GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 17 juli 2025
Zaaknummer: 200.349.655/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/379961 / FA RK 22-1007
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. P.J.A. van de Laar,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.A. Knopper.
Als belanghebbende merkt het hof aan:
- Stichting Jeugdbescherming Brabant,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling),
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
In het kort
De moeder is het niet eens met de zorgregeling die de rechtbank tussen de vader en de 7-jarige [minderjarige] heeft vastgesteld; zij wil dat er geen contact komt tussen beiden.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 29 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 januari 2025, en zoals gewijzigd op de mondelinge behandeling, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en/of althans haar beroep gegrond te verklaren en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat er tussen de vader en [minderjarige] geen omgangsregeling wordt vastgesteld, kosten rechtens.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 februari 2025, heeft de vader verzocht de moeder niet ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep, althans het beroep van de moeder af te wijzen als ongegrond en onbewezen.
De vader heeft hierbij ook incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen (en zoals verduidelijkt op de mondelinge behandeling) uitsluitend voor zover het de reguliere zorgregeling in de weekenden betreft en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat [minderjarige] wekelijks op maandag en iedere veertien dagen in de oneven weken op donderdag na school tot 19.30 uur bij hem verblijft alsmede eenmaal in de twee weken één weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, althans dat het hof een zodanige zorgregeling vaststelt die het hof juist acht.
Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 8 april 2025, heeft de moeder verzocht de vader in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren of althans hem deze verzoeken als zijnde ongegrond en/of onbewezen te ontzeggen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de advocaat van de moeder;
- de vader;
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] .
Het hof heeft aan mevrouw [grootmoeder vz] (grootmoeder vz) bijzondere toegang verleend om de mondelinge behandeling als informant bij te wonen
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 30 november 2024.
Op de mondelinge behandeling hebben partijen en de GI ermee ingestemd dat de stukken die zijn overgelegd in de procedure met zaaknummer 200.337.216/01 ook in deze procedure ingebracht mogen worden, dat zijn de volgende stukken:
- de brief van de GI van 24 maart 2025;
- de brief van de advocaat van de moeder van 8 april 2025;
- het V-formulier van de advocaat van de vader van 8 april 2025.
3. De beoordeling in het principaal en incidenteel appel
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is geboren:
- [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders oefenen samen het gezag over [minderjarige] uit.
Op 26 april 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. [minderjarige] verblijft op basis van een daartoe strekkende machtiging tot uithuisplaatsing sinds 25 januari 2025 bij zijn grootouders (vz). Op de mondelinge behandeling hebben alle aanwezigen verklaard dat de machtiging tot uithuisplaatsing in april 2025 is verlengd voor een periode van zes maanden, de beslissing voor het resterende deel van zes maanden is aangehouden en dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met één jaar is verlengd tot en met eind april 2026.
Bij de rechtbank
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] ten minste één keer in de twee weken op vrijdag door opa (vaderszijde) wordt opgehaald van de zwemles waarna hij overnacht bij de grootouders en op zaterdag om 17.00 uur door opa (vaderszijde) wordt terug gebracht bij de moeder, waarbij de toedeling van de zorg- en opvoedingstaken onder regie van de GI wordt uitgebreid naar een regeling tussen de vader en [minderjarige] waarbij [minderjarige] één weekend per veertien dagen van vrijdag l6.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijft en een gedeelte van de vakanties en feestdagen, zoals uiteengezet in het dictum van de bestreden beschikking.
Bij het hof
Beide ouders kunnen zich hier niet mee verenigen. De moeder voert, samengevat, aan dat er tussen de vader en [minderjarige] geen onbegeleid contact kan zijn. De vader is agressief en hij heeft zich hiervoor niet of onvoldoende laten behandelen. De vader heeft zijn agressieproblemen niet in de hand. De vader heeft inmiddels ook een andere partner en kind en aldaar doen zich dezelfde agressieproblemen voor. [minderjarige] mag niet aan die agressie worden blootgesteld. De moeder heeft ten gevolge van de agressie van de vader letsel en trauma’s opgelopen. Ze heeft geen enkel vertrouwen meer in de vader en ze kan geen contact hebben met hem Hij gebruikt harddrugs. De moeder heeft wel vertrouwen in de grootouders (vz).
De vader verweert zich als volgt. De moeder beschuldigt hem totaal ongefundeerd van agressief gedrag en gebruik van harddrugs. Daar is niets van waar. In het raadsrapport van 13 april 2023 is al vastgesteld dat er geen contra-indicaties bestaan die het contact tussen de vader en [minderjarige] in de weg staan. Wel is in verband met verloop van tijd geadviseerd om een opbouwregeling te laten plaatsvinden waarbij contact tussen de vader en [minderjarige] zou plaatsvinden bij de ouders van de vader en dat dit contact eerst onder begeleiding van opa en oma dient plaats te vinden. De moeder is nu niet in staat om voor [minderjarige] te zorgen. Op 24 januari 2025 heeft er een zorgwekkend incident plaatsgevonden met de moeder waarvan [minderjarige] getuige is geweest en wat heeft geleid tot de uithuisplaatsing van [minderjarige] . Sinds [minderjarige] uithuisgeplaatst is bij de grootouders (vz), heeft de vader veel meer contact met [minderjarige] . De vader is betrokken bij het dagelijks ophalen van [minderjarige] van school, waarna hij [minderjarige] ook wel eens mee naar huis neemt, met hem eet om vervolgens [minderjarige] bij opa en oma te laten overnachten. De GI is hiervan op de hoogte en ondersteunt de uitbreiding van de zorg en contact tussen de vader en [minderjarige] . De vader kan een grotere rol kan spelen in de zorg over [minderjarige] ; een uitbreiding van de weekendregeling is gepast.
Het standpunt van de GI luidt, samengevat, als volgt.
De GI ondersteunt het verzoek in hoger beroep van de vader omdat die zorgregeling nu het beste is voor [minderjarige] . [minderjarige] geniet van het contact met zijn vader en hij reageert er goed op. De vader ondersteunt de grootouders wanneer zij dit nodig hebben en hij haalt/brengt [minderjarige] naar/van school, de tandarts en de bezoekmomenten die er zijn geweest met de moeder. Intussen is de omgang tussen [minderjarige] en zijn vader onder regie van de GI al uitgebreid naar wat de vader nu in hoger beroep aan het hof verzoekt, inclusief het gedeelte van iedere maandag en eenmaal in de veertien dagen op donderdag. Het is mooi als er op termijn een overnachting bij zou kunnen komen, maar op dit moment is de huidige regeling voor [minderjarige] , de vader en de grootouders het meest haalbaar. Hierdoor wordt er niemand overvraagd en dit dient de minimale regeling te zijn.
De raad heeft geadviseerd om de regeling waaraan nu uitvoering wordt gegeven, vast te leggen en voort te zetten, waarbij de regie bij de GI blijft liggen. Als de moeder weer in beeld komt (maar ook als ze niet meer in beeld komt), kan het onrustig worden als [minderjarige] twee dagdelen per week bij de vader verblijft. Het is positief hoe het contact zich tussen de vader en [minderjarige] heeft ontwikkeld. De regeling moet niet in beton worden gegoten en er moet gekeken worden naar wat op welk moment bij de ontwikkeling van [minderjarige] past. Het is het beste om de huidige regeling nu voort te zetten in afwachting van het perspectiefonderzoek, zodat daarna met de GI wordt afgestemd welke zorgregeling het meest passend is bij [minderjarige] op dat moment; een eventuele uitbreiding van de regeling is dan prima, maar het mag niet minder worden.
De grootmoeder (vz) heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat [minderjarige] vanaf zaterdagmorgen tot en met maandagmiddag na school bij de vader verblijft en dat hij daarna pas naar hen terugkomt. Op die donderdag in de oneven weken overnacht [minderjarige] niet bij de vader.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Uit de stukken is gebleken dat de vader en [minderjarige] elkaar in de periode van september 2021 tot februari 2024 niet hebben gezien en dat de contacten onder regie van de GI toen zijn opgestart. Sindsdien heeft de vader een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Hij heeft individuele hulpverlening gezocht (en afgerond) bij [instantie] en hij heeft een traject bij de GGZ doorlopen in verband met zijn emotieregulatieproblematiek. Op de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de vader, de GI en de grootouders in onderling overleg uitvoering geven aan een zorgregeling (die ook de goedkeuring van de raad draagt), waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft op de volgende momenten:
eenmaal in de veertien dagen vanaf zaterdagmorgen tot en met maandag na school (inclusief twee overnachtingen);
in de andere week op maandag na school (zonder overnachting);
in de oneven weken op donderdag na school (zonder overnachting).
Het hof is van oordeel dat de vader in ieder geval in staat is gebleken om tijdens de uitvoering van deze zorgregeling op adequate wijze invulling te geven aan zijn ouderrol. Het hof is het met de GI en raad eens dat de regeling die nu wordt uitgevoerd het meest in het belang van [minderjarige] is en dat dit voor nu als basis voor een minimale regeling dient te worden vastgelegd, eventueel uit te breiden onder regie van de GI. De GI is nauw betrokken bij de vader en heeft hem zien groeien in zijn rol als verantwoordelijke ouder. Het beeld dat de moeder van de vader heeft, wordt door het hof niet (meer) herkend.
Zoals tijdens de mondelinge behandeling besproken, ziet het hof zich echter ermee geconfronteerd dat het niet mogelijk is een regeling op te nemen die verder strekt dan in hoger beroep is verzocht en waartegen de moeder zich bovendien niet meer heeft kunnen verweren, omdat zij niet aanwezig was op de mondelinge behandeling. Nu de weekendregeling in de praktijk echter alleen in dagen (niet vrijdag-zaterdag-zondag, maar zaterdag-zondag-maandag) afwijkt en niet in het aantal overnachtingen (dat blijft twee in de veertien dagen) van hetgeen de vader in incidenteel appel heeft verzocht, zal het hof de volgende regeling onder regie van de GI in het dictum opnemen met dien verstande dat het hof het in het belang van [minderjarige] acht om de regeling uit te voeren zoals hierboven in rechtsoverweging 3.5.2. uitgeschreven.
4. De beslissing
in het principaal en incidenteel appel:
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking alleen voor zover daarbij is bepaald dat [minderjarige] gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag l6.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijft, waarbij die ouder bij wie [minderjarige] het laatst verbleef [minderjarige] naar de andere ouder zal brengen;
en, opnieuw rechtdoende:
stelt inzake de verdeling van de zorg- en opvoedtaken tussen de vader en [minderjarige] (geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ) de volgende regeling vast, waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft:
met dien verstande dat de regeling kan worden uitgebreid onder regie van de GI.
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige (de vakantie- en feestdagenregeling);
compenseert de proceskosten in hoger beroep, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, E.M.C. Dumoulin en M.J.C. van Leeuwen en is in het openbaar uitgesproken door mr. E.M.C. Dumoulin op 17 juli 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.