[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.M.E. van den Heuvel,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. E.J.A. Roeleven.
Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Het hof heeft in deze zaak op 24 april 2025 een beschikking gegeven (hierna: de beschikking).
Het hof heeft kennis genomen van een verzoek van mr. J.M.E. van de Heuvel bij brief van 21 mei 2025 namens de moeder om de beschikking aan te vullen. Het gaat daarbij om de verzoeken van de vrouw;
‘Subsidiair: indien de beschikking van de rechtbank niet zal worden vernietigd en de omgang aldus zal blijven zoals in de bestreden beschikking opgenomen, te bepalen dat er, tijdens de reguliere omgang een belmoment zal zijn tussen [minderjarige] en de moeder op maandag in de oneven weken om 18.00 uur, alsmede tijdens de zomervakantie op maandagen om 18.00 uur, althans een zodanige dag en tijdstip als het hof juist acht.’ Alsmede te bepalen dat tijdens de vakanties, met uitzondering van de zomervakantie, de reguliere regeling zal doorlopen.’
Volgens de moeder heeft het hof wel een beslissing genomen op het verzoek over een belmoment maar niet op het verzoek om te bepalen dat tijdens de vakanties, met uitzondering van de zomervakantie, de reguliere regeling zal doorlopen en de vrouw stelt dat het hof hieraan ook geen overweging heeft gewijd.
De vrouw verzoekt het hof de beschikking op dit punt aan te vullen ex art. 32 Rv.
De vader is in de gelegenheid gesteld op dit verzoek te reageren. Bij brief van 28 mei 2025 heeft mr. E.J.A. Roeleven namens de vader bezwaar gemaakt tegen het verzoek tot aanvulling van de beschikking. Volgens de man heeft het hof op alle verzoeken van de vrouw beslist, zoals blijkt de overwegingen 5.7.2. en volgende van de beschikking en in het bijzonder uit de overweging 5.7.3.
Beoordeling
Het hof volgt de moeder in haar stelling dat het hof onvoldoende duidelijk heeft overwogen en beslist op het verzoek van de vrouw over het doorlopen van de reguliere regeling tijdens de niet-zomervakanties. De vrouw heeft haar verzoek echter niet of in elk geval onvoldoende geconcretiseerd. Dat lag wel op haar weg gelet op de gedetailleerde regeling met betrekking tot de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen. Alleen al om die reden is het verzoek niet toewijsbaar. Het hof vult derhalve de beschikking aan en wijst het verzoek van de vrouw daarom af.
Beslissing:
Het hof:
vult de beschikking van 24 april 2025 met zaaknummer 200.346.253/01 als volgt aan:
wijst het verzoek van de moeder om te bepalen dat tijdens de vakanties, met uitzondering van de zomervakantie, de reguliere regeling zal doorlopen, af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, C.M.J. Peters en G.M. Goes en is op 17 juli 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. C.M.J. Peters in tegenwoordigheid van de griffier.