ECLI:NL:GHSHE:2025:1971

ECLI:NL:GHSHE:2025:1971, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19-06-2025, 20-000628-21 (OWV)

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 19-06-2025
Datum publicatie 13-01-2026
Zaaknummer 20-000628-21 (OWV)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBLIM:2021:10191

Samenvatting

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 5 maart 2021 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-864013-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

thans uit anderen hoofde verblijvende in [detentieadres] .

Hoger beroep

De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op

€ 258.351,03 en heeft aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor dat bedrag. Verder heeft de rechtbank de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd bepaald op 365 dagen.

Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen, het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op

€ 264.169,- en aan betrokkene een betalingsverplichting zal opleggen van € 167.474,-

De verdediging heeft verweren gevoerde betreffende de hoogte van het geschatte voordeelsbedrag, de opgelegde betalingsverplichting en heeft voorwaardelijke verzoeken gedaan.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.

Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeling

De rechtbank heeft betrokkene bij vonnis van 29 maart 2018 onder parketnummer 03/864013-13 veroordeeld - onder meer - ter zake van:

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, opzettelijk begaan, gepleegd in de periode van 2 juni 2013 tot en met 10 juni 2013;

Ten aanzien van feit 4:

Medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde

en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door middelen en/of inlichtingen

trachten te verschaffen, gepleegd in de maanden juni 2013 tot en met 1 oktober 2013;

Ten aanzien van feit 5:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de

Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd op 1 oktober 2013;

Ten aanzien van feit 9:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als

bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, en 10a, eerste lid van de

Opiumwet, gepleegd in de periode van juni 2012 tot en met 1 oktober 2013.

Dit hof heeft bij arrest van 16 april 2021 onder parketnummer 20-001192-18 in de strafzaak onder meer voormelde veroordelingen in stand gelaten.

Wettelijke grondslag

Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene een voordeel als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft verkregen.

Het hof stelt vast dat aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van voormeld artikellid is voldaan, aangezien de betrokkene is veroordeeld wegens misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie en aannemelijk is dat die misdrijven of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Het hof heeft hierbij oog voor de omstandigheid dat betrokkene ook is veroordeeld voor feiten gelegen voor 1 juli 2011, de datum waarop (ondermeer) het derde lid van artikel 36e werd gewijzigd waarbij een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) niet langer als voorwaarde voor toepasselijkheid van dat artikellid werd gesteld. Geen rechtsregel verzet zich er echter tegen dat de ontnemingsrechter desondanks toepassing geeft aan artikel 36e lid 3 Sr zoals dat na de genoemde wetswijziging is komen te luiden wanneer betrokkene tevens is veroordeeld voor feiten gepleegd na de datum van genoemde wetswijziging. Daarbij overweegt het hof in dit geval in het bijzonder dat de tegen betrokkene uitgesproken veroordelingen grotendeels de periode na 1 juli 2011 betreffen (zie daarvoor hiervoor onder het kopje “de veroordeling”).

Het hof legt daarmee een andere wettelijke maatstaf aan dan de rechtbank, die het voordeel heeft gebaseerd op artikel 36e lid 2 Sr en daarmee op het bewezenverklaarde gewoontewitwassen in de periode van 28 juni 2010 tot en met 1 oktober 2013 (feit 8).

Schatting van het voordeel

Onderzoeksperiode

Voor de toepassing van artikel 36e lid 3 Sr is niet vereist dat de ‘andere’ strafbare feiten die tot de voordeelsverkrijging hebben geleid worden geconcretiseerd. Evenmin is vereist dat kan worden vastgesteld dat de betrokkene de pleger is van deze feiten. Voor ontneming op deze wettelijke grondslag is voldoende dat aannemelijk is dat strafbare feiten tot enig voordeel hebben geleid voor de betrokkene. Anders dan bij een voordeelsbepaling op de voet van artikel 36e lid 2 Sr wordt bij het derde lid van genoemd wetsartikel geabstraheerd van het onderliggende feitencomplex. Dit impliceert dat het hof voor wat betreft de schatting – anders dan de rechtbank – niet gebonden is aan de bewezenverklaarde periode van 28 juni 2010 tot 1 oktober 2013, zoals is bewezenverklaard ten aanzien van het witwassen.

Anders dan de rechtbank zoekt het hof voor wat betreft de onderzoeksperiode aansluiting bij de in het ontnemingsrapport gehanteerde periode van 1 januari 2010 tot en met 1 oktober 2013. Dit overeenkomstig het bewijsvermoeden als neergelegd in artikel 36e lid 3 Sr.

Ontnemingsrapport

In het tegen betrokkene opgemaakte ontnemingsrapport is over de onderzoeksperiode van 1 januari 2010 tot en met 1 oktober 2013 vermeld dat het vermogen van betrokkene op de navolgende wijze is toegenomen (pagina 20 rapportage):

-contant geld aangetroffen bij doorzoeking 1 oktober 2013: € 87.880,-

-totaal bedrag contante stortingen op bankrekeningen: € 187.745,-

-contant door betrokkene aan een derde verstrekte lening: € 10.000,-

Lening

Met de verdediging en de advocaat-generaal zal het hof de contant verstrekte lening ten bedrage van € 10.000,- niet bij de vermogensvermeerdering betrekken nu onduidelijk is of deze in de onderzoeksperiode door betrokkene aan [betrokkene 1] is verstrekt.

Vaststelbare legale bron

Het hof is van oordeel dat op het eerste oog voormelde vermogensvermeerdering onverklaarbaar is, nu over de onderzoeksperiode van betrokkene geen loongegevens bekend zijn geworden, dan wel dat betrokkene een gering inkomen heeft gehad en ook geen beschikking heeft gehad over (legaal) vermogen. Uit een opgave van de belastingdienst volgt dat deze in 2010 slechts ambtshalve een verzamelinkomen heeft vastgesteld van € 35.197,-. Ook over de jaren 2011, 2012 en 2013 zijn van betrokkene geen concrete gegevens bekend omtrent door betrokkene gegenereerd legaal inkomen of loon. Deze vaststellingen zijn door de verdediging niet betwist.

In de onderzoeksperiode is betrokkene verbonden geweest aan de ondernemingen “ [bedrijf 1] ” en “ [bedrijf 2] ”. Niet is gesteld of gebleken dat betrokkene legale inkomsten uit deze ondernemingen heeft gehad in de onderzoeksperiode.

De rechtbank heeft in de onderliggende strafzaak (pagina 90 van het vonnis) ten aanzien van beide ondernemingen overwogen dat blijkens de betrokkenheid van deze ondernemingen bij criminele activiteiten het er veel meer op lijkt dat betrokkene criminele inkomsten in plaats van legale inkomsten daaruit heeft gehad.

Resteert derhalve de vraag uit welke legale bron het op 1 oktober 2013 aangetroffen contante geldbedrag en de contante stortingen op de privé- en zakelijke rekeningen (waaronder ten name van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ) in de onderzoeksperiode ten bedrage van € 187.745 afkomstig kunnen zijn.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft gesteld dat het aangetroffen geld en de contante stortingen geen (wederrechtelijk verkregen) voordeel voor betrokkene vormden en dit ingekleurd door te stellen dat het hierbij voor een groot deel om stortingen van gelden van derden is gegaan waarmee betrokkene rekeningen van die derden heeft betaald (zie punt 26 pleitnota raadsman). Ter nadere onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging in het hoger beroep bankafschriften ingebracht met daarop een schriftelijke toelichting van betrokkene.

De rechtbank heeft in het ontnemingsvonnis (pagina 5) de verdediging gedeeltelijk gevolgd in dit standpunt door een aantal girale betalingen gedaan ten behoeve van “ [getuige] ” op de contante stortingen in mindering te brengen.

Het hof volgt de verdediging niet in dit standpunt omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het aangetroffen geld en de contante stortingen afkomstig zijn van derden met het enkele doel dat betrokkene daarvan rekeningen ten behoeve van die derden zou dienen te betalen. Hiervan zou bijvoorbeeld hebben kunnen blijken uit afspraken tussen de derde die het geld heeft gestort en de betrokkene. Ook zou dit bijvoorbeeld afgeleid kunnen worden uit omschrijvingen bij de contante stortingen op de rekening, zoals vermelding van de herkomst van de storting en het doel van die storting en uit de gevallen van stortingen waarbij de desbetreffende storting of combinatie van stortingen tot op de cent overeenkomt met het later betaalde bedrag of combinatie van bedragen. Van dit alles is het hof niet gebleken en daarmee is het voor het hof niet aannemelijk geworden dat het aangetroffen geldbedrag en de contante stortingen geen voordeel voor betrokkene hebben gehad.

Dit is alleen anders ten aanzien van de betalingen door betrokkene gedaan ten behoeve van [betrokkene 2] .

Omtrent deze betaling heeft de rechtbank in de onderliggende strafzaak overwogen (strafvonnis pagina 88) dat in een schriftelijke verklaring van de hand van [betrokkene 2] bevestiging kan worden gevonden voor de omstandigheid dat betrokkene de verzekering, wegenbelasting en verkeersboetes voor [betrokkene 2] betaalde en dat deze laatste deze bedragen vervolgens contant aan betrokkene terugbetaalde.

Met betrekking tot deze betalingen ten gunste van [betrokkene 2] heeft betrokkene een overzicht gemaakt (overzicht A14) van de betalingen die hij heeft gedaan voor [betrokkene 2] en welke bedragen hij derhalve contant van deze heeft terugontvangen. Het gaat daarbij om een totaalbedrag van € 1.140,- (afgerond). Daarbij zal het hof – in het voordeel van betrokkene – tevens een betaling meenemen van 3 oktober 2013 (ten bedrage van € 39,25) welke feitelijk buiten de onderzoeksperiode valt.

Gelet op het vorenstaande stelt het hof het door betrokkene genoten geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van (€ 87.880 + € 187.745)-/-

€ 1.140,-= € 274.485,-

Voorwaardelijk verzoek

Voor het geval het hof het standpunt van de verdediging - dat betrokkene contant geld ontving om daarmee rekeningen van derden te betalen - niet zou volgen heeft de verdediging voorwaardelijk verzocht onderzoek te doen bij de ontvangers (begunstigden) van de girale betalingen teneinde te achterhalen voor welke personen betrokkene heeft betaald teneinde de verklaring van betrokkene te onderbouwen. De verdediging heeft in dit verband tevens verzocht de getuige [getuige] te horen. In dit verband is door de verdediging tevens verwezen naar een eerdere mail van 17 april 2025 waarin de begunstigden zijn opgenomen bij wie informatie omtrent de betalingen zou moeten worden ingewonnen.

Het hof verwerpt dit verzoek op de grond dat het in te algemene termen is gesteld en meer weg heeft van een “fishing expedition”. Verder betrekt het hof bij dit oordeel dat betrokkene pas bij de behandeling in eerste aanleg van de ontnemingszaak in voormelde zin is gaan verklaren. Bij de politie heeft betrokkene het zwijgen ertoe gedaan en later bij de behandeling van de strafzaak heeft betrokkene verklaard dat de gelden afkomstig waren van de verkoop van de juwelen van zijn moeder.

Het verzoek tot het horen van de getuige [getuige] is ter terechtzitting door de verdediging ingetrokken nu uit een door de advocaat-generaal ingebracht stuk is vast komen te staan dat deze getuige op 4 december 2024 is overleden.

Op te leggen betalingsverplichting

Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Verbeurdverklaring

Ten aanzien van het op 13 oktober 2013 onder betrokkene aangetroffen geldbedrag van

€ 87.880 heeft dit hof in de onderliggende strafzaak (arrest van 16 april 2021, parketnummer 20-00192-18, blz. 10), inmiddels onherroepelijk, geoordeeld dat dit vatbaar is voor verbeurdverklaring nu het een voorwerp betreft dat geheel of grotendeels door middel van het bewezenverklaarde gewoontewitwassen is verkregen.

Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat dit aangetroffen geldbedrag op de betalingsverplichting in mindering dient te worden gebracht nu dit kan worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit. Wordt in zo’n geval ook de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd dan dient in verband met het reparatoire karakter van die maatregel, de waarde van het onder betrokkene inbeslaggenomen en in zijn strafzaak verbeurdverklaarde voorwerp in mindering te worden gebracht.

Het hof stelt daarmee tussentijds de betalingsverplichting vast op een bedrag van

(€ 274.485 -/- € 87.880=)€ 186.605,-

Redelijke termijn

Het hof stelt het navolgende voorop voor wat betreft de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM en dan in het bijzonder met betrekking tot ontnemingszaken.

De redelijkheid van de duur van een ontnemingszaak is net als bij gewone strafzaken afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden: a. de ingewikkeldheid van de zaak; b. de invloed van de betrokkene en zijn raadsman op het procesverloop, en c. de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daar komt voor een ontnemingszaak als bijzonderheid bij d. dat de afdoening van de zaak als gevolg van het bepaalde in art. 36e lid 1 Sr mede afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid en e. dat de ontnemingszaak, naar volgt uit art. 511b lid 1 Sv zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kan worden gemaakt.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de redelijke termijn in eerste aanleg niet is overschreden. Het hof stelt de aanvang ervan op 19 februari 2020 zijnde het moment waarop de ontnemingsvordering aanhangig is gemaakt. Het einde ervan stelt het hof op de datum van het ontnemingsvonnis op 5 maart 2021. Daarmee is de redelijke termijn van twee jaren niet overschreden.

Het hof volgt de verdediging niet in het betoog dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden omdat de ontnemingsvordering niet “zo spoedig mogelijk” als bedoeld in artikel 511b Wetboek van Strafvordering aanhangig is gemaakt. Daartoe overweegt het hof dat sprake was van een omvangrijke zaak en het strafvonnis is van 29 maart 2018 en dat derhalve de ontnemingsvordering binnen de termijn van twee jaren als voorgeschreven in artikel 511b lid 1 Sv is voorgeschreven.

Voor de fase van het hoger beroep stelt het hof de aanvang van de termijn op 9 maart 2021, zijnde de datum waarop door betrokkene hoger beroep is ingesteld. Het einde van deze termijn stelt het hof op de datum van dit arrest zijnde 19 juni 2025. Daarmee is de redelijke termijn van twee jaren met 2 jaar en 3 maanden overschreden.

Anders dan de advocaat-generaal maar met de verdediging ziet het hof in voormelde termijnoverschrijding aanleiding de betalingsverplichting te matigen met 10% en aan betrokkene een betalingsverplichting op te leggen van (€ 186.605,- /- 10%=) € 167.944,50.

Gijzeling

Met ingang van 1 januari 2020 heeft het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kracht van wet gekregen. Het hof zal daarom bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel tevens de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering in de onderhavige zaak ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt.

Het hof hanteert, overeenkomstig de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde uitgangspunten, bij de berekening van de duur van deze gijzeling voor elke volle € 50,00 van de betalingsverplichting één dag. De maximale duur van de gijzeling bedraagt ingevolge artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht drie jaren.

Gelet op de hoogte van de op te leggen betalingsverplichting zal het hof mitsdien de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd hierna bepalen op 1080 dagen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golde dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 274.485,00 (tweehonderdvierenzeventigduizend vierhonderdvijfentachtig euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 167.944,50 (honderdzevenenzestigduizend negenhonderdvierenveertig euro en vijftig cent).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Aldus gewezen door:

mr. W.F. Koolen, voorzitter,

mr. S.C. van Duijn en mr. M.J. Grapperhaus, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,

en op 19 juni 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. S.C. van Duijn en mr. M.J. Grapperhaus zijn buiten staat mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. W.F. Koolen
  • mr. S.C. van Duijn
  • mr. M.J. Grapperhaus

Griffier

  • mr. J.H.W. van der Meijs

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?