GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 10 juli 2025
Zaaknummer: 200.348.675/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/333526 / FA RK 24-2513
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
thans verblijvende te Polen ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. F. Putmans-de Kok.
Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 12 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 november 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de verzoeken van de vader alsnog af te wijzen met veroordeling van de vader in de kosten van beide instanties.
Bij verweerschrift, met producties, ingekomen ter griffie op 11 februari 2025, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar - naar het hof begrijpt - verzoek, althans de grieven van de moeder af te wijzen. Kosten rechtens.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de moeder, via een telefonische verbinding, bijgestaan door mr. Schoenmakers;
de vader, bijgestaan door mr. Putmans-de Kok en door een tolk in de Poolse taal: A.M. Mazur (tolknummer 40162);
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het V6-formulier d.d. 8 mei 2025 met bijlage van de zijde van de moeder;
het V6-formulier d.d. 12 mei 2025 met bijlage van de zijde van de moeder.
3. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Tijdens deze relatie is [minderjarige] geboren.
De vader heeft [minderjarige] met toestemming van de moeder erkend. Op de erkenning van [minderjarige] is Pools recht van toepassing. De moeder is eenhoofdig belast met de uitoefening van het gezag over [minderjarige] .
De moeder, de vader en [minderjarige] hebben de Poolse nationaliteit.
De moeder en [minderjarige] verblijven thans in Polen .
4. De omvang van het hoger beroep
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, in het kader van de omgangsregeling vastgesteld dat [minderjarige] voorlopig – totdat daarover nader in de bodemprocedure wordt beslist of partijen een andere regeling afspreken – als volgt bij de vader zal verblijven:- in de ene week van donderdag vanuit school tot zondag 19.00 uur (na het avondeten);- in de andere week op woensdag vanuit school tot 19.00 uur (na het avondeten).
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.
5. De beoordeling
Rechtsmacht
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De rechtbank in Polen heeft de teruggeleiding van [minderjarige] naar Nederland afgewezen. Voor zover de vader stelt dat hij daartegen hoger beroep heeft ingesteld, is het standpunt van de moeder dat de Nederlandse rechter op dit moment geen beslissing kan nemen over de voorliggende verzoeken in de onderhavige procedure omdat de beslissing over de teruggeleiding nog aanhangig is bij Poolse rechtbank. Op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980 (HKOV) mogen er immers geen definitieve beslissingen genomen worden over de hoofdverblijfplaats, het gezag en de omgangsregeling rondom [minderjarige] . Dat leidt ertoe dat ook de beslissing in de onderhavige procedure dient te worden aangehouden totdat er definitief is beslist op de teruggeleiding van [minderjarige] .
De vader voert – samengevat – het volgende aan. De bestreden beschikking is gewezen voordat de moeder met [minderjarige] naar Polen is vertrokken en aldus voordat er in Polen procedures aanhangig waren. Het feit dat de moeder is vertrokken en er een teruggeleidingsprocedure aanhangig is in Polen doet er niet aan af dat de moeder zich aan de voorlopige omgangsregeling dient te houden. De vader ziet dan ook niet in waarom de Nederlandse rechter op dit moment geen beslissing zou kunnen nemen op de voorliggende verzoeken.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof zal de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordelen op grond van artikel 7 lid 1 van Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter). Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Het hof zal daarom moeten beoordelen in welke lidstaat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats had op het moment van de procesinleiding, te weten 2 augustus 2024. [minderjarige] had op dat samen met de moeder haar gewone verblijfplaats in Nederland. Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op dat moment in Nederland was, is de Nederlandse rechter bevoegd.
Het hof volgt de moeder niet in het standpunt dat de Nederlandse rechter vooralsnog niet meer op de voorliggende verzoeken mag beslissen omdat de rechtbank in Polen de teruggeleiding van [minderjarige] afgewezen zou hebben dan wel dat er met betrekking tot de teruggeleiding een hoger beroepsprocedure aanhangig is. Naar het oordeel van het hof heeft [minderjarige] niet haar nieuwe gewone verblijfplaats in Polen verkregen. Op basis van hetgeen naar voren is gebracht is het verblijf van de moeder en [minderjarige] in Polen nog altijd tijdelijk van aard. Zo heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling in antwoord op vragen van het hof hierover er geen blijk van gegeven voornemens te zijn definitief in Polen te blijven en de moeder en [minderjarige] verblijven op dit moment bij de ouders van de moeder in Polen waardoor de huidige verblijfplaats van de moeder en [minderjarige] geen definitief karakter heeft. Nu de moeder en [minderjarige] aldus (nog) niet naar een andere lidstaat zijn verhuisd en [minderjarige] niet aldaar haar nieuwe gewone verblijfplaats heeft verkregen, blijft de Nederlandse rechter bevoegd een beslissing te geven over de omgang tussen de vader en [minderjarige] (artikel 8 Brussel II-ter).
Voorlopige omgangsregeling
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De vader had niet voldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Van de vader mocht worden verwacht dat hij de uitkomst van de bodemprocedure zou afwachten, temeer nu er contra-indicaties bestaan voor de omgang tussen de vader en [minderjarige] .
Voor zover er bij de vader al sprake was van een spoedeisend belang had de rechtbank zijn verzoek tot het vaststellen van een voorlopige omgangsregeling moeten afwijzen. De moeder heeft immers aannemelijk gemaakt dat er geen onbegeleid contact tussen de vader en [minderjarige] kon en mocht plaatsvinden. Het feit dat de vader de moeder tot op heden zelfs in Polen benadert, onder enorme druk zet en bedreigt, maakt dat sprake is van een onveilige situatie. De vader verblijft met grote regelmaat in Polen en de moeder durft met [minderjarige] niet terug te keren naar Nederland. Op 19 september 2024 heeft de vader geprobeerd om [minderjarige] in Polen te ontvoeren en af te nemen van de moeder. De vader blijft zich ophouden in de omgeving van de moeder en dat heeft de afgelopen periode voor dreigende situaties gezorgd. De moeder heeft daarom meerdere keren aangifte gedaan tegen de vader. Daarnaast gebruikt de vader bovenmatige hoeveelheden alcohol en is hij regelmatig dronken en daardoor onberekenbaar. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, hebben de ouders en [minderjarige] geen fijne tijd in Polen gehad in augustus noch heeft [minderjarige] zich uitgesproken op de wijze zoals in de bestreden beschikking opgenomen. De rechtbank had ernstige bezwaren moeten aannemen om onbegeleid contact te laten plaatsvinden. De rechtbank had het onderzoek en advies van de raad moeten afwachten. De voorlopige omgangsregeling die de rechtbank heeft bepaald is absoluut niet in het belang van [minderjarige] .
De vader voert – samengevat – het volgende aan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bodemprocedure niet kon worden afgewacht en dat er geen contra-indicaties zijn voor onbegeleid contact tussen de vader en [minderjarige] . De valse beschuldigingen die de moeder doet raken kant noch wal en zijn in het geheel niet onderbouwd. De moeder hield [minderjarige] op eigen initiatief en zonder gegronde reden bij de vader vandaan waardoor er al geruime tijd geen contact was. De moeder speelt voor eigen rechter en gaat aan de bestreden beschikking voorbij. De moeder heeft niet onderbouwd op welke gronden er begeleid contact dient plaats te vinden. Evenmin is het standpunt onderbouwd dat de vader de moeder zou bedreigen en onder druk zet. De vader reist inderdaad regelmatig af naar Polen . Dit doet hij in de hoop om contact met [minderjarige] te kunnen hebben. De vader bedreigt de moeder niet, hij kan niet eens in contact komen met haar als hij in Polen is. Als hij naar de verblijfplaats van [minderjarige] en de moeder gaat is het de vader van de moeder die de vader bedreigt. Als er al contact is tussen de vader en de moeder is dat met tussenkomst van de politie. De politie heeft meerdere gesprekken gevoerd met de moeder en haar gewezen op de bestreden beschikking. Desondanks weigert de moeder haar medewerking.
Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft de zittingsvertegenwoordiger van de raad duidelijk naar voren gebracht dat er geen sprake is van contra-indicaties voor contact tussen de vader en [minderjarige] en dat er al helemaal geen sprake van is dat er begeleid contact moet zijn. Tijdens diezelfde mondelinge behandeling liet de moeder al blijken dat ze niet wilde meewerken aan (onbegeleide) omgang en niet te willen dat er contact was tussen de vader en [minderjarige] . De moeder is niet voornemens om terug te keren naar Nederland en dat heeft ze ook bevestigd door in de bodemprocedure te verzoeken om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar in Polen te bepalen.
De raad adviseert – samengevat – als volgt. De raad heeft tijdens het recente raadsonderzoek in april 2025 onvoldoende informatie gekregen om een advies te kunnen geven over de situatie rondom [minderjarige] . Wel staat vast dat het contact tussen de vader en [minderjarige] ontbreekt en dat [minderjarige] belast is met de spanningen tussen de ouders. De ouders uiten over en weer zorgen over elkaar, maar zij onderbouwen deze zorgen niet waardoor deze niet bevestigd of ontkracht kunnen worden. De moeder dient zich te houden aan de voorlopige omgangsregeling die is bepaald in de bestreden beschikking. Als ze dat moeilijk vindt ligt het op haar weg om daar hulp voor in te schakelen. Daarnaast is er hulp nodig bij het contactherstel tussen de vader en [minderjarige] . Omdat de moeder en [minderjarige] op dit moment in Polen verblijven, dient deze zorg in Polen te worden georganiseerd. Omdat de raad daartoe geen mogelijkheden heeft is er een zorgmelding gedaan bij de Centrale Autoriteit.
Het hof overweegt als volgt.
Spoedeisend belang
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de vader voldoende spoedeisend belang had bij zijn verzoek om in het kader van een voorlopige voorziening een voorlopige omgangsregeling vast te stellen nu de vader onweersproken heeft gesteld dat hij geen (structureel) contact kan hebben met [minderjarige] omdat de moeder ieder contact tussen de vader en [minderjarige] afhoudt. Gegeven deze omstandigheden kon van de vader - anders dan de moeder stelt - niet worden verwacht dat hij de uitkomst van de bodemprocedure zou afwachten. Op het inhoudelijke standpunt van de moeder dat er contra-indicaties zijn voor het contact tussen de vader en [minderjarige] en dat daarom de bodemprocedure diende te worden afgewacht zal het hof in het hiernavolgende ingaan.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en andersom dat de ouders in beginsel recht hebben op en de verplichting hebben tot omgang met hun kind. De rechter kan op verzoek van de ouders, al dan niet voor bepaalde tijd, een omgangsregeling vaststellen.
Inhoudelijke beoordeling
Gebleken is dat er sinds de procedure bij de rechtbank sprake is van gewijzigde omstandigheden. De moeder is omstreeks de datum van de bestreden beschikking met [minderjarige] naar Polen gegaan waardoor er tot op heden geen uitvoering wordt gegeven aan de voorlopige omgangsregeling die in de bestreden beschikking is bepaald. De rechtbank is echter naar het oordeel van het hof terecht en op goede gronden gekomen tot het vaststellen van deze voorlopige omgangsregeling. In dat kader is relevant dat hoewel de moeder stelt dat er contra-indicaties zijn voor het contact tussen [minderjarige] en de vader, zij deze contra-indicaties tijdens de procedure bij de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt.
Ook tijdens de procedure in hoger beroep heeft de moeder zowel in het beroepschrift als tijdens de mondelinge behandeling aantijgingen richting de vader geuit, maar van deze aantijgingen ontbreekt feitelijke onderbouwing. Net als de rechtbank ziet het hof dan ook geen bezwaren om [minderjarige] onbegeleid contact met de vader te laten hebben. Dit leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking voor wat betreft de voorlopige omgangsregeling zal bekrachtigen. Dat er naar alle waarschijnlijkheid vanwege de huidige afstand tussen de vader en [minderjarige] praktische belemmeringen bestaan bij de uitvoering van deze voorlopige omgangsregeling doet aan het voorgaande niet af. De moeder heeft overigens nagelaten om in de onderhavige procedure een (subsidiair) verzoek te doen om een voorlopige omgangsregeling vast te stellen die gelet op de huidige afstand tussen de vader en [minderjarige] beter uitvoerbaar zou zijn dan de voorlopige omgangsregeling die in de bestreden beschikking is bepaald.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie hebben gehad.
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 12 september 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, A.M. Bossink en M.J.C. van Leeuwen en is op 10 juli 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. P.P.M. van Reijsen in tegenwoordigheid van de griffier.