ECLI:NL:GHSHE:2025:1479

ECLI:NL:GHSHE:2025:1479, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27-05-2025, 200.331.924_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 27-05-2025
Datum publicatie 30-12-2025
Zaaknummer 200.331.924_01
Rechtsgebied Civiel recht; Ondernemingsrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Tekortkoming vennootschap in de nakoming van aannemingsovereenkomsten. Bestuurdersaansprakelijkheid, artikel 6:162 BW. Geen persoonlijk ernstig verwijt aan de bestuurder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.331.924/01

arrest van 27 mei 2025

in de zaak van

1. [appellant sub 1] ,

2. [appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [appellanten sub 1 en 2] ,

3. [appellant sub 3] ,

4. [appellante sub 4]

beiden wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [appellanten sub 3 en 4] ,

5. [appellant sub 5] ,

6. [appellante sub 6],

beiden wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [appellanten sub 5 en 6] ,

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten sub 1 t/m 6] ,

advocaat: mr. J.F.G. Godart te Heerlen,

tegen

1. [geïntimeerde sub 1] ,

2. [geïntimeerde sub 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna te noemen: [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] , gezamenlijk: [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. M.M.J.F. Sijben te Heerlen,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 augustus 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 31 mei 2023, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellanten sub 1 t/m 6] als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden.

1. De zaak in het kort

[geïntimeerde sub 1] is indirect bestuurder van [X Bouw B.V.] (hierna: [X Bouw B.V.] ).

[X Bouw B.V.] heeft met [appellanten sub 1 t/m 6] aannemingsovereenkomsten gesloten op grond waarvan zij voor hen tegen betaling van vaste prijzen woningen zou bouwen. Zij heeft als gevolg van haar faillissement de woningen niet kunnen afbouwen. [appellanten sub 1 t/m 6] stellen [geïntimeerde sub 1] als (indirect) bestuurder persoonlijk aansprakelijk voor de door hen als gevolg hiervan geleden schade.

[X Bouw B.V.] heeft daarnaast met [appellant sub 5] , handelend onder de naam [X management] , een overeenkomst van opdracht gesloten op grond waarvan [appellant sub 5] tegen betaling van een vergoeding als klantadviseur van [X Bouw B.V.] heeft opgetreden. [X Bouw B.V.] heeft de door haar verschuldigde vergoeding voor door [appellant sub 5] in maart 2021 verrichte werkzaamheden niet betaald. [appellant sub 5] stelt [geïntimeerde sub 1] als (indirect) bestuurder persoonlijk hiervoor aansprakelijk.

2. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/302259 / HA ZA 22-96)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

3. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep met productie;

de memorie van grieven met producties 115 tot en met 125;

de memorie van antwoord;

de akte overlegging bewijs van [appellanten sub 1 t/m 6] van 2 april 2024 met productie 126;

de antwoordakte van [geïntimeerden] van 16 april 2024;

de akte overlegging bewijs van [appellanten sub 1 t/m 6] van 16 april 2024 met producties 127 tot en met 129;

de antwoordakte van [geïntimeerden] van 14 mei 2024;

de mondelinge behandeling, waarbij de advocaten van partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en voorgedragen;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

4. De feiten

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

[X Bouw B.V.] is opgericht op 4 december 2019. [X B.V] is enig aandeelhouder en bestuurder van [X Bouw B.V.] . [Y beheer B.V] is op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder van [X B.V] Enig aandeelhouder en bestuurder van [Y beheer B.V] is [geïntimeerde sub 1] .

[X Bouw B.V.] had een concept voor woningbouw, waarbij een woning voor een vaste prijs wordt gebouwd en zij voor de bouw een beperkte winst van ongeveer € 18.000,00 ontvangt. Meer- en minderwerk van afnemers wordt tegen kostprijs, zonder opslagen, verrekend. In de diverse aannemingsovereenkomsten is telkens het volgende overeengekomen: “Doorberekening van meerdere of mindere kosten ten gevolge van wijziging van lonen, sociale lasten en materiaalprijzen is uitgesloten.”

De woningen worden met een korte voorbereidingstijd en korte bouwtijd (vanwege de gebruikte prefab onderdelen en houten constructies) gerealiseerd.

[appellanten sub 5 en 6] hebben op 3 september 2020 een aannemingsovereenkomst gesloten met [X Bouw B.V.] , nadat zij vanaf juni 2020 hadden onderhandeld met [geïntimeerde sub 1] . Overeengekomen is dat [X Bouw B.V.] een woning voor de vaste prijs van € 334.076,00 inclusief btw zou bouwen. Zij hebben van de aanneemsom in totaal € 223.051,52 in termijnen betaald.

[appellanten sub 1 en 2] hebben op 14 oktober 2020 een aannemingsovereenkomst gesloten met [X Bouw B.V.] . Overeengekomen is dat [X Bouw B.V.] een woning zou bouwen voor de vaste prijs van € 310.525,00 inclusief btw. [appellanten sub 1 en 2] hebben in totaal € 204.947,00 van de aanneemsom in termijnen betaald. Daarnaast hebben zij voor extra, aanvankelijk niet-overeengekomen werk, een bedrag van € 15.339,05 betaald.

[appellanten sub 3 en 4] hebben op 15 oktober 2020 een aannemingsovereenkomst gesloten met [X Bouw B.V.] . Overeengekomen is dat [X Bouw B.V.] een woning zou bouwen voor de vaste prijs van € 339.952,00 inclusief btw. [appellanten sub 3 en 4] hebben in totaal

€ 122.382,72 van de aanneemsom in termijnen betaald. Daarnaast hebben zij voor extra, aanvankelijk niet-overeengekomen werk, een bedrag van € 6.171,00 betaald.

Op 31 augustus 2020 is tussen [appellant sub 5] , handelend onder de naam[X management] , en [X Bouw B.V.] een overeenkomst van opdracht gesloten, op basis waarvan [appellant sub 5] voor [X Bouw B.V.] tegen betaling als klantadviseur is opgetreden.

Op 31 augustus 2021 is [X Bouw B.V.] , inmiddels [Z bouw] geheten, failliet verklaard. Het faillissement is op 1 november 2022 opgeheven wegens gebrek aan baten.

5. Het geschil bij de rechtbank

[appellanten sub 1 t/m 6] hebben in eerste aanleg na wijziging van eis, samengevat, gevorderd:

- [appellanten sub 1 en 2] :

1. primair [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot van

€ 343.348,93 op de te begroten of te schatten schadevergoeding, dan wel op de nader bij staat op te maken schadevergoeding van € 343.348,93 + P.M., te vermeerderen met wettelijke rente, en de schadevergoeding te begroten of te schatten op € 343.348,93 + P.M., dan wel partijen te verwijzen naar de schadestaatprocedure;

2. subsidiair [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een door de rechtbank in goede justitie redelijk en billijk te achten bedrag;

- [appellanten sub 3 en 4]:

3. primair [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot van

€ 768.214,55 op de te begroten of te schatten schadevergoeding, dan wel op de nader bij staat op te maken schadevergoeding van € 768.214,55 + P.M., te vermeerderen met wettelijke rente, en de schadevergoeding te begroten of te schatten op € 768.241,55 + P.M., dan wel partijen te verwijzen naar de schadestaatprocedure;

4. subsidiair [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een door de rechtbank in goede justitie redelijk en billijk te achten bedrag;

- [appellanten sub 5 en 6]:

5. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van primair een voorschot van

€ 329.773,35 op de te begroten of te schatten schadevergoeding, dan wel op de nader bij staat op te maken schadevergoeding van € 329.773,35 + P.M., te vermeerderen met wettelijke rente, en de schadevergoeding te begroten of te schatten op € 329.773,35 + P.M., dan wel partijen te verwijzen naar de schadestaatprocedure;

6. subsidiair [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een door de rechtbank in goede justitie redelijk en billijk te achten bedrag.

[appellant sub 5] heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd:

7. primair [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 9.078,94 en

€ 448,63, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente;

subsidiair een door de rechtbank in goede justitie redelijk en billijk te achten bedrag;

8. subsidiair [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een door de rechtbank in goede justitie redelijk en billijk te achten bedrag;

Allen samen hebben voorts in eerste aanleg, samengevat, gevorderd:

9. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.775,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag;

10. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, waaronder de kosten van de advocaat, en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[geïntimeerden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

Bij eindvonnis van 31 mei 2023 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten sub 1 t/m 6] afgewezen op de grond dat er geen sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid van [geïntimeerden] De rechtbank heeft [appellanten sub 1 t/m 6] vervolgens veroordeeld in de proceskosten.

6. De vorderingen in hoger beroep

[appellanten sub 1 t/m 6] voeren in hoger beroep zes grieven aan tegen voornoemd vonnis. Zij vorderen vernietiging van dit vonnis en opnieuw rechtdoende, samengevat:

voor recht te verklaren dat [geïntimeerde sub 1] aansprakelijk is voor de schade die is geleden door [appellanten sub 1 t/m 6] ;

[geïntimeerde sub 1] te veroordelen tot betaling aan [appellanten sub 5 en 6] van primair een voorschot van € 320.027,06 (althans € 229.071,04) plus € 49.376,13, subsidiair een voorschot van € 100.000,00 op de te begroten of te schatten schadevergoeding, dan wel de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure en meer subsidiair een door het hof in goede justitie redelijk en billijk te achten bedrag;

[geïntimeerde sub 1] te veroordelen tot betaling aan [appellant sub 5] van een bedrag van € 9.078,94 en € 448,63, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;

[geïntimeerde sub 1] te veroordelen tot betaling aan [appellanten sub 1 en 2] van primair een voorschot van € 311.807,16 (althans € 213.997,17) plus € 78.648,90, subsidiair een voorschot van

€ 100.000,00 op de te begroten of te schatten schadevergoeding, dan wel de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure en meer subsidiair een door het hof in goede justitie redelijk en billijk te achten bedrag;

5. [geïntimeerde sub 1] te veroordelen tot betaling aan [appellanten sub 3 en 4] van primair een voorschot van € 454.436,84 (althans € 302.430,72) plus € 290.258,83, subsidiair een voorschot van

€ 100.000,00 op de te begroten of te schatten schadevergoeding, dan wel de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure en meer subsidiair een door het hof in goede justitie redelijk en billijk te achten bedrag;

6. [geïntimeerde sub 1] te veroordelen tot betaling aan [appellanten sub 1 t/m 6] van de buitengerechtelijke incassokosten, te begroten conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;

7. [geïntimeerde sub 1] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties, de kosten van het conservatoir beslag en de nakosten.

[geïntimeerden] bestrijden de grieven en vorderen bekrachtiging van het bestreden vonnis, afwijzing van alle vorderingen van [appellanten sub 1 t/m 6] en hoofdelijke veroordeling van [appellanten sub 1 t/m 6] in de proceskosten en de nakosten van beide instanties.

Het hof stelt vast dat [appellanten sub 1 t/m 6] in hoger beroep zowel [geïntimeerde sub 1] als [geïntimeerde sub 2] hebben gedagvaard. In hun memorie van grieven geven [appellanten sub 1 t/m 6] echter aan dat zij berusten in het vonnis, voor zover gewezen tegen [geïntimeerde sub 2] . De grieven van [appellanten sub 1 t/m 6] zijn ook niet gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van hun vorderingen op [geïntimeerde sub 2] . Het hof zal [appellanten sub 1 t/m 6] dan ook niet-ontvankelijk verklaren in hun hoger beroep, voor zover dit hoger beroep is gericht tegen [geïntimeerde sub 2] . Hierna zal dus enkel nog de vordering van [appellanten sub 1 t/m 6] op [geïntimeerde sub 1] aan de orde zijn.

[appellanten sub 1 t/m 6] hebben verder zowel hun eis als de grondslag daarvan in hoger beroep gewijzigd. Nu [geïntimeerden] geen bezwaar hebben gemaakt tegen de eiswijziging en deze wijziging ook niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde, gaat het hof bij de beoordeling uit van de gewijzigde eis.

Met hun eerste grief komen [appellanten sub 1 t/m 6] op tegen de feitenvaststelling door de rechtbank. Zij stellen dat de rechtbank haar beslissing op een onjuist, dan wel onvolledig feitenpakket heeft gebaseerd. [appellanten sub 1 t/m 6] laten echter na aan te geven in hoeverre de rechtbank volgens hen de feiten onjuist heeft vastgesteld. Voor zover zij menen dat de rechtbank de feiten niet volledig heeft weergegeven, gaat het hof hieraan voorbij. De rechter kan een volgens hem relevante selectie van de feiten weergeven in zijn uitspraak. De door [appellanten sub 1 t/m 6] in de memorie van grieven gegeven opsomming van gebeurtenissen en omstandigheden wordt deels door [geïntimeerde sub 1] betwist en is niet allemaal van belang voor de beoordeling van het geschil. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om de feiten, zoals die zijn vastgesteld door de rechtbank, te wijzigen dan wel aan te vullen. De eerste grief treft dus geen doel.

Met hun overige grieven leggen [appellanten sub 1 t/m 6] aan het hof de vraag voor of [geïntimeerde sub 1] als (indirect) bestuurder van [X Bouw B.V.] aansprakelijk is voor schade die [appellanten sub 1 t/m 6] lijden als gevolg van de tekortkoming van [X Bouw B.V.] in de nakoming van haar verplichtingen uit de met [appellanten sub 1 t/m 6] gesloten aannemingsovereenkomsten en voor schade die [appellant sub 5] lijdt als gevolg van de tekortkoming van [X Bouw B.V.] in de nakoming van de betalingsverplichting uit de met [appellant sub 5] , handelend onder de naam [X management] , gesloten overeenkomst van opdracht. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

Juridisch kader

Bij de beantwoording van bovengenoemde vraag stelt het hof het volgende voorop.

Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verplichting of een onrechtmatige daad pleegt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan echter, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt (vgl. Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen), r.o. 3.5). In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder tegenover de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld als hem persoonlijk met betrekking tot de benadeling, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat, kort gezegd, persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt gemaakt kan worden (de zogenoemde Beklamel-norm, Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, r.o. 3.2; zie ook onder meer Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, r.o. 4.3). Uit deze rechtspraak volgt dat deze norm in de kern de eis inhoudt dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden.

In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen (zie ook hier Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen), r.o. 3.5).

Niet nakomen van verplichtingen door [X Bouw B.V.]

Het hof zal eerst moeten vaststellen of [X Bouw B.V.] tegenover [appellanten sub 1 t/m 6] en [appellant sub 5] tekort is geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichting. Dit is het geval: partijen zijn het erover eens dat [X Bouw B.V.] haar verplichtingen als gevolg van de met [appellanten sub 1 t/m 6] gesloten overeenkomsten niet is nagekomen. [X Bouw B.V.] heeft immers als gevolg van haar faillissement de woningen van [appellanten sub 1 t/m 6] niet kunnen afbouwen.

Daarnaast is niet in geschil dat [X Bouw B.V.] tegenover [appellant sub 5] tekort is geschoten in de nakoming van haar betalingsverplichting uit de overeenkomst van opdracht: [X Bouw B.V.] heeft de op grond van die overeenkomst verschuldigde vergoeding over de maand maart 2021 niet betaald.

Persoonlijk ernstig verwijt [geïntimeerde sub 1] ?

Vervolgens komt het hof toe aan de vraag of [geïntimeerde sub 1] als (indirect) bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de tekortkoming van [X Bouw B.V.] in de nakoming van haar verplichtingen. Hierbij ligt het op de weg van [appellanten sub 1 t/m 6] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en, bij voldoende betwisting, te bewijzen waaruit volgt dat [geïntimeerde sub 1] als bestuurder tegenover hen onrechtmatig heeft gehandeld.

Tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomsten

Wetenschap van niet kunnen nakomen bij aangaan van overeenkomsten (Beklamel-norm)

Wat betreft de tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomsten stellen [appellanten sub 1 t/m 6] zich primair op het standpunt dat sprake is van een geval zoals hiervoor bedoeld in 6.7.1 en 6.7.2 onder (i): volgens hen heeft [geïntimeerde sub 1] [X Bouw B.V.] de aannemingsovereenkomsten met hen laten sluiten, terwijl hij op dat moment (september/oktober 2020) al wist, althans had kunnen weten dat [X Bouw B.V.] deze overeenkomsten niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden.

Begrote bouwkosten

[appellanten sub 1 t/m 6] voeren in dat verband in de eerste plaats aan dat [X Bouw B.V.] de woningen nooit voor de geoffreerde prijzen had kunnen bouwen, omdat [geïntimeerde sub 1] de bouwkosten veel te laag heeft begroot.

[appellanten sub 1 t/m 6] verwijzen hiervoor naar de door hen overgelegde rapporten van [X bouwadvies] (hierna: [X bouwadvies] ) van 22 november 2021 ( [appellanten sub 5 en 6] , productie 67 bij inleidende dagvaarding) en 11 december 2023 ( [appellanten sub 1 en 2] en [appellanten sub 3 en 4] , respectievelijk producties 118 en 119 bij memorie van grieven). Uit deze rapporten zou blijken dat de werkelijke bouwkosten ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten (september/oktober 2020) voor [appellanten sub 5 en 6] € 640.230,00, voor [appellanten sub 1 en 2]

€ 560.806,20 en voor [appellanten sub 3 en 4] € 634.172,39 zouden hebben bedragen. Uit de desbetreffende rapporten kan echter niet duidelijk worden afgeleid dat [X bouwadvies] de bouwkosten, zoals [appellanten sub 1 t/m 6] stellen, heeft begroot per september 2020. In het rapport met betrekking tot [appellanten sub 1 en 2] staat 27 november 2021 als peildatum vermeld, in het rapport met betrekking tot [appellanten sub 5 en 6] staat 20 november 2021 als peildatum vermeld, en in het rapport met betrekking tot [appellanten sub 3 en 4] staat 4 november 2021 als peildatum vermeld. Vervolgens wordt in alle drie rapporten september 2020 als ‘prijspeilnivo’ genoemd. Onderliggende stukken waaruit blijkt dat de door [X bouwadvies] begrote bouwkosten daadwerkelijk zijn gebaseerd op cijfers uit september 2020 zijn echter niet in het geding gebracht. Bovendien blijkt uit de in eerste aanleg overgelegde schadebegrotingen van [X bouwadvies] ten aanzien van [appellanten sub 5 en 6] en van [appellanten sub 1 en 2] juist dat zij meer aan werk hebben ontvangen dan zij hebben betaald. Dit valt niet goed te rijmen met de stelling van [appellanten sub 1 t/m 6] dat [geïntimeerde sub 1] in de overeenkomsten de bouwkosten te laag heeft begroot.

Daarnaast kan niet worden gezegd dat [appellanten sub 1 t/m 6] zonder enige bouwkundige kennis de overeenkomsten met [X Bouw B.V.] zijn aangegaan. Niet in geschil is dat [appellanten sub 1 en 2] en [appellanten sub 3 en 4] zich hebben laten bijstaan door een architect, [X bouwadvies] . Deze heeft voor ieder van hen een ontwerp van de woning gemaakt. Niet is gesteld of gebleken dat [X bouwadvies] enig signaal heeft afgegeven dat de te bouwen woningen niet voor de geoffreerde prijzen konden worden gebouwd. [appellanten sub 1 t/m 6] hebben een verklaring van [X bouwadvies] in het geding gebracht, waarin deze aangeeft dat het bouwbudget hem nooit is medegedeeld. Dit komt het hof echter niet aannemelijk voor. Het laat zich immers niet goed indenken op welke basis een architect een ontwerp voor een woning kan maken als hij niet ten minste een idee heeft van het budget van de opdrachtgevers.

[appellanten sub 5 en 6] hebben evenmin als leek de aannemingsovereenkomst gesloten. Vast staat dat [appellant sub 5] een bouwkundige opleiding (HTS Bouwkunde) heeft gevolgd en werkzaam is als zelfstandig projectontwikkelaar en dat hij, naar eigen zeggen, veel bouwkundige kennis heeft. Gelet hierop mag ervan worden uitgegaan dat hij had kunnen inschatten of de door [X Bouw B.V.] geoffreerde prijs reëel was. [appellant sub 5] heeft ter zitting verklaard dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst de geoffreerde prijs hem, gelet op de manier van bouwen, scherp maar reëel voorkwam.

Verder neemt het hof in aanmerking dat de gemeente Heerlen in alle gevallen een omgevingsvergunning heeft afgegeven. Uit de door [appellanten sub 1 t/m 6] overgelegde legesverordening van de gemeente Heerlen, zoals die gold ten tijde van de aanvraag van de vergunningen, volgt weliswaar dat de leges voor een omgevingsvergunning worden bepaald aan de hand van normbedragen die worden vermenigvuldigd met het aantal kubieke meters, maar [geïntimeerde sub 1] voert daartegenover aan dat de uitkomst daarvan een door de gemeente geschatte waarde van de bouwkosten vertegenwoordigt die de gemeente toetst aan de bij de aanvraag opgegeven begrote bouwkosten. Dit wordt door [appellanten sub 1 t/m 6] niet weersproken. Kennelijk heeft de gemeente Heerlen bij het berekenen van de legeskosten geen aanleiding gezien om uit te gaan van hogere bouwkosten dan de door [appellanten sub 1 t/m 6] opgegeven bouwkosten. Ook daarin ziet het hof een indicatie dat de begrote bouwkosten ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten niet irreëel waren.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, kan dus niet worden geconcludeerd dat [geïntimeerde sub 1] ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomsten met [appellanten sub 1 t/m 6] de bouwkosten te laag heeft begroot.

Prijsstijgingen

Het hof verwerpt ook de stelling van [appellanten sub 1 t/m 6] dat ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomsten voor [geïntimeerde sub 1] al te voorzien was dat de materiaalkosten explosief zouden gaan stijgen en dat [geïntimeerde sub 1] wist of had moeten begrijpen dat [X Bouw B.V.] hierdoor de overeenkomsten niet zou kunnen nakomen. Tussen partijen is niet in geschil dat de prefab-onderdelen van de woningen vooral van hout waren. Zoals de rechtbank al heeft overwogen, volgt uit het door [appellanten sub 1 t/m 6] in eerste aanleg overgelegde overzicht van de CBS-houtprijsindex over de periode januari 2016 tot en december 2021 dat de houtprijzen tot en met januari 2021 vrijwel stabiel waren. Deze zijn pas vanaf februari 2021 (vier/vijf maanden na het sluiten van de overeenkomsten) explosief gaan stijgen. Het door [appellanten sub 1 t/m 6] in hoger beroep overgelegde artikel ‘Materiaalkostenstijgingen Update 2021 en Verwachtingen 2022’ van Bouwend Nederland geeft eenzelfde beeld. Niet is gesteld of gebleken dat er in september/oktober 2020 al aanwijzingen waren dat deze prijsstijging eraan zat te komen. Gelet hierop is ook het hof van oordeel dat [geïntimeerde sub 1] niet kan worden verweten dat hij [appellanten sub 1 t/m 6] bij het sluiten van de overeenkomsten niet heeft gewezen op toekomstige prijsstijgingen en/of naar aanleiding van voorzienbare explosieve prijsstijgingen niet heeft afgezien van het sluiten van de overeenkomsten met [appellanten sub 1 t/m 6]

Geen buffer

[appellanten sub 1 t/m 6] verwijten [geïntimeerde sub 1] ook dat [geïntimeerde sub 1] de overeenkomsten met [appellanten sub 1 t/m 6] is aangegaan, terwijl hij op dat moment nog geen of weinig reserves had waarop verhaal mogelijk was. Deze omstandigheid levert naar het oordeel van het hof evenmin onrechtmatig handelen van [geïntimeerde sub 1] als bestuurder op. [X Bouw B.V.] , de vennootschap die [geïntimeerde sub 1] in december 2019 heeft opgericht, bood pas sinds januari 2020 haar huizen te koop aan. Dat [X Bouw B.V.] gelet hierop in september/oktober 2020 nog geen echte buffer had opgebouwd, komt het hof dan ook niet vreemd voor. Nu geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken, waaruit blijkt dat [geïntimeerde sub 1] bij het aangaan van de overeenkomsten wist of behoorde te begrijpen dat [X Bouw B.V.] de overeenkomsten niet zou kunnen nakomen, gaat het hof, evenals de rechtbank, ervan uit dat [geïntimeerde sub 1] bij het aangaan van de overeenkomsten met [appellanten sub 1 t/m 6] niet hoefde te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van de overeenkomsten. [geïntimeerde sub 1] hoefde bij het aangaan van de overeenkomsten dan ook geen rekening te houden met de mogelijkheid dat [appellanten sub 1 t/m 6] als gevolg van niet nakoming door [X Bouw B.V.] schade zouden lijden.

Niet nakomen van de waarschuwingsplicht

Subsidiair verwijten [appellanten sub 1 t/m 6] [geïntimeerde sub 1] dat [geïntimeerde sub 1] (al dan niet via [X Bouw B.V.] ) heeft nagelaten om [appellanten sub 1 t/m 6] vanaf januari 2021 te waarschuwen dat de woningen nooit gerealiseerd zouden worden, terwijl hij in januari 2021 al wist of had moeten begrijpen dat [X Bouw B.V.] de overeenkomsten niet zou kunnen nakomen. Hiermee is volgens [appellanten sub 1 t/m 6] sprake van een situatie zoals bedoeld in r.o. 6.7.1 en 6.7.3 onder ii) (Ontvanger/ [persoon A] ).

Het hof begrijpt dat [appellanten sub 1 t/m 6] zich op het standpunt stellen dat [X Bouw B.V.] op grond van de aannemingsovereenkomsten een waarschuwingsplicht had en dat de schending hiervan [geïntimeerde sub 1] persoonlijk kan worden verweten. Voor zover [appellanten sub 1 t/m 6] hiermee doelen op de waarschuwingsplicht van artikel 7:753 lid 3 BW, overweegt het hof dat dit verwijt niet opgaat, omdat artikel 7:753 lid 3 BW hier toepassing mist. Op grond van dit artikel dient de aannemer de opdrachtgever zo spoedig mogelijk te waarschuwen voor kostenverhogende omstandigheden, zodat de opdrachtgever tijdig gebruik kan maken van zijn bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen of een voorstel kan doen tot beperking of vereenvoudiging van het werk. Deze waarschuwingsplicht geldt in de situatie dat de aannemer genoodzaakt is de overeengekomen aanneemsom te verhogen vanwege kostenverhogende omstandigheden. Zoals de rechtbank heeft overwogen, was deze situatie in het geval van [appellanten sub 1 t/m 6] niet aan de orde. Verhoging van de aanneemsom was door partijen immers contractueel uitgesloten. Bovendien heeft [X Bouw B.V.] ook nooit om een verhoging van de aanneemsom gevraagd.

Voor zover [appellanten sub 1 t/m 6] bedoelen te stellen dat [geïntimeerde sub 1] als bestuurder zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, omdat hij tot en met juni 2021 steeds heeft beloofd dat [X Bouw B.V.] de woningen zou opleveren, terwijl hij al vanaf januari 2021 wist of had moeten begrijpen dat de woningen niet zouden kunnen worden opgeleverd vanwege de vele gemaakte bouwfouten en administratieve fouten, moet deze stelling ook worden verworpen. De gestelde fouten, als hiervan al sprake is, komen in de eerste plaats voor rekening van [X Bouw B.V.] als de aannemer die de overeenkomsten met [appellanten sub 1 t/m 6] heeft gesloten. Deze kunnen niet zonder meer grond opleveren voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde sub 1] als (indirect) bestuurder. Bovendien volgt uit de in eerste aanleg overgelegde rapporten van [X bouwadvies] dat de door [X Bouw B.V.] verrichte werkzaamheden in het geval van [appellanten sub 5 en 6] en [appellanten sub 1 en 2] meer waarde vertegenwoordigen dan het totaal aan termijnbedragen die zij op de aanneemsom hebben betaald. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat hieruit kan worden afgeleid dat [X Bouw B.V.] in ieder geval tot in april 2021, ondanks de moeilijke werkomstandigheden (schaarste aan personeel en materiaal) die de coronacrisis meebracht, naar vermogen werk heeft verricht.

Gezien het voorgaande gaat het hof ervan uit dat [X Bouw B.V.] in mei 2021 echt in de (financiële) problemen terechtkwam, waardoor zij (uiteindelijk) haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomsten niet meer heeft kunnen nakomen. [geïntimeerde sub 1] heeft [appellanten sub 1 t/m 6] in ieder geval bij e-mail van 29 juni 2021 op de hoogte gesteld van de problemen (schaarste in bouwmaterialen en personeel, prijsstijgingen, oplopende wachttijden) waarmee [X Bouw B.V.] te kampen had. Weliswaar was dit niet meteen nadat de problemen zich voordeden, maar het hof betrekt hierbij tevens dat ter zitting in hoger beroep gebleken is dat [geïntimeerde sub 1] ook voorafgaand aan de e-mail van 29 juni 2021 kenbaar heeft gemaakt dat sprake was van betalingsproblemen aan de zijde van [X Bouw B.V.] . Bij dit alles blijft gelden dat de (financiële) problemen van [X Bouw B.V.] vooral zijn terug te voeren op de explosieve prijsstijgingen vanaf februari 2021 die, zoals hiervoor al is vastgesteld, niet voorzienbaar waren en die vanwege de contractuele uitsluiting van de mogelijkheid tot verhoging van de aanneemsom niet alsnog konden worden doorberekend aan [appellanten sub 1 t/m 6]

Tenslotte voeren [appellanten sub 1 t/m 6] aan dat [geïntimeerde sub 1] er niet voor heeft gezorgd dat de in aanbouw zijnde woningen CAR-verzekerd waren. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de gestelde – en overigens door [geïntimeerde sub 1] betwiste - tekortkoming in de nakoming van de verzekeringsplicht, die in de eerste plaats op [X Bouw B.V.] rust, [geïntimeerde sub 1] als bestuurder persoonlijk kan worden verweten. Bovendien betwisten [appellanten sub 1 t/m 6] niet dat de CAR-verzekering alleen schade dekt tijdens de bouw, en dus aan wat al gebouwd is, en niet aan wat nog moet worden gebouwd. [appellanten sub 1 t/m 6] stellen juist dat zij schade hebben geleden doordat de woningen niet (tijdig) zijn afgebouwd. Tot slot hebben [appellanten sub 1 t/m 6] het causaal verband tussen de gestelde tekortkoming in de nakoming van de verzekeringsplicht en de schade waarvan zij vergoeding vorderen niet of in elk geval onvoldoende onderbouwd.

Tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht

[appellant sub 5] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de tekortkoming van [X Bouw B.V.] in de nakoming van de betalingsverplichting uit de met hem gesloten overeenkomst van opdracht [geïntimeerde sub 1] persoonlijk kan worden verweten. Ook in dit verband wordt een beroep gedaan op de Beklamel-norm. [appellant sub 5] voert daartoe aan dat [geïntimeerde sub 1] via [X Bouw B.V.] deze overeenkomst in februari 2021 stilzwijgend heeft verlengd en [appellant sub 5] opdrachten is blijven geven, terwijl [geïntimeerde sub 1] op dat moment wist dat [X Bouw B.V.] haar betalingsverplichtingen uit de overeenkomst niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden.

Het hof kan [appellant sub 5] hierin evenmin volgen. Vast staat dat [appellant sub 5] nog tot en met juni 2021 in opdracht van [X Bouw B.V.] werkzaamheden heeft verricht. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant sub 5] verklaard dat [X Bouw B.V.] de op grond van de overeenkomst van opdracht verschuldigde vergoedingen over de maanden april, mei en juni 2021 heeft betaald en dat zij alleen de verschuldigde vergoeding over de maand maart 2021 onbetaald heeft gelaten. Alleen al hierom kan niet worden volgehouden dat [geïntimeerde sub 1] via [X Bouw B.V.] [appellant sub 5] ook na februari 2021 opdrachten heeft gegeven, terwijl hij wist, althans behoorde te begrijpen dat [X Bouw B.V.] hiervoor niet zou kunnen betalen. [appellant sub 5] voert geen andere feiten en/of omstandigheden aan waaruit blijkt dat [geïntimeerde sub 1] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onbetaald laten door [X Bouw B.V.] van de aan [appellant sub 5] verschuldigde vergoeding over maart 2021. Het onbetaald laten van deze vergoeding levert dus evenmin onrechtmatig handelen van [geïntimeerde sub 1] als bestuurder op.

Conclusie

Op grond van wat hiervoor is overwogen, kan naar het oordeel van het hof niet worden geconcludeerd dat [geïntimeerde sub 1] als bestuurder onrechtmatig tegenover [appellanten sub 1 t/m 6] heeft gehandeld. De vorderingen van [appellanten sub 1 t/m 6] zijn hierom in hoger beroep evenmin toewijsbaar. Ook grieven 2 tot en met 6 falen dus.

[appellanten sub 1 t/m 6] bieden nog bewijs aan van hun stellingen. Het hof komt echter aan bewijslevering niet toe, omdat [appellanten sub 1 t/m 6] geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren hebben gebracht die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

7. De slotsom

Het bovenstaande betekent dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

Het hof zal [appellanten sub 1 t/m 6] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Deze kosten zullen aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] vastgesteld worden op:

Griffierechten € 1.780,00

Salaris advocaat € 18.651,00 (3 punten x appeltarief VIII)

Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 20.609,00

Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Het hof zal [appellanten sub 1 t/m 6] dan ook, zoals overigens ook door [geïntimeerde sub 1] verzocht, hoofdelijk veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

8. De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellanten sub 1 t/m 6] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 31 mei 2023, voor zover dit is gewezen tegen [geïntimeerde sub 2] ;

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 31 mei 2023;

veroordeelt [appellanten sub 1 t/m 6] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep van € 20.609,00, te betalen binnen veertien dagen na heden en, als [appellanten sub 1 t/m 6] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, M. van der Schoor en M.E.U. Janssens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 mei 2025.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?