GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 10 juli 2025
Zaaknummer : 200.353.951/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/01/411701 / JE RK 25-48
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader] ,
wonende op een voor het hof bekend adres,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. J.J.M. van Asten,
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
Raad voor de Kinderbescherming,
regio Oost-Brabant, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad,
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder.
In het kort
De vader is het er niet mee eens dat de rechtbank het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] heeft afgewezen.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 28 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 april 2025, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het inleidende verzoek van de raad alsnog zal worden toegewezen en [minderjarige] mitsdien onder toezicht wordt gesteld voor de duur van een jaar.
Er is geen schriftelijke reactie van de belanghebbenden ingekomen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Van Asten;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de moeder.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader van 12 juni 2025.
3. De beoordeling
De feiten
Uit de inmiddels verbroken relatie van de vader en de moeder is geboren:
- [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige]) op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] .
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de moeder en haar echtgenoot (de heer [echtgenoot van de moeder] ). [minderjarige] heeft geen contact met de vader.
Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 oktober 2021 is een deskundigenonderzoek bevolen over de vraag of de heer [de vader] de biologische vader is van [minderjarige] . Daartoe is Verilabs Nederland B.V. benoemd tot deskundige.
Bij beschikking van 30 december 2022 is overwogen dat uit de deskundigenrapportage ‘Rechtsgeldig Verwantschapsonderzoek’ van Verilabs van 26 november 2021 blijkt dat het uitgevoerde verwantschapsonderzoek bevestigend is en dat praktisch is bewezen dat de heer [de vader] de biologische vader is van [minderjarige] . Bij deze beschikking is hem vervangende toestemming verleend tot erkenning van [minderjarige] .
Bij beschikking van 21 juni 2024 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de door [echtgenoot van de moeder] gedane erkenning van [minderjarige] nietig is. De vader heeft [minderjarige] erkend op 19 november 2024.
Bij beschikking van 19 januari 2024 is bepaald dat [minderjarige] en de vader recht hebben op omgang met elkaar en dat die omgang in eerste instantie moet worden begeleid door een hulpverleningsinstantie, zodat de omgang tussen [minderjarige] en de vader zorgvuldig kan worden opgebouwd en kan worden toegewerkt naar een onbegeleide omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader.
Bij beschikking van 28 januari 2025 heeft de rechtbank de ouders verwezen naar [instantie 1] en iedere verdere beslissing over het gezag en de omgang pro forma aangehouden tot 25 april 2025.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van één jaar afgewezen.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, – samengevat – het volgende aan.
De rechtbank miskent dat hulpverlening zonder de regie van een jeugdbeschermer na jaren nog altijd niet tot stand is gekomen en er een aanmerkelijk risico is dat deze zonder die regie ook in de toekomst niet tot stand zal komen en zal worden uitgevoerd. De enkele bereidheid om zorg of hulpverlening te accepteren is niet voldoende om te concluderen dat niet voldaan is aan de gronden voor de ondertoezichtstelling. Ook het daadwerkelijk accepteren en benutten van de zorg of hulpverlening is in dit verband van belang, en dient bepalend te zijn voor het aanvaarden van de grond dat de noodzakelijke zorg 'niet of onvoldoende wordt geaccepteerd'. Alleen al om de benodigde zorg te kunnen verkrijgen en te kunnen verwezenlijken, dient er regie te worden gevoerd door een gecertificeerde instelling. Gebleken is dat de ouders hier zelf geen enkele zeggenschap over hebben en zij het dus niet in de hand hebben of daadwerkelijk de benodigde hulp zal worden ingezet. Na de aanmelding bij de gemeente, die ruim twee jaar geleden heeft plaatsgevonden, is het niet tot hulpverlening gekomen. Ook hulpverlening door [instantie 1] , waarnaar de rechtbank de ouders heeft verwezen, kan geen doorgang hebben nu de gemeente met deze organisatie geen contract heeft. [instantie 2] werd vervolgens (weer) als instantie geopperd. Met deze organisatie is contact gelegd, maar veel verder is het niet gekomen Alles wijst erop dat de situatie voorlopig blijft zoals het nu is. De rechtbank mocht er dus niet van uitgaan dat de noodzakelijk geachte hulpverlening zonder het mandaat en zonder het toezicht van een gecertificeerde instelling geregeld zou kunnen worden. Een gecertificeerde instelling heeft zeggenschap en invloed en kan, eventueel met ondersteuning door de raad, door het voeren van regie meer bereiken. Daarbij betwijfelt de vader of de moeder daadwerkelijk vrijwillig mee zal werken aan contactherstel en hij heeft zorgen dat de moeder op ieder door haar gewenst moment kan afhaken.
De vader voert verder aan dat de moeder de statusvoorlichting van [minderjarige] zonder professionele begeleiding heeft opgepakt, waarbij de moeder heeft aangegeven dat [minderjarige] is geschrokken en afwijzend heeft gereageerd. De rechtbank heeft blijkens de beschikking onderkend dat de voorlichting door de moeder aan [minderjarige] , inhoudende dat haar partner niet zijn vader is, tot onrust en onzekerheid bij [minderjarige] heeft geleid. Dit zijn zorgwekkende signalen. De vader maakt zich ernstig zorgen over de wijze waarop de statusvoorlichting door de moeder is gegeven en de gevolgen die dat heeft voor [minderjarige] in zijn relatie tot de vader. Het is onvoldoende duidelijk en onzeker of het onderwerp van de statusvoorlichting door, of onder begeleiding van een professionele hulpverlener in het kader van hulpverlening op vrijwillige basis zal worden opgepakt. Het is zelfs onduidelijk en onzeker of de gemeente [gemeente] dit doel van de hulpverlening adequaat zal oppakken.
De raad voert – samengevat – het volgende aan.
Er is meermaals geprobeerd om hulpverlening op te starten, maar er is in al die jaren nog niets van de grond gekomen. Hoewel de moeder stelt mee te zullen werken aan de hulpverlening, twijfelt de raad aan de intrinsieke motivatie van de moeder. Er is veelvuldig tegen de moeder gezegd dat zij hulp dient in te schakelen, bijvoorbeeld bij het geven van de statusvoorlichting. Ondanks dat [minderjarige] door deze voorlichting van slag is geraakt, ziet de raad nergens in het dossier dat de moeder hierop actie heeft genomen en hulp heeft gezocht. De moeder moet, met behulp van hulpverlening, haar mening over de vader loskoppelen van de statusvoorlichting aan [minderjarige] . Nu hulpverlening niet van de grond komt, dient de hulpverlening binnen het verplichte kader van een ondertoezichtstelling plaats te vinden. Hoewel er een voorzichtige start bij [instantie 2] is gemaakt, wordt er ernstig getwijfeld aan de motivatie van de moeder. De raad is er, gelet op het verleden, van overtuigd dat wanneer de moeder het niet eens is met de hulpverlening, zij geen medewerking meer zal verlenen en geen stappen meer worden gezet in het tot stand brengen van contact tussen [minderjarige] en de vader. Dit heeft negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder stelt dat de omgang wel veilig voor [minderjarige] dient te zijn, maar [minderjarige] gaat hoe dan ook een reactie geven. De moeder zal dan denken dat het niet goed gaat, en er naar verwachting mee stoppen. Als er een ondertoezichtstelling zou komen, kan het nu gestarte traject bij [instantie 2] doorlopen. Als het er dan op lijkt dat moeder het traject wil stoppen, kan een gezinsvoogd bepalen het toch voort te zetten. Aangezien er bij beide ouders werk verricht dient te worden, er gekeken moet worden naar de statusvoorlichting en er reeds een langere tijd is verstreken, is een periode van een jaar nodig.
De moeder voert – samengevat – het volgende aan.
[minderjarige] wordt niet bij de vader weggehouden. De moeder heeft er alles aan gedaan om de omgangsregeling met de vader tot stand te brengen, maar er zijn overal wachttijden. De vader heeft hier echter geen geduld voor. De moeder wil meewerken aan een omgangsregeling zolang dit op een veilige manier gebeurt. Dat heeft de prioriteit. De omgang dient plaats te vinden onder de juiste begeleiding en met de juiste instantie. Het is heel erg belangrijk dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt. Er is contact opgenomen met [instantie 2] . Zij willen [minderjarige] zo snel mogelijk laten komen. Er is al een datum gepland voor een intakegesprek. De vader heeft hier echter niet op gereageerd. Hij wil enkel meewerken aan hulpverlening via een ondertoezichtstelling. Wanneer er een ondertoezichtstelling zou zijn, wordt de hulpverlening verplicht. Dit zou niet veilig voor [minderjarige] zijn en veel impact op hem hebben. Het zou een traumatische shock voor [minderjarige] zijn geweest wanneer hij ineens naar de vader zou worden gebracht. [minderjarige] kent de vader immers niet. Bovendien woont de vader niet in de buurt, maar honderd kilometer verderop. De moeder heeft [minderjarige] uitgelegd wie zijn biologische vader is, maar hij wil geen andere vader. Hij ziet de echtgenoot van de moeder als zijn vader.
De motivering van de beslissing
Het hof overweegt het volgende.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit, de vader heeft de Britse nationaliteit. [minderjarige] heeft de Nederlandse nationaliteit. Op grond hiervan heeft de zaak een internationaal karakter en dient het hof zijn bevoegdheid ambtshalve te onderzoeken.
Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd.
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Het hof is, gezien de inhoud van de overgelegde stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling, van oordeel dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] . De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] zijn gelegen in het ontbreken van deugdelijke statusvoorlichting van de moeder richting [minderjarige] en het gebrek aan enige vorm van contact tussen [minderjarige] en zijn vader. [minderjarige] , inmiddels vijf jaar oud en opgroeiend bij de moeder thuis, heeft nog nooit contact met de vader gehad en heeft zich aldus tot op heden geen eigen beeld van zijn vader kunnen vormen. [minderjarige] heeft lange tijd gedacht dat de echtgenoot van de moeder, de heer [echtgenoot van de moeder] , zijn biologische vader was. Hij heeft pas recent van de moeder statusvoorlichting gekregen. Deze voorlichting, die zonder de aan de moeder geadviseerde professionele hulp heeft plaatsgevonden, heeft tot veel onrust en onzekerheid bij [minderjarige] geleid. [minderjarige] is erg geschrokken en heeft afwijzend gereageerd. Bij het geven van deugdelijke statusvoorlichting hoort naar het oordeel van het hof ook het kunnen ondersteunen van [minderjarige] bij deze grote verandering in zijn leven. Hij moet dit een plek kunnen geven en de ruimte krijgen om zijn eigen identiteit te ontdekken. Dit is een zeer precair en zorgvuldig proces waar niet lichtvaardig mee mag worden omgegaan.
Het lukt de ouders niet om, in het belang van [minderjarige] , op constructieve wijze met elkaar te communiceren. Zij hebben daarvoor onvoldoende vertrouwen in elkaar. De ouders zijn, mede gelet op de complexiteit van de problematiek, niet in staat gebleken de ernstige bedreigingen zelf weg te nemen. Professionele hulp is hiervoor nodig. De moeder heeft weliswaar te kennen gegeven dat zij haar medewerking in een vrijwillig kader zal verlenen, maar het hof heeft, gelet op de lange voorgeschiedenis, er onvoldoende vertrouwen in dat de moeder daadwerkelijk mee zal werken aan een hulpverleningstraject. Het hof plaatst vraagtekens bij de bereidheid van de moeder om, wanneer de hulpverlening iets adviseert waar de moeder het niet mee eens is, tegen haar eigen gevoel in dat advies op te volgen. Het hof acht de kans dan ook reëel dat een hulpverleningstraject zonder gedwongen kader zal stuklopen of stagneren, hetgeen het ontwikkelingsbelang van [minderjarige] temeer zal schaden. De inzet van de gezinsvoogd is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat het traject goed doorlopen wordt en er zo voortvarend mogelijk toegewerkt wordt naar een situatie waarin het ontwikkelingsbelang van [minderjarige] naar behoren gediend wordt.
Het hof acht een ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van twaalf maanden noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden. Gelet op de lange voorgeschiedenis en de complexiteit van de problematiek is deze duur noodzakelijk. De ondertoezichtstelling zal het traject bij [instantie 2] , waar reeds een voorzichtige start mee is gemaakt, niet hoeven belemmeren. Het traject zal immers onder de regie van een gecertificeerde instelling voortgezet kunnen worden.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en het inleidende verzoek van de raad alsnog dient te worden toegewezen met ingang van 10 juli 2025.
4. De beslissing
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 januari 2025;
en, opnieuw rechtdoende:
wijst alsnog toe het inleidend verzoek van de raad;
stelt [minderjarige] onder toezicht van Jeugdbescherming West, Regio [regio] voor de duur van een jaar, met ingang van 10 juli 2025 tot 10 juli 2026;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, S.P.A. Wensink-Vergunst en E.F.M. van Swaaij en is op 10 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers, griffier.