GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.349.493/01
zaaknummer rechtbank : C/03/332624 / FA RK 24-2291
beschikking van de meervoudige kamer van 17 juli 2025
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R. Engwegen te Echt,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. Y.K. Kunze te Kerkrade.
In het kort:
Deze zaak gaat over kinderalimentatie. De man is het niet eens met de door de rechtbank vastgestelde bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 8 oktober 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in principaal en incidenteel hoger beroep
De man is op 2 januari 2025 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.
De vrouw heeft op 27 februari 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
De mondelinge behandeling heeft op 3 juni 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van:
- het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de man d.d. 24 januari 2025;
- het V6-formulier van de advocaat van de vrouw d.d. 16 mei 2025 met als bijlagen producties 10, 11 en 12;
- het V6-formulier van de advocaat van de man d.d. 20 mei 2025 met als bijlage productie 7.
3. De feiten in principaal en incidenteel hoger beroep
Partijen hebben tot begin 2024 een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen is geboren: [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2023 (hierna: [minderjarige] ).
De man heeft [minderjarige] erkend. De man en de vrouw oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] verblijft bij de vrouw.
De procedure in eerste aanleg
De vrouw heeft in eerste aanleg de rechtbank verzocht te bepalen dat de man met ingang van 16 mei 2024 een bijdrage aan de vrouw ad € 461,- per maand dient te betalen als bijdrage in het levensonderhoud van [minderjarige] .
De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 16 mei 2024 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] een bedrag van € 461,- per maand aan de vrouw zal hebben te betalen, voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling.
4. De omvang van het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep
De man kan zich met de beslissing van de rechtbank niet verenigen en hij is hiervan met één grief in principaal hoger beroep gekomen. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de vrouw af te wijzen.
Kosten rechtens.
De vrouw voert verweer in principaal hoger beroep. Zij verzoekt de verzoeken van de man af te wijzen. De vrouw is op haar beurt, althans zo leest het hof het, in incidenteel hoger beroep gekomen. De vrouw verzoekt het hof in incidenteel hoger beroep te bepalen dat de man vanaf februari 2025 een bijdrage van € 674,- per maand in het levensonderhoud van [minderjarige] voldoet.
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.
5. De motivering van de beslissing in principaal en incidenteel hoger beroep
Ingangsdatum
De rechtbank is uitgegaan van de door de vrouw verzochte ingangsdatum van 16 mei 2024.
De man acht het onredelijk dat de ingangsdatum op 16 mei 2024 is vastgesteld. De man is van mening dat hij eerst met ingang van de datum van de bestreden beschikking rekening kon houden met de vaststelling van de kinderalimentatie, zodat hij zich primair op het standpunt stelt dat de ingangsdatum op die datum moet worden vastgesteld. Subsidiair is de man van mening dat de ingangsdatum op de datum van indiening van het verzoekschrift dient te worden vastgesteld.
De vrouw meent dat de rechtbank de ingangsdatum juist heeft vastgesteld. De man is op 16 mei 2024 aangeschreven en hem is daarbij verzocht zijn financiële gegevens aan te leveren in verband met het vaststellen van de onderhoudsbijdrage van [minderjarige] .
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
De vrouw heeft de man weliswaar in mei 2024 aangeschreven, maar op dat moment was het voor de man nog onduidelijk met welk bedrag aan te betalen kinderalimentatie hij rekening kon houden. Het hof zal daarom de ingangsdatum bepalen op de datum dat het verzoekschrift is ingediend, te weten: 4 juli 2024.
Hoogte behoefte [minderjarige]
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over de hoogte van de behoefte van [minderjarige] en deze vastgesteld op een bedrag van € 870,- voor 2024.
Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte afgerond € 927,-.
Draagkracht man
De draagkracht van de man is in hoger beroep in geschil.
De man heeft in zijn draagkrachtberekening rekening gehouden met een bruto jaarinkomen in 2024 van € 51.404,-. De draagkracht van de man is op grond hiervan € 648,- per maand. In de zomer van 2024 is de man gestopt met zijn functie als teamleider, daardoor is zijn inkomen sindsdien lager. Hij had een opleiding voor die functie gedaan, maar de functie paste helemaal niet bij hem. Met ook nog een aantal privézaken die speelden, kon hij de functie niet volhouden.
Per 1 april 2025 is hij in dienst getreden bij een andere werkgever. Hij is daar minder gaan verdienen. Met de transitievergoeding van [B.V. 1] B.V. kan hij tot januari 2026 zijn inkomen aanvullen tot het oude niveau.
De vrouw is het daar niet mee eens. Zij meent dat de man zijn verdiencapaciteit maximaal moet benutten en dat er met een hoger inkomen gerekend moet worden. Omdat de man na het beëindigen van de relatie tussen partijen zijn functie als teamleider heeft opgegeven, is er aan de zijde van de man sprake van verwijtbaar inkomensverlies. Zij rekent met het inkomen zoals de man dat had tijdens de relatie en gaat uit van € 55.707,- per jaar en komt dan op een draagkracht van € 728,- .
Het hof overweegt als volgt.
Het hof zal rekenen met een draagkracht van € 648,- per maand op basis van een bruto jaarinkomen van € 51.404,-.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd waarom hij zijn functie als teamleider niet meer kon uitvoeren. Hij kreeg in zijn functie een andere rol binnen het bedrijf waar hij al jaren werkte; een rol die hem niet paste. Hij had het gevoel dat hij tussen de werknemers en managers in zat en het voor niemand goed deed. Met het overlijden van zijn moeder, de relatiebreuk en de perikelen rondom de omgang met [minderjarige] , kon hij de functie niet volhouden. Hij is gestopt als teamleider, en ging daardoor ongeveer € 2,- per uur terug in inkomen. Daarmee is het inkomensverlies naar het oordeel van het hof zelf teweeggebracht, maar niet zonder meer voor herstel vatbaar en kan herstel in ieder geval niet van de man gevergd worden.
Per 1 april 2025 is de man in dienst getreden bij [B.V. 2] B.V. De man heeft verklaard dat hij een transitievergoeding heeft ontvangen waarmee hij het verschil in inkomen in ieder geval tot 1 januari 2026 kan aanvullen. Voor zover de man het hof heeft verzocht om vanaf 1 januari 2026 rekening te houden met een lager inkomen, gaat het hof daar niet in mee. Ter onderbouwing van zijn inkomen vanaf 1 april 2025 heeft de man slechts één loonstrook overgelegd zonder nadere gegevens zoals bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst. Bovendien staat voor het hof niet vast dat de man nu of in de toekomst – na aanvulling van de transitievergoeding – niet in staat is een inkomen te verwerven gelijk aan het inkomen uit 2024. Het hof zal daarom uit blijven gaan van hetzelfde inkomen en dezelfde draagkracht van de man, waarbij zijn draagkracht wel analoog aan de wettelijke indexering per 1 januari 2025 wordt geïndexeerd en dan € 690,- is.
Draagkracht vrouw
Over 2024 is de draagkracht van de vrouw tussen partijen niet in geschil: deze is € 742,- per maand. Per 1 februari 2025 is de situatie veranderd in die zin dat de vrouw een ziektewetuitkering ontvangt. De draagkracht van de vrouw na 1 februari 2025 is tussen partijen wel in geschil.
De man stelt zich op het standpunt dat voor de vaststelling van de draagkracht van de vrouw na 1 februari 2025 ook moet worden uitgegaan van het inkomen dat de vrouw had voordat zij een ziektewetuitkering kreeg. De man betwist dat de vrouw wegens medische oorzaak niet kan werken en stelt zich op het standpunt dat er sprake is van verwijtbaar inkomensverlies.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij een contract voor bepaalde tijd had en dat dit contract niet is verlengd. De vrouw was toen al ziekgemeld. De vrouw zal waarschijnlijk in het najaar 2025 voldoende hersteld zijn van een geplande operatie om weer aan het werk te kunnen. Op dit moment ontvangt de vrouw een ziektewetuitkering en moet er voor de berekening van de draagkracht met die uitkering rekening worden gehouden. De vrouw gaat uit van een NBI van € 2.317,- en een draagkracht van € 218,- per maand.
Het hof oordeelt als volgt.
Het is voldoende vast komen te staan dat het contract voor bepaalde tijd van de vrouw na 1 februari 2025 niet is verlengd en dat zij gelet op de gevolgen van een hersenvliesontsteking en een navelbreuk niet kon werken; zij is ziek uit dienst gegaan. Uit de als productie 7 door de vrouw overgelegde betaalspecificatie van het UWV d.d. 14 februari 2025 volgt dat de vrouw vanaf 3 februari 2025 een ziektewetuitkering ontvangt. Het hof zal met deze wijziging aan de zijde van de vrouw rekening houden, het inkomen is in deze periode niet voor herstel vatbaar.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat zij verwacht in het najaar van 2025 weer inkomen te kunnen verwerven. Het hof gaat er daarom in redelijkheid van uit dat de vrouw met ingang van 1 november 2025 weer aan het werk kan zijn.
Het hof zal gelet hierop bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw twee keer een knip maken en uitgaan van drie opeenvolgende periodes, te weten:
vanaf de ingangsdatum, te weten 4 juli 2024 tot 1 februari 2025;
vanaf 1 februari 2025 tot 1 november 2025;
vanaf 1 november 2025.
De periode van 4 juli 2024 tot 1 februari 2025
Over de periode tot 1 februari 2025 is de draagkracht van de vrouw tussen partijen niet in geschil zodat het hof voor deze periode uitgaat van een draagkracht van € 742,- per maand.
De periode van 1 februari 2025 tot 1 november 2025
De man heeft de berekening van de draagkracht van de vrouw gebaseerd op haar ziektewetuitkering niet betwist. Het hof volgt de berekening van de vrouw. Uit deze berekening volgt dat de vrouw in deze periode een draagkracht heeft van € 218,- per maand.
De periode vanaf 1 november 2025
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aan het hof laten weten dat de verwachting is dat zij in het najaar weer zal kunnen werken, waarbij het hof in redelijkheid uitgaat van 1 november 2025. Het hof zal daarom met ingang van die datum voor de berekening van de kinderalimentatie met ingang van die datum weer rekenen met het inkomen dat de vrouw had in de periode vóór 1 februari 2025. De draagkracht van € 742,- in 2024 is geïndexeerd naar 2025 € 790,- per maand
Zorgkorting
De kosten van de omgang worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de omgang/zorg.
De man stelt zich op het standpunt dat er rekening moet worden gehouden met een zorgkorting van 25%. De vrouw heeft de omgang enkele keren stopgezet maar dat maakt niet dat er geen rekening mag worden gehouden met de zorgkorting of met een minimale zorgkorting.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat er een zorgkorting van maximaal 5% gehanteerd dient te worden aangezien de zorgregeling meerdere keren is opgeschort vanwege agressie van de man jegens de vrouw.
Het hof oordeelt als volgt.
Uit het dossier en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de man en de vrouw in 2024 een vrijwillig begeleid omgangstraject zijn gestart bij [instantie] . De man heeft twee dagen per week onbegeleide omgang met [minderjarige] gehad. Dit verliep in eerste instantie goed zodat de omgang werd uitgebreid en zonder begeleiding. In oktober 2024 is de omgang door de vrouw stopgezet enerzijds omdat de man zich agressief jegens de moeder en jeugdzorgmedewerker zou hebben gedragen en anderzijds vanwege het feit dat haar vertrouwen geschaad zou zijn. Eind december 2024 is de omgang tijdelijk hervat en ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen verklaard dat de omgang wederom is stopgezet. Afgelopen juni hebben de vader en de moeder hierover een kort geding gevoerd.
Gelet op het wisselend verloop van de contactregeling en het streven van partijen de omgang te herstellen, ziet het hof aanleiding om over alle drie de periodes een percentage van 15% in aanmerking te nemen.
De zorgkorting is dan in 2024 (15% x € 870) = € 130,- per maand en in 2025 (15% x € 927) = € 139,- per maand.
Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding wanneer de ouders voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van het kind te voorzien.
Het hof beziet hierna in hoeverre de man deze zorgkorting kan verzilveren.
Draagkrachtvergelijking / kinderalimentatie
De periode 4 juli 2024 tot 1 februari 2025
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 1.390,- (€ 648,- + € 742,-) in deze periode. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van [minderjarige] (€ 870,-) en daarom bestaat aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. De verdeling van de kosten van [minderjarige] wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:
het eigen aandeel van de man bedraagt: € 648,- / € 1.390,- x € 870,- = € 406,-;
het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: € 742,- / € 1.390,- x € 870,- = € 464,-.
Het voorgaande leidt ertoe dat de man vanaf 4 juli 2024 tot 1 februari 2025 een bedrag van € 406 -/- € 130,- (zorgkorting) = € 276,- per maand aan kinderalimentatie dient te betalen welk bedrag met ingang van 1 januari 2025 wordt geïndexeerd naar € 294,-.
De periode van 1 februari 2025 tot 1 november 2025
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt in deze periode € 908,-
(€ 690,- + € 218,-) terwijl de behoefte van [minderjarige] € 927,- bedraagt. Er wordt dus geen draagkrachtvergelijking gemaakt.
Nu de onderhoudsplichtigen gezamenlijk onvoldoende draagkracht hebben om in de totale behoefte van [minderjarige] te voorzien, zal het hof de zorgkorting niet volledig in mindering brengen op de bijdrage. Dit tekort wordt gelijkelijk verdeeld tussen de onderhoudsplichtigen. Het aan de man toegerekende deel van dat tekort wordt in mindering gebracht op de zorgkorting.
Het draagkrachttekort bedraagt € 927 -/- € 908,- = € 19,-. De helft van het tekort (aldus afgerond € 10,-) wordt in mindering gebracht op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting (te weten € 139,- -/- € 10,- = € 129,-) wordt in mindering gebracht op de te betalen bijdrage.
Het voorgaande leidt ertoe dat de man vanaf 1 februari 2025 tot 1 november 2025 een bedrag aan kinderalimentatie dient te betalen van: € 690,- -/- € 129,- = € 561,-.
De periode vanaf 1 november 2025
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt in deze periode € 1.480,-
(€ 690,- + € 790,-). Dit bedrag overschrijdt de behoefte van [minderjarige] (€ 927,-) en daarom bestaat aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. De verdeling van de kosten van [minderjarige] wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:
het eigen aandeel van de man bedraagt: € 690,- / € 1.480,- x € 927,- = € 432,-;
het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: € 790,- / € 1.480,- x € 927,- = € 495,-.
Het voorgaande leidt ertoe dat de man vanaf 1 november 2025 een bedrag van € 432 -/- € 139,- (zorgkorting) = € 293,- per maand aan kinderalimentatie dient te betalen.
Terugbetaling
Het hof heeft over een deel van de beoordeelde periode een lagere alimentatie vastgesteld, en over een deel juist een hogere. Het hof ziet aanleiding om te bepalen dat het eventueel te veel ontvangen saldo (niet duidelijk is of de man alles heeft betaald) niet hoeft te worden terugbetaald. Gelet op de huidige inkomenssituatie van de vrouw en het tekort van de ouders samen om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien, kan terugbetaling in redelijkheid niet van de vrouw worden gevergd.
Proceskosten
Nu partijen gewezen partners zijn, worden de proceskosten van dit hoger beroep gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
6. De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen zoals in het dictum weergegeven.
7. De beslissing
Het hof:
in het principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Maastricht) van 8 oktober 2024, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] moet voldoen:
met ingang van 4 juli 2024 tot 1 januari 2025: € 276,- per maand;
voor de maand januari 2025: € 294,-;
met ingang van 1 februari 2025 tot 1 november 2025: € 561,- per maand;
met ingang van 1 november 2025: € 293,- per maand;
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat hetgeen de man tot op heden ten titel van kinderalimentatie teveel heeft betaald danwel op hem is verhaald, niet door de vrouw hoeft te worden terugbetaald;
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, S.P.A. Wensink-Vergunst en M.E.M. Beijersbergen en is op 17 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.