ECLI:NL:GHSHE:2025:1806

ECLI:NL:GHSHE:2025:1806, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25-06-2025, 20-002263-24

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 25-06-2025
Datum publicatie 13-01-2026
Zaaknummer 20-002263-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 augustus 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-165167-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 1) en ‘handelen in strijd met het in artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Ten aanzien van het in beslag genomen goed (een boksbeugel) heeft de politierechter de onttrekking aan het verkeer gelast.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren, waarbij het hof, anders dan de politierechter, ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde ook het ‘aanwezig hebben’ van MDMA bewezen zal verklaren, en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het hof komt (partieel) tot een andere bewezenverklaring van feit 1 dan de politierechter. Omwille van de leesbaarheid zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 mei 2024, te Roosendaal, opzettelijk heeft vervoerd en/of

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1085 gram, in elk geval een hoeveelheid,

van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine en/of MDA

(tenamfetamine) en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of

MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2C-B)

en/of 3-chloromethcathinone (3-CMC) en/of 3-methylmethcathinon (3-MMC),

zijnde MDMA en/of amfetamine en/of MDA (tenamfetamine) en/of MMDA en/of

N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of

4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2C-B) en/of 3-chloromethcathinone

(3-CMC) en/of 3-methylmethcathinon (3-MMC) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel

3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 17 mei 2024, te Roosendaal, een wapen van categorie I, onder 3°,

van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, heeft vervoerd en/of

voorhanden heeft gehad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat hij:

1.

op 17 mei 2024, te Roosendaal, opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1085 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I;

2.

op 17 mei 2024, te Roosendaal, een wapen van categorie I, onder 3°, van de

Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, heeft vervoerd en voorhanden heeft

gehad.

Bewijsmiddelen

Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, gesloten op 25 juni 2024 en op ambtsbelofte opgemaakt door hoofdagent [verbalisant 1] . Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Feit 1:

1. het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] (p. 15-16)

Op 17 mei 2024 omstreeks 01.20 uur zag ik dat er op de Strausslaan, komende vanaf de Van Beethovenlaan en gaande in de richting van de Burgerhoutsestraat een Volkswagen Polo reed met een Belgisch kenteken. Mij is bekend dat er veel Volkswagen Polo's, rood van kleur en met Belgisch kenteken, gestolen worden van het bedrijf [bedrijf] uit België. Ik draaide mijn voertuig om het kenteken te controleren. Het voertuig vertoonde bijzonder rijgedrag (over het puntstuk van een kruising rijden, voorsorteren voor rechts maar op het laatste moment wisselen naar de linkerrijstrook) besloten wij het voertuig te controleren. Ik zag dat collega [verbalisant 3] de mannelijke bestuurder controleerde. Ik verbalisant [verbalisant 2] zag dat er een vrouwelijke bijrijder in het voertuig zat en besloot haar te controleren. Bij het openen van het portier, rook ik verbalisant [verbalisant 2] , de mij ambtshalve bekende geur van hennep. Hierop vorderde ik de uitlevering van alle verdovende middelen uit het voertuig. Ik hoorde dat de bestuurder en de bijrijder aangaven dat ze niets bij hadden. Desgevraagd mochten wij het voertuig doorzoeken. Ik keek op de grond en zag hier een damestas met inhoud staan. Ik zag dat er achter deze tas een rode plastictas lag. Ik opende deze tas en zag dat er nog een doorzichtig plastictasje inzat met hierin meerdere kristallen. Ik had het vermoeden dat dit harddrugs was. Ik vroeg aan de bestuurder en de bijrijder wat dit was. Ik hoorde dat ze aangaven dat ze dit niet wisten en dat dit mogelijk edelstenen waren. Zowel de bestuurder als de bijrijder konden geen heldere verklaring geven over wat ze in Roosendaal deden en dit verhaal riep meer vraagtekens dan opheldering op. Collega [verbalisant 3] heeft de kristallen getest middels de TrueNarc. Hieruit bleek dat deze kristallen MDMA waren.

2. het (aanvullend) ambtsedig proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, d.d. 17 juni 2024.

Op dinsdag 1 1 juni 2024 om 13:03 uur werd door de Forensische Opsporing een onderzoek verricht aan aangeboden onderzoeksitem in verband meteen vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. Het volgende onderzoeksitem is aangeboden voor onderzoek:

Uniek Voorwerp Nummer: AAQF2606NL

BVH Goednummer : G2726431

Object: Gripzakje met licht bruine kristallen (Monster goednr. 2726283)

afkomstig van 1 plastic zak met bronpartij 1090 gram (goednr. 2726431)

Kleur: Bruin

Aantal: 1

Nettogewicht: 4,8 gram

Bijzonderheden: BRONPARTIJ 1090 GRAM

Uitgevoerde testen bij goed (AAQF2606NL)

Methode: Marquis

Resultaat: Positief voor MDMA

Feit 2:

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de

bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en

acht de politierechter dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van de politierechter van 15 augustus 2024;

- het proces-verbaal van politie (pagina 25 van het eind proces-verbaal) waaruit blijkt dat de

boksbeugel een wapen is in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I, onder 3 volgens de Wet

Wapens en Munitie.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De advocaat-generaal acht de ontkennende verklaring van de verdachte voor feit 1 ongeloofwaardig. Nergens blijkt uit dat de auto werd uitgeleend en daarnaast is het zeer onwaarschijnlijk dat de broer van de verdachte zomaar drugs ter waarde van 2 ton in de auto zou laten liggen. Ten slotte wijken ook de verklaringen van de verdachte en zijn vriendin die als bijrijder in de auto zat ten aanzien van de gang van zaken bij hun bezoek aan vrienden in Roosendaal van elkaar af. Gelet op de ongeloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte kan uitgegaan worden van wetenschap aan de zijde van de verdachte en er is zonder meer sprake van beschikkingsmacht nu de drugs in de auto lagen.

Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had van de drugs in de auto. De plastic zak met de drugs lag niet in het zicht. De tas van zijn vriendin stond ervoor. Verder heeft hij een alternatief scenario geschetst dat verifieerbaar is. Immers, hij heeft de naam en adres van zijn broer genoemd. De politie heeft nagelaten de broer te horen.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van bestendige jurisprudentie ter zake van het aanwezig hebben verdovende middelen is niet doorslaggevend aan wie de drugs toebehoren, noch is vereist dat bij de verdachte sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de drugs. Voor het tenlastegelegde opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen is vereist dat deze zich a) in de machtssfeer van de verdachte bevinden, dat wil zeggen dat de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Daarnaast is vereist dat de verdachte b) wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Daarbij geldt dat ook de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat die middelen aanwezig zijn in een bepaalde ruimte onder deze wetenschap kan worden geschaard (vgl. o.a. HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312, NJ 1987/359; HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1263; HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945 en HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:622).

De hoedanigheid van bestuurder van een auto waarin drugs wordt aangetroffen, veronderstelt naar het oordeel van het hof reeds enige feitelijke macht over de in aan hem toebehorende auto aangetroffen drugs. Immers, de bestuurder van een auto heeft toegang tot en kan beschikken over alle delen van de auto. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan volgens het hof ook enige wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen aan de bestuurder van de auto worden toegerekend (vgl. HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:16 en HR 7 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1517).

Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij geen wetenschap had van de aanwezigheid van drugs in de auto en het geschetste alternatief scenario dat de drugs van zijn broer waren ongeloofwaardig.

Verdachte en zijn vriendin worden aangehouden in de nacht van 17 mei 2024 omstreeks 01.20 uur. Verdachte noch zijn vriendin geven een plausibele verklaring voor hun aanwezigheid in Roosendaal. Desgevraagd noemen zij een adres in Roosendaal en zeggen daar vrienden te hebben bezocht. Daarbij valt op dat zij alleen voornamen kunnen noemen. De verbalisanten hebben het genoemde adres bevraagd en geen van de genoemde personen bleek daar woonachtig te zijn. Daarbij komt dat de verdachte in [plaatsnaam] woont, dus op een afstand van ruim 50 km van Roosendaal.

De stelling van de verdachte dat de drugs mogelijk van zijn broer waren en dat ook zijn broer (regelmatig) gebruik maakt van de auto wordt met niets ondersteund en met de advocaat-generaal acht het hof het ongeloofwaardig dat zijn broer zomaar drugs ter waarde van ongeveer 2 ton in de auto achter zou laten.

Ten slotte valt op dat de verdachte en zijn vriendin verschillend verklaren over het bezoek aan de ‘vrienden’ in Roosendaal. Waar verdachte in zijn verhoor verklaart dat zij wat hebben gezeten bij vrienden van vroeger van hem, verklaart zijn vriendin bij de raadsheer-commissaris dat zij niet binnen is geweest bij die vrienden. Daarnaast verklaart zij dat de verdachte maar ‘een minuutje of twee minuten’ binnen is geweest en dat er niet echt contact is geweest. Ook op dit punt wijkt de verklaring van de vriendin af van de verklaring van de verdachte.

Gelet op het vorenstaande wordt het verweer verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Zijdens de verdediging is verzocht om een deels voorwaardelijke straf en deels een geldboete op te leggen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij op 17 mei 2024 ongeveer 1085 gram MDMA aanwezig heeft gehad en heeft vervoerd. Het bezit en het gebruik van deze harddrug brengt maatschappelijk onwenselijke effecten met zich en is schadelijk voor de volksgezondheid. Het gebruik van verdovende middelen werkt verslaving in de hand met veelal vermogenscriminaliteit en overlast in de samenleving tot gevolg. Daarbij komt dat mede gelet op de hoeveelheid van meer dan een kilogram het hier gaat om een handelshoeveelheid en de handel in dergelijke drugs vaak leidt tot zeer ernstige vormen van criminaliteit. Daarnaast had de verdachte een boksbeugel bij zich, een verboden wapen op grond van de Wet wapens en munitie. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.

Voorts heeft het hof gelet op het uittreksel justitiële documentatie van 8 april 2025 waarop geen andere veroordelingen zijn vermeld en het uittreksel ECRIS België van 9 mei 2025 waarop veroordelingen zijn vermeld voor onder meer witwassen en verkeersdelicten maar niet voor soortgelijke feiten als de onderhavige.

Ten slotte heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

In het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, in onderlinge samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Hiermee sluit het hof aan bij de door het LOVS geformuleerde oriëntatiepunten, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, noch in hetgeen overigens ter terechtzitting is aangevoerd, aanleiding om in dit geval van de in de oriëntatiepunten van het LOVS opgenomen vertrekpunten voor straftoemeting af te wijken.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Beslag

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor

onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het feit is begaan met betrekking tot dit voorwerp.

Verder is het voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan

in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 13 en artikel 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een boksbeugel.

Aldus gewezen door:

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. A.J. Henzen en mr. E.J. Huijskens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. E.E. Vrieler en mr. A.M.D.J. Aerts, griffiers,

en op 25 juni 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. W.E.C.A. Valkenburg
  • mr. A.J. Henzen
  • mr. E.J. Huijskens

Griffier

  • mr. E.E. Vrieler en mr. A.M.D.J. Aerts

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?