GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 17 juli 2025
Zaaknummer: 200.350.434/01
Zaaknummers eerste aanleg: 11234975 BM VERZ 24-3835 en 11234992 MS VERZ 24-947
in de zaak in hoger beroep van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. O.D. Nijenhuis,
met betrekking tot de rechthebbende:
[rechthebbende] ,
thans verblijvende in [zorginstelling] te [verblijfplaats] ,
hierna te noemen: [rechthebbende] .
Als belanghebbenden in deze zaak worden voorts aangemerkt:
[bewindvoerder] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder;
[mentor] B.V.,
hierna te noemen de mentor;
[zoon] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de zoon.
In het kort:
[verzoekster] is in haar verzoek tot ontslag van de huidige bewindvoerder en mentor met benoeming van een opvolgend bewindvoerder en mentor van [rechthebbende] door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard en komt hiervan in hoger beroep.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 november 2024, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
2. Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 januari 2025, heeft [verzoekster] verzocht om uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
het hoger beroep gegrond te verklaren;
de beschikking waarvan beroep te vernietigen;
de huidige bewindvoerder en mentor te ontslaan;
haar te benoemen tot bewindvoerder en mentor;
de huidige bewindvoerder en mentor tegen behoorlijk bewijs van kwijting hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten van [verzoekster] , een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking van het hof, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – deze kosten te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf verstrijking van voornoemde termijn tot aan de dag van voldoening.
Subsidiair
het hoger beroep gegrond te verklaren;
de beschikking waarvan beroep te vernietigen;
de huidige bewindvoerder en mentor te ontslaan;
een andere bewindvoerder en mentor te benoemen die het hof geschikt acht;
de huidige bewindvoerder en mentor tegen behoorlijk bewijs van kwijting hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten van [verzoekster] , een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking van het hof, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – deze kosten te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf verstrijking van voornoemde termijn tot aan de dag van voldoening.
Bij bericht met productie d.d. 19 maart 2025, ingekomen ter griffie op 27 maart 2025, heeft de mentor te kennen gegeven dat zij [verzoekster] niet als belanghebbende aanmerkt in de onderhavige zaak. De mentor verzoekt het hof om de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
Bij bericht d.d. 26 mei 2025 heeft de bewindvoerder het hof bericht niet in persoon aanwezig te zullen zijn tijdens de mondelinge behandeling van het hof. De bewindvoerder heeft geen aanvullende informatie ten opzichte van zijn schriftelijke reactie in eerste aanleg.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni 2025.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[verzoekster] , bijgestaan door mr. Nijenhuis;
de zoon,
de mentor, vertegenwoordigd door [medewerker 1] en [medewerker 2] .
De bewindvoerder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, met voornoemd bericht van verhindering niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van [verzoekster] d.d. 13 februari 2025;
het bericht met bijlage van de mentor d.d. 20 mei 2025;
het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van [verzoekster] d.d. 23 mei 2025;
het bericht met bijlage (beschikking van 11 februari 2021) van de advocaat van [verzoekster] d.d. 3 juni 2025;
het bericht met bijlage (beschikking van 8 november 2022) van de advocaat van [verzoekster] d.d. 3 juni 2025;
de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van [verzoekster] overgelegde pleitnotitie.
De advocaat van [verzoekster] heeft op 6 juni 2025 een V6-formulier met een akte aanvullende productie en gronden overgelegd.
Onder verwijzing naar artikel 1.4.12 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven kunnen geen stukken meer worden overgelegd na afloop van de mondeling behandeling, tenzij het hof tijdens de mondelinge behandeling een belanghebbende daartoe de gelegenheid heeft gegeven.
In dit geval heeft het hof op de mondelinge behandeling [verzoekster] enkel in de gelegenheid gesteld om het vonnis in kort geding van - naar nu blijkt van - 5 december 2023 (de aanvullende productie) over te leggen. Dit betekent dat het hof de ‘akte aanvullende gronden’ buiten beschouwing zal laten en alleen het vonnis in het kort geding van 5 december 2023 bij het oordeel zal betrekken.
3. De beoordeling
De feiten
Bij beschikking van 11 februari 2021 heeft de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, over de goederen die [rechthebbende] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind en een mentorschap ingesteld, met benoeming van [bewindvoerder] tot bewindvoerder en [voormalige mentor] tot mentor.
Bij beschikking van 8 november 2022 is met ingang van 16 november 2022 de mentor
ontslagen en is [mentor] B.V. tot opvolgend mentor benoemd.
[rechthebbende] verblijft in [zorginstelling] sinds 3 september 2020.
In eerste aanleg heeft [verzoekster] de kantonrechter - kort gezegd - verzocht om ontslag van de huidige bewindvoerder en mentor met benoeming van een opvolgend bewindvoerder en mentor. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in dit verzoek. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] niet behoort tot de kring van personen, genoemd in artikelen 1:448 lid 2 jo. 1:432 lid 1 jo. lid 2 en artikelen 1:461 lid 1 jo. 1:451 lid 1 juncto lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), die een verzoek met betrekking tot de onderbewindstelling en het mentorschap ten aanzien van [rechthebbende] kunnen doen.
[verzoekster] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
Ontvankelijkheid
Het hof overweegt het volgende. In de wet is opgesomd door welke personen om het ontslag en de benoeming van een nieuwe bewindvoerder en/of mentor kan worden verzocht, waarbij onder andere worden genoemd de rechthebbende/de betrokken persoon zelf, zijn echtgenoot, zijn geregistreerd partner dan wel ‘andere levensgezel’ (artikel 1:432 lid 1 BW en artikel 1:451 lid 1 BW).
[verzoekster] is van mening dat zij beschouwd moet worden als “ander levensgezel” en daarom wel kan worden ontvangen in de verzoeken
De zoon van [rechthebbende] heeft op de mondelinge behandeling de verklaringen van [verzoekster] niet betwist. Hij heeft onder meer de gezamenlijke gezinsvakantie bevestigd, alsmede het bestaan van een affectieve (“ze waren verliefd”) en seksuele relatie van [verzoekster] en zijn vader die in ieder geval doorliep tot het moment dat zijn vader werd opgenomen in de instelling. De zoon heeft benadrukt dat [verzoekster] en [rechthebbende] geen samenlevingscontract hebben en niet met elkaar zijn getrouwd. Hij is ermee bekend dat ze ook wel ruzie maakten.
De mentor heeft, samengevat, aangevoerd dat [verzoekster] geen belanghebbende is. [verzoekster] en [rechthebbende] hebben nooit samengewoond en hebben geen relatie gehad. Ze waren wel goed bevriend. [rechthebbende] vraagt nooit naar [verzoekster] .
De bewindvoerder heeft, samengevat, aangevoerd dat [verzoekster] geen partij is want ze is niet de partner van [rechthebbende] .
Vaststaat dat [verzoekster] geen huwelijkspartner of geregistreerd partner van [rechthebbende] is. Aan het hof ligt dan ook ter beoordeling voor de vraag of zij als ‘andere levensgezel’ moet worden aangemerkt.
Uit de wetsgeschiedenis (zie Kamerstukken II, 2002/03, 28 484, nr. 5, p. 5.) over het begrip ‘andere levensgezel’ volgt dat het moet gaan om een persoon met wie de rechthebbende/de betrokkene een relatie heeft die vergelijkbaar is met een huwelijk tussen echtgenoten. Wanneer dit het geval is, is afhankelijk van door de rechter te beoordelen feitelijke omstandigheden. Het begrip ‘levensgezel’ is binnen de jurisprudentie nader uitgewerkt (vgl. HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1875). Doorslaggevend in het begrip ‘levensgezel’ is de nauwe persoonlijke betrekking en een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerd partners. Deze is niet per se met het enkele feit van samenwonen gegeven en vereist ook niet dat betrokkenen met elkaar samenwonen. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een levensgezel zijn onder meer de volgende aspecten van belang:
- of de relatie van affectieve aard is;
- of er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, waarbij tevens sprake moet zijn van enige vorm van economische verwevenheid, dan wel van financiële afspraken met betrekking tot de huishouding;
- de duur van de gemeenschappelijke huishouding.
Naar het oordeel van het hof heeft [verzoekster] voldoende aannemelijk gemaakt dat er tussen haar en [rechthebbende] sprake is van een jarenlange hechte relatie die vergelijkbaar is met een huwelijk of geregistreerd partnerschap. Daartoe overweegt het hof als volgt.
[verzoekster] heeft, onder meer, aangevoerd dat zij en [rechthebbende] sinds oktober 2017 een affectieve liefdesrelatie hebben, die meer dan vriendschap betreft en waarbij sprake is van een nauwe losverbondenheid en diepgevoelde toewijding. [verzoekster] en [rechthebbende] zijn onder andere in 2018 met de zoon van [rechthebbende] en de twee zonen van [verzoekster] op vakantie geweest. In de zomer van 2018 heeft [rechthebbende] een tatoeage van [verzoekster] laten zetten op zijn arm. Dit betreft drie kusjes (afdrukken van de lippen van [verzoekster] ). Ook [verzoekster] heeft later de voornaam van [rechthebbende] ‘ [voornaam] ’ op haar lichaam laten tatoeëren. Sinds begin 2019 woonden [verzoekster] en [rechthebbende] in hetzelfde pand dat eigendom was van [rechthebbende] . Zij bezochten elkaar vaak en brachten veel tijd door als partners. Ze woonden niet helemaal samen omdat [verzoekster] na haar echtscheiding, haar onafhankelijkheid wilde behouden. Daarom heeft zij steeds huur betaald aan [rechthebbende] . [rechthebbende] en [verzoekster] deden de boodschappen samen en deelden ook de kosten hiervan. [verzoekster] heeft aangevoerd, en dit volgt ook uit de schriftelijke stukken die zich in het dossier bevinden, dat zij bij verschillende instanties, zoals de overgelegde cliëntrapportage van 20 september 2020, als vriendin, danwel partner, danwel eerste contactpersoon van [rechthebbende] stond geregistreerd. Dat is ook de reden dat het ziekenhuis [ziekenhuis] haar op 24 juni 2024 heeft gebeld nadat [rechthebbende] was gevallen en in het ziekenhuis was opgenomen. Verder heeft [verzoekster] diverse filmpjes en foto’s overgelegd waaruit de affectieve relatie volgt. Volgens [verzoekster] was van deze relatie nog steeds sprake om het moment dat [rechthebbende] op 3 september 2020 werd opgenomen bij [zorginstelling] in [verblijfplaats] , dependance [dependance] . Direct na deze opname heeft [verzoekster] [rechthebbende] veelvuldig en lang bezocht en was zij intensief betrokken bij de behandeling van [rechthebbende] .
Gelet op alle feiten en omstandigheden tezamen en in onderlinge samenhang bezien is naar het oordeel van het hof aannemelijk geworden dat [verzoekster] kan worden gezien als ‘andere levensgezel’ van [rechthebbende] zoals bedoeld in de wet. De omstandigheid dat zij niet hebben samengewoond in één woning en niet waren getrouwd, noch een geregistreerd partnerschap of samenlevingscontract hadden, is voor dit oordeel niet van doorslaggevende aard. Van groot belang is dat vrijwel alle stellingen van [verzoekster] niet dan wel onvoldoende zijn betwist, welke stellingen bovendien deels met verificatoire bescheiden zijn onderbouwd. Het hof heeft bijvoorbeeld gezien en gehoord dat [rechthebbende] in de overgelegde filmpjes een paar keer op eigen initiatief en als eerste zegt ‘ik houd van jou’. Niet gebleken, noch aannemelijk is geworden dat na de opname van [rechthebbende] bij [dependance] [verzoekster] of [rechthebbende] deze relatie heeft beëindigd.
Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter [verzoekster] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek. Het hof komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep en zal de bestreden beschikking in zoverre vernietigen.
[verzoekster] had met betrekking tot de ontvankelijkheid betoogd dat het hof over zou moeten gaan tot het horen van [rechthebbende] – op locatie danwel digitaal – nu hij bij uitstek degene is die kan verklaren over de aard van de relatie.
Nu het hof reeds, zoals hiervoor vermeld, [verzoekster] ontvankelijk zal verklaren in haar verzoek heeft zij in zoverre geen belang meer bij het horen van [rechthebbende] door het hof. Dit verzoek van [verzoekster] zal dan ook worden afgewezen.
Inhoudelijke beoordeling
Ingevolge artikel 1:448 lid 1 aanhef en sub e en lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de bewindvoerder door de kantonrechter ontslag worden verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van de medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid BW, dan wel ambtshalve. Artikel 1:461 BW kent een soortgelijke bepaling voor het ontslag van een mentor.
Aan de orde is dan ook de vraag of er gewichtige redenen zijn om de bewindvoerder en mentor van [rechthebbende] ontslag te verlenen. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend.
[verzoekster] maakt zich, kort gezegd, zorgen over het isolement en de afzondering van [rechthebbende] . [verzoekster] is van mening dat [rechthebbende] slecht wordt verzorgd. Hij mist een tand, is lang niet naar de kapper gegaan en zijn woning is vervuild. De mentor en de bewindvoerder verzaken hun taken; [rechthebbende] zou in mensonterende omstandigheden verkeren. In dit verband voert [verzoekster] voorts aan dat de overgelegde stukken niet de diagnose Korsakov aantonen. [verzoekster] zou graag een second opinion willen, uitgevoerd door een onafhankelijke derde. [verzoekster] beroept zich op het Calvinarrest. Er moet altijd worden bezien of de opname proportioneel is.
[verzoekster] heeft [rechthebbende] de afgelopen jaren slechts enkele keren gezien, de laatste keer was in juni 2024 in het ziekenhuis. Zij heeft wel contact via videobellen.
Zij verzoekt primair om haar als mentor en bewindvoerder te benoemen, subsidiair een andere mentor en een andere bewindvoerder aan te stellen.
De mentor is het oneens met de wens van [verzoekster] om mentor en bewindvoerder te worden. [rechthebbende] is sinds 3 november 2020 gediagnosticeerd met het syndroom van Korsakov.
De gezondheidstoestand van [rechthebbende] gaat flink achteruit. [rechthebbende] heeft geen tijdsbesef. In verband met zijn cognitieve achteruitgang nadien is met ingang van medio 2023 de CIZ indicatie verhoogd. De verzorging is op dit moment doende om hem te stabiliseren op de afdeling. Zo verstopt hij eten en wil hij terug naar het pand waar hij met zijn zoon heeft gewoond om voor zijn zoon te gaan zorgen. Hij is op dit moment in de veronderstelling dat zijn zoon nog 16 jaar oud is, terwijl deze nu meerderjarig is. [rechthebbende] laat de verpleging moeilijk toe. Met behulp van de zoon en overige betrokkenen lukt het geleidelijk aan beter. Dan laat hij verzorging toe zoals douchen en naar de kapper gaan. [rechthebbende] mist inderdaad een tand maar een prothese is aanstaande. De mentor heeft het vertrouwen in de zorginstelling waar [rechthebbende] verblijft.
De mentor acht [rechthebbende] niet in staat om gehoord te worden door het hof zoals [verzoekster] verzoekt.
De mentor voert ten slotte aan een goede relatie te hebben met de zoon.
De bewindvoerder heeft verklaard het bewind naar eer en geweten uit te voeren. De bewindvoerder heeft een goed en regelmatig contact met de zoon en de mentor. Hij blijft zich inzetten voor een stabiel en transparante financiële situatie voor [rechthebbende] .
Er is vertrouwen in de zorgprofessionals die de diagnose bij [rechthebbende] hebben gesteld. Dat [verzoekster] dit in twijfel trekt is niet gebaseerd op medische informatie.
De zoon bezoekt zijn vader vier keer per week. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling van het hof verklaard dat zijn vader, [rechthebbende] , nu niet meer bekwaam is om een verklaring af te leggen. Zijn gezondheid gaat hard achteruit. [rechthebbende] heeft geen tijdsbesef meer. Hij is nauwelijks in staat om een normaal gesprek te voeren.
De zoon bevestigt verder dat zijn vader moeilijk is aan te sturen. Met hulp van de zoon en bekenden lukt het wel om [rechthebbende] aan te zetten om bijvoorbeeld te gaan douchen. [rechthebbende] gaat onder de douche en elke 6 weken naar de kapper. Ook wordt er nu gewerkt aan het gebit van [rechthebbende] . Volgens de zoon is zijn vader opstandig. Hij heeft geen tijdsbesef meer en amper een eigen mening. Er wordt geen slechte zorg verleend aan zijn vader.
De zoon wordt goed betrokken bij beslissingen. De zoon is van mening dat er geen verandering moet komen in de huidige uitvoerders van het bewind en mentorschap.
Het hof stelt vast dat zich in het dossier een diagnosebrief bevindt. Daarin staat:
(…)
‘Diagnose: Uitgebreide neurocognitieve stoornis, niet nader te specificeren o.b.v, neuropsychologisch
onderzoek. Klinisch meest passend bij amnestisch-confabulerend type (voorheen bekend als ziekte van
Korsakov).
Datum: 03-11-2020.
Gesteld door: Drs. [specialist ouderengeneeskunde, kaderarts psychogeriatrie] , specialist ouderengeneeskunde, kaderarts psychogeriatrie, i.s.m. [GZ-psycholoog]
, GZ-psycholoog
Instelling; [Instelling] , Regionaal Expertisecentrum Korsakov.’
(…).
Verder is overgelegd een CIZ Indicatiebesluit van 17 augustus 2023. Daarin staat:
(…)
‘Zorgprofiel VV 07: Beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen,
met nadruk op begeleiding.’
(…)
‘Omvang: 24-uurszorg.’
(…).
Op basis van deze stukken, die zijn opgesteld door professionals in het veld, in samenhang met de verklaringen van de zoon, de mentor en de bewindvoerder heeft het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de diagnose Korsakov.
[verzoekster] had met betrekking tot de ontvankelijkheid betoogd dat het hof zou moeten overgaan tot het horen van [rechthebbende] . Voor zover [verzoekster] al heeft verzocht om [rechthebbende] ook te horen om zich uit laten over het inhoudelijke verzoek, zal het hof dit verzoek afwijzen gelet op genoemde diagnose en de verklaringen van de zoon en de mentor. De gezondheid van [rechthebbende] gaat snel achteruit en [rechthebbende] is niet in staat om door het hof gehoord te worden.
Nu de zoon zijn vader vier keer per week bezoekt, tevreden is over de verzorging van zijn vader en hij een goed contact heeft met de mentor en bewindvoerder, kan niet worden geconcludeerd dat [rechthebbende] zich in een isolement bevindt danwel dat de bewindvoerder en mentor in hun taken als bewindvoerder en mentor wat verkeerd hebben gedaan of nalatig zijn geweest. Aldus is geen sprake van gewichtige redenen voor ontslag.
In dit verband speelt mee dat dat de mentoren zich op de mondelinge behandeling bereid hebben verklaard om met [verzoekster] in contact te treden.
Dit overigens nog daargelaten de vraag of het primaire verzoek van [verzoekster] praktisch en juridisch uitvoerbaar zou zijn. Bij vonnis in kort geding van 5 december 2023 zijn de vorderingen van [verzoekster] om het aan [verzoekster] opgelegde verbod om [rechthebbende] te bezoeken op te heffen, immers afgewezen.
De voormalig bewindvoerder had [verzoekster] op 27 mei 2022 schriftelijk bericht dat zij niet meer op bezoek mocht gaan bij [rechthebbende] omdat dit voor grote onrust bij [rechthebbende] zorgt en dat het, in overleg met het verzorgend personeel, beter was dat [verzoekster] [rechthebbende] met rust laat. Volgens de voorzieningenrechter mocht het belang van [verzoekster] om [rechthebbende] te bezoeken niet ten koste gaan van de gezondheid en andere belangen [rechthebbende] . De voorzieningenrechter heeft de vordering van [verzoekster] gelet daarop afgewezen.
Dit betekent dat zal worden afgewezen het primaire verzoek van [verzoekster] om zelf als mentor en bewindvoerder van [rechthebbende] te worden benoemd en het subsidiaire verzoek om een andere mentor en bewindvoerder te benoemen.
De slotsom
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het verzoek van [verzoekster] afwijzen.
Proceskosten
Gezien de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.
4. De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 november 2024;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst het verzoek van [verzoekster] af;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M. van der Linden, E.M.C. Dumoulin, en E.F.M. van Swaaij en is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.