ECLI:NL:GHSHE:2025:2077

ECLI:NL:GHSHE:2025:2077, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24-07-2025, 200.342.913_01 en 200.342.913_02

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 24-07-2025
Datum publicatie 14-01-2026
Zaaknummer 200.342.913_01 en 200.342.913_02
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

bekrachtiging beslissing rechtbank beëindiging gezamenlijk gezag; eenhoofdig gezag; tijdelijke ontzegging omgang

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 24 juli 2025

Zaaknummers: 200.342.913/01 (beëindiging gezag)

200.342.913/02 (verzoek voorlopige voorzieningen)

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/310933 / FA RK 22-4085

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende op een bij het hof bekend adres,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S.L.B. Duijf,

tegen

[de moeder] ,

wonende op een bij het hof bekend adres,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.C. van Kasteren.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestiging] ,

hierna te noemen: de raad.

In het kort:

Deze zaak gaat over [minderjarige] (hierna [minderjarige] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2018.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 29 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 juni 2024, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen:

- dat het verzoek van de moeder terzake eenhoofdig gezag afgewezen dient te worden;

- dat het verzoek van de moeder terzake de omgang afgewezen dient te worden, voor zover de moeder voor altijd begeleide omgang wenst;

- dat het contact tussen de vader en [minderjarige] wordt opgebouwd via de OKD regeling (ouder kind programma binnen detentie) en dat hierna, afhankelijk van, of en voor zover de man (nog) in detentie is, de regeling wordt uitgebreid (eventueel na een hernieuwd onderzoek door de raad) en er een contact casu quo omgangsregeling zal worden bepaald tussen vader en [minderjarige] een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot zondagavond tot 18.00 uur en een dag door de week na school tot 19.00 uur bij de vader zal verblijven, althans een zodanige regeling vast te stellen als het hof juist acht.

Dit verzoek is geadministreerd onder zaaknummer 200.342.913/01 (hoofdzaak).

De vader heeft in zijn beroepschrift tevens verzocht om een voorziening op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te treffen. De vader heeft verzocht te bepalen, voor de duur van het geding, een (begeleide) zorg- en contactregeling casu quo omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] , eenmaal per maand op de zaterdag twee uren binnen de penitentiaire inrichting, althans een zodanige regeling die het hof juist acht.

Dit verzoek is geadministreerd onder zaaknummer 200.342.913/02 (voorlopige voorziening).

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 17 juli 2024, heeft de moeder verzocht de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

De eerste mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 november 2024. Na opening van de mondelinge behandeling heeft mr. Duijf een aanhoudingsverzoek gedaan omdat de vader niet aanwezig was. Blijkbaar was er bij de Penitentiaire Inrichting iets misgegaan bij het regelen van vervoer. Dit verzoek om aanhouding is door het hof toegewezen.

De mondelinge behandeling is voortgezet op 22 april 2025. Zowel de vader en de moeder bleken toen afwezig in verband met een treinstoring. Beide advocaten waren wel aanwezig en verzochten aanhouding. Dit verzoek heeft het hof toegewezen.

De mondelinge is voortgezet op 17 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader (verlaat), bijgestaan door mr. Duijf;

-de moeder, bijgestaan door mr. Van Kasteren;

- [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het V6-formulier van de advocaat van de vader d.d. 14 november 2024 met bijlagen (producties 12-16 en begeleid schrijven);

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 5 maart 2025 met bijlage (productie 1).

Omdat de vader inmiddels niet meer in detentie zit, heeft de advocaat namens de vader tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken.

In de hoofdzaak heeft de advocaat namens de vader zijn verzoek betreffende de omgang zoals hiervoor onder 2.1. beschreven gewijzigd in die zin dat de vader verzoekt dat het verzoek van de moeder tot ontzegging van de omgang alsnog wordt afgewezen en dat er een contact /omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] wordt bepaald, althans een zodanige regeling die het hof juist acht.

3. De feiten

Partijen hebben tot juni 2022 een affectieve relatie met elkaar gehad en tijdens die relatie is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder. De vader en de moeder oefenden vanaf 7 juli 2022 tot aan de bestreden beschikking gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank bepaald dat het gezamenlijk gezag over [minderjarige] wordt beëindigd en dat de moeder voortaan alleen het gezag toekomt over [minderjarige] . Voorts heeft de rechtbank de laatstelijk overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd en de vader tijdelijk het recht op omgang met [minderjarige] ontzegd.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

4. De beoordeling

Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv (zaaknummer 200.342.913/02)

De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ingetrokken. Het hof zal de vader daarom nietontvankelijk verklaren in dit verzoek.

Hoofdzaak (zaaknummer 200.342.913/01)

Gezag

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan. De vader is het niet eens met de overweging van de rechtbank dat het gezamenlijk gezag beëindigd dient te worden en dat het gezag voortaan alleen aan de moeder toekomt, omdat er anders een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen en wijziging van het gezag ook anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.

Voor gezamenlijk gezag is nodig dat beide ouders voldoende hebben gedaan om tot verbetering van de onderlinge verstandhouding en constructieve communicatie te komen. De kern in deze zaak is dat beide ouders diverse triggers hebben, dat van elkaar weten en daarop acteren naar de ander. De vader heeft hulp aanvaard en dat leidt reeds tot positieve resultaten. Hij neemt de verantwoordelijkheid voor zijn gedrag, ziet de noodzaak in en is gemotiveerd om aan zijn doelen te werken om succesvol terug te keren in de maatschappij. De vader heeft daarmee ook de belangen van [minderjarige] voor ogen. De rechtbank heeft de vader geen kans heeft gegeven. De stijgende lijn die de vader ten tijde van de procedure bij de rechtbank al liet zien, heeft zich nadien voortgezet. De vader toont aan dat hij aan zichzelf werkt. Hij heeft een vaste baan en al anderhalf jaar een relatie. De vader is clean en hij is ook bezig met een hulpverleningstraject en bovendien staat hij onder controle van de reclassering. De vader is veranderd en dient derhalve ook de mogelijkheid te krijgen zichzelf hierin te bewijzen. Het afnemen van het gezag voelt voor de vader als een afstraffing, terwijl hij juist zo zijn best doet.

De moeder voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - het volgende aan. Zonder constructieve communicatie tussen de ouders kan er geen sprake zijn van gezamenlijk gezag. De vader heeft het contactverbod overtreden en doordat hij zichzelf niet in toom kan houden, blijft hij grenzen overschrijden. De vader laat dus helemaal niet zien dat hij verantwoordelijkheid neemt en/of aan zichzelf werkt, laat staan met positieve resultaten. Voorafgaand aan het hoger beroep heeft de vader een rouwadvertentie geplaatst waarmee zijn eigen dood werd aangekondigd. Bovenop de gronden die al aanwezig waren voor het verzoek tot gezagsbeëindiging, loopt er nu ook een gruwelijke strafzaak tegen de vader. De overtreding van het contactverbod door de vader en de bedreiging van de moeder door de vader, zijn in deze strafzaak gevoegd.

De vader kampt met ernstige verslavingsproblematiek en verdwijnt daardoor vaak van de radar. Dit maakt hem als vader onbetrouwbaar en dat is teleurstellend voor [minderjarige] . Het is voor de moeder ondenkbaar om met de vader samen te moeten werken in het kader van gezamenlijk gezag. De moeder zou daaraan onderdoor gaan. De moeder is zelf stabiel en zorgt goed voor [minderjarige] . Gezamenlijk gezag kan niet in het belang van [minderjarige] worden geacht.

De raad heeft geadviseerd om de bestreden beschikking op dit punt te bekrachtigen. Bij ouderlijk gezag hoort ook de plicht een verantwoordelijke ouder te zijn. De vader heeft weinig inlevingsvermogen voor wat dit allemaal voor [minderjarige] betekent.

De weg naar stabiliteit moet worden ingezet en dat lukt de vader niet. De eerste stap is dat de vader aantoonbaar clean moet zijn, aantoonbaar in contact moet zijn met hulpverlening en zich begeleidbaar opstelt. Hij zal minstens een jaar een vast adres moeten hebben en er zouden geen politiemeldingen meer moeten komen. Daarvan is niet gebleken.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader verklaard dat hij onlangs nog onder invloed van alcohol op een scooter heeft gereden en dat zijn rijbewijs is ingevorderd.

Ondanks dat het raadsrapport al anderhalf jaar oud is, ziet de raad op dit moment geen aanleiding voor een nieuw raadsonderzoek. Dat heeft geen meerwaarde zolang de vader niet stabiel is. Het is algemeen bekend dat als iemand van ver komt, er vaak 1 stap vooruit en 2 stappen achteruit gezet worden. De raad hoopt dat het goed gaat met de vader, ook voor [minderjarige] .

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Vaststaat dat op 7 juli 2022 in het gezagsregister is aangetekend dat de vader en de moeder gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] zijn belast.

Tussen partijen is niet in geschil, en voldoende is vast komen te staan, dat er (onder meer met het beëindigen van de relatie van partijen) sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan een (her)beoordeling van het gezag over [minderjarige] aan de orde is.

Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat een wijziging in het gezag, in die zin dat de moeder voortaan het gezag alleen uitoefent, in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.

De 7-jarige [minderjarige] heeft turbulente jaren meegemaakt waarin hij werd geconfronteerd met huiselijk geweld en een onvoorspelbare vader die regelmatig (problematisch) veel alcohol en drugs gebruikte. Het lukt de vader niet een betrouwbare vader te zijn en [minderjarige] op de eerste plaats te zetten. Hoewel de vader in hoger beroep heeft betoogd dat hij een positieve ontwikkeling doormaakt, is dat op geen enkele manier gebleken. De vader heeft daarvan geen aantoonbare stukken (zoals bijvoorbeeld verslagen van de reclassering of bewijs van deelname aan hulpverlening) overgelegd. Bij de uitoefening van het gezamenlijk gezag hoort ook de verplichting om de (ouderlijke) verantwoordelijkheid te dragen.

Dat lukt de vader niet en er valt ook niet te verwachten dat er binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal optreden. De vader heeft tijdens het raadsonderzoek een terugval gehad, komt steeds in aanraking met justitie en verdwijnt met momenten volledig van de radar.

Het feit dat bij aanvang van de mondelinge behandeling in hoger beroep bij monde van de advocaat van de vader onduidelijk was of de vader zou verschijnen, hij ook niet meer in contact stond met zijn advocaat en vervolgens te laat bij het hof verschijnt, is in dit verband tekenend. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader niet zijn verantwoordelijkheid genomen of het zelfinzicht getoond over wat een en ander betekent voor het goed kunnen vervullen van zijn ouderrol en voor [minderjarige] .

Voor de uitoefening van gezamenlijk gezag is verder vereist dat de ouders beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Mede door drank- en drugsmisbruik is er geen constructieve communicatie tussen de vader en de moeder mogelijk. Daarbij komt dat aan de vader een contactverbod is opgelegd dat nog loopt tot eind 2027. Het is de vader weliswaar toegestaan contact met de moeder te hebben in het kader van [minderjarige] maar de moeder voelt zich ernstig bedreigd door het terugkerend grensoverschrijdend gedrag van de vader. Het is in het belang van [minderjarige] dat de moeder in rust zelf de verantwoordelijkheid kan nemen voor beslissingen over [minderjarige] .

Hiermee is voldaan aan de criteria van artikel 1:253n BW. Al het overige dat door de vader is aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

Omgangsregeling

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan. De tijdelijke ontzegging van het recht op omgang dient te worden teruggedraaid. Het is in het belang van [minderjarige] om omgang met de vader te hebben. Het contact dient te worden hersteld zodat de vader kan laten zien dat hij een nieuwe start heeft gemaakt en daarin serieus is.

Voorheen heeft de vader er moeite mee gehad om zijn vaderrol te pakken en de (begeleide) zorgregeling vol te houden en/of afspraken na te komen om daarmee een stabiele, betrouwbare factor in het leven van [minderjarige] te zijn. De vader is inmiddels uit detentie en heeft zijn gedrag verbeterd. De vader is clean, stelt het belang van [minderjarige] voorop en is in staat tot een gedragsverandering waarbij hij openstaat voor hulpverlening en deze ook daadwerkelijk benut. De vader betreurt het dat de raad geen verder onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden tot videobellen en hoopt dat de raad alsnog een nieuw onderzoek zal starten zodat er toegewerkt kan worden naar contactherstel.

De moeder voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat - het volgende aan. Gelet op het evident grensoverschrijdend gedrag van de vader jegens de moeder en de verwachting dat dit niet binnen afzienbare tijd anders zal worden, is geen enkele vorm van omgang in het belang van [minderjarige] . De moeder gelooft niets van de goede voornemens van de vader. De gruwelijkheden uit de strafzaak hebben hun weerslag op de moeder gehad en zij moet er op dit moment niet aan denken dat [minderjarige] op welke manier dan ook omgang met de vader zou hebben. De moeder zou zich zodanig zorgen maken dat zij er waarschijnlijk zelf aan onderdoor zou gaan.

Daarbij is de vader wegens zijn ernstige verslavingsproblematiek onvoorspelbaar en verdwijnt hij regelmatig van de radar. De keren dat er in het verleden omgang tussen de vader en [minderjarige] zou zijn, kwam er telkens vanuit de kant van vader iets tussen. Hierdoor raakte [minderjarige] erg teleurgesteld. De moeder gunt [minderjarige] omgang met de vader maar dat dat vereist sowieso professionele begeleiding. Het is noodzakelijk dat de vader eerst structureel clean en stabiel wordt en zijn leven op de rit heeft. Daarvan is nu geen sprake en omgang zou op dit moment onmogelijk veilig kunnen en volkomen onverantwoord voor [minderjarige] zijn. Het belang van [minderjarige] vereist dat de bestreden beschikking ook op dit punt bekrachtigd wordt.

De raad heeft het volgende geadviseerd. [minderjarige] is nog erg jong en hij heeft het echt nodig dat wanneer er omgang met de vader is, dat de vader dan ook echt komt en dat ze het leuk hebben. De vader is vanwege zijn verslaving echter niet in staat voldoende voorspelbaar en betrouwbaar te zijn. Het is een feit van algemene bekendheid dat als een ouder onder invloed is tijdens het contact met een kind, dat erg schadelijk is voor het kind. De figuur van de vader is omgeven door gevoelens van onveiligheid. De raad vindt het gedrag van de vader tijdens de mondelinge behandeling op het randje van grensoverschrijdend.

Het verzoek van de vader om te videobellen kan pas worden toegewezen op het moment dat er sprake is van een herstel en dat het fijn is met de vader. Er moet niet een te grote inbreuk worden gemaakt op de veilige haven bij de moeder thuis. De vader stelt dat hij een eigen woonruimte en werk heeft en dat is een eerste stap. Het is echter een vereiste dat de vader echt stabiel wordt en het vertrouwen wint van de moeder en van de hulpverlening. De moeder moet in staat worden gesteld om [minderjarige] met een veilig gevoel aan de vader af te geven. Er is nog steeds werk aan de winkel voor de vader. De vader zal moeten aantonen dat hij hulp heeft gehad en dat het ook beklijft. Hij moet aantoonbaar clean zijn, een vast adres hebben en geen politiemeldingen meer krijgen. Pas dan is er ruimte voor een begeleide omgangsregeling.

Het hof overweegt als volgt.

Nu het gezamenlijk gezag is beëindigd, is artikel 1:377a BW van toepassing op de verzoeken betreffende de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] .

Op grond van artikel 1:377a BW heeft een kind recht op omgang met onder meer zijn ouders en heeft de niet met het gezag belaste ouder recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op verzoek van (een van) de ouders stelt de rechter een regeling vast inzake de uitoefening van het omgangsrecht dan wel ontzegt hij het recht op omgang. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof deugdelijk gemotiveerd waarom de rechtbank de vader het recht op omgang heeft ontzegd. Het hof schaart zich, na eigen onderzoek, achter de adviezen van de raad en de overwegingen van de rechtbank in de bestreden beschikking en maakt die tot de zijne. In aanvulling daarop en onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 4.6.4. is overwogen, overweegt het hof nog het volgende naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd.

De vader dient eerst intensief en consequent aan zijn (verslavings)problematiek te werken om een vader voor [minderjarige] te kunnen zijn. Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat er nog steeds ernstige zorgen bestaan omtrent de vader en zijn problematiek, de zorgwekkende uitspraken die hij doet en het zeer zorgelijke gedrag dat hij vertoont, waarbij hij recentelijk nog in aanraking is gekomen met de politie, terwijl hij pas in november 2024 uit detentie is gekomen.

Weliswaar stelt de vader dat er veel ten goede is gekeerd, te weten een vaste baan, een stabiele relatie en huisvesting, maar daarvan is niet gebleken op de mondelinge behandeling anders dan de mededeling daarvan door de vader zelf. Ook het gestelde ten aanzien van zijn clean zijn, dat van het grootste belang is voor het contact met [minderjarige] , is niet met enig bewijs onderbouwd.

Los daarvan is ook van belang dat de moeder in staat gesteld moet kunnen worden [minderjarige] veilig in handen van de vader te geven. [minderjarige] is in het verleden getuige geweest van huiselijk geweld tussen de vader en de moeder waarbij hij de vader met momenten ook onder invloed van middelen zag. Dit is schadelijk voor [minderjarige] en voor zijn gevoel van emotionele en fysieke veiligheid. De moeder kan de vader daarin, gezien zijn verslavingsproblematiek, nog steeds niet vertrouwen.

Tijdens de mondelinge behandeling is er nog een voorval besproken waarbij er vrij recent nog telefonisch contact is geweest tussen de vader en de moeder. De aanleiding daartoe was het feit dat de vader had vernomen van de ziekte van de grootmoeder (moederszijde) van [minderjarige] en dat de vader de moeder hiermee sterkte wilde wensen. Hoewel het de moeder beangstigde om de vader te spreken, verliep het gesprek in eerste instantie redelijk. Uiteindelijk wilde de vader contact met [minderjarige] afdwingen waarop de moeder aangaf dat de vader eerst aan zichzelf moet werken. Daarop bleef de vader, tegen de zin van de moeder en ondanks het contactverbod, contact met de moeder zoeken. Naar zeggen van de moeder is de vader zich toen weer dusdanig dreigend en beledigend richting haar gaan uiten dat de moeder hem uiteindelijk heeft moeten blokkeren. Hierdoor heeft de moeder geenszins het vertrouwen dat de vader clean en echt veranderd is. Ook heeft de vader op de mondelinge behandeling eerlijk bekend dat hij onlangs onder invloed op een scooter heeft gereden waardoor zijn rijbewijs is ingevorderd. Ondanks dat de vader daarover eerlijk is geweest, legde hij de verantwoordelijkheid buiten zichzelf en deed hij het af als een kleinigheidje (‘op een festival wordt altijd gedronken’).

Onder al deze omstandigheden, waarbij het hof mede in aanmerking neemt het feit dat de vader is veroordeeld wegens bedreiging richting de moeder, er nog een contactverbod loopt tot eind 2027 en het aanhoudende zorgwekkende gedrag van de vader, kan niet van de moeder verwacht worden dat zij [minderjarige] met een veilig gevoel omgang met de vader laat hebben.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vader op dit moment kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang met [minderjarige] en dat omgang op dit moment strijdig is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] zodat sprake is van een ontzeggingsgrond als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW. De rechtbank heeft derhalve terecht de omgangsregeling gewijzigd en het recht op omgang van de vader met [minderjarige] tijdelijk ontzegd. De grieven van de vader falen.

Het hof zal het hof het verzoek van de vader om een omgangsregeling afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

Het hof ziet evenals de raad geen aanleiding om een nieuw raadsonderzoek te gelasten, zoals door de vader tijdens de mondelinge behandeling verzocht. Het had op de weg van de vader gelegen om aan te tonen dat hij clean is, hulpverlening heeft aanvaard en zijn leven structureel op de rit heeft. Zolang dat niet is gebeurd, zal een onderzoek niet leiden tot een ander advies. Bovendien acht het hof zich voldoende geïnformeerd om te beslissen.

Beslist wordt als volgt.

5. De beslissing

Het hof:

in de zaak met nummer 200.342.913/02:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen;

in de zaak met nummer 200.342.913/01:

bekrachtigt de op 29 maart 2024 tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.M.D.M. van der Linden en M.L.F.J. Schyns en is op 24 juli 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. E.M.D.M. van der Linden in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?