijgen van de aandelen.
Voorafgaande aan de procedure is inderdaad onderhandeld over een regeling waarbij de aandelen aan de vrouw zouden worden toegedeeld, maar deze onderhandelingen hebben niet tot een akkoord geleid. Uit het proces-verbaal van de zitting van 4 februari 2020 blijkt ook dat de vrouw duidelijk te kennen heeft gegeven dat zij de aandelen in [B.V. 1] B.V. niet tegen iedere prijs wilde overnemen. Tijdens de zitting van 4 februari 2020 is besloten tot mediation. Als toedeling aan de vrouw niet ter discussie had gestaan, was wel gekozen voor een deskundige om de waarde van de aandelen te bepalen. Na het mislukken van de mediation heeft de vrouw bij brief van 1 september 2020 medegedeeld tot verkoop van haar bedrijf over te zullen gaan en bij brief van 16 oktober 2020 laat de vrouw weten dat zij geen aandelen toegedeeld wenst te krijgen. Niet van de holding ( [B.V. 1] B.V.) en niet van werkmaatschappij ( [B.V. 2] B.V.). De man gaat mee in de verkoopwens van de vrouw, zoals ook blijkt uit zijn brief van 25 februari 2021.
Het primaire verzoek van de vrouw om de aandelen toegedeeld te krijgen, was enkel bedoeld om de onderneming in alle rust te kunnen verkopen, zonder bemoeienissen van de man. In de beschikking van 25 augustus 2021 zijn de afspraken tussen partijen over het verkoopproces van de aandelen van [B.V. 2] B.V. vastgelegd. Kortom, tussen partijen heeft geenszins van meet af aan tussen partijen vastgestaan dat de aandelen in [B.V. 1] B.V. aan de vrouw zouden worden toegedeeld. Op dit punt wijkt deze zaak dan ook wezenlijk af van de casus in de jurisprudentie waar de vrouw naar verwijst. Bovendien ging het in die casus veelal om eenmanszaken en/of een eenmans B.V. en niet om een onderneming met een vergelijkbare omvang als [B.V. 1] B.V./ [B.V. 2] B.V. De vrouw maakte echter weinig haast met de verkoop van de aandelen, en uit wanhoop verzoekt de man de rechtbank om de aandelen in [B.V. 1] B.V. aan de vrouw toe te delen voor € 1.500.000,--. Eind 2022/begin 2023 meldt de vrouw plots dat [B.V. 1] B.V. haar aandelen in [B.V. 2] B.V. verkocht heeft aan [B.V. 3] B.V., van welke bv [B.V. 4] B.V. 100% aandeelhouder is. De vrouw is voor 90% aandeelhouder in [B.V. 4] B.V. en haar dochter voor 10%. Praktisch komt dit erop neer dat de vrouw de aandelen in de werkmaatschappij aan zichzelf heeft verkocht. De man betwist dat de aandelen voor een zakelijke waarde (van € 437.500,--) zijn verkocht. Door verkoop van de activiteiten in de werkmaatschappij, is [B.V. 1] B.V. in feite nu niet meer dan een bv die gereed gemaakt dient te worden voor liquidatie. Onder deze omstandigheden kan niet betoogd worden dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat vanaf de datum van indiening van het verzoek tot ontbinding geregistreerd partnerschap, althans per 3 (het hof begrijpt:) april 2020 de ondernemersrisico's in positieve en negatieve zin enkel op de vrouw rusten.
Het hof oordeelt als volgt. Uit art 1:80b BW blijkt dat de titels uit boek 6, 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing zijn op het geregistreerd partnerschap. De gemeenschap van het geregistreerde partnerschap is op grond van het aldus toepasselijke art. 1:99 lid 1 aanhef en sub b van het BW ontbonden op de datum waarop het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap is ingediend bij de rechtbank, te weten 4 april 2019. Die datum is ook bepalend voor de samenstelling van de gemeenschap.
Tot de gemeenschap behoren de aandelen in [B.V. 1] B.V. Beide partijen hebben de rechtbank verzocht de verdeling van de aandelen vast te stellen (bs 3 april 2020, rov. 3.1 en 3.2). De rechtbank heeft, bij beschikking van 3 april 2020, daarover als volgt overwogen:
“In beginsel zijn partijen het er over eens dat de aandelen in [ [B.V. 1] B.V.] aan de vrouw kunnen worden toebedeeld. De vrouw heeft daarbij evenwel een voorbehoud gemaakt, in die zin dat dit enkel en alleen zo kan en zal zijn, als zij ook financieel in staat is om deze aandelen met de man af te rekenen. De in de verdeling in aanmerking te nemen waarde van de aandelen houdt partijen verdeeld.” (bs 3 april 2020, rov. 4.46).
Met deze overweging heeft de rechtbank (nog) niet op de voet van art. 3:185 BW de verdeling van de aandelen vastgesteld. De rechtbank heeft niet beslist dat zij de aandelen zal toedelen aan de vrouw. De rechtbank heeft de beslissing op dit punt uitdrukkelijk aangehouden (bs, 3 april 2020, rov. 4.47) en ook uit de beschikking van 25 augustus 2021, rov. 2.10 volgt dat de rechtbank nog geen bindende eindbeslissing heeft gegeven over de verdeling van de aandelen. Ook volgens de vrouw zelf, in de toelichting op haar grief, is de verdeling van de aandelen niet vastgesteld en zijn de aandelen niet verdeeld. Evenmin heeft de rechtbank (al dan niet vanwege het voorbehoud dat de vrouw maakt) een wijze van verdeling van de aandelen gelast (art. 3:185 lid 1 BW).
Voor de financierbaarheid door de vrouw van de aanspraak van de man (uit hoofde van zijn onderbedeling) is de waarde van de aandelen bepalend. Het voortduren van het geschil van partijen over de waarde staat echter aan de uiteindelijk door beide partijen beoogde levering en overgang van de aandelen in de weg. Of deze nu tot stand komen nadat de rechter een verdeling van de aandelen heeft vastgesteld of eventueel een wijze van verdeling daarvan heeft gelast. Vooruitlopend op die vaststelling (of gelasting) kunnen partijen een peilmoment voor waardering van de te verdelen aandelen overeenkomen. Partijen hebben niet betoogd dat zij een peilmoment zijn overeengekomen.
Ook uit de overeenstemming die partijen hebben bereikt (bs. 25 augustus 2021, rov. 2.10) over de verkoop van [B.V. 2] B.V. (een 100%-dochtermaatschappij van [B.V. 1] B.V.) valt een afspraak van partijen over het peilmoment voor de waardering van de aandelen in de moedermaatschappij [B.V. 1] B.V niet zonder meer af te leiden. Zijdens de vrouw is op de mondelinge behandeling voor het hof ook onweersproken verklaard dat de waarde van de aandelen in de dochtermaatschappij niet gelijk is aan waarde van de aandelen in de moedermaatschappij [B.V. 1] B.V.
Op basis van de redelijkheid en billijkheid kan ook een andere datum voor de waardering van de aandelen in [B.V. 1] B.V. dan de (in dit geval) toekomstige datum van vaststelling van de verdeling worden aanvaard (in die zin HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1722). Vast is komen te staan dat de man nimmer – niet vóór en niet ná indiening van het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap – enige bemoeienis heeft gehad met de onderneming(en). Niet met de holding [B.V. 1] B.V. noch met de werkmaatschappij [B.V. 2] B.V., noch met de rechtsvoorganger van [B.V. 1] B.V., te weten de eenmanszaak [eenmanszaak] (en de in die rechtsvormen uitgeoefende onderneming(en)). Het was en is de vrouw die immer de onderneming(en) heeft gevoerd. Zij heeft het beleid van de onderneming(en) bepaald en daartoe arbeidsinspanningen geleverd. Waardestijgingen en dalingen van de aandelen zijn haar toe te schrijven of aan te rekenen, niet de man. Vanaf het moment van indiening van het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, dienen deze waarde-fluctuaties dan voor rekening van de vrouw te komen. Op dat moment is de relationele solidariteit ter zake van deze aandelen ook geëindigd (vgl. ook Kamerstukken II 2002/2003 28 867, nr. 3, p. 27). De man hoeft in deze omstandigheden de waardeverminderingen van de aandelen nadien dan niet meer voor zijn rekening te laten komen, maar hij profiteert ook niet meer van waardestijgingen nadien. Dit betekent dat het hof zal uitgaan van de datum waarop het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap bij de rechtbank is ingediend (4 april 2019).
De overeenstemming die partijen hebben bereikt (bs. 25 augustus 2021, rov. 2.10) over de verkoop van de aandelen in [B.V. 2] B.V. (een 100%-dochtermaatschappij van [B.V. 1] B.V.) en de daarop volgende verkoop van die aandelen legt onvoldoende gewicht in de schaal om van een andere, latere datum uit te gaan. Met het door partijen met hun overeenstemming ingezette verkooptraject is het door hen kennelijk beoogde doel om op de een of andere manier tot een verdeling van de aandelen in de moedermaatschappij te komen niet bereikt. Het traject is gestrand met een geschil over de verkoopopbrengst van de aandelen in de dochtermaatschappij. De vrouw ging, kort weergegeven, uit van de ontvangen verkoopopbrengst, volgens de man was dit niet de waarde in het economische verkeer en moest van die laatste waarde worden uitgegaan. Op dat geschil heeft de rechtbank echter niet meer beslist. Daarbij is nog onduidelijk gebleven hoe de verkoopopbrengst van de aandelen in de dochtermaatschappij zou moeten meewegen bij hetgeen partijen verzoeken, namelijk de verdeling van de aandelen in de moedermaatschappij. De vrouw heeft, zoals hiervóór al overwogen, onweersproken verklaard dat de waarde van de aandelen in de dochtermaatschappij niet gelijk te stellen is met de waarde van de aandelen in de moedermaatschappij [B.V. 1] B.V. en de opmerking van de man dat door verkoop van de activiteiten in de werkmaatschappij, [B.V. 1] B.V. in feite nu niet meer is dan een bv die gereed gemaakt dient te worden voor liquidatie, doet aan die verklaring onvoldoende af. In plaats van voltooiing van het ingezette traject, heeft de vrouw voor de rechtbank het standpunt betrokken dat de aandelen per 1 januari 2022 moeten worden gewaardeerd (omdat dit het meest praktisch en gunstig is voor beide partijen), en is volgens de man een peildatum per heden redelijk (omdat de aandelen nog niet zijn verdeeld), (bs 14 juni 2023, rov. 2.10 en 2.11; thans, in hoger beroep, wenst de vrouw uit te gaan van de peildatum 4 april 2019, de man is het eens met de door de rechtbank gehanteerde peildatum voor waardering van de aandelen in [B.V. 1] B.V.). Hetgeen partijen meer of anders aanvoeren, leidt niet tot een andere peildatum voor de waardering van de aandelen in [B.V. 1] B.V dan 4 april 2019.
Het voorgaande betekent dat de grief van de vrouw in zoverre slaagt. Het hof ziet geen aanleiding de zaak aan zich te houden. Dat is de beslissing die de man ook wenst. Hetgeen hij in dat verband nog aanvoert, behoeft geen verdere bespreking.
Grief II vrouw: Schulden aan moeder van de man
Deze grief richt zich tegen rov. 4.58, 4.59 en 4.60 van de beschikking van 3 april 2020. Daarin heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“4.58. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de man op 28 augustus 2018 respectievelijk op 28 oktober 2018 schulden bij zijn moeder is aangegaan. Het aan de moeder verschuldigde bedrag is € 21.800,=. Tussen partijen staat vast dat, na correctie van bedragen die alleen voor rekening van de man komen (zijnde de door de man opgevoerde advocaatkosten ter hoogte van € 1.500,=, € 614,+ en € 299,= (totaal € 2.413,=), het restantbedrag van de schulden per peildatum € 19.387,= bedraagt. Primair stelt de vrouw dat de schulden verknocht zijn en dat deze geheel voor rekening van de man komen. Subsidiair voert zij, naar de rechtbank begrijpt, aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om uit te gaan van een draagplicht op basis van 50%-50%; alleen de man heeft immers geprofiteerd van alle uitgaven.
De man dient ter zake rekening en verantwoording aan de vrouw af te leggen.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:94 lid 3 BW vallen schulden die aan een der partijen op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hier niet tegen verzet. Het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan één van partijen verknocht is en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt hangt af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvatting wordt bepaald. Bij de aard van de schuld gaat om het hoogstpersoonlijke karakter ervan (onder andere Hoge Raad 7 december 2012/NJ 2013, 141). Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele stelling dat de schulden verknocht zijn zonder nadere onderbouwing onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van verknochtheid zoals bedoeld in voornoemde jurisprudentie. Dit betekent dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de schulden gemeenschappelijk zijn waarvoor beide partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn in de zin van artikel 1:100 lid 1 BW. De enkele omstandigheid dat de vrouw niet geprofiteerd heeft van de geleende gelden en niet weet waaraan ze uitgegeven zijn, is onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. Ook aan het subsidiaire standpunt van de vrouw wordt voorbij gegaan. Haar verzoek om rekening en verantwoording ter zake door de man te laten afleggen wordt afgewezen.
Het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen om een bedrag aan hem te voldoen ter hoogte van de helft van de schulden aan zijn moeder, wordt afgewezen. Pas wanneer de man meer dan zijn aandeel aan zijn moeder zal hebben voldaan, heeft hij voor het meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de vrouw. Daarvan is niet gebleken.”
De vrouw wijzigt in hoger beroep haar standpunt, in die zin dat zij thans primair betoogt dat ten aanzien van de overeenkomst van 28 oktober 2018 sprake is van een lichtvaardig gemaakte schuld als bedoeld in art. 1:164 BW, hetgeen als gevolg heeft dat de man de hierdoor geleden schade aan de gemeenschap moet vergoeden.
In ieder geval geldt ten aanzien van zowel de overeenkomst van 28 augustus 2018 als ten aanzien van de overeenkomst van 28 oktober 2018 dat de schulden, voor zover deze zien op advocaatkosten, volledig door de man moeten worden gedragen.
Uit de formulering van de overeenkomsten blijkt dat de geldleningen in elk geval gedeeltelijk hebben gezien op de juridische kosten van de man. Nu de man gesteld noch onderbouwd heeft welk bedrag van de totale lening ziet op juridische kosten, moet het ervoor gehouden worden dat de volledige geleende bedragen zagen op juridische kosten.
Een gelijke draagplicht voor deze schulden is op grond van maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Subsidiair, voor zover met de geleende gelden inboedel is aangekocht, dan dient die inboedel in de verdeling betrokken te worden. De man is dan gehouden € 12.000,-- aan de vrouw te voldoen.
De man verweert zich. Hij stelt dat de vrouw niet-ontvankelijk is, voor zover zij een beroep doet op het bepaalde in art. 1:164 BW, aangezien zij dit verzoek uiterlijk op 30 juni 2023 had moeten instellen. In ieder geval dient haar verzoek daarom afgewezen te worden. De man meent voorts dat reeds in eerste aanleg voldoende vast is komen te staan dat de in beide overeenkomsten van geldlening genoemde bedragen daadwerkelijk aan hem uitbetaald zijn en door hem ook weer daadwerkelijk weer terugbetaald zijn. Naar de mening van de man heeft de vrouw hiertegen in dit hoger beroep onvoldoende ingebracht om ter zake tot een ander oordeel te komen. De rechtbank is in eerste aanleg al nagegaan welk gedeelte van het geleende bedrag is aangewend voor het betalen van advocaatkosten. De man heeft dit ook voldoende onderbouwd. Voor zover de man met de geleende gelden inboedel heeft aangeschaft, is dit met medeweten van de vrouw en bovendien zijn over de inboedel reeds afspraken gemaakt: ieder zou de inboedel behouden die hij/zij feitelijk onder zich had. Daarop kan nu niet worden teruggekomen.
Het hof stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat de man op 28 augustus 2018 en op 28 oktober 2018 geldbedragen van zijn moeder heeft geleend ten bedrage van in totaal € 21.800,--, waarvan een bedrag van € 2.413,-- alleen voor rekening van de man komt, omdat dit advocaatkosten betreft, waardoor er op de peildatum nog een schuld resteert van € 19.387,--.
Voor zover de vrouw haar verzoek heeft gewijzigd en thans voor het eerst, onder verwijzing naar art. 1:164 lid 1 BW, heeft gesteld dat de man deze schulden lichtvaardig is aangegaan en zich beroept op de in dat artikel genoemde rechtsgevolgen, kan de vrouw niet in dit verzoek worden ontvangen. Immers, ingevolge art. 1:164 lid 2 BW (dat van overeenkomstige toepassing is op het geregistreerd partnerschap) kan een op art. 1:164 lid 1 BW gegronde rechtsvordering niet later worden ingesteld dan drie jaren na de inschrijving van de beschikking waarin het geregistreerd partnerschap is ontbonden. Dit betekent dat de vrouw haar vordering uiterlijk 30 juni 2023 had moeten instellen. Nu de vrouw dit verzoek eerst op 29 januari 2024 heeft gedaan, is dit verzoek buiten de daartoe gestelde wettelijke termijn ingediend. Dit heeft tot gevolg dat zij niet in dit verzoek kan worden ontvangen.
Het hof stelt voorts vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de schulden die voortvloeien uit de geldleningen van 28 augustus 2018 en 28 oktober 2018, voor zover deze zien op advocaatkosten van de man, volledig door de man moeten worden gedragen. De vrouw is echter van mening dat álle schulden volledig door de man gedragen moeten worden, nu het ervoor gehouden moet worden dat deze allemaal betrekking hebben op advocaatkosten en daarom een gelijke draagplicht op grond van maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De vrouw heeft deze stelling – in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door de man – echter onvoldoende onderbouwd, zodat dit verzoek moet worden afgewezen.
Voor zover de vrouw nog heeft gesteld dat de man met de geleende gelden inboedelgoederen heeft aangeschaft, welke inboedelgoederen in de verdeling betrokken dienen te worden overweegt het hof dat de verdeling van de inboedelgoederen reeds tot stand gekomen is, waardoor er thans geen rol voor het hof meer is weggelegd. Het hof wijst op rov. 4.45 van de beschikking van 3 april 2020:
“De inboedel (waaronder begrepen de inboedel uit de voormalig door partijen gezamenlijk bewoonde woning, de inboedel in de huurwoning van de man en de inboedel in de huidige woning van de vrouw) is ook tussen partijen feitelijk verdeeld, in die zin dat ieder behoudt wat zij of hij onder zich heeft zonder nadere verrekening. Partijen zijn het erover eens dat de verdeling van deze bestanddelen hiermee is afgewikkeld en geen nadere beoordeling van de rechtbank behoeft.”
Het voorgaande brengt met zich dat grief II van de vrouw niet slaagt.
6. De slotsom
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof beslissen als hierna te melden.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen voormalig geregistreerd partners zijn en de procedure de verdeling van de gemeenschap van het geregistreerd partnerschap betreft.
7. De beslissing
Het hof:
veroordeelt partijen over en weer tot nakoming van hetgeen zij zijn overeengekomen zoals hierboven in rov. 5.4 is weergegeven;
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek op grond van artikel 1:164 BW;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 14 juni 2023 voor zover in die beschikking in rov. 2.14 is beslist dat als peildatum voor waardering van de aandelen in [B.V. 1] B.V. heeft te gelden 29 december 2022 en, in zoverre, opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de peildatum voor waardering van de aandelen in [B.V. 1] B.V. de datum is waarop het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap is ingediend, te weten 4 april 2019;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, A.J.F. Manders, en H.J. Witkamp en is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025 door mr. M.J. van Laarhoven in tegenwoordigheid van de griffier.