GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.329.535/01
arrest van 29 juli 2025 op het verzoek strekkende tot verbetering in de zin van artikel 31 en 32 Rv van het tussen partijen gewezen arrest van 22 april 2025
in de zaak van
1. [QQ] Onroerende Zaak B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [QQ] Rundveehouderij IJsselstein B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3. [appellant sub 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
4. [appellant sub 4] ,wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten] , en respectievelijk als LIJOZ, LRVIJ, en [appellanten 3+4] ,
advocaat: mr. J.J.M. van Lint te Leiden,
tegen
1. [YY] Fiscaal Juridisch Adviesbureau,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
3. [geïntimeerde sub 3] ,wonende te [woonplaats] ,
4. [geïntimeerde sub 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
5. [YY] Fiscaal Juridisch Adviesbureau LLP,
gevestigd te [vestigingsplaats] , England, kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerden sub 1 tot en met 5, hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden 1] ,
en respectievelijk als [YY] FJA, [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] , [geïntimeerde sub 4] en [YY] LLP, en geïntimeerden sub 1 t/m 4 gezamenlijk als [geïntimeerden 1 T/M 4] ,
advocaat: mr. W.F. Hendriksen te Amsterdam,
6. [geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] (Limburg),
7. [+++] B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats] (Limburg),
geïntimeerden sub 6 en 7,
hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden 6+7] , en respectievelijk als [geïntimeerde] en [+++] ,
advocaat: voorheen mr. R.B. Gerretsen te Rotterdam, thans zonder advocaat.
Bij brief van 22 mei 2025 heeft mr. Lint een verzoek tot aanvulling van het arrest van 25 april 2025 ex artikel 32 Rv gedaan. Mr. Lint stelt dat het arrest niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard terwijl daar bij memorie van grieven wel om is verzocht. Mr. Lint betoogt dat op grond van jurisprudentie het alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een arrest bij aanvulling ex artikel 32 Rv mogelijk is.
Mr. Hendriksen heeft bij brief van 26 mei 2025 gereageerd en heeft het hof verzocht voorbij te gaan aan het verzoek van mr. Lint. Volgens mr. Hendriksen is ten aanzien van de veroordeling geen sprake van een kennelijke fout, nu op basis van een zijnerzijds ingewonnen cassatieadvies cassatie kansrijk is en indien het arrest uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard [appellanten] hangende een beroep in cassatie een schadestaatprocedure aanhangig kan maken hetgeen zijns inziens indruist tegen de proceseconomische belangen van partijen.
Mr. Gerretsen heeft het hof bericht (bij telefoongesprek met de griffie d.d. 5 juni 2025) dat [geïntimeerden 6+7] zich bij de stellingname van [geïntimeerden 1] aansluit.
Het hof heeft partijen vervolgens op 20 juni 2025 bericht op basis van het voorgaande voldoende te zijn ingelicht teneinde op het verzoek te kunnen beslissen.
Het hof wijst het verzoek van mr. Lint tot verbetering, althans aanvulling, van het arrest gedeeltelijk toe. Naar het oordeel van het hof is het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de proceskostenveroordeling een kennelijke fout die op grond van artikel 31 Rv kan worden hersteld dan wel een omissie die het hof op grond van artikel 32 Rv kan aanvullen. Het hof acht daartoe het volgende redengevend.
uitvoerbaarverklaring bij voorraad verklaringen voor recht
Het verzoek de verklaringen voor recht uitvoerbaar bij voorraad te verklaren wordt afgewezen. Naar hun aard betreffen deze verklaringen een declaratoire veroordeling, in welk geval een uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet in aan de orde is.
proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad
Voor zover het verzoek strekt tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de proceskostenveroordeling, wordt dit gehonoreerd.
Het hof heeft in het arrest van 25 april 2025 de proceskosten in hoger beroep gecompenseerd, de beslissing inzake de proceskostenveroordeling in eerste aanleg vernietigd en opnieuw rechtdoende in hoger beroep de proceskosten in eerste aanleg (alsnog) gecompenseerd. Deze proceskostenveroordeling brengt met zich dat de ter uitvoering van de het vonnis in eerste aanleg door [appellanten] aan [geïntimeerden 1] en [geïntimeerden 6+7] betaalde bedragen uit hoofde van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg gedeeltelijk onverschuldigd zijn betaald. [appellanten] heeft in hoger beroep niet gevorderd [geïntimeerden 1] en [geïntimeerden 6+7] te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen hij reeds ter uitvoering van het vonnis in eerste aanleg heeft voldaan. Hij heeft wel verzocht om uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de proceskostenveroordeling, zodat hij daar recht op en belang bij heeft. Het hof zal de proceskostenveroordeling alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Het hof:
bepaalt dat het dictum als volgt moeten worden verbeterd en gewijzigd. Vóór de laatste beslissing, inhoudende de afwijzing van het overigens gevorderde, wordt aan het dictum toegevoegd:
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
Dit arrest is gewezen door mrs. Z.D. van Heesen-Laclé, J.W. van Rijkom en Chr.F. Kroes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 juli 2025.
griffier rolraadsheer