GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 22 mei 2025
Zaaknummer : 200.353.529/01
Zaaknummer eerste aanleg : [insolventienummer]
in de zaak in hoger beroep van:
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. G. Konus te Oosterhout.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 8 mei 2025.
2. Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 april 2025, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te bepalen dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling eerder is aangevangen dan de dag van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[appellante] , bijgestaan door mr. Konus;
mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder;
mevrouw [beschermingsbewindvoerder] , werkzaam bij [B.V.] B.V.: hierna te noemen: beschermingsbewindvoerder.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het emailbericht van mr. Konus van 28 april 2025;
- de brief van de bewindvoerder met producties, ingekomen ter griffie op 6 mei 2025;
- het V6-formulier van mr. Konus met producties, ingekomen ter griffie op 8 mei 2025.
3. De beoordeling
Bij vonnis van 6 juni 2024 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Een beslissing op het verzoek van [appellante] om eerdere aanvang van de looptijd van de schuldsaneringsregeling is aangehouden tot een nader te bepalen datum in afwachting van ontvangst van het daarover door de bewindvoerder binnen drie maanden na 6 juni 2024 uit te brengen advies.
De bewindvoerder heeft het advies niet uitgebracht en heeft op 29 juli 2024 namens [appellante] een verzoek tot ontheffing van de sollicitatieplicht gedaan. Dit verzoek is op 20 augustus 2025 door de rechter-commissaris afgewezen met de overwegingen dat [appellante] geen medische beperkingen zou hebben om te werken, zij geen medische gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat zij niet kan werken, de gemeente [appellante] vermoedelijk enkel vanwege de jonge schoolgaande kinderen heeft ontheven van de sollicitatieplicht en uit het rapport van [organisatie] voldoende blijkt dat zij fulltime inzetbaar is.
Op 30 september 2025 heeft de bewindvoerder opnieuw een verzoek tot ontheffing van de sollicitatieplicht ingediend. Dit verzoek is ook door de rechter-commissaris afgewezen op grond van dezelfde overwegingen.
[appellante] is vervolgens medisch gekeurd en uit het rapport van de keuringsarts van 13 november 2024 blijkt dat [appellante] belastbaar is te achten voor arbeid, die is ontdaan van stress en drukbelasting, waarbij wordt geadviseerd om rustig op te bouwen naar passende arbeid. Naar aanleiding van dit rapport en een verzoek van de bewindvoerder, is op 28 februari 2025 een verhoor ingepland. De bewindvoerder heeft tijdens het verhoor geadviseerd de looptijd van de schuldsaneringsregeling niet eerder te laten aanvangen dan vanaf de dag van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, omdat [appellante] gedurende het minnelijk traject geen enkele maand (fulltime) heeft gewerkt en zij daardoor niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting. Wel zou verkorting een optie zijn wegens een door de beschermingsbewindvoerder gespaard bedrag van € 10.000,-.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis overwogen dat niet is komen vast te staan dat [appellante] tijdens het minnelijke voortraject de daaruit voortvloeiende inspanningsverplichting voldoende is nagekomen, aangezien zij tijdens het minnelijk voortraject niet 36 uur per week heeft gewerkt en/of vier keer per maand heeft gesolliciteerd en de keuringsarts heeft gerapporteerd dat zij vanaf 6 juni 2023 in staat was om fulltime arbeid te gaan verrichten, ontdaan van stress en drukbelasting waarbij rekening kan worden gehouden met haar omstandigheden. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat de looptijd van de toepassing van de schuldsaneringsregeling is aangevangen op 6 juni 2024.
[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Heel kort samengevat stelt zij dat zij haar inspanningsverplichting gedurende het minnelijk voortraject voldoende is nagekomen doordat ze het door de gemeente ingezette traject naar werk heeft gevolgd en op de beheerrekening van de beschermingsbewindvoerder een bedrag van € 10.000,- heeft gespaard. Volgens [appellante] heeft zij zich hiermee tot het uiterste ingespannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. Omdat zij tijdens het minnelijke voortraject al het maximaal haalbare resultaat heeft gerealiseerd ten behoeve van haar schuldeisers is er aanleiding om te bepalen dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling eerder dient aan te vangen dan op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Nadat het hof een mondelinge behandeling heeft gehouden overweegt het hof dat, alvorens te kunnen beslissen op het verzoek om de termijn eerder te laten aanvangen, namens [appellante] een doorlopend mutatieoverzicht van het door haar gespaarde bedrag op de beheerrekening aan het hof moet worden overgelegd.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4. De uitspraak
Het hof:
bepaalt dat [appellante] het in r.o. 3.7 genoemde overzicht van de beheerrekening van [appellante] uiterlijk 19 juni 2025 aan het hof overlegt;
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, N.W.M. van den Heuvel en R.L.G. Kraaijvanger en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025.