Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 11 september 2024 in de strafzaak met parketnummer 02-086425-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 1) en – kort gezegd – diefstal in vereniging door middel van braak (feit 2) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren met aftrek van voorarrest, waarvan 40 uren voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde onder 2, het tenlastegelegde onder 1 bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Door de raadsman is vrijspraak bepleit van feit 2 en ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 3 juni 2021 tot en met 20 juli 2021 te
's-Gravenpolder, gemeente Borsele,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] )
een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 464, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
2.
hij in of omstreeks de periode van 3 juni 2021 tot en met 20 juli 2021 te
's-Gravenpolder, gemeente Borsele,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een (grote) hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen (grote) hoeveelheid elektriciteit onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Vrijspraak feit 2
Met de advocaat-generaal en de verdediging heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte de onder feit 2 tenlastegelegde diefstal van elektriciteit heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij in de periode van 3 juni 2021 tot en met 20 juli 2021 te 's-Gravenpolder, gemeente Borsele tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van ongeveer 464 hennepplanten en delen daarvan, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In de hiernavolgende bewijsmiddelen wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar het proces-verbaal van politie, Teamrecherche Oosterscheldebekken, proces-verbaalnummer 2021139607, Onderzoek Hennepteelt, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, gesloten op 10 november 2021, doorgenummerde dossierpagina's 1-172.
1. Het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 20 juli 2021 (pg. 37-40), met als bijlage een ruimlijst hennep op pagina 41, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op donderdag 3 juni 2021 stelde ik naar aanleiding van een
- een MMA melding, d.d. 2 juni 2021
- een rapport blok/netmeting
een onderzoek in op het adres [adres 2] , binnen de gemeente Borsele, vanwege een verdenking van overtreding van de Opiumwet.
In voornoemde woning werd op dinsdag 20 juli 2021 binnengetreden.
Na het binnentreden zag ik het volgende:
Op de eerste etage op de overloop waren er meerdere ventilatieslangen en gebundelde
elektriciteitskabels zichtbaar die in de desbetreffende kamers liepen.
Kweekruimte 1
In totaal stonden er 115 hennepplanten.
Kweekruimte 2
In totaal stonden er 234 hennepplanten.
Kweekruimte 3
In totaal stonden er 115 hennepplanten.
Ik constateerde op grond van mijn kennis en ervaring, opgedaan bij eerdere
ontmantelingen van hennepkwekerijen, dat het hennepplanten waren.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juli 2021 (pg. 24-30), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op vordering en na machtiging werd er een onderzoek telecommunicatie gestart op het nummer [telefoonnummer 1] , in gebruik bij de verdachte [verdachte] .
Uit het onderzoek bleek dat de verdachte [verdachte] betrokken is bij de hennepteelt en als verdachte kan worden aangemerkt. Onderstaande gesprekken zijn gevoerd met [telefoonnummer 2] , in gebruik bij: [medeverdachte 1]
Sessie 223, gesprek op 9 juli 2021 om 18.44 uur: [verdachte] belt naar NNman6460 (het hof begrijpt telkens medeverdachte [medeverdachte 1])
NNman vraagt [verdachte] om naar [medeverdachte 2] te bellen en hem te vragen als zij het hebben omgedraaid dan hoeven we niet met z'n vieren te gaan. Drie mensen is genoeg. Want omdraaien kost 2 uur en knippen 4 uur.
[verdachte] : klopt, ik ga hem bellen.
Nnman: hoe is het met de rest?
[verdachte] : iemand is met [medeverdachte 3] (naam genoemd) meegekomen en heeft eentje meegenomen, en [medeverdachte 4] (naam genoemd) zou mij vandaag informeren maar ik heb niks gehoord.
pagina 25
NNman: Allebei nog geen bericht, zeg maar 34 tegen hem.
[verdachte] : Geen probleem, maar ik wacht op [medeverdachte 4] . Ik heb gezegd 35 tegen hem.
Nnman: Ik ben bang dat ze te lang bij ons zijn/blijven en dan weten we geen raad meer. Wat denk jij?
[verdachte] : Komt goed.
Nnman: 34 is goed, ieder krijgt 400 en moeten we het verlies van 200 voor lief nemen.
[verdachte] : We raken ze wel kwijt maak je geen zorgen. Iemand is gisteren langs geweest en heeft ze gezien. Misschien wil hij ze wel.
NNman: [medeverdachte 4] had toch gezegd voor 35 en hij wil alles meenemen.
[verdachte] : 35 voor mij en voor hem.
Nnman: Bel hem dan op en vraag of hij alles mee wil nemen voor 34 voor ons. Of wil je wachten op de vent van [medeverdachte 3] ?
[verdachte] : Wij wachten is goed.
Nnman: Laat me weten, en ook over morgen hoe laat vertrekken 6 of 7?
[verdachte] : Goed.
Uit raadpleging van de ANPR blijkt dat het voertuig van [verdachte] , gekentekend
[kenteken] , om 09.40 uur Zeeland inrijd en om 17.15 uur Zeeland uitrijd ter hoogte van Rilland. Om 09.05 uur belt hij met [medeverdachte 1] :
Sessie 645, gesprek op 10 juli 2021 om 09.05 uur:
Samenvatting: [verdachte] belt naar nnman6460
[verdachte] zegt dat hij nog 50 minuten nodig heeft om daar te komen.
nnman zegt dat hij ook op zelfde tijd eraan komt.
[verdachte] : "Hoe zit het met [medeverdachte 5] (naam genoemd) dan, wanneer gaan we daarheen?"
nnman:" Voordat jullie eraan komen, gaan wij aan de slag. Wij zullen eerst de kamer voorbereiden, [medeverdachte 6] (naam genoemd) en [medeverdachte 7] (naam genoemd) gaan helpen met het openmaken en sproeien. [medeverdachte 7] mag naar binnen en jij en ik gaan samen weg voor een uur. En daarna komen we terug, ze zouden dan ongeveer 100 al gedaan/gemaakt hebben ."
[verdachte] :"Ik blijf buiten."
Uit bovenstaand gesprek blijkt dat verdachte [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] op de locatie zijn.
pagina 26
Op 14 juli 2021 belt verdachte [verdachte] met [medeverdachte 1] :
Sessie 3550, lijn 1529, gesprek op 14 juli 2021 om 23.28 uur:
Samenvatting: [verdachte] belt uit naar NNman6460
NN: Heb je die kleintjes bij [medeverdachte 2] (naam genoemd, noot tolk) afgehaald?
[verdachte] : Ja ik heb de kleintjes afgehaald.
NN: Heel goed.
[verdachte] : Misschien gaan we overmorgen het in dat ding zetten?
NN: Ja is goed.
[verdachte] : Die spullen he, alleen een is weg, en [medeverdachte 3] (naam genoemd) heeft de kosten meegenomen. Het is hem niet gelukt om nog een kwijt te raken. Hij zou alles meenemen, en hij laat me straks weten. En [medeverdachte 4] (naam genoemd) wilde ook maar een.
NN: Oh ja.
[verdachte] : Vandaag kon [medeverdachte 3] eentje, van wat bij mij lag, weg krijgen.
NN: Maar dan gaan wat prijs betreft laag zitten.
[verdachte] : Heb jij haast dan?
NN: Nee.
[verdachte] : Dan wachten we een week.
NN: Is dat niet te lang?
[verdachte] : Ik zei tegen [medeverdachte 4] voor 34.
NN: Hoeveel wilde hij dan?
[verdachte] : Hij zei 34 maar de markt werkt niet mee. Wij hebben 7 lager gevraagd, hij wordt voor 41 verkocht .
pagina 27
Op 15 juli 2021 belt verdachte [verdachte] met [medeverdachte 1] :
Sessie 3905, gesprek op 15 juli 2021 om 19.33 uur:
Samenvatting: [verdachte] belt uit naar NNman6460
[verdachte] vraagt hem of hij morgen vrij is, want hij wil hem morgen naar [medeverdachte 2] (naam genoemd, noot tolk) meenemen.
Nnman zegt beter overmorgen.
[verdachte] : "Het kan, ze zijn nu 5 dagen oud, morgen 6 en overmorgen 7 dagen. Geen probleem."
Nnman: "Ik ben morgen rond 16 uur klaar, we kunnen morgen dan na 16 uur gaan."
[verdachte] : "Bel me morgen zodra je klaar bent. We gaan samen met [medeverdachte 6] (naam genoemd), is genoeg toch?"
Nnman: "Denk ik wel. Ik dacht dat je [medeverdachte 7] (naam genoemd) ook mee zal nemen".
[verdachte] : "Die heeft morgen werk".
Nnamn: "Oke, vriend tot morgen dan."
[verdachte] zegt tot dan.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juli 2021 (pg. 31-30), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op vordering en na machtiging werd er een onderzoek telecommunicatie gestart op het nummer [telefoonnummer 1] , in gebruik bij de betrokkene [verdachte] .
De telefoon van verdachte [verdachte] straalt de zendmast 's-Gravenpolder aan op 10 juli tussen 09.55 en 16.12 uur. Verdachte [verdachte] (voornaam [verdachte] ) is op 10 juli 2021 in 's-Gravenpolder en voert onderstaand gesprek met [telefoonnummer 2] , i.g.b. [medeverdachte 1] :
Sessie 742, lijn 1529, gesprek op 10 juli 2021 om 09.55 uur:
Samenvatting: [verdachte] belt uit naar naar Nnman6460
[verdachte] zegt dat hij aangekomen is, waarop NNman zegt: "Laat [medeverdachte 7] (naam genoemd, noot tolk) naar binnengaan en ik kom naar je toe". [verdachte] staat geparkeerd bij de achterdeur.
Op 17 juli 2021 blijkt dat de verdachte [verdachte] werkzaamheden gaat verrichten in de woning van verdachte [medeverdachte 8] :
Sessie 5909, lijn 1529, gesprek op 17 juli 2021 om 22.57 uur:
[verdachte] zegt dat hij morgen naar [medeverdachte 2] gaat, en dat hij vroeg vertrekt.
[verdachte] : "Bij [medeverdachte 2] liggen de kleintjes en ik wil ze in een doos zetten."
[verdachte] : "Ik weet niet hoe laat ik terug ben. Het is 3 uur rijden en ik moet daar in alle kamers het weghalen en weer terugzetten. We gaan de kleintjes weer zetten, daarom denk ik niet dat ik rond 21 uur terug ben."
Op 18 juli 2021 belt verdachte [verdachte] met verdachte [medeverdachte 1] :
Sessie 5925, lijn 1529, gesprek op 18 juli 2021 om 11.04 uur:
Samenvatting: [verdachte] belt naar NNman
[verdachte] heeft 2 zwarte zakjes nodig, nnman heeft thuis zakjes en hij zal genoeg meenemen.
Einde gesprek.
4. Het proces-verbaal van binnentreden in woning d.d. 26 oktober 2021 (pg. 47-48), met als bijlage foto’s op pagina’s 49-62, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Op dinsdag 26 oktober 2021 omstreeks 07:45 uur, trad ik binnen in de woning [adres 3] , bewoond door [verdachte] . Ik betrad die woning ter doorzoeking ter inbeslagneming.
Pagina 52
08:37 uur Plastic afsluitzakje met henneptoppen in de grote slaapkamer in de grote kast aangetroffen.
Pagina 53 en 55
08:27 uur Hennepkwekerij gerelateerde goederen in de woonkamer in de ruimte onder de trap aangetroffen.
Pagina 56
Droognetten voor hennepplanten. Droognet met hennep rest.
Pagina 57
Dompelpomp.
Pagina 58
Gebruikte afzuigbuizen. Groeimiddel.
Pagina 59
Droognetten. Ventilator
Pagina 60
Transformatoren. Stroomkabels, gebruikt.
Pagina 61
Thermometers. Lampen armaturen.
Pagina 62
Koolstoffilter. Zwarte vacuumzakken
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 oktober 2021 (pg. 75-76), met als bijlage foto’s op pagina’s 78-79, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :
Betreft: zoeking in de schuur van [adres 4]
Wij, verbalisanten, doorzochten deze schuur en troffen meerdere rollen witte elektriciteitskabels aan. Verder troffen wij, verbalisanten, meerdere vierkante zwarte bloempotten aan die op elkaar waren gestapeld, een verbogen assimilatielampkap zonder lampen, harmonica ventilatieslang. Wij, verbalisanten, troffen ook in deze schuur, een blauw kleurige lege plastikzak van het merk ATAMI aan.
Voordat wij bij de woning aan [adres 4] bij de huiszoeking assisteerden, waren wij bij een huiszoeking aan [adres 3] geweest. Daar hadden wij een groot afgesloten pot met het merk ATAMI aangetroffen. Op het fabrieksetiket van deze pot stond dat de inhoud plantenvoeding was.
6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 oktober 2021 (pg. 77), met als bijlage een foto op pagina 80, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Op 26 oktober 2021 bevond ik mij in de woning aan [adres 4] . Ik was daar naar aanleiding van een onderzoek waar een huiszoeking plaatsvond. Ik was een van de zoekers en had de opdracht om de in de woning zijnde berging te doorzoeken. Tijdens de zoeking trof ik naast de gasmeter twee assimilatielampen aan die op de grond lagen.
7. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 26 oktober 2021 (pg. 105-107), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van verdachte [verdachte] :
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
V: Nu bent u woonachtig in [plaatsnaam] . Wat voor een woning is dat?
A: Een huis aan [adres 3] .
8. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 27 oktober 2021 (pg. 108-116), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van verdachte [verdachte] :
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
Pagina 109
V: Je hoort het gesprek via de memorecorder. Wat is je reactie hierop.
A: Ja. Ik hoor [medeverdachte 1] met mij spreken.
V: Ja, jij voert dit gesprek op 10 juli 2021 in 's-Gravenpolder en voert onderstaand gesprek met [telefoonnummer 2] , i.g.b. [medeverdachte 1] .
A: Oke, dat kan kloppen.
Pagina 110
V: Wat hoor je hier?
A: Ik ging naar deze persoon.
V: Wie is dat?
A: Wij zaten op hetzelfde AZC, ik noemde hem [medeverdachte 2] .
Pagina 111
V: Hoe vaak ben je bij [medeverdachte 2] geweest.
A: Ik ben er meerdere keren geweest.
9. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 27 oktober 2021 (pg. 135-137), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van verdachte [medeverdachte 1] :
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
V: Nu bent u woonachtig in [plaatsnaam] . Wat voor een woning is dat?
A: Dat is aan [adres 4] .
10. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 27 oktober 2021 (pg. 138-145), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van verdachte [medeverdachte 1] :
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
V: Op dinsdag 20 juli 2021 werd er in de woning aan [adres 2] een hennepkwekerij aangetroffen. Deze kwekerij werd ontruimd. Wij nemen die dag een gesprek op dat ik je laat horen.
A: Wat ik hoorde in dit gesprek is dat [verdachte] mij belde en vertelde dat de politie een inval heeft gedaan in die woning.
V: Maar jij bent ook in die woning geweest.
A: Ja, dat klopt.
A: ik ben daar 2 keer geweest en heb gewerkt met aarde.
A: Ja. ik word gebeld door [verdachte] en we hebben het over een bezoek aan [medeverdachte 2] . Ik ken hem niet, ik kreeg het adres en ben een dag later die kant op gegaan.
V: Met wie ben je gegaan?
A: Met [verdachte] .
A: Ik werkte alleen maar daar.
Pagina 142
V: ik confronteer je met het volgende gesprek:
Sessie 3905, lijn 1529, gesprek 15 juli 2021 om 19.33 uur
Samenvatting: [verdachte] belt uit naar NNman6460
A: lk bel hier met [verdachte] . Het gaat over een bezoek aan [medeverdachte 2] .
V: Het gaat ook over plantjes van 5 of 6 of 7 dagen oud.
A: Ik heb daar in die woning gewerkt.
Pagina 144
V: Je bent daar 2x in de woning geweest. Is dat om 2x met de aarde te werken, oftewel te oogsten?
A: ja.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de woning van [medeverdachte 8] , die door de verdachten ook wel [medeverdachte 2] wordt genoemd, aan [adres 2] een hennepkwekerij is aangetroffen en dat in de woningen van de verdachte en zijn medeverdachte hennep gerelateerde goederen zijn aangetroffen. Uit tapgesprekken tussen de verdachte en de medeverdachte volgt dat, zo leest het hof, openlijk is gesproken over hennepteelt en dat zij een actieve rol hebben in het geheel. De verdachten hebben verklaard meermalen in de woning aan [adres 2] te zijn geweest en verdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard aldaar te hebben gewerkt, dan wel te hebben geoogst.
Gelet op het vorenstaande is het hof – met de advocaat-generaal – van oordeel dat het tenlastegelegde onder 1 wettig en overtuigend is bewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft verzocht dat het hof bij de straftoemeting rekening houdt met de regeling betreffende het aanvragen van het Nederlanderschap, de persoonlijke omstandigheden, de – door de Syrische afkomst – onwetendheid van de strafbaarheid van het kweken van hennep, de ouderdom van het feit, alsmede met de schending van de redelijke termijn.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich – kort gezegd – schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk telen van een hoeveelheid hennepplanten, te weten 464 hennepplanten. Dit bewezenverklaarde handelen van de verdachte staat in relatie tot de handel in softdrugs, welke handel vaak allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten bevordert en – naar de ervaring leert – andere vormen van criminaliteit in de hand werkt. Daarnaast kan frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid schaden. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij hieraan met zijn handelen heeft bijgedragen. Dat de verdachte onwetend ten aanzien van de strafbaarheid zou zijn schuift het hof terzijde. Het is een feit van algemene bekendheid dat het telen van hennep in Nederland strafbaar is en de verdachte wordt geacht bekend te zijn met de Nederlandse wetgeving. Ten aanzien van de op te leggen straf ziet het hof hierin dan ook geen reden tot strafmatiging.
Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, zou voor een hennepplantage waarbij tussen de 100 en 500 hennepplanten zijn aangetroffen – zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met een eventuele bewezenverklaring van diefstal van elektriciteit – een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand als passend kunnen worden beschouwd.
Het hof heeft, anders dan de politierechter, de verdachte vrijgesproken ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde. Het hof houdt rekening met de vrijspraak van dit feit in hoger beroep. Daarnaast is sprake van medeplegen, hetgeen het hof als strafverzwarende omstandigheid meeweegt.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 27 maart 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is hieromtrent gebleken dat de verdachte een aanvraag tot naturalisatie heeft gedaan. Door de verdediging is naar voren gebracht dat een vrijheidsbenemende straf, een taakstraf van 36 uur of meer, en een geldboete van 900 euro of meer ertoe zou leiden dat de verdachte niet de Nederlandse nationaliteit kan verkrijgen en, naar verwachting, dit niet alleen gevolgen zou hebben voor de verdachte maar ook voor zijn gezin.
Alles afwegende acht het hof het opleggen van een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, in beginsel passend en geboden.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
In het onderhavige geval zal het hof de termijn rekenen vanaf 26 oktober 2021, de dag waarop de verdachte is gehoord ten aanzien van het bewezenverklaarde feit. In eerste aanleg heeft de eerste terechtzitting pas plaatsgevonden op 11 september 2024 en is op diezelfde dag vonnis gewezen. Daarmee is sprake van overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna 11 maanden, die niet aan de verdediging is toe te rekenen.
Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal worden volstaan met het opleggen van een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.
In de door de verdediging gestelde omstandigheid dat de verdachte door oplegging van een taakstraf van 120 uren mogelijk geen Nederlandse nationaliteit zou kunnen krijgen, ziet het hof geen reden om de straf te matigen.
Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. M.M. Koevoets en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 4 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. M.M. Koevoets is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.