ECLI:NL:GHSHE:2025:1924

ECLI:NL:GHSHE:2025:1924, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 07-07-2025, 20-002122-24

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 07-07-2025
Datum publicatie 13-01-2026
Zaaknummer 20-002122-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 augustus 2024, parketnummer 96-317201-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf met parketnummer 96-147344-22, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 300 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Daarnaast heeft de politierechter de tenuitvoerlegging

gelast van de eerder onder parketnummer 96-147344-22 voorwaardelijk opgelegde

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 250 dagen.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en dat het hof, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde en de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf zal afwijzen.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd en is verzocht om bij de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 26 november 2023 te Heerlen, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 november 2023 te Heerlen, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het proces-verbaalnummer PL2300-2023187546-1 van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie, gestempeld op d.d. 7 maart 2024 (digitale pagina’s 1 tot en met 29). Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

1. Het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 19 december 2023 met proces-verbaalnummer PL2300-2023187546-1 (digitale pagina’s 2-5), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

p. 2

Wij, verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3]

en [verbalisant 4] , verklaren het volgende:

Op (…) 26 november 2023 om 04:48 uur zagen wij, [verbalisant 1] (…) en [verbalisant 3] (…), dat een persoon als bestuurder van een voertuig personenauto, Renault Clio, (…) kenteken [kenteken 1] , reed op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Huisbergerstraat. Wij (…) zagen dat het genoemde voertuig tegen een verkeerszuil aan stond. Wij zagen dat de bestuurder zijn voertuig achteruit bewoog en van de verkeerszuil weg reed. Wij zagen dat het voertuig het roodkleurige verkeerslicht negeerde en de Beersdalweg op reed.

(…)

Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde

voorschriften hebben wij (…) de bestuurder zijn voertuig op eerste vordering doen stilhouden en een onderzoek ingesteld.

(…)

Ik, [verbalisant 1] (…), heb op (…) 26 november 2023 om 04:48 uur, de bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig ademonderzoek), alsmede de aanwijzingen die ik in dat kader heb gegeven, op te volgen.

(…)

Met medewerking van de bestuurder heb ik, [verbalisant 3] (…), hem dit voorlopig ademonderzoek afgenomen met behulp van een door de Minister aangewezen ademtestapparaat. Als resultaat van deze test zag ik (…) dat het ademtestapparaat een alcoholindicatie aangaf van: G/F. Het resultaat van de ademtest werd direct aan de verdachte meegedeeld. Dat resultaat leidde tot een verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. De verdachte gaf mij, [verbalisant 1] (…) op te zijn genaamd:

Achternaam: [verdachte]

Voornamen: [verdachte]

Geboren: [geboortedag] 2000

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

(…)

De opgegeven personalia werden door mij verbalisant geverifieerd aan de hand van zijn geldig rijbewijs.

Bevel tot medewerking aan ademanalyse

Op (…) 26 november 2023 om 04:48 uur, heb ik, [verbalisant 2] (…), de verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Tevens heb ik hem meegedeeld, dat hij verplicht was tijdens dit onderzoek gevolg te geven aan alle, door de bedienaar van het ademanalyseapparaat, ten dienste van dit onderzoek gegeven aanwijzingen. Vervolgens is de verdachte meegedeeld, dat een weigering van dit onderzoek een misdrijf oplevert. Voor dit onderzoek is de verdachte overgebracht naar het bureau (…).

Geen gevolg aan bevel tot medewerking ademanalyse

De verdachte gaf op (…) 26 november 2023 om 05:35 uur geen gevolg aan dit bevel,

wat ons, [verbalisant 1] (…), [verbalisant 2] (…), [verbalisant 3] (…) en [verbalisant 4] (…), bleek uit het volgende (…): wij, [verbalisant 2] en [verbalisant 4] , hoorden de verdachte zeggen dat hij gebruik wilde maken van het toilet. Wij hoorden de verdachte zeggen dat hij moest poepen. Ik, [verbalisant 2] , liet de verdachte gebruik maken van het toilet gelegen aan het cellencomplex van het politiebureau in Heerlen. Wij zagen dat de verdachte een geruime tijd op het toilet bleef. Ik, [verbalisant 2] , vorderde de verdachte van het toilet af te komen om de

procedure van het ademanalyseapparaat te voltooien. Wij, [verbalisant 2] en [verbalisant 4] ,

hoorden de verdachte zeggen dat hij spontaan last kreeg van zijn spastische darm. Wij

hoorden de verdachte zeggen dat hij hier al geruime tijd last van had. Wij, verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , hadden kort daarvoor nog een gesprek gevoerd met de verdachte waarbij hij geen tekenen van pijn of letsel vertoonde.

Ik, [verbalisant 2] , beval de verdachte dat hij mee diende te werken aan de procedure van

het ademanalyseapparaat. Wij, [verbalisant 4] en [verbalisant 2] , hoorden de verdachte zeggen

dat hij meer tijd wilde en op het toilet bleef zitten. Ik, [verbalisant 4] , keek door de spion in de deur naar de verdachte en zag dat deze in staat was op te staan van het toilet. Ik opende de toiletdeur en zag dat de verdachte weer terug op het toilet ging zitten. Ik, [verbalisant 2] , bevroeg de verdachte in de voor mij beschikbare politie-systemen en zag dat de verdachte meerdere antecedenten had ter zake rijden onder invloed en het weigeren van de ademanalyse. Mede gezien de antecenten en het gedrag van de verdachte kregen wij, verbalisanten, de indruk dat de verdachte ons om de tuin probeerde te leiden.

p. 4

(…)

Verdachte weigerde van het toilet af te komen. Ik, [verbalisant 1] , vorderde de verdachte om

van het toilet af te komen en het politiebureau te verlaten. Wij, verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , hoorden de verdachte zeggen dat hij wilde blijven zitten. Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , tilden de verdachte van het toilet en begeleide hem in zijn blote kont naar de poort van het bureau. Wij tilden de verdachte buiten de poort en zagen dat de verdachte op zijn voeten stond. Wij (…) zagen dat de verdachte zijn onderbroek haastig omhoogtrok en zijn broek aantrok.

2. Het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer PL2300-2023187546-4 d.d. 26 november 2023 (digitale pagina’s 8-9), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 1] :

p. 8

Wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 1] , verklaren het volgende:

(…)

Op (…) 26 november 2023, omstreeks 04.40 uur, reden wij over de Beersdalweg in Heerlen. Wij zagen aan de rechterkant een personenauto stilstaan tegen een midden geleider paal. Wij zagen dat deze personenauto achteruit reed. Wij sloegen rechtsaf de Hulsbergstraat in, om achter de personenauto uit te komen. Wij zagen dat deze personenauto, voorzien van Nederlands kenteken [kenteken 2] , Renault clio, wit van kleur, door rood reed de Beersdalweg op. Wij reden achter de personenauto aan en gaven een stopteken. (…) Wij zagen dat deze personenauto wederom door rood reed richting de Scheldestraat. (…) Wij zagen dat deze personenauto stopte. Wij zetten ons dienstvoertuig voor deze personenauto en spraken de bestuurder aan. Ik, [verbalisant 1] , vorderde een geldig rijbewijs. De bestuurder betrof:

Naam: [verdachte]

Voornaam: [verdachte]

Geboren: [geboortedag] 2000

Op het moment dat ik, [verbalisant 1] , met [verdachte] sprak, rook ik dat de adem van hem sterk

rook naar het inwendige gebruik van alcoholische drank. Tevens zag ik dat [verdachte]

voornoemd bloeddoorlopen ogen had. Ik, [verbalisant 3] , heb hierop het ademtestapparaat

gepakt en vorderde [verdachte] , op (…) 25 November 2023 (het hof begrijpt: 26 november 2023) om 04.48 uur, medewerking te verlenen aan het voorlopige onderzoek van uitgeademde lucht. Wij zagen dat [verdachte] tweemaal op het apparaat blies, echter hierbij de instructies welke door mij, [verbalisant 3] , werden gegeven niet opvolgde hetgeen niet in een goede test resulteerde. Ik (…) liet [verdachte] nogmaals blazen. Dit resulteerde in een

G/F uitslag.

Gezien onze bevindingen deelden wij [verdachte] mede dat hij verdacht werd van het rijden onder invloed van alcohol en dat we naar het bureau van politie in Heerlen gingen voor de ademanalyse. (…)

Op (…) 26 november 2023, omstreeks 05.30 uur, kwamen wij aan op het politiebureau

in Heerlen. [verdachte] bevond zich al 45 minuten op het toilet en weigerde hier af te

komen. Wij hebben hem meerdere malen verzocht mee te werken en op te staan. Wij

hoorden dat [verdachte] zei dat hij dit weigerde en hij bleef op het toilet zitten. Wij hoorden dat [verdachte] zei dat hij last had van een prikkelbaardarmsyndroom. Wij hoorden dat [verdachte] luidruchtig aan het kreunen was op het toilet. Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , hebben [verdachte] , na meerdere malen waarschuwen, geholpen van het toilet af te komen. Wij hebben [verdachte] meerdere malen de kans gegeven om zelfstandig op te staan en zijn broek aan te trekken. Wij hebben [verdachte] mee genomen naar buiten het politiebureau. Wij hebben [verdachte] in zijn blote kont het politiebureau uitgezet.

p. 9

Wij zagen dat [verdachte] direct na het verlaten van het politiebureau, zijn broek op

trok en stopte met kreunen. Wij zagen dat [verdachte] hierna zijn weg vervolgde.

3. Het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaal-nummer PL2300-2023187546-2 d.d. 26 november 2023 (digitale pagina’s 10 en 11), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] :

p. 10

Wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] , verklaren het

volgende:

Op (…) 26 november 2023, omstreeks 04:15 uur, (…) reden wij verbalisanten, op de Beersdalweg in Heerlen. (…) Wij zagen dat de collegae van voornoemd dienstvoertuig de bestuurder staande hadden, op de Scheldestraat in Heerlen. Wij zagen, dat één van deze collegae de bestuurder een ademtest afnam. Wij hoorden en zagen, dat de eerste twee testen niet gelukten. Wij zagen, dat de derde ademtest wel gelukte en dat de uitslag een G/F betrof.

De collegae gaven de verdachte, welke vermoedelijk artikel 8 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 overtrad, uitleg over hetgeen ging gebeuren. Wij zagen en hoorden dat de verdachte aangaf mee te werken aan het vervolgonderzoek.

Wij zijn met de verdachte richting politiebureau Heerlen getogen. Alvorens wij konden beginnen aan de ademanalyse, gaf de verdachte ons te kennen, dat hij naar het toilet moest. Daar de twintig minuten na eerste contact nog lang niet verstreken waren, hebben wij de verdachte toestemming gegeven om naar het toilet te gaan. (…) Na enkele minuten bemerkten wij dat de verdachte nog steeds op het toilet zat. Wij hoorden dat de verdachte aangaf last te hebben van zijn spastische darm. Wij zagen hem voorover gebukt op de toiletpot zitten met zijn broek omlaag. Wij hoorden hem kreunende geluiden maken. Wij hoorden dat hij zei, dat hij even met rust gelaten diende te worden en dat hij zo zou komen. Door ons, werd de verdachte nagetrokken in het bedrijfsprocessensysteem van de politie. Hier zagen wij, dat de verdachte, de afgelopen 3 jaar, reeds 3 keer eerder verdacht was van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, waaronder met weigering ademanalyse. Vorenstaand spel op de toilet duurde uiteindelijk voort. De verdachte weigerde van de toilet af te komen en gaf telkenmale aan, dat hij pijn had, niet op kon staan, zijn moeder wilde bellen, en niet mee kon werken. Gelet op vorenstaande in combinatie met hetgeen in ons bedrijfsprocessensysteem bekend is, hadden wij het vermoeden, dat de verdachte ons in het ootje aan het nemen was.

p. 11

(…)

Ik, [verbalisant 2] , heb de verdachte aangegeven hoe wij er over dachten en heb ik hem verteld, dat hij van de pot moest afkomen, daar er geen medische noodzaak was, om hier te blijven zitten. Wij hoorden, dat de verdachte bleef kreunen, bleef zitten waar hij zat, en nergens zijn medewerking aan verleende. Ik, [verbalisant 2] , heb hierop de verdachte bevolen, om zijn medewerking te verlenen aan de ademanalyse. Wij hoorden, dat de verdachte bleef kreunen, bleef zitten waar hij zat, en nergens zijn medewerking aan verleende.

(…)

Daar de verdachte nog steeds niet van de toilet af wenste te komen, is er, na overleg met de eerder genoemde hulpofficier van Justitie, besloten om de verdachte middels gebruikmaking van onze bevoegdheden, van de toilet af te halen. Ik, [verbalisant 2] en collega [verbalisant 1] , hebben de verdachte middels een zogenaamde opbrenggreep van de toilet af gehaald, daar de verdachte na tig verzoeken, dit nog steeds niet wenste te doen. In zijn blote kont, hebben we hem het politiebureau uitgezet. Eenmaal buiten aangekomen, zagen wij, dat de verdachte zijn onderbroek en broek omhoog trok en dicht maakte. Wij hoorden de verdachte hierbij niet meer kreunen. Wij zagen dat de verdachte wegliep van ons.

Bewijsoverwegingen

A.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

B.

Standpunt Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, nu de verdachte de medewerking aan een ademonderzoek niet heeft geweigerd. Immers heeft de verdachte duidelijk en ondubbelzinnig een beroep gedaan op een bijzondere geneeskundige reden waardoor hij niet heeft kunnen meewerken aan het gevorderde ademonderzoek, terwijl door de verbalisanten slechts tevergeefs is getracht om een arts ter plaatse te laten komen om de verdachte medisch te onderzoeken.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort en goed – aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte de ademanalyse opzettelijk heeft geweigerd. De verdachte was vanwege een medische oorzaak, te weten zijn spastische darmen, niet in staat om te voldoen aan het bevel om mee te werken aan de ademanalyse, hetgeen hij ook uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt aan de verbalisanten. De verdachte heeft immers aangegeven wel mee te willen werken, maar hij gaf daarbij ook aan dat dit hem op dat moment niet lukte. De verbalisanten hadden daarop een arts ter plaatse moeten laten komen om de verdachte te onderzoeken. Dat de politie heeft getwijfeld over de aannemelijkheid van de medische uitzonderingsgrond die de verdachte kenbaar heeft gemaakt, blijkt ook uit het feit dat zij contact hebben opgenomen met een GGD-arts en met de huisartsenpost. Daaruit kan worden afgeleid dat de bijzondere geneeskundige reden van de verdachte niet aanstonds ongerechtvaardigd aan de betreffende verbalisanten voorkwam, aldus de verdediging.

C.

Oordeel van het hof

Vooropgesteld dient te worden dat een verdachte van rijden onder invloed ingevolge artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) verplicht is ademlucht te blazen in een voor het ademonderzoek bestemd apparaat als hem/haar daartoe door een opsporingsambtenaar het bevel is gegeven. Alleen in het geval de verdachte om bijzondere geneeskundige redenen niet aan de vordering tot medewerking aan de ademanalyse kan voldoen, is hij niet verplicht mee te werken (artikel 163, derde lid, WVW). Een beroep op een bijzondere geneeskundige reden kan slechts met vrucht worden gedaan indien de verdachte die mening op duidelijke en ondubbelzinnige wijze kenbaar maakt aan degene die hem beveelt zich aan een ademonderzoek te onderwerpen (HR 30 juni 1992, NJ 1993/10 en HR 17 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0186). Indien de verdachte zich voor zijn weigering op geneeskundige redenen beroept, zal de opsporingsambtenaar een arts moeten inschakelen, tenzij het beroep hem aanstonds ongerechtvaardigd voorkomt (MvT, Kamerstukken II 1983/84, 18195, 3, p. 7 en 8).

Op 26 november 2023 zagen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] een bestuurder in een personenauto met kenteken [kenteken 1] op de openbare weg rijden. Dit voertuig stond tegen een zogeheten ‘midden geleider paal’ aan. De bestuurder reed vervolgens, achteruit, weg van de verkeerszuil. Daarna zagen zij dat het voertuig een roodkleurig verkeerslicht negeerde en verder reed. Nadat aan de bestuurder een stopteken was gegeven, reed de bestuurder wederom door rood licht, waarna deze tot stilstand kwam. De verbalisanten hebben vervolgens een onderzoek ingesteld. Op het moment dat verbalisant [verbalisant 1] met de verdachte sprak, rook hij dat de adem van de verdachte sterk rook naar het inwendige gebruik van alcoholische drank. Tevens zag hij dat de verdachte bloeddoorlopen ogen had.

Het staat naar het oordeel van het hof op grond van het vorenstaande genoegzaam vast dat de gearriveerde verbalisanten een verdenking als bedoeld in artikel 163, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 konden aannemen en gelet daarop de bevoegdheid hadden om aan de verdachte een bevel te geven als bedoeld in hetzelfde lid van voornoemd artikel.

Verbalisant [verbalisant 3] heeft daarop de verdachte gevorderd om zijn medewerking te verlenen aan het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. De verdachte blies daarbij tweemaal zonder de door verbalisant [verbalisant 3] opgegeven instructies te volgen, waarna het pas de derde keer resulteerde in een goede test met de uitslag G/F.

Vervolgens heeft verbalisant [verbalisant 2] de verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte is daartoe overgebracht naar het politiebureau in Heerlen, alwaar hij te kennen gaf dat hij gebruik wilde maken van het toilet. Verbalisant [verbalisant 2] vorderde de verdachte van het toilet af te komen om de procedure van het ademanalyseapparaat te voltooien. Na geruime tijd op het toilet verklaarde de verdachte dat hij spontaan last kreeg van zijn spastische darm. De verbalisanten hadden kort daarvoor een gesprek met de verdachte gevoerd waarbij hij geen teken van pijn of letsel vertoonde. Nadat hem nogmaals werd bevolen om mee te werken aan de procedure, zei de verdachte dat hij meer tijd wilde. Vervolgens bleef de verdachte kreunend op het toilet zitten. Als een van de verbalisanten via de spion naar de verdachte op het toilet kijkt, ziet deze dat de verdachte in staat is op te staan van het toilet en bij het openen van de toiletdeur weer terug op het toilet gaat zitten

Uit de door de betrokken verbalisanten opgemaakte processen-verbaal van bevindingen is het hof afdoende gebleken dat deze verbalisanten in de veronderstelling verkeerden dat de verdachte hen in het ootje probeerde te nemen. De verbalisanten kregen deze indruk mede gelet op het resultaat van de bevraging van de verdachte in de politiesystemen, waaruit bleek dat de verdachte reeds driemaal eerder werd verdacht van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, waaronder met ‘weigering ademanalyse’. De verbalisanten noemen de situatie ‘een spel op het toilet’ en verbalisant [verbalisant 2] relateerde dat hij en zijn collega’s bij de verdachte hebben aangegeven ‘hoe zij erover dachten’. Na 45 minuten op het toilet te hebben doorgebracht hebben de verbalisanten de verdachte dan ook het politiebureau uitgezet, waarna hij direct zijn broek optrok, stopte met kreunen en zijn weg vervolgde. Het hof is dan ook van oordeel dat, hoewel dat niet letterlijk met zoveel woorden wordt gezegd, uit de inhoud van de processen-verbaal van bevindingen in dit dossier, in onderling verband en samenhang bezien, kan worden afgeleid dat het beroep op de bijzondere geneeskundige reden van de verdachte de betrokken verbalisanten aanstonds ongerechtvaardigd voorkwam. Het hof wordt in die overtuiging gesterkt door het feit dat de verdachte bij het voorlopig onderzoek uitgeademde lucht dat daaraan voorafging, ook al tweemaal de door de betreffende verbalisant gegeven blaasinstructies niet opvolgt en nadat hij in deels ontklede staat letterlijk op straat wordt gezet direct zijn broek optrekt en kennelijk zonder enig probleem zijn weg vervolgt.

Dat de verbalisanten – toen zij al het idee hadden dat de verdachte hen om de tuin probeerde te leiden – nog contact hebben opgenomen met de meldkamer van de ambulancedienst en collega-arrestantenbewaarders omtrent de inzet van een arts, doet naar het oordeel van het hof aan het voorgaande niet af. Het tot vrijspraak strekkende de verweer van de verdediging wordt mitsdien verworpen en het hof komt tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

De raadsvrouw van de verdachte heeft het hof – geheel subsidiair – verzocht om in de strafmaat, in het bijzonder bij het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, rekening te houden met de omstandigheid dat het rijbewijs van de verdachte door de onderhavige veroordeling ongeldig zal worden verklaard.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij op 26 november 2023 te Heerlen niet heeft meegewerkt aan een bevolen ademonderzoek en evenmin heeft meegewerkt aan de door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. Dit handelen van de verdachte betreft een obstructie van de wettelijke mogelijkheden na te gaan of en zo ja, in welke mate een bestuurder van een motorrijtuig de door de wetgever gestelde norm betreffende alcohol en verkeer heeft overschreden, en daarmee van de mate waarin de veiligheid van overige verkeersdeelnemers in gevaar is gebracht. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Verder heeft het hof acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 31 januari 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit, meerdere malen terwijl hij nog beginnend bestuurder is, onherroepelijk is veroordeeld ter zake van overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Niet alleen is de verdachte op 27 maart 2023 veroordeeld ter zake van hetzelfde feit als het onderhavige, maar ook is hij in 2022 tweemaal veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 8, lid 5, van de Wegenverkeerswet 1994. Voorts geeft het het hof zeer te denken dat de verdachte door de verbalisanten op de openbare weg wordt aangetroffen als hij met zijn voertuig tegen een verkeerszuil aanstaat, achteruit moet rijden, vervolgens een rood stoplicht negeert en bij controle zijn adem sterk naar alcohol ruikt, terwijl de verdachte verklaart dat hij uren daarvoor is gestopt met het nuttigen van alcoholhoudende dranken. Indachtig het gegeven dat voor beginnend bestuurders een alcohollimiet van 88 Ugl, geldt, komt het het hof voor dat in het geval de verdachte aan het bevolen ademonderzoek zijn medewerking zou hebben gegeven dit verregaande consequenties zou hebben gehad voor de geldigheid van zijn rijbewijs en de hem eerder voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdachte heeft ten overstaan van het hof naar voren gebracht dat hij werkt in het gevelonderhoud. Hij heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk en daarnaast vervoert hij zijn vader (die momenteel niet mag rijden) voor controles naar het ziekenhuis. Zijn werkgever is ook, afhankelijk van de uitkomst van de onderhavige strafzaak, voornemens om het behalen van een aanhangerrijbewijs voor de verdachte te betalen.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Deze oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf in het geval van het weigeren van de ademanalyse, welk feit in beginsel overeenkomstig schaal IX van de tabel van de tabellen voor beginnend bestuurders of bestuurders zonder rijbewijs (auto’s en motoren/ brom- en snorfietsen) wordt afgedaan, een geldboete van € 1.000,00 en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden. In de onderhavige zaak is echter sprake van relevante recidive en is sprake van een beginnende bestuurder, hetgeen toepassing van de naast hogere schaal tot gevolg heeft: een geldboete van € 1.100,00 en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 maanden). Het opleggen van een geldboete (in combinatie met een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen), zoals de oriëntatiepunten weergeven, acht het hof echter - gelet op de omstandigheden waaronder het feit is begaan, de ernst van het feit en de recidive - niet passend.

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het hof met de politierechter oplegging van een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof ter zake van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit en voor een duur van 300 dagen aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen. De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.

Het verweer dat de verdachte, kort gezegd, het rijbewijs niet kan missen wordt door het hof verworpen omdat het belang van de bescherming van de verkeersveiligheid zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij behoud van het rijbewijs in dit tijdvak. Daarnaast is de verdachte reeds eerder ter zake van verkeersdelicten veroordeeld en is aan hem een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen opgelegd. Het hof acht derhalve onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid noodzakelijk om de verdachte, die zich hardleers heeft getoond, de onjuistheid van de bewezenverklaarde handelwijze te doen inzien. Ook is niet aannemelijk geworden dat de verdachte voor het behoud van het werk redelijkerwijs geen andere vervoersmogelijkheid ter beschikking staat. Hetzelfde geldt voor het vervoeren van zijn vader voor periodieke controles in het ziekenhuis.

Vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie te arrondissementsparket Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 250 dagen, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Limburg van 27 maart 2023 onder parketnummer 96-147344-22. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis;

ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 300 (driehonderd) dagen;

bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;

beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 27 maart 2023, parketnummer 96-147344-22, te weten een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 250 (tweehonderdvijftig) dagen.

Aldus gewezen door:

mr. R. Lonterman, voorzitter,

mr. M.J.M.A. van der Put en mr. H. von Hebel, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M.F. van de Ven, griffier,

en op 7 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. H. von Hebel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R. Lonterman
  • mr. M.J.M.A. van der Put
  • mr. H. von Hebel

Griffier

  • mr. A.M.M.F. van de Ven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?