GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 17 juli 2025
Zaaknummer: 200.349.554/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/370148 / FA RK 21-1844
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
wonende in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A. Houtman,
tegen
[de vader] ,
wonende in [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. S. Wagter.
Deze zaak gaat over:
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Oost-Brabant, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
In het kort: deze zaak gaat over de vraag of de moeder en de vader gezamenlijk het gezag dienen uit te oefenen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en over de verdeling van de zorg- en opvoedtaken/omgangsregeling.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 oktober 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift van 3 januari 2025, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de verzoeken van de vader in primo tot gezamenlijk gezag en uitbreiding van de zorg-/omgangsregeling alsnog worden afgewezen, en daar waar de zorg-/omgangsregeling wel wordt uitgebreid deze nimmer verder uit te breiden dan om de week van vrijdag uit school tot zaterdag 18.30 uur.
Bij verweerschrift van 14 februari 2025, met bijlagen, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de vader verzocht de moeder in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans de stellingen van de moeder als zijnde ongegrond en/of onbewezen te verklaren en derhalve het door haar in het beroepschrift verzochte af te wijzen.
Het hof heeft voorts kennis genomen van:
- het procesdossier uit eerste aanleg, van de advocaat van de moeder, ingekomen op
6 januari 2025.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft hiervan gebruik gemaakt en het hof een brief geschreven. Het hof heeft echter pas na de mondelinge behandeling kennis genomen van de inhoud van de brief van [minderjarige 1] . In deze brief staat, samengevat, dat [minderjarige 1] het hof vraagt om een goede beslissing te nemen. Gelet hierop zal het hof de zaak verder schriftelijk afdoen.
3. De beoordeling
Uit de inmiddels verbroken relatie tussen de moeder en de vader zijn de hiervoor genoemde [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
Uit het tussen de ouders op 4 juni 2020 gesloten ouderschapsplan blijkt, voor zover hier van belang, dat zij in artikel 2.1 een contactregeling zijn overeengekomen inhoudende dat de kinderen in de even weken van zaterdag 09:00 uur tot zondag 18:30 uur bij de vader verblijven, waarbij de vader de kinderen haalt en brengt, met dien verstande dat [minderjarige 2] niet bij de vader overnacht, maar door de moeder op zaterdag om 18:30 uur bij de vader wordt opgehaald en de vader [minderjarige 2] op zondag om 09:00 uur ophaalt bij de moeder. Daarnaast hebben de kinderen iedere week op woensdag en om de week op zondag om 18:30 uur videobelcontact met de vader. Tevens is in artikel 2.2 van het ouderschapsplan een regeling voor vakanties en feestdagen opgenomen. Ook gedurende vakanties overnacht alleen [minderjarige 1] bij de vader. [minderjarige 2] slaapt steeds bij de moeder.
De rechtbank heeft in de procedure in eerste aanleg bij beschikking van 8 juni 2021 de moeder en de vader doorverwezen naar mediation teneinde via bemiddelingsgesprekken te trachten hun communicatie te verbeteren en overeenstemming te bereiken. De beslissing op de verzoeken is aangehouden tot 8 oktober 2021.
De rechtbank heeft vervolgens bij beschikking van 7 maart 2022, voor zover in deze procedure van belang, de ouders opnieuw doorverwezen naar mediation om door middel van bemiddelingsgesprekken te proberen hun communicatie te verbeteren en overeenstemming te bereiken over de in deze procedure voorliggende geschillen tussen hen en de raad verzocht onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden voor gezamenlijk gezag en de contactregeling.
De beslissing op de verzoeken is aangehouden tot 11 oktober 2022.
Bij beschikking van 4 november 2022 heeft de rechtbank:
- een voorlopige contactregeling vastgesteld inhoudende dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de week van vrijdag na school tot zaterdagavond 18.30 uur bij de vader verblijven, waarbij de vader de kinderen op vrijdag uit school haalt - totdat [minderjarige 2] naar school gaat, haalt de vader [minderjarige 2] op vrijdag op bij de moeder - en de moeder de kinderen op zaterdag ophaalt bij de vader;
- iedere verdere beslissing op de verzoeken aangehouden tot 15 augustus 2023 met het verzoek aan partijen om de rechtbank uiterlijk op die datum te informeren over het verloop en de resultaten van de hulptrajecten bij [instantie] .
Bij de bestreden beschikking van 4 oktober 2024 heeft de rechtbank:
- bepaald dat het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortaan aan de moeder en de vader gezamenlijk toekomt;
- het tussen de ouders gesloten ouderschapsplan van 4 juni 2020 gewijzigd met betrekking tot de daarin opgenomen contactregeling en in de plaats daarvan een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld die inhoudt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] :
- eenmaal per veertien dagen van vrijdag na schooltijd (14.30 uur) tot zondag 18.30 uur bij de vader verblijven;
- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg, met dien verstande dat in de zomervakantie van 2025 de kinderen gedurende twee weken aaneengesloten bij de vader verblijven en de overige vier weken bij de moeder.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.
Gezag
De moeder voert, samengevat, het volgende aan. De moeder wil het eenhoofdig gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Er is namelijk geen goede communicatie met de vader en de vader stelt zich dwingend op. De vader neemt eenzijdig beslissingen, zonder dat hij van tevoren met de moeder overlegt. Er is veel hulpverlening ingezet maar er wordt geen verdere vooruitgang geboekt in verbetering van de communicatie. Hierdoor is er geen sprake van een gelijkwaardige gezagspositie. De kinderen raken klem en verloren tussen de ouders.
De vader voert, samengevat, het volgende aan. De vader wil met de moeder het gezag over de kinderen uitoefenen. De vader betwist dat er geen goede communicatie is tussen de ouders. De ouders communiceren per e-mail of whatsapp op advies van de hulpverlening. De vader herkent zich niet in wat de moeder over de vader aangeeft. Het is juist de vader die alle opdrachten van de moeder opvolgt. De vader wil een gelijkwaardige gesprekspartner zijn, maar hij voelt deze ruimte door de houding van de moeder nog niet.
De raad adviseert het hof, samengevat, de ouders gezamenlijk met het gezag over de kinderen te belasten. De raad vreest ervoor dat als de vader geen gezag heeft zijn positie steeds minder wordt. Met gezamenlijk gezag is de positie van de ouders meer gelijkwaardig. De kinderen zitten niet klem of verloren tussen de ouders. De ouders hebben in het hulpverleningstraject adviezen gekregen hoe zij met elkaar kunnen communiceren. Het eerder gegeven advies aan ieder van de ouders om individuele hulpverlening te zoeken is niet opgevolgd. De raad handhaaft dit advies en benoemt dat het van belang is dat de ouders via de hulpverlening leren om de andere ouder los te laten. De zorgen die de moeder heeft benoemd zijn niet onderbouwd en, voor zover er wel zorgen zouden zijn, zullen deze met hulpverlening moeten worden opgepakt in plaats van een wijziging aan te brengen in het gezag van de ouders over de kinderen.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, ofb. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Aan het hof ligt de vraag voor of de moeder en de vader gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belast dienen te zijn. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt dat beide ouders in beginsel gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem of verloren raken tussen de ouders bij een gezamenlijke gezagsuitoefening. Gebleken is dat de vader actief deel wil nemen aan het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door met de moeder gezamenlijk beslissingen te kunnen nemen over hen. De voorbeelden die de moeder heeft aangevoerd (zoals de kapper of het sporten) om haar standpunt te onderbouwen dat zij met het eenhoofdig gezag belast zou moeten blijven, zijn niet van zodanig gewicht dat van het wettelijk uitgangspunt moet worden afgeweken. De door de moeder geuite zorgen over (de opvoedvaardigheden van) de vader zijn, zoals ook de raad heeft aangegeven, door de moeder onvoldoende onderbouwd. Weliswaar ziet het hof dat de communicatie tussen de ouders nog voor verbetering vatbaar is, maar het hof stelt ook vast dat de ouders in staat zijn gebleken om in ieder geval met elkaar te communiceren per e-mail en whatsapp. De ouders geven hiermee gehoor aan het advies dat zij hebben gekregen vanuit het hulpverleningstraject van [instantie] dat in februari 2024 is afgesloten. Voorts stelt het hof vast dat de ouders, conform hetgeen is bepaald in de bestreden beschikking, in onderling overleg afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de vakanties. Het hof betrekt in dit verband bij de beoordeling het door de raad in hoger beroep andermaal gegeven advies aan de ouders om individuele hulpverlening aan te gaan om zodoende te leren de andere ouder los te kunnen laten. Gebleken is dat beide ouders tot op heden geen gehoor hebben gegeven aan dit advies. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat de ouders deze hulpverlening aangaan in de hoop dat er rust komt voor de kinderen, nu deze procedure al loopt sinds april 2021. De mogelijkheden om de communicatie (verder) te verbeteren zijn nog niet uitgeput.
Tenslotte ziet het hof niet dat afwijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag anderszins in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking ten aanzien van het gezag dient te worden bekrachtigd en het verzoek van de moeder in hoger beroep ten aanzien van het gezag dient te worden afgewezen.
Verdeling zorg- en opvoedingstaken
De moeder voert, samengevat, het volgende aan. De moeder kan zich niet vinden in de door de rechtbank uitgebreide zorgregeling. De rechtbank is daarmee voorbij gegaan aan het destijds door de raad gegeven advies dat de vader opvoedondersteuning dient te krijgen voordat de zorgregeling uitgebreid kan worden. Dat de vader psycho-educatie heeft gehad is niet voldoende. De vader voelt niet aan wat de kinderen nodig hebben en ziet niet in wat zijn handelen voor de kinderen betekent. De vader kan niet langer dan een zeer beperkte periode voor de kinderen zorgen. Het is niet in het belang van de kinderen als zij vakanties bij de vader doorbrengen.
De vader voert, samengevat, het volgende aan. De vader betwist de door de moeder genoemde zorgen. De vader heeft psycho-educatie gehad. De vader heeft nu meer inzicht in wat het voor de kinderen betekent als hij zijn emoties niet onder controle heeft. De oude zorgregeling was heel beperkt. Hij kon bijvoorbeeld nooit een weekend weg met de kinderen. De vader betreurt het bovendien dat de moeder aan de vader geen toestemming geeft om met de kinderen op vakantie te gaan naar het buitenland, terwijl de vader andersom de moeder die toestemming de afgelopen jaren wel heeft verleend.
De raad adviseert het hof, samengevat, de door de rechtbank uitgebreide zorgregeling in stand te laten. Ten tijde van het opstellen van het ouderschapsplan in 2020 waren de kinderen nog erg jong, inmiddels zijn zij een aantal jaren ouder. De vader heeft psycho-educatie gehad. Daarom handhaaft de raad niet langer het eerdere advies dat opvoedondersteuning voor de vader nodig is voordat de zorgregeling wordt uitgebreid. De raad handhaaft het advies aan ieder van de ouders om individuele hulpverlening te zoeken om te leren de andere ouder los te laten.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande of een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Aan het hof ligt de vraag voor of de uitbreiding van de zorgregeling zoals door de rechtbank is vastgesteld in stand dient te blijven. Het hof is van oordeel dat dit het geval is en zal dat hieronder toelichten.
Het hof stelt allereerst vast dat de ouders tijdens de mondelinge behandeling bij het hof hebben verklaard dat er uitvoering wordt gegeven aan de uitbreiding van de zorgregeling zoals in de bestreden beschikking is vastgesteld, en dat zij in onderling overleg de vakanties hebben verdeeld. Het is het hof niet gebleken dat deze uitbreiding van de zorgregeling niet in het belang van de kinderen is. De door de moeder in dit verband geuite zorgen over de kinderen wanneer zij bij de vader verblijven zijn onvoldoende concreet gemaakt en onvoldoende onderbouwd. De moeder stelt slechts dat de vader niet aanvoelt wat de kinderen nodig hebben of niet inziet wat zijn handelen voor de kinderen betekent maar kan dit niet nader toelichten. Ook kon de moeder tijdens de mondelinge behandeling bij het hof desgevraagd niet goed onderbouwen waarom zij de vader geen toestemming wil geven om met de kinderen op vakantie naar Spanje of Turkije te gaan. Zij stelt slechts ‘zich al zorgen te maken wanneer de kinderen in Nederland bij de vader verblijven, laat staan wanneer zij in het buitenland bij de vader verblijven’.
Het hof hecht aan de verklaring van de raad dat beide ouders in het hulpverleningstraject bij [instantie] veel hebben geleerd en dat de door de vader gevolgde psycho-educatie voldoende is om uitvoering te kunnen geven aan de zorgregeling zoals door de rechtbank is vastgesteld.
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen ziet het hof geen aanleiding om de zorgregeling te beperken, zoals de moeder dat voor zich ziet. Het is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij een goed en structureel contact met de vader kunnen opbouwen en onderhouden. De uitbreiding van de zorgregeling zoals door de rechtbank is vastgesteld geeft hier ruimte voor en acht het hof aldus in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling dient te worden bekrachtigd en het verzoek van de moeder in hoger beroep ten aanzien van de zorgregeling dient te worden afgewezen.
4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van
4 oktober 2024;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van
deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M. van der Linden, E.J.M. van Engelen en E.F.M. van Swaaij en is op 17 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.