GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 23 januari 2025
Zaaknummer : 200.342.509/01
Zaaknummer eerste aanleg : 10845057 \ AZ VERZ 23-79 en 10908725 \ AZ VERZ 24-8
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. M.P. Poelman te Tilburg,
tegen
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
hierna aan te duiden als [verweerster] ,
advocaat: mr. L. Venneman te Tilburg.
Inhoud van het geschil tussen partijen
[appellant] is bij [verweerster] , een bedrijf dat zich bezig houdt met actieve begeleiding van kinderen en jongvolwassenen met een (verstandelijke) beperking en/of gedrags- en ontwikkelingsproblemen, in dienst getreden als senior begeleider. [verweerster] heeft [appellant] op staande voet ontslagen, omdat hij de veiligheid van de kinderen tijdens een ritje met een bus in gevaar zou hebben gebracht. [appellant] is het met het ontslag en de daarvoor gegeven redenen niet eens en heeft zich tot de kantonrechter gewend met het verzoek het ontslag te vernietigen. De kantonrechter heeft, kort gezegd, geoordeeld dat het ontslag terecht is gegeven en heeft [appellant] veroordeeld tot betaling aan [verweerster] van een (gefixeerde) schadevergoeding. [appellant] is het niet eens met deze uitspraak en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof is van oordeel dat de door [verweerster] aangevoerde dringende reden in rechte niet is komen vast te staan en dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven. Het hof vernietigt de uitspraak van de kantonrechter en kent [appellant] een billijke vergoeding toe ten laste van [verweerster] .
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 24 april 2024, gewezen tussen [appellant] (als verzoeker in de zaak met nummer 10845057 \ AZ VERZ 23-79 tevens verwerende partij in het tegen- verzoek en als verwerende partij in de zaak met nummer 10908725 \ AZ VERZ 24-08) en [verweerster] (als verwerende partij in de zaak met nummer 10845057 \ AZ VERZ 23-79 tevens verzoekende partij in het tegenverzoek en als verzoekende partij in de zaak met nummer 10908725 \ AZ VERZ 24-08).
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift van [appellant] met het procesdossier van de eerste aanleg en producties 8 en 9, ingekomen ter griffie op 11 juni 2024;
het verweerschrift van [verweerster] met producties 10 en 11, ingekomen ter griffie op 10 september 2024;
het door [appellant] op 7 november 2024 ingediende V6-formulier met daarbij een brief en producties 10 tot en met 12;
- de op 14 november 2024 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:
- [appellant] , bijgestaan door mr. M.P. Poelman;
- [verweerster] , bijgestaan door mr. L. Venneman;
- de ter zitting van het hof door de advocaten van partijen overgelegde spreekaantekeningen.
Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.
3. De beoordeling
In dit hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten.
[verweerster] is in 2008 opgericht door het echtpaar de heer [betrokkene 1] en
mevrouw [betrokkene 2] (de huidige directie van [verweerster] ). [verweerster] biedt
gespecialiseerde begeleiding en opvang aan kinderen met een hulpvraag op het gebied van
persoonlijke ontwikkeling. Het gaat daarbij om kinderen en (jong)volwassenen met een
(verstandelijke) beperking of met ontwikkelings- en/of gedragsproblemen. Zij hebben een
leeftijd van zes tot achttien jaar, met een uitloop voor lang zittende cliënten met een WLZ-beschikking tot een maximum leeftijd van 25 jaar. De aanpak van [verweerster] is in het bijzonder
gericht op actieve begeleiding, het liefst in de buitenlucht. [verweerster] organiseert diverse
sportieve activiteiten op eigen en externe locaties.
[appellant] ) [appellant] is op l februari 2023 in dienst getreden bij [verweerster] in de functie van
senior begeleider. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is met ingang van 1 september 2023 voor de duur van een jaar verlengd. Het laatstverdiende salaris bedraagt € 3.142,00 bruto per maand exclusief emolumenten op basis van een fulltime werkweek.
De functie van senior begeleider is bij [verweerster] de functie met de meeste
verantwoordelijkheid en senioriteit. Tot de taken van een senior begeleider behoren het
voorbereiden van het individuele of collectieve begeleidingsmoment, de uitvoering daarvan,
het vervoer, het zorgdragen voor een overdracht met de ouders, het rapporteren en het toezien op tijdige inname van medicijnen.
In het weekend van 3 november 2023 heeft [appellant] samen met een aantal andere
collega’s een groep kinderen begeleid tijdens een verblijf in Zeeland. De groep verbleef en
overnachtte op het [accommodatie] in [plaats] . Tijdens het weekend zijn onder
andere een uitstapje naar een museum en het strand gemaakt.
Op 3 december 2023 heeft [verweerster] via een medewerker een filmpje ontvangen. Het
filmpje is gemaakt vanuit een rijdende bus en duurt 18 seconden. Op het filmpje is te zien
dat de bus rijdt terwijl de schuifdeur is geopend. De jongen die het filmpje heeft gemaakt
steekt tijdens het rijden zijn been gestrekt naar buiten, terwijl hij roept: “Hé, hé, mijn been,
hé!”. Vervolgens roept hij: “Ho ho!”. De bus werd bestuurd door [appellant] . Er zaten in
totaal 6 kinderen in de bus. De groep kwam van het strand en was onderweg naar het
vakantiepark.
De collega heeft het filmpje op zaterdagavond 2 december 2023 via WhatsApp aan
[appellant] toegezonden, met de vraag: “ [appellant] , krijg net een melding en een filmpje binnen.
Ben jij dit en is dit echt gebeurd ja?”' [appellant] heeft als volgt geantwoord:
“Ja toen waren we bijna bij het huis en de deur was blijkbaar niet goed dicht. Toen hebben ze hem te lang open laten staan. Maar we reden 25km en waren er bijna
15 km
Bij het huis
Stelde geen reet voor. Maar was voor hun geweldig. Lekker spannend"
Op 3 december 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de heer en mevrouw
[directie] en [appellant] . Er is geen verslag opgesteld van het gesprek. Tijdens het
gesprek is aan [appellant] een brief gegeven waarin staat:
“Op 3 december 2023 hebben wij u meegedeeld dat u verwijtbaar heeft gehandeld en hierbij het welzijn van de cliënten van [verweerster] ernstig in gevaar heeft gebracht. Op 3 december hebben wij een filmpje ontvangen via een dient waarin te zien is dat u in een bus rijd en de cliënten achterin de bus de deur openen tijdens het rijden en hun benen naar buiten steken. U geeft hierop geen reactie richting de cliënten en laat dit gedrag gebeuren. U maakt zich hierdoor schuldig aan ernstig verwijtbaar gedrag.
Hiernaast heeft u afgelopen weekend Medicijn bakjes van twee cliënten laten liggen bij het Natuurmuseum. Bij uw collega heeft u aangegeven dat de bakjes leeg waren. Een medewerker van het museum heeft gebeld naar [verweerster] en gaf aan dat er nog medicatie in de bakjes zat.
Er zijn eerder meerdere gesprekken met u geweest over uw handelen en wij hebben u meermalen de mogelijkheid geboden om uw gedrag aan te passen.
Op basis van deze bevindingen wordt u per direct geschorst van werk zonder behoud van salaris.
Deze gedragingen zijn voor [verweerster] reden om je per direct te ontslaan op staande voet.
Wij willen u zoals besproken de mogelijkheid bieden akkoord te gaan met een
vaststellingsovereenkomst. Wij geven u l week, tot uiterlijk 10 december, bedenktijd.
Tot en met 10 december 2023 heeft u de mogelijkheid om in te stemmen met het aanbod van de vaststellingsovereenkomst. Hierna vervalt het aanbod en wordt de arbeidsovereenkomst beëindigd beschouwd vanwege ontslag op staande voet.”
De advocaat van [appellant] heeft bij brief van 5 december 2023 gesommeerd om het
ontslag in te trekken en [appellant] toe te laten tot zijn werk. Ook wordt aanspraak gemaakt
op doorbetaling van salaris. Over de busrit vermeldt de brief:
"De situatie was als volgt.
Cliënt bestuurde jl. vrijdag in Zeeland een busje waarmee hij 6 kinderen in de leeftijd van 12-16 jaar vervoerde. Hij had erop toegezien dat ze allemaal een gordel droegen. De kinderen hebben tijdens het rijden de schuifdeur open gedaan. Cliënt reed in het donker op een weg buiten de bebouwde kom. Er was geen vluchtstrook. Het regende flink waardoor het zicht slecht was. Hij schatte gezien de verkeersomstandigheden in dat het te gevaarlijk was om midden op de weg direct te stoppen. Hij heeft de kinderen gezegd rustig te blijven en dat hij de bus snel zou parkeren.
Cliënt heeft direct vaart geminderd (tot ca 25-30 km per uur) en zag dat er een parkeerplaats was na ongeveer 300 m, is daar gestopt heeft deur gesloten."
[verweerster] heeft bij brief van 8 december 2023 gereageerd:
"4. Op het filmpje is te zien dat uw cliënt het [accommodatie] oprijdt waar het huis staat waar de kinderen verblijven. Langs deze weg is een groen strook waar hij meteen had kunnen stoppen. Dit is niet buiten de bebouwde kom.
(...)
Op basis van bovenstaande gegevens zijn wij in de stellige overtuiging dat ontslag op staande voet gerechtvaardigd is. (...)"
De advocaat van [appellant] heeft op 11 december 2023 puntsgewijs gereageerd op
de inhoud van de brief van 8 december 2023 van [verweerster] .
Bij e-mail van 12 december 2023 heeft de door [verweerster] ingeschakelde advocaat als
volgt gereageerd:
"U heeft cliënte gevraagd om het staandevoets ontslag in te trekken. Dat berust op een misvatting uwerzijds. Er is immers nog geen ontslag verleend. Op 3 december jl. is uw cliënt door cliënte geschorst, zoals in de brief van diezelfde dag door cliënte is bevestigd. Uw cliënt kreeg van cliënte, hangende het ontslagvoornemen, tot 10 december jl. de gelegenheid om zich te beraden over een aangeboden vaststellingsovereenkomst. Van ontslag was dus nog geen sprake.
(...)
Het aanbod van de vaststellingsovereenkomst is door uw cliënt afgewezen. Dat betekent het volgende.
Uw cliënt wordt bij deze op staande voet ontslagen. De reden die aan het ontslag ten grondslag ligt, is dat uw cliënt het welzijn van de cliënten van cliënte in gevaar heeft gebracht, door een bus besturen met cliënten terwijl, hetgeen hij wist, de portier geopend was en benen naar buiten werden gestoken. (...)”
[appellant] heeft met ingang van 1 juni 2024 ander werk gevonden. Hij werkt 36 uur per week tegen een salaris van € 3.200,00 bruto.
In de procedure met nummer 10845057 \ AZ VERZ 23-79 verzoekt [appellant] kantonrechter om het gegeven ontslag op staande voet te vernietigen. Ook verzoekt [appellant] veroordeling van [verweerster] tot betaling van zijn salaris vanaf de datum van het ontslag op staande voet, voor wat betreft het achterstallige deel van het salaris te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging. Tot slot verzoekt [appellant] een proceskostenveroordeling van [verweerster] .
Aan dit verzoek heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Volgens [appellant] heeft [verweerster] hem op 3 december 2023 op onterechte gronden op staande voet ontslagen. [verweerster] heeft een drietal verwijten/redenen aan het ontslag ten grondslag gelegd die geen van alle terecht zijn. Hij heeft de veiligheid van de kinderen die in het door hem bestuurde busje zaten niet in gevaar gebracht, maar juist, gelet op de verkeerssituatie op dat moment, op veilige wijze op het voorval gereageerd. Voor wat betreft de achtergelaten medicijndoosjes stelt [appellant] zich op het standpunt dat dit vervelend is, maar dat dit, gezien de aard van de cliënten, een keer kan gebeuren. Het derde verwijt over eerdere gesprekken over zijn gedrag kan [appellant] niet plaatsen. Hij begrijpt niet waar dit verwijt op slaat. In de brief van 3 december 2023 is dit verwijt ook niet verder geconcretiseerd.
[verweerster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, hierna aan de orde komen.
Bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek, namelijk voor zover de kantonrechter zou oordelen dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd door het ontslag op staande voet, verzoekt [verweerster] de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden zonder toekenning van de transitievergoeding. Dit voorwaardelijke tegenverzoek is primair gebaseerd op verwijtbaar handelen van [appellant] , subsidiair op een verstoorde arbeidsverhouding en meer subsidiair op een combinatie van omstandigheden (de e-, g- respectievelijk i- grond van artikel 7:669 lid 3 Burgerlijk Wetboek, “BW”). [verweerster] verzoekt in alle gevallen een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
[appellant] heeft verweer gevoerd tegen het voorwaardelijk tegenverzoek van [verweerster] . Op dit verweer zal hierna, voor zover van belang, door het hof nader worden ingegaan.
In de procedure met nummer 10908725 \ AZ VERZ 24-8 verzoekt [verweerster] de kantonrechter [appellant] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding van € 5.582,63, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2023, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
[appellant] voert verweer tegen het verzoek tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding. [appellant] vindt dat de verzoeken moeten worden
afgewezen en dat [verweerster] in de proceskosten moet worden veroordeeld.
Op 19 maart 2024 heeft een mondelinge behandeling bij de kantonrechter plaats gevonden.
In de beschikking van 24 april 2024 heeft de kantonrechter:
in de procedure met nummer 10845057 \ AZ VERZ 23-79 de verzoeken van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten;
in de procedure met nummer 10908725 \ AZ VERZ 24-8 [appellant] veroordeeld tot betaling aan [verweerster] van de gefixeerde schade vergoeding van € 5.582,63, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW vanaf 12 december 2023 tot de dag van volledige betaling, met compensatie van de proceskosten.
[appellant] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. [appellant] heeft, na wijziging van eis ter terechtzitting bij het hof en zijn mededeling dat hij in het einde van het dienstverband bij [verweerster] per 3 december 2023 berust, verzocht de beschikking van de kantonrechter van 24 april 2024 te vernietigen en [verweerster] te veroordelen tot:
a. tot betaling van een billijke vergoeding van € 30.500,00 bruto, zijnde het totaal aan salaris over de periode van het ontslag op staande voet tot aan de overeengekomen einddatum.
terugbetaling van al hetgeen [appellant] op grond van de beschikking van 24 april 2024 aan [verweerster] heeft voldaan;
c. met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure in beide instanties.
Datum ontslag op staande voet
De kantonrechter heeft in overwegingen 6.4. tot en met 6.7. van de bestreden beschikking geoordeeld dat het ontslag op staande voet op 3 december 2023 is gegeven. Het hof is het eens met deze overwegingen en dit oordeel en maakt die tot de zijne.
Grief III: de dringende reden: het incident met het busje
Het hof zal als eerste grief III bespreken. Met deze grief komt [appellant] , kort gezegd, op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het handelen van [appellant] op vrijdag 3 november 2023 met betrekking tot het rijden met het busje met geopende deur, terwijl zich 6 kinderen in het busje bevonden, een dringende reden voor ontslag oplevert.
Het hof gaat bij de beoordeling van deze grief uit van de juistheid van de stelling van [verweerster] dat, zakelijk weergegeven, het incident met het busje de (enige) dringende reden was voor haar om [appellant] op staande voet te ontslaan en dat dit voor [appellant] ook duidelijk en kenbaar was op 3 december 2023. De overige in de brief van 3 december 2023 genoemde omstandigheden heeft [verweerster] , zo stelt zij zelf, niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag willen leggen. Wel zijn die andere omstandigheden (het incident met de medicijnbakjes en eerdere klachten over het gedrag van [appellant] ) volgens [verweerster] mede van invloed geweest op haar beslissing om [appellant] op staande voet te ontslaan vanwege het incident met het busje.
Het hof is van oordeel dat de door [verweerster] aan het ontslag op staande voet ten aanzien van het incident met het busje ten grondslag gelegde feiten niet althans in onvoldoende mate zijn komen vast te staan en dat de feiten die wel zijn komen vast te staan geen dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Het hof overweegt hierover het volgende.
a. De feiten die [verweerster] ten grondslag heeft gelegd aan het ontslag op staande voet zijn verwoord in de door [verweerster] op 3 december 2023 aan hem overhandigde brief. Voor de leesbaarheid herhaalt het hof de hiervoor al geciteerde passage:
“(…) Op 3 december 2023 hebben wij u meegedeeld dat u verwijtbaar heeft gehandeld en hierbij het welzijn van de cliënten van [verweerster] ernstig in gevaar heeft gebracht. Op 3 december hebben wij een filmpje ontvangen via een dient waarin te zien is dat u in een bus rijd en de cliënten achterin de bus de deur openen tijdens het rijden en hun benen naar buiten steken. U geeft hierop geen reactie richting de cliënten en laat dit gedrag gebeuren. U maakt zich hierdoor schuldig aan ernstig verwijtbaar gedrag (…)”
Uit de toelichting van [verweerster] ter zitting van het hof blijkt dat [verweerster] [appellant] met name verwijt dat hij de gevaarlijke situatie (rijden met 6 kinderen achterin het busje met geopende schuifdeur) niet zo snel mogelijk heeft beëindigd. Tijdens de zitting is door beide partijen erkend dat de schuifdeur van binnenuit kan worden geopend door de kinderen in het busje en dat er geen voorziening is om dit te voorkomen.
Het hof heeft ter zitting samen met partijen het bewuste filmpje een aantal malen bekeken. Het filmpje duurt ongeveer 18 seconden. Te zien is dat het busje rijdt, terwijl de schuifdeur aan de rechterkant van het busje geopend is. Door wie de schuifdeur is geopend is niet vast te stellen. Een van de kinderen steekt zijn been een moment een stukje uit het voertuig. Tegen het eind van het filmpje is te zien dat de schuifdeur zich naar voren, richting het slot, beweegt. Voor het hof is/was niet vast te stellen of de deur op dat moment, terwijl er nog werd gereden, dicht is gegaan en evenmin of een van de kinderen de deur dicht heeft gedaan. [appellant] heeft gesteld dat hij, nadat hij was gestopt, de deur heeft dichtgedaan.
[verweerster] heeft onder verwijzing naar productie 7 bij verweerschrift in eerste aanleg aangevoerd dat haar medewerker [medewerker] de kinderen die de bewuste dag in het busje zaten bij [appellant] heeft gevraagd te vertellen wat er was gebeurd. Een van de dingen die de kinderen zouden hebben verteld is dat de schuifdeur al vanaf het wegrijden bij het strand open zou hebben gestaan. [appellant] heeft dit gemotiveerd betwist en aangevoerd dat hij, als de deur bij het wegrijden geopend was geweest, dit meteen zou hebben opgemerkt, omdat dan een lampje op het dashboard gaat branden en dat was niet het geval. Hij stelt de schuifdeur (die, zoals [verweerster] heeft beaamd ter zitting, niet is voorzien van een kinderslot) voor het wegrijden te hebben dichtgedaan.
Wat hiervan ook zij, in de ontslagbrief heeft [verweerster] niet verweten dat hij al vanaf het strand met geopende schuifdeur heeft gereden. Ter zitting van het hof heeft [verweerster] bovendien expliciet aangegeven dat zij [appellant] niet verwijt al vanaf het wegrijden bij het strand met een geopende schuifdeur te hebben gereden. Voor het nader opdragen van bewijs op dit punt ziet het hof daarom geen grond. Daar komt bij dat [verweerster] ter zitting van het hof heeft aangegeven niet bereid te zijn om de op de bewuste dag in het busje aanwezige kinderen als getuigen te doen horen.
Al met al betekent dit dat niet exact kan worden vastgesteld of/dat [appellant] langer dan de 18 seconden die het filmpje duurt met een geopende schuifdeur met het busje heeft gereden. Het hof gaat daarom van die 18 seconden uit.
Naar het oordeel van het hof kan aan de hand van het filmpje niet althans niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld met welke snelheid [appellant] reed gedurende de tijd dat de schuifdeur geopend was. Beide partijen hebben op diverse manieren proberen duidelijk te maken hoe hard er op het bewuste moment gereden werd, maar het hof acht geen van de berekeningen zodanig helder/betrouwbaar, dat daaraan in rechte conclusies aan verbonden kunnen worden.
Het hof is van oordeel dat het rijden met de geopende schuifdeur terwijl er 6 kinderen in het busje zaten zonder meer een mogelijk gevaarlijke verkeerssituatie in het leven riep.
De vraag is of de manier waarop [appellant] vervolgens op deze situatie heeft gereageerd een dringende reden voor ontslag heeft opgeleverd. [verweerster] stelt zich op het standpunt dat [appellant] meteen had kunnen en moeten stoppen op het moment dat hij merkte dat de schuifdeur open was en dat hij, door niet adequaat/meteen te reageren de onveilige situatie onnodig lang heeft laten voortduren.
[appellant] heeft aangevoerd dat hij uit veiligheidsoverwegingen niet meteen op het midden van de weg is gestopt/kon stoppen, mede gelet, volgens [appellant] , op het slechte zicht op dat moment door de duisternis, de regen en de storm die over het land trok. Hij stelt dat hij, zodra hij daartoe de gelegenheid had en parkeerruimte zag, de bus na de drempel bij de ingang van het vakantiepark heeft gestopt en vervolgens de schuifdeur heeft gesloten. Pas achteraf heeft [appellant] , die niet eerder in het vakantiepark had verbleven, gezien dat er langs de 80 km-weg waarover hij met het busje in de richting van het vakantiepark is gereden ruimte was geweest om (eerder) te stoppen.
Ook op dit punt kan het hof niet met voldoende zekerheid vaststellen hoe op de bewuste avond de feitelijke situatie is geweest. Met name is niet helder of [appellant] moet hebben gezien dat er veilige mogelijkheden waren om de bus meteen aan de zijkant van de weg stil te zetten toen hij merkte dat de schuifdeur geopend was. Het hof kan in elk geval op basis van het filmpje niet vaststellen dat [appellant] op enig moment gedurende het gefilmde traject veilig had kunnen stoppen. Dat zijn keuze om de bus pas tot stilstand te brengen na de verkeersdrempel bij de ingang van het vakantiepark een dringende reden voor ontslag oplevert kan het hof daarom niet vaststellen.
[appellant] heeft op 2 december 2023 een bericht gekregen van een collega (productie 12 verzoekschrift eerste aanleg). Die attendeerde hem op het bestaan van het een filmpje van de rit met de geopende schuifdeur. [appellant] was op het moment van ontvangst van het bericht in het weekend aan het werk met een groep kinderen. Hij heeft toen kort/snel naar die collega gereageerd als hiervoor weergegeven bij 3.1.6. Die reactie, hoe misplaatst ook (en die bij de directie van [verweerster] logischerwijs in het verkeerde keelgat is geschoten), maakt echter nog niet dat daarmee met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat [appellant] willens en wetens de gevaarlijke situatie met de geopende schuifdeur (te lang) heeft laten voortbestaan.
i. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hof van oordeel is dat grief III slaagt en dat de door [verweerster] aan het ontslag ten grondslag gelegde dringende reden in rechte niet is komen vast te staan. Het ontslag is gelet hierop niet rechtsgeldig gegeven.
Tussenconclusie
Het hof zal, gelet op het voorgaande de bestreden beschikking van de kantonrechter vernietigen. Omdat het gegeven ontslag niet rechtsgeldig is, vervalt de grond voor veroordeling van [appellant] tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding aan [verweerster] . Het hof zal daarom [verweerster] veroordelen om al hetgeen [appellant] op grond van de bestreden beschikking aan [verweerster] heeft betaald aan [appellant] terug te betalen. Grief VI slaagt daarom.
[appellant] heeft gelet op het voorgaande geen belang meer bij beoordeling van de grieven I, II en IV.
De billijke vergoeding
Omdat het hof van oordeel is dat het door [verweerster] aan [appellant] gegeven ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven en in eerste aanleg het verzoek tot vernietiging van de opzegging door [verweerster] daarom ten onrechte is afgewezen, maakt [appellant] , die heeft berust in het einde van het dienstverband bij [verweerster] per 3 december 2023, terecht aanspraak op toekenning van een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:683 lid 3 BW ten laste van [verweerster] . In zoverre slaagt grief V dan ook.
Over de hoogte van de billijke vergoeding waarop [appellant] aanspraak maakt overweegt het hof als volgt.
Bij het vaststellen van de billijke vergoeding gaat het uiteindelijk erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever dat heeft geleid tot het einde van de arbeidsovereenkomst (in dit geval: het ten onrechte verleende ontslag op staande voet). Daarbij stelt het hof voorop dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd per 3 december 2023.
Het hof stelt verder voorop dat het aan [appellant] is om de omvang van de verzochte billijke vergoeding te onderbouwen.
Bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding zijn verder de volgende gezichtspunten van belang:- wat zou de verdere duur van de arbeidsovereenkomst zijn geweest zonder het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] ;- wat is de mate waarin [verweerster] een verwijt valt te maken;- heeft [appellant] inmiddels ander werk gevonden en welke inkomsten geniet hij daaruit;- welke andere inkomsten kan [appellant] in redelijkheid in de toekomst verwerven;
Voorts heeft te gelden dat de billijke vergoeding geen specifiek punitief karakter heeft.
In het beroepsschrift vordert [appellant] de veroordeling van [verweerster] tot betaling aan hem bij wijze van billijke vergoeding van € 30.500,00 bruto, zijnde het totaal aan salaris over de periode van 3 december 2023 tot aan de overeengekomen einddatum van het arbeidscontract voor bepaalde tijd (1 september 2024). Ter zitting van het hof heeft [appellant] zijn vordering verminderd tot het loon over de periode van het ontslag tot 1 juni 2024, de dag waarop hij ander werk heeft gekregen (dus loon over ongeveer zes maanden).
[appellant] heeft in verband met de gevorderde billijke vergoeding ter zitting van het hof verklaard dat hij een bedrag van € 17.000,00 heeft geleend in verband met feit dat zijn inkomen wegviel als gevolg van het ontslag op staande voet door [verweerster] . Dat bedrag moet hij nog terug betalen. Naar aanleiding van de opmerking van [verweerster] ter zitting van het hof dat [appellant] al eerder elders aan de slag had gekund, heeft [appellant] verklaard dat hij niet eerder werk kon vinden dat hij leuk vond.
Het hof oordeelt het volgende.
Het hof gaat er van uit dat het dienstverband van [appellant] bij [verweerster] in elk geval niet langer dan tot 1 september 2024, de overeengekomen einddatum zou hebben geduurd. [verweerster] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij, los van de door haar in deze procedure naar voren gebrachte dringende reden, beslist niet tevreden was met de manier waarop [appellant] zich gedroeg en waarop hij zijn werkzaamheden verrichtte.
Vast staat dat [appellant] per 1 juni 2024 ander werk heeft gevonden, waarmee hij nagenoeg hetzelfde loon verdient als het loon dat hij bij [verweerster] verdiende. In dat opzicht is [appellant] er financieel niet op achteruit gegaan. Dat hij eerder ander werk had kunnen vinden is weliswaar ter zitting kort aan de orde gekomen, maar niet helder is geworden hoeveel eerder [appellant] ander werk zou hebben kunnen krijgen en het hof houdt hiermee dan ook geen rekening bij haar beoordeling. Wel heeft [appellant] onweersproken gesteld dat hij in verband met het wegvallen van inkomen per 3 december 2023 een bedrag van € 17.000,00 heeft moeten lenen, dat hij nog moet terugbetalen. In die zin heeft [appellant] dus nadelige gevolgen van het ontslag ondervonden.
Vast staat verder dat [verweerster] [appellant] ten onrechte op staande voet heeft ontslagen: een dringende reden voor ontslag is niet komen vast te staan. In zoverre kan [verweerster] een (ernstig) verwijt worden gemaakt.
Daar staat tegenover dat [appellant] door het incident met het busje niet uit eigen beweging te melden en door zijn uiterst laconieke houding ten aanzien van het gevaar zettende karakter van het rijden met een open schuifdeur en de mogelijke negatieve gevolgen daarvan in de beeldvorming van de manier waarop [verweerster] voor haar (jonge)cliënten zorgt, [verweerster] de indruk heeft gegeven dat hij zijn positie en verantwoordelijkheid in het werk met deze specifieke cliënten niet serieus nam. Dit heeft, zoveel is het hof uit de toelichting van [verweerster] op haar beweegredenen om over te gaan tot het verlenen van het ontslag op staande voet duidelijk geworden, een belangrijke rol geweest bij de besluitvorming van [verweerster] . Achteraf, zo heeft [appellant] ter zitting van het hof ook aangegeven, heeft hij ook spijt dat hij zich heeft uitgelaten over het incident op de manier als hiervoor geciteerd.
Het bovenstaande in onderling verband en samenhang bezien brengt het hof tot het oordeel dat een vergoeding ten bedrage van drie bruto maandsalarissen een billijke vergoeding is. Dit leidt tot een door [verweerster] bij wijze van billijke vergoeding aan [appellant] te betalen bedrag van afgerond (€ 3.142,00 x 108% x 3 =) € 10.180,00 bruto (inclusief 8% vakantietoeslag).
De proceskosten
Gelet op het feit dat het hof de bestreden beschikking van de kantonrechter zal vernietigen, dat de vordering tot betaling van een billijke vergoeding wordt toegewezen en dat [appellant] recht heeft op terugbetaling van hetgeen hij op grond van de bestreden beschikking aan [verweerster] heeft betaald, zal het hof [verweerster] veroordelen in de proceskosten van zowel de procedure bij de rechtbank als van de procedure in hoger beroep. Grief VII slaagt daarom.
Het( voorwaardelijke) ontbindingsverzoek van [verweerster]
[appellant] heeft ingestemd met de beëindiging van het dienstverband per 3 december 2023. [verweerster] heeft daarom geen belang meer bij bespreking van haar (voorwaardelijke) ontbindingsverzoek.
4. De beslissing
Het hof:
vernietigt de op 24 april 2024 onder zaak-/rekestnummers 10845057 \ AZ VERZ 23-79 en 10908725 \ AZ VERZ 24-8 tussen partijen gewezen beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, sector kanton, zittingsplaats Tilburg,
en, opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [verweerster] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen bij wijze van billijke vergoeding het bedrag van € 10.180,00 bruto;
veroordeelt [verweerster] tot (terug)betaling van al hetgeen [appellant] op grond van de (vernietigde) beschikking van 24 april 2024 aan [verweerster] heeft betaald;
veroordeelt [verweerster] in de kosten van de procedures, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op in totaal € 4.249,00, te weten:
in eerste in instantie:
€ 244,00 aan griffierecht
€ 1.228,00 aan salaris advocaat
en, in tweede instantie:
€ 349,00 aan griffierecht
€ 2.428,00 aan salaris advocaat;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. Rousseau, J.I.M.W. Bartelds en N. Zekić en is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2025.