Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 17 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-162561-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘witwassen’, de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de politierechter de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven iPhone, teruggegeven aan de verdachte.
Ten slotte heeft de politierechter de onmiddellijke gevangenneming van de verdachte bevolen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde ‘opzetwitwassen’ bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de inbeslaggenomen iPhone zal teruggeven aan de verdachte en het inbeslaggenomen geldbedrag van € 124.850,00 verbeurd zal verklaren.
De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit, subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 14 mei 2024, te Breda althans in Nederland een geldbedrag (te weten zo'n € 124.000,-), althans een of meer voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 14 mei 2024, in Nederland een geldbedrag (te weten zo'n € 124.000,-) heeft verworven en voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de Politie-Eenheid Landelijke Expertise en Operaties, proces-verbaalnummer PL2000-2024120538 op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent bij de Eenheid Landelijke Expertise en Operaties, gesloten d.d. 16 mei 2024, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, alsmede geschriften, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-44. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van bevindingen, d.d.14 mei 2024, dossierpagina’s 10-14, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :
Op 14 mei 2024 waren wij [verbalisant 5] en [verbalisant 3] belast met algemene surveillance op
en rond autosnelweg A16. (…)
Wij waren bij het Operationeel Centrum te Driebergen bekend onder roepnummer LX1031.
Wij deden dienst samen met roepnummers:
LX1032: [verbalisant 2]
LX1033: [verbalisant 6] / [verbalisant 7]
LX1034: [verbalisant 4]
ANPR-hit
Omstreeks 16:35 uur reed ik [verbalisant 4] , op de autosnelweg Al6, te Dordrecht. Ik zag
dat een voertuig, BMW 3 serie, voorzien van het Zwitsers kenteken [kenteken] , een
melding gaf op de Automatic Numberplate Recognition (ANPR). Ik zag dat het voertuig
een hit genereerde op de Moerdijkbrug en heb uitgekeken naar het voertuig. Ik zag op
de autosnelweg Al6 nabij Dordrecht het voertuig vervolgens daadwerkelijk rijden.
(…)
Op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 gaf ik, [verbalisant 4] , een volgteken,
aan de bestuurder van het voornoemde voertuig, middels een verlicht transparant.
Hieraan werd door de bestuurder voldaan. (…) De bestuurder toonde mij, [verbalisant 4] , desgevraagd zijn rijbewijs en het bij het voornoemde kenteken horende kentekenbewijs.
Uit het aan mij verstrekte rijbewijs bleek mij dat de houder van het rijbewijs was
genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats]
Interview
Ik [verbalisant 4] hoorde dat [verdachte] de Engelse taal machtig was en vroeg aan [verdachte] waar hij
vandaan kwam en wat hij in Nederland ging doen. Ik hoorde [verdachte] zeggen:"ik kom uit Zwitserland, ik ben student en ik rij nu naar Rotterdam omdat mijn vriendin daar woont. Ik blijf twee dagen in Rotterdam", of woorden van gelijke strekking. Ik [verbalisant 4] had verder geen bijzonderheden bij het stilhouden van [verdachte] en heb vervolgens de controle beëindigd.
ANPR hit A-l6 richting België
Op dinsdag 14 mei 2024 te 18:05 zagen wij verbalisanten dat bovengenoemd voertuig
voorbij het ANPR portaal reed in de richting van België. Dit viel op omdat [verdachte]
zojuist verklaarde twee dagen in Rotterdam te verblijven.
Zicht BMW
Ik verbalisant [verbalisant 2] reed op de rijksweg Al6 tussen de Moerdijkbrug en Breda en zag
bovengenoemde BMW rijden. Ik ben vervolgens voor de BMW gaan rijden en heb de
bestuurder van de BMW een volgteken gegeven. Ik ben vervolgens naar de Rijsbergseweg
in Breda gereden om de bestuurder/inzittende(n) te controleren op grond van de Politiewet. Wij verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 5] zijn bij deze controle aangesloten.
Controle BMW
Wij verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 3] liepen naar het bestuurdersportier en
legitimeerden ons ongevraagd met ons politielegitimatiebewijs. Ik [verbalisant 5] zag dat
alleen een bestuurder in de BMW zat. Ik hoorde dat hij de Nederlandse taal niet
machtig was, maar heel erg goed Engels kon. Ik vorderde een geldig legitimatiebewijs.
Ik zag dat de bestuurder zijn legitimatiebewijs pakte en aan mij gaf. Ik zag dat dit
dezelfde man was die eerder door verbalisant [verbalisant 4] was gecontroleerd. Hierna wordt er
door ons verbalisanten continue in de Engelse taal gesproken met [verdachte] en [verdachte] ook met ons verbalisanten. Dit is in het Nederlands vertaald in dit proces-verbaal van
bevindingen.
Interview [verdachte]
Ik [verbalisant 5] vroeg waar hij zojuist vandaan kwam. Ik hoorde [verdachte] zeggen:" Ik ben 2
dagen in Rotterdam geweest bij mijn vriendin.” Ik [verbalisant 3] vroeg of hij de geboortedatum van zijn vriendin kon opnoemen. Ik hoorde [verdachte] zeggen:"ja hmmm, [geboortedatum] ". (…) Ondertussen sloot ik verbalisant [verbalisant 2] aan bij dit gesprek. Ik legitimeerde mij ongevraagd met mijn politielegitimatiebewijs en vroeg aan [verdachte] waar zijn vriendin precies woonde in Rotterdam. Ik hoorde [verdachte] zeggen:"ja in Rotterdam, ik moet even in mijn telefoon opzoeken waar precies". Ik zag dat [verdachte] zijn telefoon pakte en een site van huur appartementen bij de [school] liet zien.
Vrijwillige toestemming
Gezien de bovenstaande feiten en omstandigheden, heb ik verbalisant [verbalisant 3] aan
[verdachte] gevraagd of wij vrijwillig zijn voertuig mochten doorzoeken. Ik vertelde hierbij duidelijk dat dit vrijwillig was, en dat [verdachte] hier niet aan mee hoefde te werken. Ik hoorde [verdachte] zeggen: "ja zoek maar" of woorden van gelijke strekking.
Doorzoeking BMW
Tegelijkertijd doorzocht ik, [verbalisant 5] , het voertuig. Ik zag bij het voeteinde van de bijrijdersstoel een schoudertas liggen. Ik heb deze tas geopend en zag dat hier een blauwe AH tas met inhoud in zat. Ik keek in de tas en zag dat deze vol zat met 50 Euro coupures. Deze 50 Euro coupures waren gebundeld met elastieken. (…)
De tas met geld is inbeslaggenomen
(…)
Wij hebben het geldbedrag uit de tas afgestort in de geldautomaat. Wij zagen dat hettotaalbedrag 124.850 Euro betrof.
2. Het proces-verbaal van de openbare zitting van de politierechter op 17 mei 2024, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Ik ging naar Rotterdam vanuit Zwitserland. Ik had een afspraak waar ik heen moest. Ik zou het geld ontvangen en daarna zou ik naar Lyon gaan om het geld door te geven. Ik zou 2.000 euro krijgen voor het ophalen van het geld. Ik heb geen vragen gesteld waar het geld vandaan kwam. Ik wilde daar niks van weten. Ik wist hoeveel geld het was toen ik hetmoest ophalen.
3. De eigen waarneming van het gerechtshof van de tot het dossier behorende foto 3 op dossierpagina 17:
Het hof neemt waar dat het geldbedrag onder meer bestaat uit een groot aantal, door middel van elastiekjes in 12 stapeltjes bijeengehouden coupures van € 50,00. Tevens is zichtbaar een aantal met een elastiekje in een soort rolletje bijeengehouden coupures waarvan het buitenste een biljet van € 500,00 betreft.
Bewijsoverwegingen
Overwegingen met betrekking tot de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek
De verdediging heeft primair, op gronden als verwoord in de pleitnota, in de kern het navolgende verweer gevoerd. De verdachte heeft geen toestemming gegeven voor doorzoeking van de door hem bestuurde auto. Voorts bestond volgens de verdediging ten tijde van de doorzoeking ten aanzien van de verdachte geen redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Aldus is de doorzoeking van de door de verdachte bestuurde auto onrechtmatig. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op dat is begaan in het voorbereidend onderzoek, welk vormverzuim dient te leiden tot uitsluiting van het als gevolg van de doorzoeking verkregen bewijs.
De advocaat-generaal heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de doorzoeking van de desbetreffende auto rechtmatig is.
Het hof overweegt in dit verband als volgt.
In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (p. 10-14 van het politiedossier) hebben verbalisanten [verbalisant 4] , [verbalisant 3] , [verbalisant 5] en [verbalisant 2] gerelateerd dat zij met de verdachte communiceerden in de Engelse taal. In dat proces-verbaal wordt gerelateerd dat de verdachte de Engelse taal machtig was, dat hij op de gestelde vragen ook daarop betrekking hebbende antwoorden gaf en verbalisant [verbalisant 5] merkte op dat hij hoorde dat de verdachte heel erg goed Engels kon. Dat sprake was van communicatieproblemen was, is niet gebleken en door de verdediging overigens ook niet gesteld. Verbalisant [verbalisant 3] heeft vervolgens volgens voormeld proces-verbaal aan de verdachte gevraagd of de verbalisanten vrijwillig zijn auto mochten doorzoeken, waarbij verbalisant [verbalisant 3] duidelijk vertelde dat dit vrijwillig was en dat de verdachte hier niet aan mee hoefde te werken. De verbalisant hoorde de verdachte daarop zeggen “ja zoek maar”, of woorden van gelijke strekking.
Het hof heeft op basis van hetgeen door de verdediging is aangevoerd en ook overigens geen reden om aan de juistheid van de voormelde inhoud van het proces-verbaal te twijfelen. Daarbij is onder meer van belang dat het hof de verklaring van de verdachte tijdens zijn politieverhoor (blz 42) inhoudende: “Het was niet vrijwillig” gelet op de daaraan voorafgaande zin in dat verhoor aldus begrijpt dat de verdachte hierbij (enkel) doelt op het verschaffen van de toegangscode tot zijn telefoon. Ook overigens heeft de verdachte zelf niet betwist dat hij toestemming voor doorzoeking van de auto heeft gegeven. De enkele stelling van de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep levert geen verklaring van de verdachte op. Het hof deelt voorts niet de mening van de raadsman dat in de Engelse taal niet tot uitdrukking zou kunnen worden gebracht een verklaring met de strekking “ja zoek maar”.
Het hof overweegt voorts dat het een zekere bevestiging van de vrijwillige medewerkende houding van de verdachte ziet in hetgeen verbalisant [verbalisant 2] heeft gerelateerd (blz 21) met betrekking tot de toegang tot verdachtes mobiele telefoon.
“Tijdens de controle werd met de heer [verdachte] een gesprek gevoerd door politieambtenaar
[verbalisant 3] . Hierbij werd toestemming gevraagd voor het doorzoeken van zijn voertuig.
Vervolgens doorzocht politieambtenaar [verbalisant 5] het voertuig.
(…)
Ik, [verbalisant 2] , vroeg aan [verdachte] in het Engels of ik zijn mobiele telefoon mocht kijken.
Ik deelde hem daarbij mede dat hij hiertoe niet verplicht is.
Ik hoorde [verdachte] mededelen dat dit goed was en zag dat hij de telefoon overhandigde.
Ook ten aanzien van het verzoek aan de verdachte om aan de verbalisant de toegang verschaffen was de verdachte – ondanks dat hem duidelijk was gemaakt dat hij daartoe niet verplicht was – medewerkend, deelde mee “dat dit goed was” en ‘bevestigde’ dit als het ware door de telefoon aan de verbalisant te overhandigen.
De verklaring van de verdachte dat hij toestemming verleent voor doorzoeking van de auto zoals gerelateerd in voormeld proces-verbaal levert naar het oordeel van het hof, mede gelet op voormelde anterieure mededelingen die de verbalisant omtrent het geven van toestemming heeft gedaan, een rechtsgeldige toestemming op voor deze doorzoeking. Voor de goede orde merkt het hof hierbij nog op dat de gegeven toestemming tot doorzoeking van de auto ongeclausuleerd is en mede daarom tevens omvat de doorzoeking van voorwerpen die zich in deze auto bevinden, zoals doorzoeking van de tas waarin het geldbedrag uiteindelijk is aangetroffen (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 18 juli 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BR2019).
Nu de verdachte rechtsgeldig toestemming heeft verleend voor de doorzoeking van de auto, is deze doorzoeking reeds rechtmatig te achten. Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat ook in geval rechtsgeldig toestemming is gegeven, is vereist dat ten aanzien van de verdachte sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig misdrijf, vindt dit betoog geen steun in het recht (vgl. HR 11 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0484/NJ 1996, 688, rov. 6.2; HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5315, rov. 2.3. en Hoge Raad 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:825, rov. 2.4.1). Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd in verband met zijn stelling dat geen sprake was van een redelijk vermoeden als hier bedoeld behoeft gelet op het vorenoverwogene geen bespreking. Het verweer wordt verworpen.
Overwegingen over het bewijs
Het hof overweegt over het bewijs van het tenlastegelegde als volgt.
Bij de beoordeling van het bewijs stelt het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, het volgende kader voorop. Dat een voorwerp “afkomstig is van enig misdrijf” kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie om bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verwacht dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van die resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs (vgl. HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:984, rov. 2.3).
In dit geval is naar het oordeel van het hof op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband te leggen met een bepaald misdrijf. Dit maakt dat het hof – gelet op het hiervoor voorop gestelde beoordelingskader – om te kunnen komen tot bewezenverklaring van witwassen eerst dient te beoordelen of de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
In dit verband stelt het hof vast dat de verdachte een geldbedrag in contanten vervoerde van bijna € 125.000,-. Het vervoeren van dergelijke bedragen in contanten brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich. Reeds hierom was naar het oordeel van het hof sprake van het hier bedoelde vermoeden. Daar komt nog bij dat de verdachte, afgaande op zijn eigen verklaring, het geld heeft ontvangen op een locatie in de buitenlucht, alsmede dat volgens de eigen waarneming van het hof van de foto op p. 17 van het politiedossier het geldbedrag onder meer bestond uit coupures van € 500,00.
In dit geval mag derhalve van de verdachte worden verwacht dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Een dergelijke verklaring heeft de verdachte echter niet afgelegd. Dit is reeds niet het geval, omdat de verdachte, bewust, niet op enig moment de naam of andere personalia heeft genoemd van de persoon of personen van wie het geld afkomstig was en/of de persoon of personen die hem hadden verzocht om het geld te transporteren. De verklaringen van de verdachte zijn aldus op dit, cruciale, punt niet verifieerbaar.
Gelet op het voorgaande kan het in dit geval naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
De verdediging heeft betoogd dat bij de verdachte de voor bewezenverklaring van witwassen vereiste opzet of culpa afwezig is. Het hof verwerpt dit verweer. Het hof stelt daarbij vast, in zoverre uitgaande van de verklaring van de verdachte tijdens zijn politieverhoor, dat de verdachte, woonachtig in Zwitserland, een verzoek van een of meer derden heeft ingewilligd om een geldbedrag in contanten van (ongeveer) € 125.000,00 te vervoeren van Rotterdam naar Lyon. De verdachte was bekend met de hoogte van het te vervoeren geldbedrag en ontving dit geldbedrag op een locatie in de buitenlucht in Rotterdam. Reeds hierom acht het hof bewezen dat de verdachte – minst genomen in de zin van voorwaardelijk opzet – wist dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf. Het hof ziet daarvoor bovendien een ondersteuning in de omstandigheid dat de verdachte aanvankelijk (bij de eerste politiecontrole, toen nog niet aangemerkt als verdachte), gevraagd naar het doel van zijn reis, een onwaar verhaal heeft gedaan, te weten dat hij gedurende twee dagen bij zijn vriendin op bezoek ging, en daarmee evident heeft willen verhullen wat de werkelijke reden van zijn reis was omdat hij de criminele aard van het geldbedrag en van zijn voorgenomen daaraan gerelateerde bezigheden kende, dan wel zich van de aanmerkelijke kans daarop terdege bewust was.
Tenslotte blijkt uit de verklaring van de verdachte dat hij voor het vervoer, waarvan kan worden aangenomen dat dit – vanuit Zwitserland – één of hooguit twee dagen tijd zou kosten, als vergoeding een geldbedrag van € 2.000,00 zou ontvangen. Deze vergoeding acht het hof, anders dan de verdediging, opvallend hoog. Het hof volgt het betoog van de verdediging over het ontbreken van opzet of culpa dan ook niet.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een geldbedrag van ruim € 124.000,00. De verdachte heeft met zijn handelen geprobeerd het geldbedrag te onttrekken aan het zicht van politie, justitie en de Belastingdienst, hetgeen doorgaans resulteert in een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer. Voorts werkt het witwassen van crimineel geld het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit in de hand. De verdachte heeft zich van voornoemde belangen kennelijk niets aangetrokken.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 27 maart 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte waaruit volgt dat de verdachte niet eerder hier te lande onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten.
Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verdachte zijn studie bedrijfseconomie met succes heeft beëindigd, dat hij inmiddels werkt als zzp’er en dat hij nog bij zijn moeder woont.
Het hof heeft bij de bepaling van de straf voorts acht geslagen op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als oriëntatiepunt voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. Het oriëntatiepunt voor ‘Fraude’ geeft als indicatie bij een benaderingsbedrag van € 70.000,00 – € 125.000,00 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 tot 9 maanden, dan wel een onvoorwaardelijke taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Naar het oordeel van het hof geven de voornoemde persoonlijke omstandigheden alsmede zijn proceshouding geen aanleiding om af te wijken van de geldende oriëntatiepunten. Temeer nu sprake lijkt te zijn van de export van crimineel geld en de verdachte op geen enkele wijze openheid van zaken heeft gegeven door telkens, al dan niet met tussenkomst van zijn advocaten, met een andere verklaring te komen. Deze proceshouding in combinatie met de ernst van de feiten maken dat niet kan worden volstaan met de door de advocaat-generaal gevorderde of door de raadsman verzochte straf.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Beslag
iPhone
Het hof is van oordeel dat de onder de verdachte inbeslaggenomen iPhone moet worden teruggeven aan de verdachte als de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon, nu naar het oordeel van het hof het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave daarvan.
Geldbedrag
De verdachte heeft verklaard dat het geld niet aan hem toebehoort. Op basis van de stukken van het dossier kan het hof niet vaststellen wie als redelijkerwijs rechthebbende van het inbeslaggenomen nog niet teruggegeven geldbedrag van € 124.850,00 zou moeten worden aangemerkt. Het hof zal daarom de bewaring van dit geldbedrag ten behoeve van de redelijkerwijs rechthebbende(n) gelasten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten 1 stuk telefoon Apple iPhone.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een geldbedrag van € 124.850,00.
Aldus gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. A.R. Hartmann en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,
en op 4 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.