ECLI:NL:GHSHE:2025:1994

ECLI:NL:GHSHE:2025:1994, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-07-2025, 200.354.014_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 10-07-2025
Datum publicatie 10-12-2025
Zaaknummer 200.354.014_01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

bekrachtiging uithuisplaatsing, rechtmatigheidstoets

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 10 juli 2025

Zaaknummer : 200.354.014/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/413000 / JE RK 25-244

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

Het hof merkt als belanghebbende aan:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader;

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio: [regio] ,

hierna te noemen: de raad.

In het kort:

De moeder is het er niet mee eens dat er een machtiging tot uithuisplaatsing van

[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2024 (hierna: [minderjarige] ) in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, is verleend.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 april 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI inzake de machtiging tot uithuisplaatsing alsnog af te wijzen.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 juni 2025, heeft de GI verzocht het door de moeder ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van de Laar;

- [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] namens de GI;

- de vader.

De raad heeft het hof per brief d.d. 3 juni 2025 laten weten niet op de mondelinge behandeling te zullen verschijnen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de ter zitting door de moeder voorgelezen en overgelegde brief van [betrokkene] , waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

3. De beoordeling

De feiten

De moeder en de vader hebben een latrelatie. Tijdens deze relatie is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend en is van rechtswege samen met de moeder met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast. [minderjarige] heeft vanaf haar geboorte in een crisispleeggezin gewoond. In april jl. is [minderjarige] overgeplaatst naar het gezinshuis waar ook haar zus [zus] woont.

Bij beschikking van 17 oktober 2024 is het toen nog ongeboren kind beschouwd als geboren en voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van drie maanden, aldus tot 17 januari 2025.

Bij beschikking van 8 november 2024 heeft de rechtbank het toen nog ongeboren kind beschouwd als geboren en onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 8 november 2024 voor de duur van een jaar, aldus tot 8 november 2025. Verder heeft de rechtbank een machtiging verleend aan de GI om het toen nog ongeboren kind na de geboorte gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van zes maanden, aldus tot 8 mei 2025.

De moeder heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld voor wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing. Bij beschikking van 20 februari 2025 heeft het hof de beschikking van 8 november 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigd.

Vanwege het feit dat de plek voor [minderjarige] binnen het crisispleeggezin slechts beschikbaar was tot 1 april 2025 en zij kon worden overgeplaatst naar het gezinshuis waar ook haar zus [zus] woont, heeft de GI een nieuwe machtiging uithuisplaatsing verzocht, en wel voor in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

Bij de bestreden beschikking van 24 maart 2025 heeft de rechtbank die machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van drie maanden, aldus met ingang van 24 maart 2025 tot 24 juni 2025, verleend.

Tevens heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden en de zaak voor de voortgezette mondelinge behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank op 11 juni 2025.

De moeder kan zich met deze beslissing, althans voor zover het de uithuisplaatsing betreft, niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

De standpunten

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat - het volgende aan.

De noodzaak voor een uithuisplaatsing ontbreekt. Er zijn mogelijkheden om [minderjarige] bij de moeder te laten wonen en opgroeien en de ouders de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te laten verrichten. De moeder heeft geen enkele kans gekregen om aan te tonen dat zij samen met de vader daartoe in staat is want [minderjarige] is direct na de geboorte bij de moeder weggenomen. Er is uitgegaan van gegevens uit het verleden terwijl de moeder zich nadien nog heeft ontwikkeld. De moeder had in het verleden ook nog de zorg over haar drie andere kinderen terwijl de relatie met de vader toen slecht was. Nu heeft de moeder meer rust gekregen omdat zij alleen nog de zorg zal hebben voor de opvoeding van [minderjarige] . Bovendien is de relatie met de vader sterk verbeterd en hebben zij nu een latrelatie in plaats van dat zij samenwonen. De moeder en de vader kunnen niet worden afgerekend op het mislukken van de gezinsopname bij [instantie] . Zij hadden van tevoren al aangegeven daar geen vertrouwen in te hebben. Zij zijn wel bereid naar een ander moeder-kindhuis te gaan om te laten zien dat zij over voldoende opvoedcapaciteiten beschikken. Ondertussen is het contact tussen de vader en de moeder en de GI verslechterd omdat de GI er niets meer aan doet om te bewerkstelligen dat [minderjarige] weer bij de ouders terug zou kunnen komen. De GI heeft geen oog voor de belangen van de moeder en de vader en zij wil hen geen enkele kans meer geven om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. De moeder en de vader zijn van mening dat zij met behulp van derden en de GI [minderjarige] zelf kunnen verzorgen en opvoeden.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling,

- samengevat - het volgende aan. [minderjarige] is na plaatsing bij een crisisgezin per 31 maart 2025 overgeplaatst naar het gezinshuis [gezinshuis] waar ook haar oudere zus [zus] woont. Hoewel het in de basis goed gaat met [minderjarige] , loopt zij in haar fysieke ontwikkeling iets achter. Er vindt wekelijks omgang met de ouders plaats en tijdens deze omgangsmomenten toont [minderjarige] veel spanning en moet zij veelvuldig huilen.

Tijdens het [instantie] -traject hebben de ouders het beeld en de patronen getoond die de GI al vijf jaar bij hen signaleert. Het lukt de ouders om één tot anderhalve dag in praktische zin voor [minderjarige] te zorgen maar het lukt de ouders niet om hun relationele problematiek of omgevingsfactoren naar de achtergrond te schuiven om volledig aanwezig te kunnen zijn voor [minderjarige] . Zij krijgt hierdoor niet de aandacht en nabijheid van de ouders die zij als jong kindje nodig heeft. De GI heeft de ouders veel kansen geboden in de vorm van een traject bij diverse moeder-kindhuizen. Dit is niet van de grond gekomen. Uiteindelijk hebben de ouders ervoor gekozen ook het traject bij [instantie] stop te zetten ondanks dat zij beiden wisten dat dit voor de GI de laatst aangeboden mogelijkheid voor een gezinsopname zou zijn.

De ouders zijn naar de GI niet open en eerlijk over hun woonsituatie. Het baart de GI zorgen in hoeverre de ouders openheid en eerlijkheid zullen tonen in het belang van [minderjarige] ’s ontwikkeling, opvoeding en veiligheid. De GI heeft de ouders passende mogelijkheden aangeboden om te kunnen aantonen in hoeverre zij in staat zijn om de zorg voor [minderjarige] te kunnen dragen binnen de periode van de gestelde aanvaardbare termijn, die door de raad op zes maanden is gesteld. Gelet op het feit dat de ouders onvoldoende gebruik gemaakt hebben van de mogelijkheden, geen erkenning hebben getoond voor hun besluiten en gemaakte stappen én het feit dat zij niet, in het belang van [minderjarige] , kunnen profiteren van het ingezet hulpaanbod, maakt dat de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is voor de verzorging en de opvoeding van [minderjarige] .

De vader voert tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aan dat de moeder de kans moet krijgen om [minderjarige] zelf groot te brengen. De moeder kan heel goed zelf voor [minderjarige] zorgen. Hij kan haar daarbij helpen, ondanks dat ze niet samenwonen. De GI heeft ook toegezegd dat de ouders [minderjarige] mochten houden maar alsnog is ze van de vader en de moeder afgepakt.

De motivering van de beslissing

Het hof overweegt het volgende.

Rechtmatigheidstoets

De Hoge Raad heeft in de beschikking van 9 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1112) overwogen dat indien de periode waarvoor een machtiging tot uithuisplaatsing of ondertoezichtstelling is gegeven ten tijde van de uitspraak in hoger beroep is verstreken, het hof aan de hand van de aangevoerde grieven dient te beoordelen of de bestreden beslissing terecht is gegeven. Het gaat in dat geval om een rechtmatigheidstoets. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend over de periode van 24 maart 2025 tot 24 juni 2025. Deze termijn is inmiddels verstreken. Gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de door de rechtbank verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te laten toetsen. Het hof zal hiertoe overgaan.

De inhoudelijke beoordeling van de uithuisplaatsing

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Aan het hof ligt de vraag voor of [minderjarige] in de periode van 24 maart 2025 tot 24 juni 2025 uit huis geplaatst diende te blijven. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het hof van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] over de periode 24 maart 2025 tot 24 juni 2025 terecht en op goede gronden is verleend. [minderjarige] is als baby erg kwetsbaar en volledig afhankelijk van de zorg van de volwassenen om haar heen. Zij heeft opvoeders nodig die er volledig voor haar kunnen zijn, die haar opvoedvraag kunnen beantwoorden, die hun eigen emoties en behoeften kunnen parkeren en die gebruik willen en kunnen maken van de betrokken hulpverlening. Naar het oordeel van het hof is de moeder (ook met hulp van de vader) onvoldoende in staat om [minderjarige] dat te bieden. De moeder heeft een WLZ-indicatie en heeft ondersteuning nodig bij alle levensgebieden. Uit het dossier komt naar voren dat herhaaldelijk is gebleken dat de moeder niet in staat is om emotioneel stabiel te reageren op zorgen en problemen. Er is 24 uur per dag, 7 dagen per week ondersteuning voor de moeder noodzakelijk. Zij accepteert echter geen hulp en toont geen inzicht in haar beperkingen.

De GI heeft diverse mogelijkheden tot plaatsing in een moeder-kindhuis geboden. De moeder heeft hieraan ofwel haar medewerking niet verleend of ze is afgewezen omdat ze aangaf geen hulpvraag te hebben. Uiteindelijk heeft er een opname bij gezinshuis [instantie] plaatsgevonden maar deze is voortijdig geëindigd. Uit de verslaglegging van [instantie] blijkt duidelijk dat de vader en de moeder niet in staat zijn om hun eigen emoties opzij te zetten in het belang van [minderjarige] . De problemen in de dynamiek tussen de ouders is voorliggend en ze zijn niet in staat die problemen te parkeren. De ouders kunnen [minderjarige] bijvoorbeeld wel een flesje geven of haar luier verschonen en in praktisch opzicht gedurende bepaalde, beperkte, tijd voor haar zorgen maar emotioneel zijn zij niet beschikbaar voor [minderjarige] . Het hof moet helaas vaststellen dat de ouders, ondanks hun goede bedoelingen, niet in staat zijn om de ernst van de problematiek in te zien. Zij vervallen voortdurend in herhaling met te zeggen dat zij geen eerlijke kans hebben gekregen om voor [minderjarige] te zorgen. Het hof is van oordeel dat de ouders die kans wel hebben gekregen maar niet hebben benut door voortdurend niet mee te werken aan plaatsing in een moeder-kind huis en voorwaarden te stellen.

Daarbij komt ook nog dat de vader en de moeder een zeer complexe relatie hebben, waarbij er sprake is van een patroon van aantrekken en afstoten en zij geen positieve uitwerking op elkaar hebben. Zij zijn met name met hun eigen primaire emoties en met elkaar bezig en zijn zeer beperkt in het reflecteren op hun eigen gedrag en hun eigen aandeel in deze ingewikkelde relatie. Het lukt de vader en de moeder hierdoor niet om - in het belang van [minderjarige] - als een team samen te werken en aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige] .

Naast de zorgen over de relatie van de ouders is het hof er ook bezorgd over dat de vader en de moeder weglopen van de problematiek en niet inzien dat er wel echt hulp nodig is. Ook tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft het hof geconstateerd dat de moeder het moeilijk vindt om een hulpvraag te formuleren. Dit maakt dat de hulpverlening om te komen tot verbetering, niet van de grond komt.

Alles overziende is het hof van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] over de periode van 24 maart 2025 tot 24 juni 2025 terecht is verleend: de machtiging was noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.F.M. van Swaaij, G.M. Goes en S.P.A. WensinkVergunst en is op 10 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. E.G.A. Janssen, griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.G.A. Janssen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?