Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 5 november 2020, parketnummer 03-659516-13 in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1965,
wonende te [adres 1] .
Procesverloop
De rechtbank heeft bij vonnis van 5 november 2020 de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard en die gekwalificeerd als ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel’ (feit 1; 14.374 gram hennep), ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel’ (feit 2), ‘diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking’ (feit 3 en feit 5), ‘oplichting’ (feit 4 primair) en ‘witwassen’ (feit 6). De verdachte is wegens voornoemde feiten veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] – verband houdend met feit 3 – toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte is veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij, begroot op € 384,00.
Van de zijde van de verdachte is op 11 november 2020 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 4 mei 2023 het vonnis van de rechtbank vernietigd en het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging ten aanzien van feit 1 (partieel, met uitzondering van 87 gram hennep), feit 2, feit 3 en feit 6. Ten aanzien van de onder feit 1 begrepen 87 gram hennep heeft het gerechtshof het Openbaar Ministerie – op andere gronden – in die vervolging alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Voorts is de verdachte van feit 4 (primair en subsidiair) en feit 5 vrijgesproken. Ten slotte heeft het gerechtshof de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en heeft het de gevorderde proceskosten afgewezen.
De advocaat-generaal heeft tegen het arrest van het gerechtshof op 11 mei 2023 cassatieberoep ingesteld.
Bij arrest van 22 oktober 2024 heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 (voor zover de tenlastelegging ziet op 14.287 gram hennep), 2, 3 en 6 tenlastegelegde. De Hoge Raad heeft de zaak teruggewezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank – voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen – zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof in zoverre opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis met een proeftijd van 1 jaar.
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de verdachte van de onder 1, 2, 3 en 6 tenlastegelegde feiten zal worden vrijgesproken. Indien en voor zover het hof tot een bewezenverklaring mocht komen, heeft de verdediging bepleit dat toepassing zal worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 9 december 2013 in de gemeente Venlo opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 14.287 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij op of omstreeks 9 december 2013 in de gemeente Venlo opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in een pand aan [adres 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 604 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3.hij op of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 9 december 2013 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (in een woning gelegen aan [adres 1] ) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
6.hij op of omstreeks 9 december 2013 in de gemeente Venlo, althans in Nederland, (een) voorwerp(en), te weten een personenauto (Ferrari Spider F335, kenteken [kenteken 1] ) en/of een personenauto (Mercedes-Benz ML 420 Cdi, kenteken [kenteken 2] ), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemde personenauto('s), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep – op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota – bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, alsmede dat ook verdedigingsrechten zijn geschonden waardoor niet meer kan worden gesproken van een recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. De overschrijding van de redelijke termijn is zodanig dat de waarheidsvinding vergaand is bemoeilijkt. Het tijdsverloop heeft onder meer negatieve gevolgen voor (mogelijke) onderzoekswensen van de verdediging waardoor van een gelijk speelveld (equality of arms) inmiddels geen sprake meer is. Verbalisanten kunnen vanwege het tijdsverloop zich zaken niet meer precies herinneren. Voorts blijkt dat getuigen niet zijn gehoord; [getuige 3] kon niet worden getraceerd, door het verstrijken van de tijd kon [getuige 2] gelet op zijn gezondheidssituatie niet meer als getuige worden gehoord en [betrokkene 1] is overleden. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. De overschrijding van de redelijke termijn in combinatie met de duur van de schending, de schending van het verdedigingsbelang, het schenden van het ondervragingsrecht, het schenden van equality of arms en het in gedrang komen van de waarheidsvinding leiden tot een behandeling die in strijd is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Gelet op de schending(en) van artikel 6 EVRM, alsmede de beginselen van een behoorlijke procesorde dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad stelt het hof het navolgende voorop.
Het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. In HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 zijn uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op dit voorschrift en het rechtgevolg dat daaraan dient te worden verbonden. In dat arrest is beslist dat overschrijding van de redelijke termijn nimmer kan leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging of de ontnemingsvordering.
In genoemd arrest is voorts erop gewezen dat ook andere factoren nopen tot een voortvarende afhandeling van strafzaken, zoals de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van – bijvoorbeeld – getuigen. Genoemd voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling binnen een redelijke termijn heeft evenwel niet het oog op deze factoren en strekt in het bijzonder niet ertoe de verdedigingsrechten van een verdachte te waarborgen, zoals het recht getuigen te ondervragen. De in voormeld arrest geformuleerde uitgangspunten en regels houden alleen verband met het recht op behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn en gelden dus niet voor de beoordeling van inbreuken op de verdedigingsrechten.
Bij een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering valt, komt de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging niet in aanmerking, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Daarbij verdient opmerking dat het in de eerste plaats moet gaan om een inbreuk die onherstelbaar is en die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is gecompenseerd. Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen – in de bewoordingen van het EHRM – dat "the proceedings as a whole were not fair". Uit een en ander volgt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen. Aan de motivering van die beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring worden hoge eisen gesteld.
Andere gevolgen dan de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging liggen meer in de rede indien sprake is van een - onherstelbare en niet voor (procedurele) compensatie vatbare - schending van de verdedigingsrechten. Ingeval bijvoorbeeld het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde uitsluitend steunt op een hem belastende tegenover de politie afgelegde getuigenverklaring, terwijl op de gronden als vermeld in HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145 moet worden aangenomen dat de verdachte niet het bij artikel 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM voorziene recht heeft kunnen uitoefenen die getuige te (doen) horen omtrent die verklaring, en verdachtes betrokkenheid bij het hem tenlastegelegde ook niet wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal dan wel bedoeld steunbewijs geen betrekking heeft op die onderdelen van de verklaring die door de verdachte zijn betwist, ligt het in de rede dat die betwiste getuigenverklaring niet voor het bewijs wordt gebezigd en dat de verdachte bij gebreke van ander bewijsmateriaal wordt vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, en in een ontnemingszaak dat de ontnemingsvordering wordt afgewezen. Dat is niet anders indien het tijdsverloop een complicatie heeft gevormd bij de vergaring en de waardering van het bewijsmateriaal.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die van dien aard is en zodanig ernstig is dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Van belang daarbij is dat uit de hiervoor weergegeven jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat als – onevenredig – tijdsverloop een complicatie vormt bij de bewijsgaring of de waardering van het bewijs, de strafrechter daarmee rekening kan houden en, indien de bewijsvoering anders op gespannen voet zou komen te staan met de ‘fairness of the proceedings as a whole’ tot een vrijspraak kan komen.
Gelet op het vorenstaande wordt het verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie verworpen.
Vrijspraak feit 3
Het hof is van oordeel dat uit de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende is gebleken van betrokkenheid van de verdachte bij het wegnemen van elektriciteit, zoals dat onder feit 3 aan hem is tenlastegelegd. Nu wettig en overtuigend bewijs voor dit feit ontbreekt, zal de verdachte van dit feit worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 december 2013 (p. 13-17), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :
Op 9 december 2013 waren wij verbalisanten [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , [verbalisant 1] , [verbalisant 3] en [verbalisant 2] doende met een onderzoek naar een mogelijke hennepkwekerij op [adres 2] . Ter plaatse zagen wij, verbalisanten, op genoemd adres een loods.
Wij, verbalisanten, zagen dat de toegangsdeur van genoemde loods was afgesloten. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , heb de meldkamer gevraagd om de slotenmaker in kennis te stellen teneinde toegang te krijgen tot genoemde loods. Hierop is de slotenmaker ter plaatse gekomen teneinde het cilinderslot van het genoemde hekwerk te openen. Hierop zag ik, verbalisant [verbalisant 4] , een personenauto, merk Mercedes, type 420, kleur Zwart, kenteken [kenteken 2] , komende vanaf de [straatnaam 1] te Venlo, welke aanstalten maakte om [adres 2] in te rijden. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , zag dat de genoemde personenauto vaart minderde en dat de bestuurder het genoemde voertuig tot stilstand bracht. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , zag dat de genoemde auto na ongeveer tien seconden wegreed in de richting van de [straatnaam 2] te Venlo. Hierop hebben wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , de achtervolging ingezet op genoemde personenauto teneinde de identiteit van de bestuurder vast te stellen. Wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , zagen het genoemde voertuig in de van Nijvenheimstraat te Venlo staan. Wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , hoorden dat de motor van genoemde auto nog in werking was. Wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , zagen dat er geen personen in de genoemde auto meer aanwezig waren. De slotenmaker was op dat moment doende met het openen van de toegangsdeur. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , zag dat een manspersoon vanaf de [adres 1] de [adres 2] in kwam gelopen. Ik, verbalisant [verbalisant 5] , hoorde op dat moment van een buurtbewoner dat de loods van de man was welke aan kwam gelopen. Hierop spraken wij verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] genoemde persoon aan en dit bleek de later te vernoemen [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna: de verdachte) te zijn. Wij hoorden dat [verdachte] zei dat hij de loods huurde van zijn moeder. Wij vroegen of [verdachte] een sleutel had van genoemde loods. Hierop hoorden wij dat [verdachte] zei dat de sleutel in zijn auto lag of in zijn woning. Hierop zijn wij verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] met [verdachte] naar zijn personenauto gereden op de van Nijvenheimstraat. Wij zagen dat [verdachte] een keycord met daaraan drie sleutels aan ons overhandigde. Hierop zijn wij met [verdachte] terug gereden naar genoemde loods. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , opende de deur van de loods met de sleutel die [verdachte] ons overhandigd had. Bij het betreden van de genoemde loods zagen wij, verbalisanten, bij binnenkomst diverse personenauto's en een trailer met daarop een boot staan.
Wij, verbalisanten, zagen aan de rechterzijde in de loods een sportauto staan. Wij, verbalisanten, zagen dat het een Ferrari, type Spider F355, kleur Rood, Duits kenteken [kenteken 1] , betrof. Wij, verbalisanten, zagen dat er aan de linkerzijde in de genoemde loods een boot, merk BAJA, type onbekend, registratienummer [kenteken 3] stond. Wij zagen aan de rechterzijde van de genoemde loods een andere personenauto. Dit betrof Mercedes, type CLK42 (het hof begrijpt: CLK 240), kleur grijs, Nederlands kenteken [kenteken 4] . Wij, verbalisanten, zagen aan de rechterzijde van de genoemde loods nog een personenauto staan, Merk Mercedes, type SLK 230, kleur blauw, Nederlands kenteken [kenteken 5] .
Hierop zagen wij, verbalisanten, aan het einde van de genoemde loods een rolpoort. De rolpoort was naar beneden getrokken. Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 4] , aan de rolpoort gevoeld. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , voelde dat de rolpoort niet
afgesloten was en ik heb hierop de rolpoort naar boven geduwd. Wij, verbalisanten, zagen dat er aan de achterzijde van de loods een soort open, niet overkapte buitenruimte was. Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , zagen dat er aan de rechterzijde van genoemde buitenruimte, de achterzijde van een pand gelegen was. De entreedeur van genoemd pand was afgesloten en afgeplakt. Wij hoorden vanuit deze woning een zoemend geluid. Dit geluid herkenden wij als zijnde het geluid van af en aanzuiginstallaties, welke veelal gebruikt worden in hennepkwekerijen. Na onderzoek bleek het te gaan om de achterzijde van het pand gelegen aan [adres 1] . Tevens zagen wij een ijzeren trap naar een bovenwoning. Dit bleek later de bovenwoning van [verdachte] te zijn, gelegen aan [adres 1] .
Hierop zijn wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , weer de loods ingelopen. Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , zagen aan de rechterzijde van de genoemde loods een witte partytent staan. Wij zagen dat er een tuinset in de genoemde partytent stond. Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] zagen dat er diverse goederen in deze partytent lagen. Tevens zagen wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , diverse goederen (kentekenpapieren, kluis ed.) in de genoemde partytent liggen. De kentekenpapieren en kluis en diverse andere papieren (aantekeningen) werden in beslag genomen. Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , zagen dat er diverse sleutels in genoemde partytent lagen.
Door hulpofficier van justitie [verbalisant 6] werd een machtiging tot binnentreden afgegeven voor de benedenwoning aan [adres 1] in verband met verdenking van overtreding van de Opiumwet. Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 4] , de sleutels geprobeerd op de achterzijde van het genoemde pand gelegen in de buitenruimte. Een van de sleutels bleek te passen op de entreedeur van genoemd pand. Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 4] , de genoemde entreedeur geopend. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , zag dat er een in werking zijnde hennepkwekerij aanwezig was in genoemd pand. Hierop hebben wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , de overige aanwezige collega's in kennis gesteld van de in werking zijnde hennepkwekerij. Hierop hebben de politiecollega's [verbalisant 1] en [verbalisant 3] verder onderzoek gedaan naar de hennepkwekerij.
Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , liepen weer terug de loods in
en zagen twee zogenaamde centrifuge apparaten staan. Ons, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , is ambtshalve bekend dat dergelijke apparaten gebruikt worden voor het vermalen van hennepafval. Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , zijn naar de ingang van de loods gelopen. Hierop heb ik verbalisant [verbalisant 4] de partytent nabij de ingang van de loods bekeken. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , zag dat er een blauwe regenton in de genoemde partytent stond. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , rook een sterke hennepgeur in de genoemde partytent. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , liep naar de blauwe regenton en rook dat de hennepgeur nabij de genoemde ton sterker werd. Vervolgens heb ik, verbalisant [verbalisant 4] , de regenton geopend. Ik verbalisant [verbalisant 4] zag dat er een ruime hoeveelheid hennep in de regenton zat. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , zag dat er tevens een lamineerapparaat, weegschaal en verpakkingsmaterialen in de tent aanwezig waren. In genoemde partytent zag ik nog eenzelfde blauwe regenton en twee kleinere witte tonnen staan. Ik rook eveneens een hennepgeur bij deze tonnen. Hierop werden genoemde tonnen door ons verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] ter waarheidsvinding in beslag genomen. Hierop troffen wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , tevens gedroogde henneptoppen aan. Na weging aan het politiebureau, bleek er in totaal 14.287 kilo gedroogde henneptoppen in genoemde tonnen te zitten. Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , troffen tevens een blauwe map aan in de genoemde partytent. Wij zagen dat in deze map diverse papieren zaten waarin omschreven staat hoe hennep geteeld dient te worden.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 december 2012 (p. 89-92), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 1] :
Op 9 december 2013 waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , samen met een aantal andere politiecollega's, op het adres [adres 2] , in verband met een onderzoek naar een hennepkwekerij. Op genoemde dag zijn wij, verbalisanten, de benedenwoning zijnde [adres 1] binnen gegaan, middels de geopende toegangsdeur aan de achterzijde van het pand. De collega's [verbalisant 4] en [verbalisant 5] hebben door middel van een sleutel welke in genoemd bedrijfspand werd aangetroffen de toegangsdeur geopend. Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , zagen dat de benedenwoning, zijnde [adres 1] , bereikbaar was via een binnenplaats welke achter genoemd bedrijfspand was gelegen. Wij zagen dat er een toegangsdeur was, welke afgeplakt was met mogelijk plastic folie. Tevens zagen wij naast deze toegangsdeur een raam, welke eveneens afgeplakt was met mogelijk plastic folie. Tevens zagen wij dat er een ijzeren trap vanuit de binnenplaats naar de bovenwoning van [adres 1] liep. Wij zagen vanuit de toegangsdeur een ruimte, welke compleet ingericht was al hennepkwekerij. Wij zagen en hoorden dat de hennepkwekerij in werking was. Na telling bleken er in ruimte 1: 302 hennepplanten te staan. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , herkende ambtshalve de specifieke geur en vorm van de plant, als zijnde een hennepplant. Wij zagen dat er door het midden van ruimte 1 een looppad was gemaakt, door middel van houten platen. Wij zijn via dit looppad, verder de ruimte ingelopen. Wij zagen dat er achter de eerste ruimte nog een andere ruimte compleet ingericht was als hennepkwekerij. Wij zagen en hoorden dat in deze ruimte eveneens een inwerking zijnde hennepkwekerij was. Na telling bleken er in ruimte 2: 302 hennepplanten te staan. Wij zagen dat de benedenwoning bijna geheel ingericht was al hennepkwekerij. In de benedenwoning werd geen in gebruik zijnde keuken, bed of iets dergelijks aangetroffen, waar uit afgeleid kon worden dat de benedenwoning als woning in gebruik was. Tevens zagen wij dat achter de voordeur onder de brievenbus van [adres 1] een grote stapel post lag. Hieruit konden wij afleiden dat de toegangsdeur gelegen aan de voorzijde van het pand [adres 1] , al geruime tijd niet geopend was. De hennepkwekerij was daarom alleen toegankelijk via de toegangsdeur aan de achterzijde. Deze toegangsdeur was alleen te bereiken via de loods, danwel via de bovenwoning, welke in gebruik is bij de verdachte [verdachte] .
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2024 (p. 259-261), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
In de loods werd in een partytent een kluis aangetroffen. Hierna zullen de goederen uit de kluis aan de hand van de fotobladen worden beschreven.
Foto 16: Kentekenpapieren, kenteken: [kenteken 6] ten name van [verdachte] , [adres 1] .
Foto 17: Kentekenpapieren, kenteken [kenteken 7] , duplicaatcode 1, ten name van [verdachte] , [adres 1] .
Foto 18: Kentekenpapieren, kenteken [kenteken 7] , ten name van [verdachte] , [adres 1] .
Foto 19: Brief op naam van [verdachte] , [adres 1]
Foto 22: Begeleidingsbrief bedrijf [bedrijf 1] , kenteken: [kenteken 2] , datum
21-10-2013.
Foto 23: Begeleidingsbrief bedrijf [bedrijf 1] , kenteken [kenteken 2] , datum
25-10-2013.
Foto 24: Begeleidingsbrief bedrijf [bedrijf 1] , kenteken [kenteken 2] , datum 15-10-2013.
Foto 26: Begeleidingsbrief bedrijf [bedrijf 1] , kenteken [kenteken 2] , datum
14-10-2013.
Tevens werden in genoemde partytent achter in de loods diverse bescheiden en
aantekeningen aangetroffen. Hieronder zal per foto beschreven worden, wat er werd
aangetroffen.
Foto 30: Tas met daarop diverse bonnetjes en kentekenpapieren.
Foto 32: Kentekenpapieren op tas. Kenteken betreft [kenteken 5] , ten name van [verdachte] , [adres 1] .
Foto 43: Aantekeningen omtrent de kweek van hennep, aangegeven per week. Begin datum 18 sep.
Foto 44: Aantekeningen omtrent de kweek van hennep, aangegeven per week. Begin datum 10 dec.
Foto 45: Aantekeningen omtrent de kweek van hennep, aangegeven per week. Begin datum 18 sep. Geschreven datum 22 nov. Voorgroei start: 7 sep.
Foto 47: Aantekeningen omtrent de kweek van hennep, aangegeven per week. Begin datum: 10 dec. Voorgroei start: 30 nov.
Uit deze aantekeningen, welke aangetroffen werden in de loods, gelegen aan de
[adres 2] , kan opgemaakt worden dat ze direct of indirect in verband staan met de aangetroffen hennepkwekerij in het pand [adres 1] .
4. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] (p. 315-318), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik ben de eigenaar van de loods gelegen aan [adres 2] . Ik oktober 2013 vroeg [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) aan mij of hij de loods kon gebruiken. Ik heb daarmee ingestemd.
5. Een geschrift, te weten een huurovereenkomst d.d. 10 oktober 2013 (p. 1231-1242), voor zover inhoudende:
Heden, tien oktober tweeduizend dertien, verschenen voor mij, mr. [notaris] , notaris te Roermond:
1. mevrouw [medeverdachte] , wonende te [adres 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2]
negentienhonderdzesenveertig, identiteitsbewijs: Nederlands rijbewijs nummer
[documentnummer 1] , geldig tot tweeëntwintigjuni tweeduizend zestien, thans ongehuwd
en niet geregistreerd als partner in de zin van het geregistreerd partnerschap,
weduwe van de heer [betrokkene 2] ,
hierna te noemen "huurverkoper"; en
2. de heer [verdachte] , wonende te [adres 1] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] negentienhonderdvijfenzestig, identiteitsbewijs:
Duits paspoort nummer [documentnummer 2] , geldig tot acht juli tweeduizend negentien,
ongehuwd en niet geregistreerd als partner in de zin van het geregistreerd
partnerschap,
hierna te noemen "huurkoper".
A. OMSCHRIJVING VAN HET VERKOCHTE EN LEVERING.
Huurverkoper verkoopt in huurkoop aan huurkoper die in huurkoop koopt:
de berging/stalling met verdere aanhorigheden, gelegen te Venlo, nabij de
[adres 2] , groot elf are en tweeënvijftig centiare (11 a 52 ca), kadastraal
bekend gemeente Venlo in [kadastersectie] onder nummer [kadasternummer] ;
6. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte (p. 165-168), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
V: vraag verbalisant
A: antwoord verdachte
V: In de loods is een blauwe Mercedes Benz SLK 230, voorzien van het kenteken
[kenteken 5] , aangetroffen. Van wie is deze auto?
A: Deze auto is mijn eigendom.
V: In de loods is een grijze Mercedes Benz CLK 240 cabrio, voorzien van het kenteken [kenteken 4] , aangetroffen. Van wie is deze auto?
A: Deze auto is van mijn vriendin.
V: In de loods is een boot aangetroffen, Merk Baya, type 245. Van wie is deze boot?
A: Die is van mij. De trailer waar de boot op stond is van mij.
7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juni 2015 (p. 440-461), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] :
Door [verdachte] werd bij de belastingdienst aangegeven dat hij in het jaar 2012 een bedrag van € 21.045,00 aan buitenlandse inkomsten heeft genoten uit werkzaamheden bij [bedrijf 2] . Ondanks dat de herkomst hiervan niet is vast te stellen, worden deze inkomsten aangemerkt als legale inkomsten.
Uit de gevorderde gegevens blijkt dat de legale inkomsten van [verdachte] en [betrokkene 3] (en hun minderjarige dochter) over de laatste jaren zeer beperkt zijn geweest. Vermoedelijk zijn deze nog te gering geweest om te voorzien in hun levensonderhoud. Het feit dat er ook vanaf de bankrekeningen nagenoeg geen betalingen ten behoeve van het levensonderhoud zijn te zien en er zelfs contante stortingen op plaats vinden, wijst op een andere, onbekende bron van inkomsten.
Uit het ontvangen antwoord van de Staatsanwaltschaft Oldenburg, d.d. 19 juni 2014 blijkt dat de personenauto, Mercedes type ML 420 Cdi 4Matic door [bedrijf 3] is doorverkocht aan [bedrijf 4] eveneens in Oldenburg(D). De hierover gehoorde [betrokkene 4] verklaart zich de verkoop van bedoelde Mercedes goed te herinneren. De koper heeft contact met hem gezocht via het telefoonnummer [telefoonnummer] . [betrokkene 4] stelt van deze verkoop bescheiden ter beschikking en verklaart de auto te hebben verkocht aan de persoon, van wie een kopie van het identiteitsbewijs bij de bescheiden is gevoegd. Dit betreft [verdachte] . Deze heeft met hem nog gesproken over andere auto's en foto's laten zien van zijn Ferrari. Het betrof een contante verkoop. Volgens een kopie van de rekening bedroeg de prijs € 24.000.
Uit het ontvangen antwoord van de Staatsanwaltschaft Bonn (D), d.d. 7 augustus 2014 blijkt dat [getuige 1] , als bedrijfsleider van [bedrijf 5] , werd gehoord als getuige. Hij verklaart dat bij genoemd bedrijf een personenauto, merk Ferrari, type Spider in reparatie stond. Hij heeft de auto te koop gezet en met schade aan een Nederlander verkocht voor een bedrag van € 35.000. Een collega heeft bedoelde auto naar Nederland versleept en daar afgeleverd. Van de verkoop heeft hij geen bescheiden meer, ook de naam van de koper kan hij zich niet herinneren. Hij heeft nog wel het Nederlandse telefoonnummer van de koper, dit betreft [telefoonnummer] .
Bij raadpleging in het zogenoemde Basis Voorziening Handhaving (BVH)- systeem is bovengenoemd telefoonnummer op 03-04-2009 gekoppeld aan verdachte [verdachte] .
De personenauto, Ferrari, gekentekend [kenteken 1] (D), werd aangetroffen in de loods [adres 2] .
Uit de bankafschriften van verdachte [verdachte] bleek dat op 23 en 27 januari 2012 vanaf de Rabobank rekening [rekeningnummer] ten name van [verdachte] een bedrag van respectievelijk € 265; € 100 en € 418,50 wordt betaald, onder vermelding: Ferrari 33 airco condensor; nabetaling airco condensor en 355 spider carbone einsteigleisten.
Bij onderzoek is gebleken dat op de onder [verdachte] aangetroffen en in beslag genomen telefoon, diverse foto's stonden opgeslagen, waarbij te zien is dat zowel [verdachte] als zijn echtgenote [betrokkene 3] in 2012 gebruik maken van de Ferrari.
De personenauto, Mercedes-Benz ML 420 Cdi, gekentekend [kenteken 2] , werd aangetroffen doordat verdachte [verdachte] als bestuurder van dit voertuig kwam aanrijden bij de loods [adres 2] , toen deze loods betreden ging worden. De vorige eigenaar [betrokkene 5] in Hamburg, die verklaart haar auto te hebben verkocht aan [bedrijf 3] in Oldenburg. Door [bedrijf 3] was de auto verkocht aan [bedrijf 4] . [betrokkene 4] verkocht de auto aan [verdachte] , van wie een kopie van het paspoort is bijgevoegd. Het betrof een contante verkoop. Blijkens de bijgevoegde factuur werd door koper [verdachte] een bedrag van € 24.000 contant voor deze auto gekocht.
Uit de via rechtshulp ontvangen afschriften van de bankrekening van [getuige 2] blijkt dat vanaf deze bankrekening gelden worden betaald en ontvangen voor zowel de genoemde personenauto Mercedes ML als genoemde Ferrari personenauto. Van deze bankrekening is verdachte [verdachte] een tijdlang gemachtigde, terwijl deze bankrekening ook een tijd heeft 'gelopen' via het adres [adres 1] . In de auto werd de rekening van de aankoop van de auto voor een bedrag van € 24.000 dat contant betaald is aangetroffen, alsook een machtiging van het garagebedrijf waarbij [verdachte] namens de garage wordt gemachtigd de zogenaamde 'fahrzeugbrief’ in ontvangst te nemen.
Bewijsoverwegingen
Algemene overwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hiervoor uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Rechtmatigheid van het optreden
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – op gronden zoals opgenomen in de pleitnota – naar voren gebracht dat sprake is van onrechtmatig binnentreden. Er was geen redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet. Evenmin was toestemming gegeven voor het betreden van de loods en ten aanzien van het binnentreden in de woningen aan [adres 1] en [adres 1] zijn de machtigingen ten onrechte afgegeven. Voorts blijkt dat sprake is geweest van een doorzoeking van een ton. Op dat moment was er echter geen machtiging afgegeven voor een doorzoeking, zodat de aangetroffen hennep van het bewijs dient te worden uitgesloten. De doorzoeking voldoet niet aan de eisen die de wet stelt en verdachtes recht op privacy (artikel 8 EVRM) is geschonden. Voornoemde vormverzuimen – als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering – dienen te leiden tot bewijsuitsluiting en derhalve tot vrijspraak van het tenlastegelegde, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
De politie is op 9 december 2013 binnengetreden in een loods gelegen aan [adres 2] . In de loods zijn onder andere 14.374 gram hennep en een Ferrari, type Spider F355, met kenteken [kenteken 1] aangetroffen. In de benedenwoning gelegen aan [adres 1] is een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. De verdachte woont in de bovenwoning gelegen aan [adres 1] .
Storingsmedewerker bij [benadeelde] , [betrokkene 6] , werd tijdens zijn werkzaamheden op 30 september 2013 aangesproken door een man. Deze man zei dat hij vermoedens had dat er een hennepkwekerij aanwezig was in de loods gelegen aan [adres 2] . [betrokkene 6] gaf deze informatie door aan [betrokkene 7] , fraude-inspecteur bij [benadeelde] . [betrokkene 7] besloot om in de periode van 5 oktober 2013 tot en met 9 oktober 2013 een blokmeting uit te voeren op [adres 2] . De uitslag was positief voor een hennepkwekerij.
De verdachte heeft voorafgaand aan het binnentreden in de loods aan [adres 2] , nadat de politie (in uniform) hem had medegedeeld dat zij een onderzoek wilden instellen in verband met een mogelijke hennepkwekerij, spontaan “prima” gezegd. Toen zij hem vervolgens vroegen om een sleutel van de loods, heeft de verdachte uit eigen beweging de sleutel overhandigd en op het moment dat de politie met de sleutel de deur van de loods opende, heeft de verdachte (spontaan) gezegd dat “er alleen een beetje hennep in een kast lag te drogen”. Het hof stelt vast dat de verdachte toestemming heeft gegeven voor het binnentreden van de loods en is van oordeel dat deze omstandigheden voldoende waren voor het ontstaan van een verdenking van overtreding van de Opiumwet in de loods aan [adres 2] . Het binnentreden van de loods gelegen aan [adres 2] was dan ook rechtmatig.
Tijdens het onderzoek in de voornoemde loods trof de politie henneptoppen aan die lagen te drogen. Achter een niet afgesloten rolpoort aan het einde van de loods zag de politie een niet overkapte buitenruimte/binnenplaats en de achterkant van een pand. De politie ziet dan dat de achterdeur van dat pand, wat achteraf [adres 1] blijkt te zijn, was afgesloten en afgeplakt. Ook was er een ijzeren trap naar een bovenwoning op [adres 1] . Vanuit de benedenwoning hoorde de politie een zoemend geluid van een aanzuiginstallatie, die veelal bij hennepkwekerijen wordt gebruikt.
Nadat in de loods hennep (te drogen) werd aangetroffen, maar geen hennepkwekerij – mede tegen de achtergrond van de anonieme melding, de positieve netmeting en het zoemend geluid uit de naastgelegen woning – was er een dringende noodzaak tot het binnentreden van die woning. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat met enige regelmaat in hennepkwekerijen van een brandgevaarlijke situatie sprake is, bijvoorbeeld wegens onprofessionele aanleg van elektrische installaties en hoge stroomafnames. Bovendien was er een strafvorderlijk belang om direct binnen te treden nu door het eerdere binnentreden en het ontdekken van de hennep in de loods betrokkene(n) waren gewaarschuwd met mogelijk negatieve gevolgen voor het (verdere) opsporingsonderzoek.
Het hof is van oordeel dat op grond van de positieve netmeting, de tip aan [benadeelde] en de bevindingen bij onderzoek van de loods, een redelijk vermoeden is ontstaan van de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning aan [adres 1] en daarmee een overtreding van de Opiumwet. De machtiging tot binnentreden is dan ook op goede gronden afgegeven.
[adres 1] was bijna geheel ingericht als hennepkwekerij en er werd geen in gebruik zijnde keuken, bed of iets dergelijks in de woning aangetroffen. Achter de voordeur lag een grote stapel post. Hieruit kon worden afgeleid dat het pand niet als woning werd gebruikt en dat de voordeur sinds geruime tijd niet geopend was. De toegang tot de hennepkwekerij vond blijkbaar enkel via de achterdeur grenzend aan de binnenplaats plaats. De binnenplaats met de achterdeur was alleen te bereiken via de loods of via de bovenwoning [adres 1] . Ook lag er een sleutel van de achterdeur van de benedenwoning in de loods, die door de verdachte werd gehuurd, zoals hij voor het betreden van de loods had meegedeeld aan de politie.
Nu de hennepplantage alleen werd betreden via de binnenplaats en deze binnenplaats alleen toegankelijk was via de loods die door de verdachte werd gehuurd en via de bovenwoning die door de verdachte werd bewoond, is het hof van oordeel dat op grond van de bevindingen van het onderzoek tot dan toe, er een redelijk vermoeden kon ontstaan dat ook in de bovenwoning aan [adres 1] sprake was van een hennep gerelateerde overtreding van de Opiumwet. De machtiging tot binnentreden van deze woning is dan ook op goede gronden afgegeven. Dat de machtiging is afgegeven door met de pen op de eerder afgegeven machtiging [adres 1] toe te voegen en de wijziging te paraferen maakt dat niet anders, bezien in samenhang met de beschrijving van het verloop van het onderzoek. Het binnentreden van de voornoemde woning was dan ook rechtmatig.
Gelet op bovenstaande verwerpt het hof het verweer dat sprake is geweest van onrechtmatig binnentreden. Het hof is van oordeel dat op basis van bovenstaande redelijkerwijs kon worden vermoed dat de Opiumwet door de verdachte werd overtreden, de verdachte toestemming heeft gegeven voor het betreden van de loods en dat de machtiging tot binnentreden in de woningen van de verdachte op [adres 1] en [adres 1] op goede gronden is afgegeven.
Het hof overweegt voorts als volgt.
Uit de inhoud van het dossier blijkt dat verbalisant [verbalisant 4] een van de regentonnen die in de loods stonden heeft geopend, alsmede dat andere tonnen in beslag zijn genomen. Ten aanzien van die ene ton is het hof met de verdediging van oordeel dat in zoverre sprake is geweest van een doorzoeking in de loods. Op basis van de inhoud van de gedingstukken is het hof niet gebleken dat ten aanzien van de loods een machtiging tot doorzoeking is afgegeven, ook niet in de dagen na de doorzoeking. Het hof is daarom van oordeel dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.
Om te bepalen of aan dit vormverzuim een, en zo ja welke, consequentie dient te worden verbonden, dient op grond van artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te worden gekeken naar het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat verdachtes recht op privacy (artikel 8 EVRM) is geschonden. Het hof stelt vast dat de verdediging dit niet nader heeft geduid en/of onderbouwd. Naar het oordeel van het hof is daarmee onvoldoende gesteld welk nadeel door het vormverzuim is gebleken. Dat sprake is van nadeel voor de verdachte is het hof ook overigens niet gebleken. In dit verband heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen de locatie waar de doorzoeking heeft plaatsgehad, te weten in een loods, alsmede het voorwerp dat is onderzocht, te weten een ton. Naar het oordeel van het hof valt niet in te zien dat daarbij inbreuk is gemaakt op het recht op privacy van de verdachte en/of de verdachte daarvan enig nadeel heeft ondervonden. Het hof zal dan ook volstaan met het constateren van het vormverzuim en hier geen gevolg aan verbinden.
Ten aanzien van feit 1 en feit 2
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging – op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota – naar voren gebracht dat de verdachte van de onder 1 en onder 2 tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat de verdachte geen wetenschap had van de 14.287 gram gedroogde henneptoppen (feit 1). Niet alleen de verdachte had toegang tot de loods en het gedeelte van de loods waar de regenton is aangetroffen. Daarnaast blijkt niet dat de verdachte feitelijke beschikkingsmacht had over de hennep in de regenton. Evenmin wist de verdachte van de hennepkwekerij (feit 2). De verdachte heeft het gedeelte van de loods waarin de regenton is aangetroffen verhuurd aan [betrokkene 1] , waarbij aanwijzingen dat [betrokkene 1] verantwoordelijk was voor de hennepkwekerij ruimschoots uit het dossier blijken, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Gelet op het onder het kopje ‘Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie’ opgenomen beoordelingskader en de inhoud van het dossier, acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het impliciet primair tenlastegelegde telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van 14.287 gram hennep (feit 1) en 604 hennepplanten (feit 2). Aan dit oordeel ligt in het bijzonder ten grondslag dat op basis van de inhoud van het dossier betrokkenheid van [betrokkene 1] bij voornoemde feiten niet kan worden uitgesloten. De verdachte zal dan ook in zoverre worden vrijgesproken van de onder 1 en onder 2 tenlastegelegde feiten. Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 9 december 2013 schuldig heeft gemaakt aan opzettelijk aanwezig hebben van 14.287 gram hennep (feit 1) en 604 hennepplanten (feit 2).
Ten aanzien van het impliciet subsidiair tenlastegelegde opzettelijk aanwezig hebben van hennep stelt het hof het volgende voorop. Handelen in strijd met artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet levert een misdrijf op wanneer bewezen wordt verklaard dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Het ‘aanwezig hebben’ in de zin van artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet vereist feitelijke macht over de verdovende middelen, waarmee wordt bedoeld dat de verdachte over die middelen kan beschikken. Het is daarvoor niet noodzakelijk dat de verdovende middelen in de directe nabijheid van de verdachte zijn en ook niet dat zij aan de verdachte toebehoren of dat de verdachte beschikkings- of beheersbevoegdheid heeft met betrekking tot de verdovende middelen. Verder vereist opzet wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen, waarbij als ondergrens geldt dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.
Op basis van de inhoud van het dossier stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast.
Op 9 december 2013 is in de loods gelegen aan [adres 2] 14.287 gram hennep aangetroffen. Verbalisant [verbalisant 4] heeft hieromtrent gerelateerd dat hij in de partytent die in de loods stond, een sterke hennengeur rook en dat de hennepgeur nabij een blauwe regenton sterker werd. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte de sleutel had van de loods. Voorts blijkt daaruit dat er verschillende voertuigen van de verdachte en (kenteken)papieren ten name van de verdachte in de loods zijn aangetroffen, waaronder ook in voornoemde partytent. In de partytent stond bijvoorbeeld een kluis en in die kluis zijn (kenteken)papieren ten name van de verdachte gevonden. Ook werd in de partytent een tas aangetroffen met daarop kentekenpapieren ten name van de verdachte. Gelet hierop stelt het hof vast dat de verdachte toegang had tot de loods en dat hij deze ook gebruikte.
Voorts stelt het hof vast dat in de directe nabijheid van de loods, in de woning gelegen aan [adres 1] , op 9 december 2013, 604 hennepplanten zijn aangetroffen. In dit verband blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen dat aan het einde van de loods een niet overkapte buitenruimte/binnenplaats was, met daaraan gelegen de woning [adres 1] . Er was een ijzeren trap naar een bovenwoning, [adres 1] , de woning van de verdachte. De verbalisanten hebben gerelateerd dat zij vanuit de benedenwoning een zoemend geluid van een aanzuiginstallatie hoorden. Achter de voordeur van de woning [adres 1] werd een stapel post aangetroffen. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof genoegzaam worden vastgesteld dat de voordeur van [adres 1] niet werd gebruikt. Ook zijn er geen aanwijzingen dat er iemand woonde. De enige gebruikte/overgebleven toegang tot [adres 1] was de achterdeur. Deze achterdeur was slechts te bereiken via de buitenruimte/binnenplaats, grenzend aan de loods die door de verdachte werd gebruikt en via de trap van de bovenwoning van de verdachte die weer uitkwam op de betreffende buitenruimte/binnenplaats. Voorts blijkt dat met een in de partytent aangetroffen sleutel de achterdeur van [adres 1] kon worden geopend.
Gelet op de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – acht het hof de verklaring van de verdachte dat hij geen wetenschap heeft gehad van de hennepkwekerij en de aangetroffen hennep in de loods niet aannemelijk.
De bedrijvigheid die er moet zijn geweest om de hennepkwekerij op te zetten en het geluid van de aanzuiginstallatie kunnen voor de verdachte niet onopgemerkt zijn gebleven. Dat geldt eveneens voor wat betreft de waargenomen hennepgeur in de loods. In dit verband heeft het hof in het bijzonder nog in aanmerking genomen dat de hennepkwekerij en de aangetroffen hennep in de directe nabijheid van elkaar zijn aangetroffen, alsmede dat uit de situatie ter plaatse blijkt dat de drie panden bij elkaar hoorden. Mede gelet daarop en de omstandigheden dat de verdachte de beschikking had over de sleutel van de loods en met een in de loods aangetroffen sleutel ook de deur van [adres 1] kon worden geopend, kon de verdachte ook feitelijke macht uitoefenen over de hennepplanten en de aangetroffen hennep.
Het verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde wordt derhalve verworpen.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog het voorwaardelijk verzoek gedaan om DNA-onderzoek te laten verrichten naar de veiliggestelde DNA-sporen op handschoenen en een mondkapje, indien het hof de verdachte mocht aanmerken als (enige) gebruiker van [adres 1] .
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Nu de voorwaarde die de verdediging aan het verzoek heeft verbonden, niet is vervuld komt het hof aan een verdere beoordeling van het verzoek niet toe.
Ten aanzien van feit 6
De verdediging heeft – op gronden zoals opgenomen in de pleitnota – bepleit dat de verdachte van het 6 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd. De verdachte heeft de auto’s niet gekregen van [getuige 2] . [getuige 2] is de eigenaar van de auto’s. Uit de inhoud van het dossier blijkt niet dat verdachtes verklaring niet verifieerbaar of op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Het Openbaar Ministerie heeft onvoldoende inspanningen verricht dan wel onderzoek gedaan om de verklaring van de verdachte te verifiëren. Daarnaast kan de belangrijkste getuige ( [getuige 2] ) niet meer worden gehoord.
Het hof overweegt als volgt.
In de loods die in gebruik is door verdachte is een Ferrari met kenteken [kenteken 1] aangetroffen. De verdachte haalde daarnaast op 9 december 2013 de sleutels van de loods uit de Mercedes met kenteken [kenteken 2] . In de loods zijn ook verschillende brieven van het bedrijf ‘ [bedrijf 1] ’ ten aanzien van het kenteken [kenteken 2] aangetroffen. Beide auto’s werden in december 2012 gekocht door de verdachte, maar staan op naam van zijn oom. De verdachte heeft bij de politie en de rechter-commissaris niet verklaard over de eigendom van de personenauto’s of de herkomst van de aankoopbedragen. Ter terechtzitting in eerste aanleg is door de verdediging naar voren gebracht dat ‘het verhaal van de verdachte is gebaseerd op de verklaring van oom [getuige 2] . Hij is een suikeroom die de verdachte veel sponsort’. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij de auto’s heeft betaald met geld van zijn oom.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Het hof acht de resultaten van het door het Openbaar Ministerie verrichte onderzoek van dien aard dat op basis daarvan geen andere conclusie mogelijk is dan dat de tenlastegelegde personenauto’s eigendom zijn van de verdachte en middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de Mercedes heeft gekocht voor € 24.000,00 in contanten. De verdachte heeft daarbij zijn identiteitsbewijs overgelegd, foto’s van zijn Ferrari laten zien, en gebruikte het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit nummer was al in 2009 gekoppeld aan de verdachte. Het telefoonnummer [telefoonnummer] is ook opgegeven door de verkoper van de Ferrari als het telefoonnummer van de koper. De verkoper heeft de auto verkocht aan een Nederlander voor een bedrag van € 35.000,00. Het hof acht het niet aannemelijk dat de auto’s een schenking zijn van de oom van de verdachte dan wel met geld van zijn oom zijn betaald. Uit de bankrekeningen van de oom van de verdachte (dossierpagina 793 en verder) blijkt namelijk niet dat hij de financiële middelen had om dergelijke aankopen te doen.
Uit het onderzoek is verder gebleken dat de legale inkomsten van de verdachte en zijn vriendin te gering waren om te voorzien in het levensonderhoud van hun gezin. Er zijn op hun bankrekeningen ook geen betalingen voor levensonderhoud te zien. Wel vinden er in de periode 2010-2012 en in 2013 een aantal contante stortingen plaats.
Het hof constateert dat de Ferrari en de Mercedes op naam van [getuige 2] staan en dat er vanaf zijn bankrekening wegenbelasting en autoverzekering worden betaald en ontvangen voor de personenauto’s. Op die bankrekening worden steeds met die betalingen corresponderende bedragen gestort. Daarbij komt dat de verdachte de gemachtigde is van de bankrekening van [getuige 2] en dat de correspondentie loopt via het adres [adres 1] , het woonadres van de verdachte. Het hof is van oordeel dat de verdachte op die manier een rookgordijn heeft opgeworpen omtrent wie de werkelijke rechthebbende was van de Ferrari Spider F335, kenteken [kenteken 1] en de Mercedes-Benz ML 420 Cdi, kenteken [kenteken 2] .
Het hof acht het onder feit 6 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt verworpen.
Bewezenverklaring feit 1, 2 en 6
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op 9 december 2013 in de gemeente Venlo opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) 14.287 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij op 9 december 2013 in de gemeente Venlo opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) 604 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
6.hij op 9 december 2013 in de gemeente Venlo een personenauto (Ferrari Spider F335, kenteken [kenteken 1] ) en een personenauto (Mercedes-Benz ML 420 Cdi, kenteken [kenteken 2] ) voorhanden heeft gehad en omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Het onder 6 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat toepassing zal worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Bij het bepalen van de op te leggen sanctie heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveel hennep en hennepplanten. Het gebruik van hennep kan schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers daarvan. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat hennepteelt en de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van criminaliteit, waardoor aan de samenleving schade wordt berokkend. Gelet op de hoeveelheid aangetroffen hennep was die kennelijk ook voor verdere verspreiding en handel bestemd. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. Het plegen van een dergelijk strafbaar feit vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Daarnaast werkt witwassen het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit in de hand. De verdachte heeft zich daar kennelijk niets van aangetrokken en slechts gehandeld met het oog op eigen financieel gewin.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 januari 2025. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen eerder onherroepelijk is veroordeeld. Die veroordelingen hebben evenwel geen betrekking op soortgelijke strafbare feiten en dateren bovendien van lang geleden. Het hof zal deze omstandigheid dan ook niet ten nadele van de verdachte bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen sanctie meewegen.
Alle omstandigheden afwegende acht het hof het passend en geboden de verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 150 uur subsidiair 75 dagen hechtenis met een proeftijd van 1 jaar en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Ofschoon het hof komt tot een bewezenverklaring van minder dan waarvan in de vordering van de advocaat-generaal is uitgegaan, acht het hof toch een straf, gelijk aan die welke door de advocaat-generaal is gevorderd, geboden. Het hof heeft in dit verband in het bijzonder rekening gehouden met de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen ziet het hof geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat door de verdediging is verzocht.
Redelijke termijn
Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof als volgt.
De redelijke termijn is in de onderhavige zaak aangevangen op 9 december 2013, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Aan die handeling kon de verdachte immers in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank heeft eerst op 5 november 2020 vonnis gewezen. De behandeling in eerste aanleg is dan ook niet met een eindvonnis afgerond binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. De redelijke termijn is in eerste aanleg met een periode van vier jaar en ongeveer elf maanden overschreden. De redelijke termijn is in eerste aanleg dan ook in zeer aanzienlijke mate overschreden.
Van de zijde van de verdachte is vervolgens op 11 november 2020 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 4 mei 2023 arrest gewezen. In die fase van de procedure is de redelijke termijn met een periode van bijna zes maanden overschreden. Het hof stelt vast dat de Hoge Raad binnen twee jaar nadat de advocaat-generaal cassatieberoep had ingesteld arrest heeft gewezen, alsmede dat thans binnen twee jaar na terugwijzing van de zaak door het gerechtshof uitspraak wordt gedaan. In zoverre is dan ook geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.
Gelet op de hiervoor genoemde straf – een geheel voorwaardelijke taakstraf – ziet het hof geen reden voor compensatie in de vorm van strafvermindering. Het hof zal derhalve volstaan met de enkele constatering van de schending van de redelijke termijn.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.561,13 wegens materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts heeft de benadeelde partij verzocht de verdachte te veroordelen in de proceskosten, aan de zijde van de benadeelde partij – na vermindering daarvan ter terechtzitting in eerste aanleg – begroot op € 384,00.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vordering toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Voorts heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij, begroot op € 384,00.
De benadeelde partij heeft de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep gehandhaafd.
Nu aan verdachte ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn (het onder 3 tenlastegelegde), geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [benadeelde] in haar vordering niet worden ontvangen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof is onderworpen – en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 6 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 6 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. J.T.F.M. van Krieken, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,
en op 24 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.