Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden in verband met de gegrondverklaring van de aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 2 oktober 2017 met parketnummer 21-005790-16, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 31 oktober 2016 met parketnummer 16-174758-16 in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
wonende te [adres 1] .
Herziening
De veroordeelde is bij voormeld arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter zake van ‘oplichting’ (feit 1) en ‘in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen’(feit 2), veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaar, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.
Bij arrest van 9 mei 2023, nr. 23/00278 H, heeft de Hoge Raad der Nederlanden de aanvraag tot herziening van genoemd arrest gegrond verklaard, met bevel voor zover nodig tot opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van dat arrest en met verwijzing van de zaak naar dit gerechtshof teneinde op de voet van artikel 472, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering opnieuw te worden berecht en afgedaan.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is – na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad – gewezen naar aanleiding van
het onderzoek op de terechtzitting in herziening, alsmede het onderzoek in vorige terechtzittingen, zoals dat volgens daarvan opgemaakt proces-verbaal heeft plaats gehad.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 50 uren indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 dagen hechtenis.
De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman – op na te melden wijze – een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep en arrest waarvan herziening
Het hof zal ingevolge het bepaalde in artikel 476, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering en met inachtneming van het bepaalde in artikel 472, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 oktober 2017 en in het verlengde daarvan het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 31 oktober 2016 vernietigen, nu deze niet zijn te verenigen met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2015 tot en met 1 maart 2016 te Nieuwegein, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, te weten door de (gehele) woning aan [adres 2] te verhuren en zich voor te doen als eigenaar van deze woning, terwijl de woning eigendom is van woningbouwvereniging [bedrijf 1] ;
2.hij op of omstreeks 16 januari 2016 te Nieuwegein, althans in Nederland, in een woning/besloten lokaal/besloten erf, gelegen aan [adres 2] en in gebruik bij [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, wederrechtelijk is binnengedrongen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij in de periode van 1 september 2015 tot en met 8 oktober 2015 te Nieuwegein, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 2] heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, te weten door de gehele woning aan [adres 2] te verhuren en zich voor te doen als eigenaar van deze woning, terwijl de woning eigendom is van woningbouwvereniging [bedrijf 1] .
2.hij op 16 januari 2016 te Nieuwegein in een woning, gelegen aan [adres 2] en in gebruik bij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , wederrechtelijk is binnengedrongen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal van de politie-eenheid Midden-Nederland, District West-Utrecht, Basisteam Lekpoort, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie, registratienummer: 0900-2016022873, gesloten 31 augustus 2016, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1 tot en met 64.
1. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, (dossierpagina’s 10-13), te weten een huurovereenkomst woonruimte d.d. 2 september 2015, voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende:
Huurovereenkomst woonruimte
Ondergetekenden:
Naam eigenaar: [verdachte] , hierna genoemd ‘verhuurder’
Naam: [benadeelde 2] , hierna genoemd ‘huurder’ komen het volgende overeen:
Artikel 1:
Verhuurder verhuurt aan huurder van verhuurder de woonruimte inclusief eengezinswoning, plaatselijk bekend [adres 2] . Deze overeenkomst is aangegaan voor een bepaalde tijd ingaande op 01-09-2015 en loopt tot en met 31 -05-2016.
Artikel 2:
Het gehuurde is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als woonruimte en zal bewoond worden door maximaal 2 personen.
Artikel 3:
De huurprijs bedraagt bij aanvang van de huurovereenkomst € 1.200,- per maand. De betaling geschiedt op rekening van [verdachte] .
Aldus in tweevoud opgemaakt en ondertekend, te Utrecht 02-09-2015.
[benadeelde 2] [verdachte]
handtekening huurder handtekening verhuurder
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 april 2016 (dossierpagina’s 33-37), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [benadeelde 2] :
Op een dag in september 2015 kwam ik terecht bij [bedrijf 2] op [adres 3]
. De volgende dag kreeg ik een telefoontje van de
makelaar. Hij vertelde dat hij een woning in Nieuwegein beschikbaar had. De dag na de inschrijving had de makelaar al een woning. De huur zou [zijn] 1200,- euro inclusief en gemeubileerd. De woning had een zolder en een grote achtertuin. De makelaar stelde [verdachte] aan mij voor als zijnde de eigenaar van de woning aan [adres 2] .
Op de dag dat ik door de makelaar werd gebeld, heb ik met [verdachte] en de makelaar de
hele woning aan [adres 2] bezichtigd. Daar ben ik met beiden door het
hele huis gelopen. Op dezelfde dag dat de woning werd bezichtigd is ook het huurcontract getekend. Dit was in september 2015. [verdachte] en ik hebben beiden elke bladzijde van het contract ondertekend en de makelaar was erbij. Nadat ik in het bijzijn van de makelaar het geld had betaald, kreeg ik van [verdachte] de sleutels van de woning. Op 7 oktober 2015 wilden [benadeelde 1] en ik ons laten inschrijven bij de gemeentelijke basis administratie als bewoners van [adres 2] . Toen bleek dat de eigenaar van de woning (hof: woningcorporatie) [bedrijf 1] was en dat [verdachte] de huurder was. Toen bleek dus dat [benadeelde 1] en ik niet in de woning aan [adres 2] mochten wonen.
Op 8 oktober 2015 is [getuige 2] van [bedrijf 1] op [adres 2] geweest. Van [bedrijf 1] mochten we blijven wonen (het hof begrijpt: in de woning). Ik heb toen de sloten van de voordeur en achterdeur veranderd. De sleutel hebben [benadeelde 1] en ik gehouden en geen sleutel aan [verdachte] gegeven. [verdachte] en ik hadden woorden gehad omdat [verdachte] wilde dat ik een nieuwe contract ging tekenen waarin stond dat ik, alleen ik dus zonder [benadeelde 1] , een kamer bij hem had gehuurd en niet de hele woning. Dit om te voorkomen dat [bedrijf 1] wegens onderverhuur een boete aan [verdachte] zou gaan geven. Dat heeft [verdachte] aan mij verteld. Ik heb het contract over een kamer nooit ondertekend. Op 16 januari 2016 woonden [benadeelde 1] en ik nog in de woning aan [adres 2] . Om 14:00 uur heb ik de woning aan [adres 2] in goede staat achtergelaten. Ik heb de achter- en voordeur op slot gedaan. Om ongeveer 20:00 uur werd ik door [verdachte] gebeld. Hij vertelde dat hij in de woning aan [adres 2] was en dat er ingebroken was. Ik ben toen naar de woning gegaan en [toen] bleek dat mijn sleutel niet in het slot paste. Via het raam aan de voorzijde van de woning zag ik dat de kledingkast uit elkaar in de woonkamer lag en daaromheen kleding van mij en [benadeelde 1] lag. [verdachte] was weg. Ik belde [verdachte] en omdat hij niet wilde komen, heb ik toen de politie gebeld. [verdachte] zei dat hij in de woning was geweest en dat het zijn woning was. Toen de politie erbij was, heeft [verdachte] met een sleutel de voordeur opengedaan. In de woning vertelde hij dat hij alles naar beneden had gehaald omdat hij vond dat we moesten vertrekken. Ik heb de politie het huurcontract laten zien en wij mochten in de woning blijven. De sloten heb ik voor de tweede keer laten vervangen en ook nu heb ik geen sleutel aan [verdachte] gegeven.
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris d.d. 7 mei 2024, voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [benadeelde 2] :
U houdt mij voor dat [verdachte] wordt verdacht van, kort samengevat, oplichting van
mij bij het verhuren van de woning aan [adres 2] in 2015. Klopt. U houdt mij voor dat hij ook wordt verdacht van het wederrechtelijk binnendringen in die woning in januari 2016. Klopt.
Ik ben naar de Turkse makelaardij gegaan en zei dat ik dringend op zoek was naar een huis en die zeiden dat er een huis was in Nieuwegein en ze vertelden wat de prijs en bemiddelingskosten waren. Toen zijn we naar de [adres 2] gegaan, en toen kwam de heer [verdachte] . Toen zijn we naar binnen gegaan en hebben we de rondleiding gehad. Hij vertelde ons dat voor mij iemand anders het huurde, een familie, een net gezin. Hij was het huis een beetje aan mij aan het verkopen. Ik had hem gevraagd wie er daarvoor in het huis woonde, omdat ik wilde weten of het een schoon huis was. Hij vertelde dat er een net gezin in had gewoond. Er was boven ook een kinderkamer en hij zei dat wij dat zo konden laten. Hij vertelde dat er daarvoor een heel net gezin woonde en dat het huis schoon was en dat we het zo konden laten. Hij vertelde ook over meubels die er stonden en die we mochten gebruiken. U zegt mij dat ik bij de politie heb verklaard dat de makelaar [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna de verdachte [verdachte] ) voorstelde als eigenaar van de woning. Dat klopt. De makelaar zei tegen mij dat [verdachte] tegen hem had gezegd dat de woning van hem was. U vraagt mij of [verdachte] zelf ook tegen mij heeft gezegd dat hij de eigenaar van de woning was. Ja, dat heeft hij vaker gezegd. Zelfs nadat ik bij de gemeente was geweest, toen ik erachter kwam dat het huis niet van hem was, heb ik hem erop aangesproken en hij kwam naar ons toe en hij zei duidelijk dat het huis echt van hem was. Hij zei toen meerdere keren dat het huis van hem was.
Daarna kwam hij met een formulier voor inschrijving en hij zei: luister schrijf je naam en teken dit, dan kan je hier gewoon blijven. Dat is een formulier voor inschrijving bij [bedrijf 1] als je iemand inwonend wil laten doen. Dat formulier, dat stuk van [bedrijf 1] dat ik inwonend ben, heb ik nooit getekend.
4. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 april 2016 (dossierpagina’s 47-48), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :
Als makelaar ben ik werkzaam bij [bedrijf 2] gevestigd op de
[adres 3] . Ik kan me de woning aan [adres 2] (het hof begrijpt hier en hierna [adres 2]) in Nieuwegein en de verhuurder [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna: de verdachte [verdachte]) en de huurder [benadeelde 2] goed herinneren.
Het was een maand in 2015. [benadeelde 2] en zijn vriendin lieten zich inschrijven omdat zij een huurwoning zochten. Kort hierop kwam [verdachte] naar de makelaardij. [verdachte] vertelde mij dat hij zijn woning aan [adres 2] in Nieuwegein te huur wilde aanbieden. Ik heb toen meteen contact gezocht met [benadeelde 2] . Ik ben met [verdachte] en [benadeelde 2] naar de woning geweest. In de woning heb ik in het bijzijn van [verdachte] de hele woning aan [benadeelde 2] laten zien. De hele tijd is gesproken over het verhuren van de hele woning en niet van een kamer. [benadeelde 2] vond de woning goed waarna [verdachte] en [benadeelde 2] op elke bladzijde van het huurcontract hebben getekend.
U laat mij een huurcontract zien en ik bevestig dat dit het huurcontract is zoals [verdachte] en [benadeelde 2] getekend hebben.
Later kreeg ik van [benadeelde 2] te horen dat de woning aan [adres 2] geen koopwoning van [verdachte] was maar een huurwoning van [bedrijf 1] . Ik heb toen meteen contact gehad met [verdachte] en hij liet mij via internet op de computer in het kantoor van de makelaardij een huurcontract van [bedrijf 1] lezen waar stond dat bij onderverhuur een boete van 100.000,- euro opgelegd kon worden. [verdachte] vroeg mij om een contract waar een kamer aan [adres 2] te huur werd aangeboden. Ik heb hem het huurcontract voor een kamer gegeven.
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 april 2016 (dossierpagina’s 41-42), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Ik heb op 3 maart 2016 telefonisch contact gezocht met de woningbouwvereniging [bedrijf 1] om te achterhalen wie in de woning aan [adres 2] verbleef. Ik sprak met dhr. [getuige 2] van de fraude afdeling van de woningbouwvereniging.
Getuige [getuige 2] verklaarde dat sinds 10 april 2003 genoemde woning verhuurd werd aan [verdachte] .
Getuige [getuige 2] verklaarde op 8 oktober 2015 in de woning aan [adres 2]
geweest te zijn waar hij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] aantrof.
Tevens verklaarde hij van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] te horen hebben gekregen dat
zij de woning, via een makelaar uit Utrecht, van [verdachte] te huur hebben gekregen. Getuige [getuige 2] verklaarde dat na dit gehoord te hebben hij toestemming aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2] had gegeven om in de woning te verblijven (…) en tevens toestemming gegeven te hebben om de sloten te vervangen door nieuwe sloten. Dit om te voorkomen dat [verdachte] zo maar de woning kon binnengaan.
6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juli 2016 (dossierpagina 43), met bijlage (dossierpagina’s 44-45), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Ik heb telefonisch contact gezocht met dhr. [getuige 2] van de fraude afdeling van de woningbouwvereniging. Desgevraagd en kort samengevat verklaarde hij dat de woning aan [adres 2] eigendom is van de woningbouwvereniging [bedrijf 1] . Op 13 juli 2016 stuurde hij via mail een uittreksel uit het kadaster waaruit blijkt dat de woningen aan [adres 2] , [adres 4] , en [adres 5] eigendom zijn van de hierboven genoemde gerechtigde.
7. Het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 19 mei 2016 (dossierpagina’s 49-53), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :
V: staat voor vraag van de verbalisant
A: staat voor antwoord van de verdachte
(pg. 50)
V: [getuige 2] van [bedrijf 1] heeft verklaard dat hij toestemming heeft gegeven om de sloten te vervangen en dat hebben [benadeelde 2] en [benadeelde 1] gedaan. Vervolgens mochten zij in de woning blijven.
A: (…) op 16 januari 2016 ben ik in de woning geweest.
Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
II.
De raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman – op de gronden als nader in de pleitnota verwoord en in de kern weergegeven – betoogd dat van oplichting van aangevers [benadeelde 2] en [benadeelde 1] geen sprake is, nu de verdachte nimmer de intentie had om de gehele woning aan hen te verhuren, doch slechts een enkele kamer. De makelaar heeft vanwege een miscommunicatie – waarvan de makelaar het bestaan heeft bevestigd (dossierpagina 62) – per abuis een verhuurovereenkomst voor de gehele woning opgesteld, welke de verdachte, zonder deze gelezen te hebben, heeft ondertekend. Ter correctie van deze miscommunicatie/fout is door de makelaar een tweede huurovereenkomst opgesteld voor de verhuur van een kamer. Dat de verdachte de bedoeling had om enkel een kamer te verhuren, volgt uit de omstandigheid dat hij in de woning is blijven wonen en hij zijn post daar ontving. Derhalve kan niet worden bewezen dat de verdachte opzettelijk zich als eigenaar van de woning heeft voorgedaan en de hele woning heeft verhuurd met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, zodat hij moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde. Mocht het hof onverhoopt tot een bewezenverklaring van feit 1 komen, dan dient in elk geval partiële vrijspraak te volgen voor oplichting van [benadeelde 1] , nu zij niet aanwezig was bij de bezichtiging en zij de huurovereenkomst niet heeft ondertekend. In navolging van de vrijspraak van feit 1, dient de verdachte eveneens van het onder feit 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt en stelt daartoe – voor zover voor de beoordeling van het tenlastegelegde relevant – het volgende voorop.
Oplichting als bedoeld in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, is het door aanwending van één of meer oplichtingsmiddelen een ander bewegen tot bepaalde gedragingen, te weten de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.
Degene die zich aan oplichting schuldig maakt, handelt met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen en bedient zich daartoe van ten minste één van de oplichtingsmiddelen als genoemd in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht dan wel een combinatie daarvan. De oplichtingsmiddelen kunnen onder meer bestaan uit een samenweefsel van verdichtsels of uit het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid.
Bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Van ‘meer dan een enkele leugenachtige mededeling’ kan niet slechts sprake zijn indien meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden. Bij de oplichtingsmiddelen die bestaan uit het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de ‘persoon’ van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken.
Op grond van de bewijsmiddelen en de overige inhoud van het dossier stelt het hof vast dat de verdachte makelaar [getuige 1] in de arm heeft genomen om de door hem van woningcorporatie [bedrijf 1] gehuurde woning aan het adres [adres 2] te verhuren. Op 2 september 2015 is het – met tussenkomst van de makelaar – tot een afspraak gekomen met [benadeelde 2] en heeft [benadeelde 2] de woning, samen met de verdachte en de makelaar, bezichtigd. Uit de verklaringen van [benadeelde 2] en de makelaar komt naar voren dat de verdachte zich tijdens de bezichtiging meermalen heeft uitgegeven als eigenaar van de woning en zich als zodanig heeft gepresenteerd. Tijdens de bezichtiging is besproken dat de gehele woning zou worden gehuurd en de verdachte is samen met [benadeelde 2] en de makelaar de gehele woning doorgelopen. Ook heeft de verdachte toen, al dan niet op vragen van [benadeelde 2] , mededelingen gedaan, inhoudende dat de woning daarvoor werd gehuurd door een familie, een net gezin, dat de woning schoon en netjes was, dat er boven een kinderkamer was en dat er meubels in de woning stonden, die gebruikt mochten worden. Ook heeft de verdachte de schuur laten zien. Nog diezelfde dag, na afloop van de bezichtiging, is de huurovereenkomst door [benadeelde 2] en de verdachte ondertekend en is, blijkens de huurovereenkomst, overeengekomen dat de verdachte de gehele woning aan [benadeelde 2] zou verhuren voor een maandelijks bedrag van
€ 1.200,-.
Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde 2] en de makelaar. Op grond van de inhoud van hun verklaringen en de inhoud van de overige bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte zich in strijd met de werkelijkheid heeft uitgegeven als eigenaar van de woning aan [adres 2] , teneinde de woning aan [benadeelde 2] te verhuren. Aldus heeft de verdachte zich in de eerste plaats bediend van een valse hoedanigheid. De verdachte heeft die valse hoedanigheid en de daarop geënte verhuur van de woning in woord en daad kracht en geloof bijgezet – samengevat weergegeven – met het inschakelen van een makelaar om de woning te verhuren en daartoe een huurovereenkomst te laten opstellen, en het vervolgens met [benadeelde 2] en de makelaar bezichtigen van de woning en het onderwijl doen van meerdere (onjuiste) mededelingen, welke (mede) gericht waren op het ingang doen vinden van de verhuur van de woning bij [benadeelde 2] . In de woorden van [benadeelde 2] : de verdachte heeft de woning ‘verkocht’. Gelet op het geheel van deze, aan de verdachte toe te rekenen, misleidende mededelingen en omstandigheden was naar het oordeel van het hof sprake van meer dan een enkele leugenachtige mededeling en was sprake van een samenweefsel van verdichtsels. De verdachte heeft daarmee, samen met het aannemen van voornoemde valse hoedanigheid bij [benadeelde 2] opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen en [benadeelde 2] bewogen tot het aangaan van de huurovereenkomst, zulks met het oogmerk om daarvan, op wederrechtelijke wijze en te eigen bate, misbruik te maken. Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van oplichting. Het hof zal de verdachte evenwel partieel vrijspreken van oplichting voor zover dat ziet op [benadeelde 1] , nu zij niet aanwezig was bij de bezichtiging van de woning en zij ook de huurovereenkomst niet heeft ondertekend.
De alternatieve lezing van de verdediging, inhoudende dat sprake was van een misverstand en/of een miscommunicatie aan de zijde van de makelaar en dat deze per abuis een onjuiste huurovereenkomst voor de gehele woning heeft opgesteld, welke hij later heeft gecorrigeerd middels een tweede huurovereenkomst voor een kamer, acht het hof strijdig met de bewijsmiddelen en het vorenoverwogene. Bovendien wijst het hof hiervoor op het volgende.
[benadeelde 2] heeft bij de politie (p. 35 en 39) en de raadsheer-commissaris verklaard dat hij alleen de eerste overeenkomst voor de huur van de gehele woning heeft ondertekend en dat hij de huurovereenkomst voor de kamer nooit heeft gezien, laat staan dat hij deze heeft ondertekend. [benadeelde 2] heeft voorts bij gelegenheid van zijn verhoor bij de politie en de raadsheer-commissaris verklaard dat de handtekening op de eerste huurovereenkomst wel van hem is, maar de handtekening op de tweede huurovereenkomst niet. Een scan van het paspoort van [benadeelde 2] , met daarop diens handtekening, is gehecht aan het proces-verbaal van zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris en aan de hand daarvan kan worden waargenomen dat die handtekening overeen lijkt te komen met de handtekening op de eerste huurovereenkomst, doch afwijkt van de handtekening op de tweede huurovereenkomst. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de tweede huurovereenkomst voor de kamer niet de werkelijkheid weerspiegelt en vals is. Bij dit oordeel heeft het hof voorts betrokken, zoals reeds ter zitting van het hof Arnhem-Leeuwarden ter sprake is gekomen, dat de verdachte aldaar heeft verklaard dat [benadeelde 2] de zolderkamer zou huren, doch dat de tweede huurovereenkomst ziet op de kleine kamer aan de straatzijde. Aan de door de raadsman benoemde schriftelijke verklaring van de makelaar, inhoudende dat sprake was van een miscommunicatie en dat de verdachte enkel een kamer wilde verhuren, hecht het hof, gelet op het vorenoverwogene en de bewijsmiddelen, dan ook geen enkele waarde.
Dat de verdachte in de tenlastegelegde periode in de woning heeft gewoond, zoals in voormeld verband nog door de raadsman ten verwere is aangevoerd, is niet aannemelijk geworden. [benadeelde 2] en zijn partner, bij wie de woning op dat moment in gebruik was, hebben verklaard dat zulks niet het geval was. Bovendien heeft de verhuurder ( [getuige 2] van [bedrijf 1] ) deze twee op 8 oktober 2015 in de woning aangetroffen, en niet de verdachte. Nu de verdachte niet gerechtigd was om in de woning aanwezig te zijn en op grond van de bewijsmiddelen, waaronder zijn eigen verklaring kan worden vastgesteld dat hij op 16 januari 2016 wel in de woning aanwezig is geweest, komt het hof eveneens tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het alternatieve scenario als onaannemelijk ter zijde wordt gesteld. Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring staat vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
oplichting.
Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft de oplegging gevorderd van een taakstraf voor duur van 50 uren indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 dagen hechtenis.
De raadsman van de verdachte heeft – onder verwijzing naar het tijdsverloop in deze zaak en de omstandigheid dat de verdachte na deze zaak niet meer wegens strafbare feiten is veroordeeld – bepleit dat het hof de door advocaat-generaal gevorderde taakstraf verder zal matigen.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [benadeelde 2] , doordat de verdachte zich in strijd met werkelijkheid heeft voorgedaan als eigenaar van de door hem gehuurde woning aan [adres 2] en deze woning vervolgens aan het slachtoffer heeft verhuurd. Aldus heeft de verdachte op bedrieglijke wijze het slachtoffer bewogen tot het aangaan van een schuld. Tevens is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij de woning wederrechtelijk is binnengedrongen. Uit het dossier blijkt dat de oplichting de nodige nadelige gevolgen heeft gehad voor het slachtoffer, maar ook diens partner. De verdachte heeft voor die gevolgen geen oog gehad en zich slechts laten leiden door eigen financieel gewin. Dergelijke feiten leveren niet alleen schade op voor het slachtoffer, maar beschadigen ook het in het maatschappelijk verkeer vereiste vertrouwen dat van belang is voor het handelsverkeer. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 april 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk wegens strafbare feiten is veroordeeld, waaronder een soortgelijk feit, zij het echter geruime tijd geleden, zodat het hof met deze omstandigheid thans niet in verdere strafverzwarende zin rekening zal houden.
Ten slotte heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan gedurende het onderzoek ter terechtzitting en uit het dossier is gebleken.
Alles afwegende, acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, passend en geboden. Daarmee komt het hof tot een hogere straf dan door de advocaat-generaal gevorderd en door de raadsman bepleit, nu de door hen voorgestelde straffen, naar het oordeel van het hof, onvoldoende recht doen aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Het hof heeft in dit verband voorts nog geconstateerd dat de redelijke termijn in de fase na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad naar dit hof met ongeveer twee maanden is overschreden. Het hof heeft die overschrijding van de redelijke termijn ten faveure van de verdachte verdisconteerd in de straftoemeting, met dien verstande dat het hof, naast de oplegging van een taakstraf, niet tevens een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63, 138 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof, rechtdoende na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 oktober 2017 en in het verlengde daarvan het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 31 oktober 2016 en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. R. Lonterman, voorzitter,
mr. C.M. Hilverda en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,
en op 14 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.