GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.335.732/01
arrest van 22 juli 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] , België,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. C.A. Gobbens te Rotterdam,
tegen
1. [XX] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [YY] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] en afzonderlijk als [XX] en [YY] ,
advocaat: mr. P.H. van der Vleuten te Utrecht,
op het bij exploot van dagvaarding van 5 december 2023 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 6 september 2023 en 1 november 2023, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie.
1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/383910 / HA ZA 22-395)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. De beoordeling
in principaal en incidenteel hoger beroep
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
Op 8 juni 2021 is door seller ( [appellant] ) en buyer (Big Horse (i.o.), namens deze [persoon A] en [persoon B] ) een letter of intent on key points getekend.
Daarin is in de aanhef van artikel 2.2 bepaald:
“The Purchase Price is also based on the following principles and agreements:
Onder 2.2 f) is opgenomen “The outcome of the lawsuits with “Rexel”, “ [B] ” and “ [C] ” will be for the Risk of The Seller. Financial settlement will be agreed in the Purchase Agreement.”
Op 20 juli 2021 is tussen partijen, [appellant] en [XX] BV (i.o.) , namens deze [persoon B] en [YY] BV (i.o.), namens deze [persoon A] , een koopovereenkomst gesloten. Bij deze overeenkomst heeft [appellant] de aandelen in het kapitaal van de Energieparaplu B.V. aan [geïntimeerden] verkocht.
In deze overeenkomst is onder andere opgenomen artikel 3 “Purchase price and payment”. Dat artikel luidt onder 3.3 aanhef en onder e respectievelijk h als volgt:
“3.3 The Purchase Price is also based on the following principles and agreements:
e) All liabilities of the Company (including without limitations loans, current accounts, trade
payables and amounts owed to governments or employees) will be settled by the Seller
prior to the Transition date. If any liabilities remain on the balance sheet at the Transition
date, the Initial Purchase Price will be reduced by the amount of these liabilities.
(…)
h) The outcome of the lawsuits with “Rexel”, “ [B] ” and “ [C] ” will be for the Risk of
The Seller and personally guaranteed by the Seller. As of the Transition Date, all income
as well as costs associated to the lawsuits such as, but not limited to process costs will be
to the risk and expense of the Seller unless covered by existing insurance policy. As soon
as a verdict has been made for any of the three lawsuits, parties will settle the financial
elements in the month following the verdict unless agreed differently between parties.”
Op 4 oktober 2021 hebben partijen een sideletter met nadere afspraken gesloten.
In artikel 2 “Purchase Price & Financial”, daarin, is onder 2.4 respectievelijk onder 2.5 opgenomen:
“(…) A total of €80.106 (consisting of €5.236 of negative creditors, the €55.000 oldest debiteuren, and €19.870 of other receivables) shall be held back from the initial purchase price, and instead paid promptly after these funds are received by Zonnis BV”;
“(…) At least monthly, Buyers shall update Seller on the progress in collecting this €80.106 amount and remit the collected amounts (including interest received if any) to Seller”.
In de onderhavige procedure vorderde [appellant] in eerste aanleg in conventie, kort gezegd:
I [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 80.106, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 8 juni 2022, althans per datum dagvaarding, althans vanaf een in redelijke justitie te bepalen datum, steeds tot aan de dag der algehele voldoening;
II [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag van
€ 1.576,06 ter zake buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 8 juni 2022 althans vanaf datum dagvaarding althans vanaf een in redelijke justitie te bepalen datum, steeds tot aan de dag der algehele voldoening;
III [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag van
€ 676,13 ter zake beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW vanaf datum dagvaarding, althans vanaf een in redelijke justitie te bepalen datum, steeds tot aan de dag der algehele voldoening;
IV [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Aan deze vorderingen heeft [appellant] , kort gezegd, ten grondslag gelegd dat [geïntimeerden] met het weigeren om over te gaan tot het verstrekken van afdrachten en updates toerekenbaar tekort schiet in de nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraken. [appellant] vordert nakoming en daarmee veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van € 80.106,--, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.
In reconventie heeft [geïntimeerden] in eerste aanleg, kort gezegd, gevorderd:
[appellant] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerden] van een bedrag van € 77.731,-- te vermeerderen met de nog te ontstane betalingsverplichtingen die ontstaan voor Zonnis B.V. uit hoofde van het tegen Zonnis B.V. gewezen vonnis van 3 augustus 2022 inzake Rexel Nederland B.V., met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in reconventie vermeerderd met de nakosten.
Aan deze vorderingen heeft [geïntimeerden] , kort gezegd, ten grondslag gelegd dat [appellant] op grond van artikel 3.3 onder h van de koopovereenkomst verplicht is om persoonlijk de financiële gevolgen van de rechtszaken tegen Zonnis B.V. inzake [B] en Rexel voor zijn rekening te nemen binnen een maand na de betreffende uitspraak en dat [appellant] zijn verplichtingen niet is nagekomen. [geïntimeerden] vordert nakoming van de afspraak als opgenomen in artikel 3.3 onder h van de koopovereenkomst. [appellant] moet een bedrag van € 4.091,03 ter zake [B] betalen en een bedrag van € 73.639,95 ter zake Rexel het laatste bedrag vermeerderd met rente en kosten.
[geïntimeerden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd in conventie. [appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd in reconventie. Deze verweren zullen, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
Bij tussenvonnis van 14 september 2022 heeft de rechtbank in conventie en reconventie een mondelinge behandeling bevolen. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 juli 2023 bevindt zich bij de stukken.
Bij eindvonnis van 6 september 2023 zoals hersteld bij herstelvonnis van
1 november 2023 heeft de rechtbank geoordeeld als volgt:
in conventie:
- dat waar het gaat om de uitleg van artikel 2.4 en artikel 2.5 van de sideletter en de daarin opgenomen inspanningsverbintenis voor [geïntimeerden] , sprake is van een voorwaardelijke verbintenis en dat er voor [geïntimeerden] een betalingsverplichting is ontstaan voor zover er bedragen door Zonnis B.V. zijn ontvangen (rechtsoverwegingen 4.1. en 4.4.);
- dat geen sprake is van beletten door [geïntimeerden] als bedoeld in artikel 6:23 BW, op welk artikel [appellant] een beroep heeft gedaan voor het geval dat wordt geoordeeld dat sprake is van een voorwaardelijke verbintenis (betreffende artikel 2.4 van de side letter, hof). Dat Zonnis B.V. gelet op productie 14 van [geïntimeerden] een bedrag van € 13.824,56 aan crediteuren heeft ontvangen, en niet is komen vast te staan dat de door [appellant] overgelegde bankafschriften (productie 18 van [appellant] ) posten betreffen die onder het gevorderde bedrag van € 80.106,-- vallen. Dat de vordering van [appellant] tot een bedrag van € 13.824,56 wordt toegewezen, met de gevorderde wettelijke handelsrente (rechtsoverwegingen 4.4. - 4.6.);
- dat de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen voor een bedrag van € 913,25 en dat de gevorderde wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen en de wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding (rechtsoverweging 4.8.);
- dat de vordering betreffende de beslagkosten toewijsbaar is (rechtsoverweging 4.9.).
De rechtbank heeft [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeeld om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 13.824,56 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dat bedrag met ingang van 8 juni 2022 tot de dag van volledige betaling,
en [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeeld om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 913,25 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag met ingang van de dag van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling.
[geïntimeerden] is hoofdelijk veroordeeld in de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten.
in reconventie:
- dat het in reconventie gaat om de uitleg van artikel 3.3 onder h van de koopovereenkomst en dat het de bedoeling van partijen was om de uitkomsten van de procedure voor risico van [appellant] te laten komen (rechtsoverweging 4.13. - 4.14.);
- dat [appellant] het bepaalde in artikel 3.3. onder h dient na te komen en [appellant] veroordeeld zal worden tot betaling van een bedrag van € 77.731 aan [geïntimeerden] welk bedrag gelet op artikel 6:15 BW voor gelijke delen over [XX] en [YY] zal worden verdeeld.
De vordering tot veroordeling van [appellant] tot betaling van betalingsverplichtingen die nog zullen ontstaan voor Zonnis B.V. uit hoofde van het tegen Zonnis B.V. gewezen vonnis van 3 augustus 2022 inzake Rexel, wordt afgewezen (rechtsoverweging 4.15. - 4.16.)
- dat de rechtbank bij de veroordelingen geen rekening zal houden met het verrekening waarop [appellant] zich heeft beroepen. (rechtsoverweging 4.17.).
De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om zo wel aan [XX] als aan [YY] een bedrag te betalen van € 38.865,50. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten.
In conventie en in reconventie is het meer of anders gevorderde afgewezen.
Het hoger beroep
[appellant] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd.
[appellant] heeft geconcludeerd tot, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van 6 september 2023 als hersteld bij het herstelvonnis van 1 november 2023, en opnieuw rechtdoende
I tot toewijzen van de vorderingen van [appellant] in conventie en afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerden] in reconventie.
II tot hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van de procedure van beide instanties de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep concludeert [geïntimeerden] tot, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad,
in conventie:
bekrachtiging van het vonnis van 6 september 2022 (bedoeld zal zijn 6 september 2023, omdat de datum 6 september 2022 bij herstelvonnis van 1 november 2023 is gewijzigd in
6 september 2023, hof) als het gaat om de toegewezen hoofdsom en tot vernietiging als het gaat om de veroordeling tot betaling door [geïntimeerden] in de proceskosten,
met veroordeling van [appellant] in de volledige proceskosten in eerste aanleg en in principaal en incidenteel hoger beroep, vermeerderd met de nakosten.
[geïntimeerden] concludeert voorts tot veroordeling van [appellant] tot terugbetaling aan [geïntimeerden] van al datgene dat [appellant] heeft ontvangen als het gaat om de proceskosten veroordeling ten laste van [geïntimeerden] in eerste aanleg.
in reconventie:
bekrachtiging van het vonnis van 6 september 2022 (bedoeld zal zijn 6 september 2023, omdat de datum 6 september 2022 bij herstelvonnis van 1 november 2023 is gewijzigd in
6 september 2023, hof) als het gaat om de toegewezen hoofdsom en [appellant] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerden] van ieder een bedrag van
€ 38.865,50 en in zoverre dat vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende [appellant] te veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente over voormelde bedragen met ingang van 31 augustus 2022 tot aan de dag van de volledige betaling
met de veroordeling van [appellant] in de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep, te vermeerderen met de nakosten.
Bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep heeft [appellant] geconcludeerd tot, bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ongegrond verklaring van de grieven in incidenteel hoger beroep en [geïntimeerden] te veroordelen in de kosten van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.
Bevoegdheid
Omdat [appellant] ten tijde van de inleidende dagvaarding woonachtig was in België heeft het geschil internationale aspecten. Partijen hebben geen discussie gevoerd over dit onderdeel van de zaak en de rechtbank heeft niet beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is. Het hof dient evenwel ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is. Daar [appellant] [geïntimeerden] heeft opgeroepen voor het gerecht van de lidstaat waar deze haar woonplaats heeft is de Nederlandse rechter, op grond van artikel 4 in verbinding met artikel 62 Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechtelijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), bevoegd.
De grieven
Met grief 1 en de toelichting daarop betoogt [appellant] dat artikel 2.4 van de Side Letter, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, geen voorwaardelijke verbintenis betreft. Het woordje “after” ziet slechts op het moment van betaling. Op de vraag wanneer moet worden betaald en niet op de vraag of moet worden betaald. Zou het debiteurenrisico bij [appellant] zijn gelegd dan zou het logischer zijn geweest de openstaande debiteuren portefeuille aan hem te cederen, en dat is niet gebeurd.
In de Side Letter is, in artikel 3 onder 3.1, niet voor niets opgenomen “Zonnis will be responsible for the collection of the “oude debiteuren”, (…)”.
In de uitleg die de rechtbank geeft is er geen belang voor [geïntimeerden] om te incasseren. De door de rechtbank gegeven uitleg is daarom niet de meest voor de hand liggende uitleg. Daarmee is minder waarschijnlijk dat partijen voor ogen heeft gestaan dat artikel 2.4 van de Side Letter een voorwaardelijke verbintenis betreft.
Partijen hebben beoogd een niet-voorwaardelijke verbintenis overeen te komen.
Volgens [geïntimeerden] is artikel 2.4 in de side letter opgenomen omdat [appellant] het eigen vermogen wilde oppompen zonder dat daar iets tegenover stond. [XX] verwijst daarbij naar een verklaring van S. [persoon E] , financieel adviseur van [geïntimeerden] In die verklaring is onder andere opgenomen:
“(…) [persoon B] en [persoon A] wilden de onderneming van Zonnis B.V. kopen door de aandelen over te nemen, omdat zij graag wilden investeren in een lopende onderneming in plaats van zelf een nieuw bedrijf opzetten.
Daarbij werd namens [appellant] aangegeven, dat het ging om een goedlopend bedrijf dat zonder enig probleem kon worden voortgezet. Achteraf bleek dat anders te zijn.
(…)
Het eigen vermogen van De Energieparaplu B.V. (en daarmee Zonnis B.V.) werd bijvoorbeeld veel te hoog voorgesteld. (…)
Specifiek is nog overleg geweest over de debiteurenportefeuille. [appellant] wilde het eigen vermogen maar iedere keer zo hoog mogelijk ‘oppompen’ om maar te kunnen incasseren, terwijl daar niets tegenover stond. Tot mijn verbazing wilde hij ook, dat openstaande oude debiteuren onder het eigen vermogen zouden geschaard. (…)
Uiteindelijk is er een post van € 80.106,- opgenomen in een side-letter overeenkomst. (…)”.
Het hof overweegt dat in de e-mail van 11 april 2022 van [appellant] aan [persoon A] en [persoon B] is opgenomen:
“(…) Op 4 oktober zitten er 5 kopstukken gedurende 3 uur aan de tafel. Reden? Conflict over de overnameprijs van Zonnis. Onderdeel (…) de discussie vormt de openstaande debiteuren en crediteurenlijst. Een document wat maar liefst 9 pagina’s telt.
Die gehele lijst wordt uit ten treure doorgenomen. Iedereen aan tafel is het eens met de uitkomst. Het uiteindelijke saldo komt neer op € 80.106,-. Dat zijn alle crediteuren en debiteuren met elkaar verrekend. Het totaal wordt conform de SPA opgenomen op de overname balans. De boekhouding is daarmee rond en Zonnis wordt cash en debtfree opgeleverd (Artikel 3.3 e)
(…)
Er is heel duidelijk opgesteld in de side letter die bij de SPA hoort dat Zonnis verantwoordelijk is voor het ophalen van de (…)enstaande debiteuren (artikel 3, lid 3, 1). De lijst van openstaande debiteuren is op 4 oktober in zijn definitieve vorm opgenomen in de overeenkomsten die wij samen hebben getekend. (…)”.
Naar het oordeel van het hof kan op grond van het onder rechtsoverweging 3.6.2 genoemde en voornoemde e-mail van 11 april 2022 worden aangenomen dat partijen het eens zijn dat de post € 80.106,-- in de side letter is opgenomen omdat er een verschil van mening was over de waarde van de onderneming.
Gelet daarop dient te worden geoordeeld dat [geïntimeerden] niet heeft hoeven begrijpen dat zij dat bedrag sowieso zou moeten betalen, ook indien zij, althans Zonnis B.V., geen betaling van bedoelde debiteuren zou ontvangen.
Het hof volgt gelet op het voorgaande de uitleg van [geïntimeerden] dat als een betaling wordt ontvangen moet die worden doorbetaald, als meest voor de hand liggende uitleg. Het betoog van [appellant] dat die uitleg niet voor de hand ligt omdat voor [geïntimeerden] dan geen belang bestaat bij incasseren wordt gepasseerd. Voor [geïntimeerden] ligt het belang bij incasseren bij de afspraak in de side letter, in artikel 3 onder 3.1, dat “ (…) Zonnis will be responsible for the collection of the “oude debiteuren”(…)”.
Grief 1 faalt.
Met grief 2 en de toelichting daarop richt [appellant] zich tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.5. van het vonnis van 6 september 2023, dat van een “beletten” in de zin van artikel 6:23 BW geen sprake is.
Volgens [appellant] heeft [geïntimeerden] c.q. Zonnis B.V. zich onvoldoende ingespannen om de vorderingen op de debiteuren bedoeld in artikel 2.4 van de Side Letter te incasseren. [geïntimeerden] heeft geen actieve inspanning willen leveren.
Bij navraag door [appellant] bij schuldenaren van Zonnis B.V. of zij, na het sluiten van de koopovereenkomst, benaderd zijn in het kader van het incasseren van nog openstaande facturen, was het antwoord steeds ontkennend. [appellant] verwijst voorts naar de overgelegde verklaring van [persoon C] , oud medewerker van Zonnis B.V., die, zo betoogt [appellant] , signaleert dat er te weinig inspanning werd geleverd door Zonnis B.V.
Volgens [appellant] was het eenvoudig om met de betreffende debiteuren in contact te komen en had [geïntimeerden] met nauwelijks tot geen inspanningen tot incasso van de openstaande vorderingen kunnen geraken. Bij de totstandkoming van de Side Letter is uitvoerig aandacht besteed aan de debiteurenportefeuille, nota bene door de boekhouders. De inhoud en omvang was dan ook aan alle partijen bekend.
In februari 2023 heeft [geïntimeerden] het eigen faillissement van Zonnis B.V. aangevraagd. Dat is een omstandigheid die, volgens [appellant] , ingevolge artikel 6:23 BW ten laste van [geïntimeerden] moet worden gebracht.
Het voorgaande betekent volgens [appellant] dat [geïntimeerden] de vervulling van de voorwaardelijke verbintenis in artikel 2.4 van de Side Letter heeft belet.
Het gevolg daarvan is zo betoogt [appellant] dat het volledig resterende bedrag van de koopsom, ad (€ 80.106,-- minus € 13.824,56 ) = € 66.336,-- terstond opeisbaar is en dat [geïntimeerden] in verzuim verkeert.
Onder verwijzing naar hetgeen het hof heeft geoordeeld onder rechtsoverweging 3.6.3 oordeelt het hof dat de verbintenis tot betaling van [geïntimeerden] ontstaat op het moment dat van de zijde van [geïntimeerden] , (dat wil zeggen Zonnis B.V.) een betaling is ontvangen.
Daarmee is sprake van een opschortende voorwaarde als bedoeld in artikel 6:22 BW.
Dat [geïntimeerden] de vervulling van deze voorwaarde heeft belet is, door [appellant] , onvoldoende onderbouwd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [appellant] niet duidelijk heeft gemaakt waarom hij, althans Zonnis B.V., vóór de overdracht van de aandelen in de Energieparaplu B.V. de in artikel 2.4 van de Side Letter bedoelde oude debiteuren niet zelf heeft geïncasseerd indien dat mogelijk zou zijn. Dat had mede gelet op de, hierna onder 3.6.7 genoemde, tekst in het faillissementsverslag van 26 februari 2024 van de curator van Zonnis B.V., “(…) De curator begrijpt dat het gros van het bedrag aan debiteuren ziet op zeer oude vorderingen die niet incasseerbaar zijn. (…)”,
van [appellant] mogen worden verwacht. De verklaring van [persoon C] , die volgens [appellant] signaleert dat door Zonnis B.V. dan wel [geïntimeerden] te weinig inspanning werd geleverd, doet daar niet aan af. Evenmin doet daaraan af de verklaring van [persoon D] dat het onderdeel “oude debiteuren” door Zonnis B.V. niet werd “(…) gemanaged maar eerder doodgezwegen (…)”. Deze verklaringen zeggen immers niets over waarom [appellant] vóór bedoelde overdracht niet zelf heeft geïncasseerd. Aan het voorgaande doet daarom, voor zover daarvan uit zou moeten worden gegaan, evenmin af dat, naar het hof [appellant] begrijpt, [geïntimeerden] facturen van het incassobureau niet voldeed en het incassobureau zich heeft teruggetrokken.
Dat de post “negative creditors” kon worden geïncasseerd is evenmin voldoende onderbouwd. Ter mondelinge behandeling in hoger beroep is van de zijde van [appellant] aangevoerd dat als het waar is dat er nooit meer geld binnen komt dat je dan moet crediteren.
Dat [geïntimeerden] “other receivables” had kunnen incasseren is ook onvoldoende onderbouwd. [appellant] heeft deze post, op zichzelf niet onderbouwd, ook niet nadat het hof bij de mondelinge behandeling in hoger beroep een toelichting aangaand deze post heeft gevraagd. Hoe deze dan geïncasseerd moest worden en in welk opzicht [geïntimeerden] onvoldoende heeft gedaan om deze te incasseren is aan het hof niet duidelijk gemaakt.
Daarbij komt dat [geïntimeerden] naar het oordeel van het hof weliswaar zelf met de opname van voornoemde post van € 80.106,-- in de Side Letter heeft ingestemd, maar dat dat niet betekent dat zij deze ook kan incasseren, afgesproken is immers als iets wordt ontvangen dat moet wordt doorbetaald.
Gelet op de onvoldoende onderbouwing door [appellant] is bewijslevering niet aan de orde.
Grief 2 faalt.
Met grief 3 richt [appellant] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat niet vast staat dat Zonnis B.V. meer dan € 13.824,56 van debiteuren heeft ontvangen en tegen de veroordeling door de rechtbank van [geïntimeerden] tot betaling van dat bedrag en niet van een bedrag van € 80.106,--.
Uit het faillissementsverslag van Zonnis B.V. blijkt, volgens [appellant] , dat de curator namens Zonnis B.V. allerhande incassowerkzaamheden heeft verricht, waaronder betalingsregelingen met debiteuren. Het bedrag waarop [appellant] aanspraak kan maken is dus potentieel aanzienlijk hoger dan € 13.824,56.
Daar de informatie betreffende betalingsregelingen in het domein van [geïntimeerden] , Zonnis B.V. en de curator ligt nodigt [appellant] hen uit daarover openheid van zaken te geven, omdat [appellant] zonder deze informatie de hoogte van zijn subsidiaire vordering niet kan vast stellen. Volgens [appellant] dient [geïntimeerden] aan te tonen wat de achtergrond is van hetgeen in het faillissementsverslag is opgenomen ter zake van incassowerkzaamheden en ook wat nog wordt verricht en verwacht.
Verder ligt het aldus [appellant] voor de hand dat Zonnis B.V. de oninbare facturen heeft gecrediteerd en daarover betaalde btw heeft terug ontvangen. [appellant] betoogt dat dat een bedrag van € 13.930,56 moet zijn, welk bedrag op grond van de Side Letter aan [appellant] toekomt. In hoger beroep dient dit bedrag aanvullend aan [appellant] te worden toegewezen.
Het verzoek om op grond van artikel 21 en 22 Rv bij de memorie van antwoord relevante informatie in het geding te brengen ziet ook op informatie voor welk bedrag vorderingen zijn gecrediteerd en voor welk bedrag vervolgens btw retour is ontvangen.
Het hof oordeelt dat [appellant] nakoming van een verbintenis onder opschortende voorwaarde vordert. Daarmee rust op [appellant] de stelplicht en de bewijslast dat de voorwaarde niet langer aan nakoming in de weg staat omdat die in vervulling is gegaan. Hoge Raad 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228. Van [geïntimeerden] kan, nu de gegevens betreffende het incasseren van oude debiteuren in het domein van [geïntimeerden] liggen, evenwel worden verlangd dat zij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van haar betwisting van de stellingen van [appellant] teneinde [appellant] aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Hoge Raad 20 november 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0058 en Hoge Raad 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1058.
Naar het oordeel van het hof is evenwel gelet op het faillissement van Zonnis B.V. en de door [appellant] overgelegde faillissementsverslagen niet gebleken dat [geïntimeerden] meer heeft geïncasseerd dan het bedrag van € 13.824,56 tot betaling waarvan [geïntimeerden] door de rechtbank is veroordeeld.
In het faillissementsverslag van 26 februari 2024 is opgenomen “(…) De curator begrijpt dat het gros van het bedrag aan debiteuren ziet op zeer oude vorderingen die niet incasseerbaar zijn. (…)”.
Dat uit dat verslag, naar [appellant] betoogt, tevens blijkt dat de curator sinds het faillissement (met succes) allerhande incassowerkzaamheden heeft verricht en tevens
betalingsregelingen heeft getroffen met verschillende debiteuren, maakt gelet op voorgaande citaat niet dat het hier om oude debiteuren gaat, waarvoor artikel 2.4 van de Side Letter “(…) oldest debiteuren (…)”, is bedoeld.
In de omstandigheid dat sprake is van een faillissement kan naar het oordeel van het hof van [geïntimeerden] niet worden verwacht dat deze naast of tegenover hetgeen uit de faillissementsverslagen blijkt, feiten verschaft waaruit blijkt dat hetgeen daarin is opgenomen niet juist is teneinde [appellant] aanknopingspunten te verschaffen dat betreffende bedoelde oudste debiteuren meer is geïncasseerd. Daarbij komt dat door [appellant] geen omstandigheden zijn aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Weliswaar is ter mondelinge behandeling in hoger beroep van de zijde van [appellant] aangevoerd dat uit een nieuw faillissementsverslag blijkt dat er is geïncasseerd, maar nog daar gelaten dat van de zijde van [geïntimeerden] tegen de overlegging daarvan ter zitting bezwaar is gemaakt, en het hof overlegging daarvan niet heeft toegelaten, constateert het hof dat van de zijde van [appellant] ter zitting tevens is aangevoerd dat hij niet weet of het geïncasseerde betrekking heeft op oude debiteuren. Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat meer dan voornoemd bedrag van € 13.824,56 is of kan worden geïncasseerd, en is bewijslevering niet aan de orde. Aan het voorgaande doet niet af dat [geïntimeerden] zelf het faillissement van Zonnis B.V. heeft aangevraagd.
Het betoog van [appellant] dat aan hem een bedrag van €13.930,56 aan terugontvangen btw toekomt gaat evenmin op.
[geïntimeerden] heeft betwist dat sprake is van terugontvangen btw en dat partijen afspraken hebben gemaakt over betaling van terugontvangen btw door [geïntimeerden] aan [appellant] .
In het licht van die betwisting was het aan [appellant] om te onderbouwen dat partijen omtrent betaling aan [appellant] van terugontvangen btw door [geïntimeerden] afspraken hebben gemaakt, althans om feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan moet worden aangenomen dat [geïntimeerden] dat heeft behoren te begrijpen, zoals bijvoorbeeld een afspraak dat en waarover van de zijde van [geïntimeerden] btw zou worden teruggevorderd. Gelet op de omstandigheid dat de ontvangst door Zonnis B.V. – als daarvan al sprake zou zijn - van een btw-restitutie op de voet van art. 29 lid 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968 ter zake de onderhavige oninbare facturen van Zonnis B.V. niet in artikel 2.4 van de Side Letter is genoemd en door partijen ook geen andere bepaling waar dit uit volgt is genoemd en [appellant] geen omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat [geïntimeerden] een betalingsverplichting met betrekking tot terugontvangen btw heeft behoren te begrijpen, oordeelt het hof dat [appellant] dat onvoldoende heeft gedaan.
Grief 3 faalt
Met grief 4 en de toelichting daarop betoogt [appellant] , in de kern, dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.14 van het vonnis van 6 september 2023 ten onrechte heeft overwogen dat het de bedoeling van partijen was om de uitkomsten van de procedures voor risico van [appellant] te laten komen.
Volgens [appellant] is tussen partijen slechts afgesproken dat de eventuele kosten verbonden aan de procedures tegen Rexel, [B] en [C] voor rekening van [appellant] zouden komen.
Het betreft de proceskosten, buitengerechtelijke kosten, expertisekosten, etc voor zover niet door de rechtsbijstandsverzekeraar van Zonnis B.V. vergoed. De hoofdsom en de rente zou [appellant] niet behoeven te dragen. Dat laatste volgt volgens [appellant] uit de bewoordingen van artikel 3.3 onder h van de koopovereenkomst. Gelet op de tekst “(..) costs associated to
the lawsuits such as, but not limited to process costs (…)”, ligt de nadruk op het kostenaspect. Het is onaannemelijk dat partijen hebben beoogd dat [appellant] integraal garant zou staan voor alle financiële gevolgen voortvloeiende uit de betreffende procedures. Zou dat wel zijn beoogd dan zou in de tekst zijn opgenomen “financial consequences” en zou tot uitdrukking zijn gebracht dat die betalingsverplichting niet beperkt was tot de hoofdsom en de rente, maar ook betrekking zou hebben op toe te wijzen overige posten, te weten proceskosten, BIK, expertisekosten etc.
[appellant] betoogt verder dat een meer grammaticale uitleg voor de hand ligt, omdat partijen bij de totstandkoming ervan van deskundige rechtsbijstand werden voorzien.
Volgens [appellant] klemt dat temeer nu hij zelf na het sluiten van de koopovereenkomst met [geïntimeerden] geen invloed (meer) heeft gehad op de uiteindelijke uitkomst c.q. financiële gevolgen van deze procedures.
Zou de bepaling zo worden uitgelegd dat [appellant] integraal garant staat voor alle financiële gevolgen voortvloeiende uit de betreffende procedures dan zou [geïntimeerden] geen enkel belang meer hebben gehad bij een gunstige afwikkeling van de procedures.
De rechtbank heeft, aldus nog steeds [appellant] , ten onrechte geoordeeld dat Chrispijn zou hebben bevestigd dat [appellant] voor het geheel verantwoordelijk is.
Het hof constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat zij bij de totstandkoming van voornoemd artikel althans de koopovereenkomst deskundige bijstand hebben gehad. Naar het hof begrijpt was dat Gommers (bedrijfsmakelaar en architect van de SPA en Side Letter) aan de zijde van [appellant] en [persoon E] (directeur/eigenaar van [A] Administratie en Advies) aan de zijde van [geïntimeerden]
Volgens [geïntimeerden] is over de tekst onderhandeld hetgeen door [appellant] niet is betwist.
Het hof stelt voorop dat in de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101 is geoordeeld dat:
“(…) Ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. (…)”.
Zowel [appellant] als [geïntimeerden] beroepen zich op de taalkundige betekenis van de bepaling, zij geven daar evenwel beiden een andere duiding aan.
De duiding die [appellant] aan de taalkundige betekenis van 3.3 onder h geeft is dat deze ziet op het kosten aspect terwijl [geïntimeerden] stelt dat de woorden “the outcome” zien op de uitkomst van de procedure en niet alleen op de kosten. Verder in de betreffende bepaling wordt dan, aldus [geïntimeerden] , toegelicht dat het niet alleen gaat om wat er ten aanzien van de hoofdzaak wordt beslist, maar ook alle kosten in verband daarmee. Volgens [geïntimeerden] volg dat ook uit artikel 2.2 onder f van de letter of intent.
Naar het oordeel van het hof dient de uitleg van [geïntimeerden] te worden gevolgd
en heeft [appellant] geen feiten en omstandigheden gesteld die indien bewezen de door hem verdedigde uitleg kunnen dragen.
Gelet op de omstandigheid dat artikel 3 van de koopovereenkomst gaat over de Purchase price and payment en in 3.3 van dat artikel in de aanhef is bepaald dat de prijs mede is gebaseerd op de volgende principles and agreements en onder h is opgenomen
“ The outcome of the lawsuits with “Rexel”, “ [B] ” and “ [C] ” will be for the Risk of
The Seller and personally guaranteed by the Seller. As of the Transition Date, all income
as well as costs associated to the lawsuits such as, but not limited to process costs will be
to the risk and expense of the Seller unless covered by existing insurance policy. As soon
as a verdict has been made for any of the three lawsuits, parties will settle the financial
elements in the month following the verdict unless agreed differently between parties”
en gelet op de omstandigheid dat in de letter of intent is opgenomen dat
“The outcome of the lawsuits with “Rexel”, “ [B] ” and “ [C] ” will be for the Risk of The Seller. Financial settlement will be agreed in the Purchase Agreement.”
is de uitleg die [geïntimeerden] aan de woorden van artikel 3.3 onder h van de koopovereenkomst geeft meer aannemelijk dat de uitleg die [appellant] daaraan geeft.
Zonder nadere toelichting van [appellant] valt niet in te zien dat [geïntimeerden] voorgaande bepaling in redelijkheid zo heeft moeten begrijpen dat slechts de kosten, zoals [appellant] betoogt, van voornoemde procedures voor rekening van [appellant] zouden komen.
Gelet op het voorgaande is de uitleg die [geïntimeerden] aan de woorden van artikel 3.3 onder h van de koopovereenkomst geeft meer aannemelijk dan de uitleg die [appellant] daaraan geeft.
Grief 4 faalt.
Met grief 5 en de toelichting daarop betoogt [appellant] dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.15 van het vonnis van 6 september 2023 ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] het bepaalde in artikel 3.3 onder h dient na te komen. Volgens [appellant] is een betalingsverplichting van [appellant] afhankelijk van de vraag of Zonnis B.V. schade heeft geleden c.q. enige betaling heeft verricht op basis van de vonnissen in de procedures met Rexel, [B] en [C] .
Met artikel 3.3 onder h hebben partijen, aldus [appellant] , beoogd een bepaald risico voor de kopers, [geïntimeerden] , van Zonnis B.V., weg te nemen voor zover het de betaling van de (proces) kosten betreft. Het zou bovendien, zo betoogt [appellant] , in het licht van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn om een betalingsverplichting van [appellant] aan te nemen in de situatie dat het eigen faillissement van Zonnis B.V. is aangevraagd. [geïntimeerden] heeft dan geen kosten gemaakt, maar zou wel een vergoeding opstrijken. [geïntimeerden] en Zonnis B.V. zouden van een voor hen negatief luidend vonnis beter worden dan van een voor hen luidend positief vonnis.
Met grief 6 betoogt [appellant] dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.16 van het vonnis van 6 september 2023 ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van
€ 77.731,--.
Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat Zonnis B.V. een reële kostenpost c.q. schade ad € 77.731,-- zou hebben gehad vanwege (de uitkomst van) de procedures tegen Rexel, [B] en [C] .
Volgens [appellant] is Rexel door Zonnis B.V. niet betaald en is er dus ook geen schade. Het ter zake Rexel toegewezen bedrag van € 73.639,95 kan dan ook niet voor rekening van [appellant] komen.
[appellant] heeft zo betoogt hij geen inzicht in de door Zonnis B.V. verrichte betalingen in het kader van de verschillende procedures. Het verzoek ex artikel 21 en 22 Rv is er derhalve ook op gericht om inzicht in de desbetreffende betalingen van Zonnis B.V. te krijgen. [appellant] vordert afgifte van de bankafschriften van Zonnis B.V. waarop de (eventueel) gedane betalingen zijn terug te zien.
Volgens [appellant] zijn, voor zover Zonnis B.V. kosten heeft gemaakt, die kosten aftrekbaar. [geïntimeerden] althans Zonnis B.V. kan de btw component van het bedrag van € 77.731,-- terug krijgen van de Belastingdienst. Voor zover [geïntimeerden] geen btw heeft teruggevorderd dient dat op grond van artikel 6:101 BW voor haar rekening te komen, althans ex artikel 6:248 BW ten laste van [geïntimeerden] te worden gebracht.
Het hof zal de grieven 5 en 6 gezamenlijk behandelen.
Onder verwijzing naar hetgeen is geoordeeld ten aanzien van grief 4 oordeelt het hof dat grief 5 in zoverre niet opgaat dat artikel 3.3. onder h van de koopovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat slechts de kosten van genoemde procedures voor rekening van [appellant] komen. Naar het oordeel van het hof komt de uitkomst van de procedures voor rekening van [appellant] .
Nog daar gelaten, naar de rechtbank in rechtsoverweging 4.15 terecht heeft geoordeeld, dat in artikel 3.3 onder h niet is opgenomen dat schade moet zijn geleden of dat Zonnis B.V. daadwerkelijk bedragen heeft betaald, geldt dat [appellant] zijn stelling, met grief 6, dat [geïntimeerden] geen schade heeft geleden, niet voldoende heeft onderbouwd. [geïntimeerden] heeft immers al in eerste aanleg betoogd dat de aandelen van de Energieparaplu B.V. gelet op de uitkomst/het resultaat van de procedures in ieder geval € 60.000,-- minder waard waren en bij memorie van antwoord in principaal hoger beroep dat met de bepaling van de waarde van de aandelen van de Energieparaplu geen rekening is gehouden met de betalingsverplichting van Zonnis B.V. tot een bedrag van € 77.731,-- en het feit dat Zonnis B.V. is veroordeeld tot betaling aan Rexel één van de oorzaken van het faillissement van Zonnis B.V. is geweest.
Het hof constateert dat in het faillissementsverslag van 13 maart 2023, het faillissementsverslag van 12 juni 2023 en in het faillissementsverslag van 20 februari 2024 als een van de redenen van het faillissement van Zonnis B.V. is opgenomen “rechtszaken uit het verleden”.
In dat licht kan niet worden geoordeeld dat het op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om een betalingsverplichting van [appellant] aan te nemen in de situatie dat het eigen faillissement van Zonnis B.V. is aangevraagd.
Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat [geïntimeerden] btw terug had kunnen vorderen en voor zover zij dat niet heeft gedaan dat bedrag niet voor rekening van [appellant] dient te komen, geldt dat dit betoog niet opgaat, omdat ook indien er vanuit moet worden gegaan dat Zonnis B.V. btw over kosten had kunnen terugkrijgen, dat de veroordelingen niet anders maakt en partijen zijn overeengekomen dat de uitkomst van de procedures voor risico van [appellant] is. De grieven 5 en 6 falen.
Met grief 7 betoogt [appellant] dat de rechtbank hem ten onrechte in de proceskosten en de nakosten in reconventie heeft veroordeeld.
Het hof oordeelt dat deze grief, gelet op het falen van de grieven 4, 5 en 6, faalt.
Met grief A in incidenteel hoger beroep betoogt [geïntimeerden] dat zij ten onrechte in de proceskosten waaronder de nakosten in conventie is veroordeeld.
Volgens [geïntimeerden] is het niet conform artikel 237 Rv dat een grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten wordt veroordeeld en kan zij bovendien niet worden aangemerkt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Van de door [appellant] gevorderde € 80.106,-- is immers slechts € 13.824,56 toegewezen. Daarom dient, zo betoogt [geïntimeerden] [appellant] in de proceskosten te worden veroordeeld. Bij het voorgaande komt, aldus [geïntimeerden] , dat [appellant] voorafgaande aan de dagvaarding ervan op de hoogte was dat [geïntimeerden] slechts € 13.824,56 aan [appellant] verschuldigd was. Aldus hadden de proceskosten op zijn minst moeten worden gecompenseerd. Ter mondelinge behandeling heeft [geïntimeerden] nader aangevoerd dat de dagvaarding op de rolzitting van 20 juli 2022 is aangebracht, terwijl [geïntimeerden] reeds op 5 juli 2022 had erkend dat een betalingsverplichting harerzijds van € 13.824,56 bestond, gelet daarop had [appellant] zijn eis kunnen verminderen.
Het hof oordeelt als volgt. Dat [geïntimeerden] de verschuldigdheid van
€ 13.824,56, naar zij zelf stelt, al op 5 juli 2022 had erkend, maakt niet dat [appellant] zijn eis had moeten verminderen. De uiteindelijke betalingsverplichting van [geïntimeerden] is bij vonnis waarvan beroep vastgesteld, nadat partijen daarover hebben gestreden. Daarbij is [appellant] weliswaar voor het merendeel van zijn vordering in het ongelijk gesteld, maar is niet gebleken dat [geïntimeerden] gedurende de procedure in eerste aanleg het door haar erkende bedrag aan [appellant] heeft voldaan en is zij veroordeeld tot betaling van dat bedrag. In die zin zijn partijen over en weer in het ongelijk gesteld hetgeen, nu het oordeel betreffende de betalingsverplichting van [geïntimeerden] in hoger beroep in stand is gebleven, betekent dat dat de proceskosten naar het oordeel van het hof in eerste aanleg in conventie gecompenseerd hadden moeten worden en dat het vonnis van 6 september 2023 waarvan beroep in zoverre zal worden vernietigd en dat het hof opnieuw rechtdoende de proceskosten in eerste aanleg in conventie zal compenseren.
Grief A in incidenteel hoger beroep slaagt in zoverre en behoeft gelet daarop geen verdere beoordeling.
Het voorgaande brengt mee dat [appellant] zal worden veroordeeld tot terugbetaling aan [geïntimeerden] van hetgeen [appellant] aan proceskostenvergoeding, waartoe [geïntimeerden] in eerste aanleg in conventie was veroordeeld, heeft ontvangen.
Met grief B in incidenteel hoger beroep betoogt [geïntimeerden] dat zij haar reconventionele vordering vermeerdert met de wettelijke handelsrente met ingang van 31 augustus 2022.
Het hof stelt vast dat [appellant] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de eiswijziging van [geïntimeerden] Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.
Het hof oordeelt dat de vordering tot veroordeling van [appellant] tot betaling aan [XX] en [YY] ieder van de wettelijke handelsrente over een bedrag van
€ 38.865,50 zal worden afgewezen.
De omstandigheid dat [appellant] de kosten van de procedure in zake Rexel draagt betekent, anders dan [geïntimeerden] betoogt, niet dat sprake is van voldoening van een geldsom uit een handelsovereenkomst. Dat [appellant] die kosten draagt betekent dat de overname van de Energieparaplu B.V. voor [geïntimeerden] tot lagere kosten leidt. Dat het bij de overname van de Energieparaplu B.V. gaat om een overeenkomst in de uitoefening van beroep of bedrijf van [appellant] is door [geïntimeerden] onvoldoende onderbouwd. Dat de verkoop door [appellant] van de aandelen in de Energieparaplu B.V. als zodanig kan worden aangemerkt, kan zonder nadere toelichting door [geïntimeerden] die de wettelijke handelsrente vordert niet worden aangenomen.
Grief B in incidenteel hoger beroep faalt.
Slotsom
Gelet op het falen van de grieven in principaal hoger beroep, het falen van grief B in incidenteel hoger beroep en het slagen van grief A in incidenteel hoger beroep, zal het vonnis van 6 september 2023 waarvan beroep worden vernietigd als geoordeeld onder 3.6.18 en voor het overige worden bekrachtigd.
Gelet op het falen van de grieven in principaal hoger beroep zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal hoger beroep worden veroordeeld.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] zullen vastgesteld worden op:
Griffierechten € 2.135,--
Salaris advocaat € 4.426,-- (2 punt(en) x tarief IV)
Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 6.739,--
gelet op het slagen van grief A in incidenteel hoger beroep en het falen van grief B in incidenteel hoger beroep zal het hof de proceskosten in incidenteel hoger beroep compenseren.
[appellant] zal worden veroordeeld tot terugbetaling aan [geïntimeerden] van hetgeen [appellant] aan proceskostenvergoeding, waartoe [geïntimeerden] in eerste aanleg in conventie was veroordeeld, heeft ontvangen.
De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
vernietigt het vonnis van 6 september 2023 waarvan beroep voor zover [geïntimeerden] . is veroordeeld tot betaling van de proceskosten in conventie en
opnieuw rechtdoende compenseert de proceskosten in eerste aanleg aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
bekrachtigt het vonnis van 6 september 2023 voor het overige;
veroordeelt [appellant] tot terugbetaling aan [geïntimeerden] van hetgeen [appellant] aan proceskostenvergoeding, waartoe [geïntimeerden] in eerste aanleg in conventie was veroordeeld, heeft ontvangen;
verklaart de veroordeling tot terugbetaling uitvoerbaar bij voorraad;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het principaal hoger beroep van € 6.739,--, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in incidenteel hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy, Z.D. van Heesen - Laclé en R.L.G. Kraaijvanger en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 juli 2025.
griffier rolraadsheer