ECLI:NL:GHSHE:2025:2103

ECLI:NL:GHSHE:2025:2103, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29-07-2025, 200.339.874_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 29-07-2025
Datum publicatie 03-12-2025
Zaaknummer 200.339.874_01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005289

Samenvatting

geschil tussen ex-samenwoners over toedeling van woning.

Uitspraak

6. De feiten en de vorderingen in deze zaak.

In deze zaak kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, welke relatie in februari 2022 is verbroken;

partijen zijn de ouders van [kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en [kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

partijen hebben op 25 juli 2014 in gemeenschappelijk eigendom een woning verworven aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning), ieder voor de onverdeelde helft;

op de woning rust een hypothecaire geldlening bij de ING Bank, waarvoor partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn. Deze geldlening bestaat uit een hypotheek (met [nummer] ) met een totale hoofdsom van € 283.920,--, afgesloten op 25 juli 2014 en een hypotheek (met [nummer] ) met een totale hoofdsom van € 66.560,--, afgesloten op 20 september 2019;

de man heeft de echtelijke woning op 15 februari 2022 verlaten, doch de man heeft tot 23 maart 2022 in het kader van “birdnesting” in de weekenden met de kinderen in de woning verbleven.

De man heeft in eerste aanleg – in conventie gevorderd – kort gezegd- de wijze van verdeling van de woning te gelasten overeenkomstig het in het lichaam van de dagvaarding opgenomen spoorboekje, waarbij de man als eerste de gelegenheid krijgt de woning aan zich te doen toedelen. De vrouw heeft verweer gevoerd en in reconventie gevorderd dat de wijze van verdeling van de woning aldus wordt gelast dat zij de eerste mogelijkheid krijgt om de woning aan zich te doen toedelen. Voorts heeft de vrouw gevorderd dat de man een bedrag van € 55.000,= aan haar voldoet vanwege een door de vrouw gestelde geldlening en van

€ 20.000,= vanwege door de vrouw gestelde investering in de woning.

De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 8 maart 2023 een comparitie van partijen gelast. De comparitie is gehouden op 15 juni 2023. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

In het bestreden eindvonnis van 28 februari 2024 heeft de rechtbank in conventie en in reconventie en uitvoerbaar bij voorraad, de wijze van de verdeling van de gemeenschappelijke woning van partijen aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] als volgt gelast, voor zover thans van belang,: de vrouw krijgt binnen drie maanden na de datum van het vonnis van 28 februari 2024 als eerste de gelegenheid om de woning over te nemen tegen de vastgestelde waarde, waarbij de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid uit hoofde van de op de woning rustende hypothecaire geldlening en waarbij de vrouw op het moment van het verlijden van de akte van verdeling bij de notaris de helft van de overwaarde, verminderd met de helft van de taxatiekosten, aan de man moet voldoen.

De rechtbank heeft het vonnis in conventie en reconventie uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders gevorderde afgewezen.

De vrouw is van dit vonnis van 28 februari 2024 in hoger beroep gekomen. Zij heeft negen grieven aangevoerd, haar eis vermeerderd en gevorderd:

“ bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dit vonnis te vernietigen, behoudens voor zover de rechtbank het vonnis in conventie en reconventie uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard en opnieuw rechtdoende:

in conventie - ten aanzien van de vorderingen in conventie van de man

I. de man in zijn vorderingen in conventie. niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vorderingen in conventie van de man af te wijzen;

in reconventie - ten aanzien van de vorderingen in reconventie van de vrouw

II. te verklaren voor recht dat de vrouw:

op grond van de door beide partijen op 23 december 201 5 ondertekende schuldbekentenis - waarin de man erkent dat hij een schuld van € 67.500,-- heeft aan de vrouw voor de door de vrouw aan hem verstrekte geldlening voor de aflossing door hem van zijn hypothecaire restschuld (€ 55.000,--) en voor de door de vrouw in de verbouwing van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] geïnvesteerd privévermogen (ten minste € 25.000,-- : 2 = € 12.500,--) – een vordering van € 67.500,-- op de man heeft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2022, althans vanaf een datum als uw gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren, tot het moment van algehele voldoening;

op grond van de beschikking rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda d.d. 21 december 2023 (zaak- en rekestnummer: C/02/397121 / FA RK 22/1911) – voor door de man voor de periode mei 2022 tot en met december 2023 aan de vrouw te betalen achterstallige kinderalimentatie voor [kind 1] en [kind 2] - een vordering van € 8.740,-- op de man heeft;

voor het aandeel van de man in de aflossingen van de hypotheekschuld aan ING

Bank N.V., die de vrouw vanaf mei 2022 aan ING Bank N.V. heeft voldaan, een

vordering van € 8.623,90,-- + p.m. op de man heeft;

voor de premies voor de autoverzekering en de caravanverzekering, die de vrouw vanaf het feitelijk uiteengaan van partijen in april 2022 voor de man aan Nedasco heeft voldaan, een vordering van € 4.553,-- + p.m. op de man heeft;

voor het aandeel van de man in de premies voor de glas- en opstalverzekering, de inboedelverzekering, de aansprakelijkheidsverzekering en de rechtsbijstandverzekering, die de vrouw vanaf het feitelijk uiteengaan van partijen in april 2022 aan Klaverblad heeft voldaan, een vordering van € 1.266,87 + p.m. op de man heeft;

voor het aandeel van de man in de premies voor de overlijdensrisicoverzekering, die de vrouw vanaf het feitelijk uiteengaan van partijen in april 2022 aan TAF heeft voldaan, een vordering van € 190,36 + p.m. op de man heeft;

voor het aandeel van de man in de kosten voor gas en elektriciteit tot en met maart 2022, die de vrouw op basis van de eindafrekening aan Eneco heeft voldaan, een vordering van € 52,50 op de man heeft;

voor de door de vrouw voor de man voorgeschoten kosten voor de APK en het onderhoud van de bij de man in gebruik zijnde personenauto (Skoda Superb) aan [XXX] heeft voldaan, een vordering van € 1.105,75 op de man heeft;

voor de overboeking door hem van de en/of-rekening naar zijn rekening van de van de Belastingdienst ontvangen inkomstenbelastingteruggave 2021, een vordering van € 874,71 op de man heeft;

voor de verdeling van de inboedel, de auto's en de caravan een vordering wegens onderbedeling van € 6.827,50 op de man heeft;

althans (een) vordering(en) als het hof in goede justitie vermeent te behoren en daarbij te gelasten dat de man zijn schuld(en), uit zijn aandeel in de overwaarde van de

woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , gelijktijdig met de notariële levering van

de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , aan de vrouw dient te voldoen;

III. de verdeling van de eenvoudige gemeenschap vast te stellen, dan wel de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap te gelasten, waarbij:

de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , binnen vier weken na de datum van het arrest van uw gerechtshof, bij een door de vrouw aan te wijzen notaris, aan de vrouw dient te worden toegedeeld / notarieel geleverd;

de vrouw de notaris de opdracht dient te geven de akte van verdeling op te stellen;

ieder van partijen op verzoek van de notaris een volmacht voor de toedeling / notariële levering van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] aan de vrouw dient te ondertekenen;

de notariskosten voor de akte van verdeling door de vrouw dienen te worden betaald en gedragen;

de vrouw ervoor dient te zorgen dat de man, gelijktijdig met de toedeling / notariële levering van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] aan haar, wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor (het restant van) de hypotheekschuld aan ING Bank N.V.;

de vrouw, voorafgaand aan de toedeling / notariële levering van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] aan haar, het aandeel van de man in de overwaarde van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] dient over te maken op de derdengeldenrekening van de notaris;

de man zijn schuld(en) van (ten minste) totaal (€ 67.500,-- + p.m. (de wettelijke rente vanaf 15 februari 2022 tot het moment van algehele voldoening)

(schuldbekentenis) + € 8.740,00 (achterstallige kinderalimentatie) + € 16.667,09 + p.m. (aandeel man aflossingen hypotheekschuld en privékosten van de man) + € 6.827,50 (verdeling inboedel, auto’s en caravan) = € 99.734,59, afgerond) € 100.000,-- + p.m., gelijktijdig met de toedeling / notariële levering van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) Breda aan de vrouw, aan de vrouw dient te voldoen door verrekening met zijn aandeel in de overwaarde van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] ;

en daarbij, voor het geval de man niet binnen vier weken na de datum van het arrest van het hof meewerkt aan de toedeling / notariële levering van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] aan de vrouw,

primair:

te bepalen dat het arrest van het hof in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man voor de eigendomsoverdracht van de woning via / bij de door de vrouw aan te wijzen notaris aan de vrouw, althans dat het arrest van het hof in de plaats treedt van de tot de toedeling / notariële levering van de woning aan de vrouw bestemde akte van verdeling,

subsidiair:

op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag voor iedere dag die de man vanaf twee weken na de datum van het arrest van het hof in gebreke blijft aan de inhoud van dat arrest te voldoen, met een maximum van € 50.000,--, althans een zodanige beslissing te nemen als uw gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren;

IV. voorwaardelijk, voor het geval het hof de man alsnog in de gelegenheid stelt het aandeel van de vrouw in de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] over te nemen:

daarbij te gelasten dat:

de man, binnen vier weken na de datum van het arrest van uw gerechtshof, onderbouwd met een ondertekende / geaccepteerde hypotheekofferte, dient aan te tonen, dat ING Bank N.V. bereid is - gelijktijdig met de toedeling / notariële levering van de woning aan hem - de vrouw te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor (het restant van) de hypotheekschuld en aan hem een aanvullende financiering te verstrekken, zodat hij in staat is het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de woning, inclusief de terugbetaling door hem van zijn schuld(en) aan de vrouw én vermeerderd met de wettelijke rente, aan de vrouw uit te betalen;

de woning, niet eerder van zes maanden na de datum van het arrest van uw gerechtshof, bij een door de man aan te wijzen notaris, aan de man dient te worden toegedeeld / notarieel geleverd;

de man de notaris de opdracht dient te geven de akte van verdeling op te stellen;

de notariskosten voor de akte van verdeling door de man dienen te worden betaald en gedragen;

de man ervoor dient te zorgen dat de vrouw, gelijktijdig met de toedeling / notariële levering van de woning aan hem, wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor (het restant van) de hypotheekschuld aan ING Bank N.V.;

de man, voorafgaand aan de toedeling / notariële levering van de woning aan hem, het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de woning én zijn schuld(en) aan de vrouw dient over te maken op de derdengeldenrekening van de notaris;

de man zijn schuld(en) van (ten minste) totaal (€ 67.500,-- + p.m. (de wettelijke rente vanaf 15 februari 2022 tot het moment van algehele voldoening) (schuldbekentenis) + € 8.740,-- (achterstallige kinderalimentatie) + € 16.667,09 + p.m. (aandeel man aflossingen hypotheekschuld en privékosten van de man) + € 6.827,50 (verdeling inboedel, auto's en caravan) = € 99.734,59, afgerond) € 100.000,-- + p.m., gelijktijdig met de toedeling / notariële levering van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] aan ( zo begrijpt het hof) de man, aan de vrouw dient te voldoen door verrekening met zijn aandeel in de overwaarde van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] ;

althans een zodanige beslissing te nemen als het gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren;

in conventie en reconventie - ten aanzien van de vordering in conventie en in reconventie van de vrouw

V. de man te veroordelen in de proceskosten van de gehele procedure in eerste aanleg bij de rechtbank alsmede in hoger beroep, volgens het liquidatietarief, te vermeerderen met de nakosten, één en ander te voldoen binnen veertien dagen na de datum van het arrest van uw gerechtshof, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.”

De man heeft verweer gevoerd en gevorderd om:

“ uitvoerbaar bij voorraad en bij arrest, de vrouw in haar ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door de vrouw ingestelde beroep (althans de door haar geformuleerde grieven) af te wijzen en het vonnis van de rechtbank Zeeland West-Brabant, locatie Breda, d.d. 28 februari 2024, in de procedurebekend onder zaaknummer/rolnummer C/02/404758 HA ZA 22-682 te bekrachtigen.”

Kortgedingprocedures na het bestreden vonnis van 28 februari 2024.

Naar aanleiding van het vonnis van 28 februari 2024 zijn tussen partijen twee kortgedingprocedures gevoerd. Voor het eerste kortgeding vonnis van 7 augustus 2024 verwijst het hof naar rov. 5.2. hiervóór.

Na het vonnis van 7 augustus 2024 heeft de man kenbaar gemaakt dat hij de vonnissen van 28 februari 2024 en 7 augustus 2024 ten uitvoer zou leggen, in die zin dat de akte van verdeling van het aandeel van de vrouw aan de man, zou worden gepasseerd op dinsdag 17 september 2024. Daarbij heeft hij de vrouw aangezegd de woning uiterlijk dinsdag 3 september 2024 te verlaten. De vrouw is vervolgens een kortgedingprocedure gestart waarop de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland- West-Brabant bij vonnis van 16 september 2024:

de tenuitvoerlegging van het vonnis van 28 februari 2024 heeft geschorst totdat het gerechtshof in het hoger beroep (zaaknummer 200.399.874/01) heeft beslist;

de man heeft verboden het vonnis in kort geding van 7 augustus 2024 ten uitvoer te leggen, totdat het gerechtshof in de kortgedingprocedure in hoger beroep

(zaaknummer: 200.344.798/01) heeft beslist, op straffe van een dwangsom van € 25.000,= .

Van dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

7. De beoordeling

Woning

Een belangrijk twistpunt tussen partijen is of het bestreden vonnis van de rechtbank van 28 februari 2024 aldus moet worden uitgelegd dat de vrouw, in het spoorboekje dat moest leiden tot de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van woning, als eerste de mogelijkheid kreeg om de woning toegedeeld te krijgen en wat zij daarvoor moest doen. In het verlengde daarvan is in geschil of de vrouw haar kansen heeft verspeeld om de woning toegedeeld te krijgen. Dit twistpunt heeft geleid tot de twee kort geding vonnissen (gewezen tussen de man en vrouw) van respectievelijk 7 augustus 2024 en 16 september 2024.

Het hof zal eerst grief 2 van de vrouw beoordelen. Deze grief betreft het door de rechtbank opgenomen spoorboekje en richt zich tegen rov. 4.5 van het vonnis van 28 februari 2024, waarin het volgende is overwogen:

“(...) Ook hebben partijen afgesproken dat de vrouw als eerste de mogelijkheid krijgt om te onderzoeken, en onderbouwd met stukken aan de man kenbaar te maken, of zij de woning toebedeeld kan krijgen, in die zin dat zij de op de woning rustende hypothecaire geldlening

bij de ING Bank kan overnemen, de man kan worden ontslagen uit de hoofdelijke

aansprakelijkheid voor deze geldlening en zij aan de man dan een bedrag kan betalen dat gelijk is aan de helft van de overwaarde (getaxeerde waarde woning -/- hypothecaire schuld

op moment toedeling). Partijen zijn het niet eens over de termijn waarbinnen de vrouw

uitsluitsel moet geven over haar financieringsmogelijkheden voor de overname van de

woning. De rechtbank acht een termijn van drie maanden na de datum van dit vonnis redelijk,

dan wel een datum van drie maanden na het verschijnen van het taxatierapport als die datum

na de datum van dit vonnis ligt.”

Deze grief van de vrouw is tweeledig. In de eerste plaats voert de vrouw aan dat zonder nadere toelichting niet blijkt, althans onjuist is, dat partijen tijdens de mondelinge behandeling op 15 juni 2023 hebben afgesproken dat de vrouw als eerste de mogelijkheid krijgt om te onderzoeken en aan te tonen dat zij is staat is om de overname van het aandeel van de man in de woning te financieren. Juist omdat de man zelf de eerste mogelijkheid wilde krijgen om de woning over te nemen, moesten partijen de beslissing van de rechtbank afwachten. De vrouw wijst daarbij expliciet op het proces-verbaal, meer concreet op de volgende passage:

“Mr. Van Essen:

Waarom krijgt de vrouw de eerste kans? Kunnen we niet beiden tegelijkertijd de financieringsmogelijkheid onderzoeken?

De man:

Ik wil ook in de woning.”

De man is van mening dat tijdens de mondelinge behandeling wel degelijk overeenstemming is bereikt tussen partijen, aldus dat de vrouw de eerste mogelijkheid zou krijgen om aan te tonen dat zij de woning kan overnemen. Dit blijkt ook uit het proces-verbaal van 15 juni 2023, meer concreet uit de volgende passage:

“Is er een beslissing nodig en moet er een termijn genoemd worden als blijkt dat

de vrouw niet in staat is om de overname van de woning te financieren? Krijgt de

man vervolgens de gelegenheid om uit te zoeken of hij daartoe dan wel in staat is.

Ik begrijp van u dat dan de afspraak is dat de vrouw eerst de gelegenheid krijgt om

te onderzoeken of zij de financiering kan regelen en dat de man dat daarna mag

doen.”

De man stemde hiermee in, maar vervolgens heeft hij de opmerking geplaatst dat het in het kader van de voortgang praktischer zou zijn als beide partijen tegelijk zouden onderzoeken of zij in staat zijn de woning over te nemen. De passage die de vrouw aangehaald heeft, ziet alleen daarop en heeft niets te maken met de afspraak dat de vrouw als eerste de gelegenheid kreeg om de woning aan haar te laten toedelen. Daar was de man het mee eens.

Het hof overweegt als volgt. Met dit deel van de grief komt de vrouw op tegen een vaststelling door de rechtbank in het vonnis van 28 februari 2024 van hetgeen door of namens partijen tijdens de mondelinge behandeling op 15 juni 2023 is verklaard of aangevoerd. Bij de beoordeling daarvan moet worden vooropgesteld dat volgens vaste jurisprudentie de rechter bij de vaststelling in zijn uitspraak van het ter zitting verhandelde niet aan de inhoud van het proces-verbaal is gebonden (zie bijvoorbeeld HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9898). Nu het proces-verbaal geen duidelijkheid schept over de vraag of er tijdens de mondelinge behandeling al dan niet ter zake overeenstemming is bereikt, prevaleert het vonnis, zodat het ervoor moet worden gehouden dat partijen hebben afgesproken dat de vrouw als eerste de mogelijkheid krijgt om te onderzoeken, en onderbouwd met stukken aan de man kenbaar te maken, of zij de woning

toegedeeld kan krijgen.

Het voorgaande brengt echter niet met zich dat dit betekent dat daarmee een overeenkomst tot verdeling tot stand is gekomen. Immers, indien van een dergelijke overeenkomst sprake zou zijn, zou er voor de rechter geen rol meer weggelegd zijn (art. 3:185 BW). Deze afspraak betreft naar haar aard niet de vaststelling van de verdeling als zodanig, maar is een uitvoeringshandeling in het door de rechtbank opgestelde spoorboekje, waarbij de rechtbank kennelijk heeft begrepen dat partijen de afspraak hebben gemaakt dat de vrouw als eerste de mogelijkheid krijgt om te onderzoeken, en onderbouwd met stukken aan de man kenbaar te maken, of zij de woning toebedeeld kan krijgen, in die zin dat zij de op de woning rustende hypothecaire geldlening bij de ING Bank kan overnemen, de man kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze geldlening en zij aan de man dan een bedrag kan betalen dat gelijk is aan de helft van de overwaarde.

Daarmee komt het hof bij het tweede deel van de grief 2 van de vrouw. Zij voert aan dat de overweging van de rechtbank “onderbouwd met stukken” (zie citaat hiervoor rov. 7.2) onvoldoende concreet is. Het bestreden vonnis van 28 februari 2024 biedt geen aanknopingspunten over welke stukken ter onderbouwing van de financiering door de één aan de ander dienen te worden verstrekt, zodat het hof hierover in deze zaak zal moeten beslissen voordat in de kortgedingprocedure (zaaknummer 200.344.798/01) wordt beslist. Van meet af aan is, ook voor de man, duidelijk geweest dat de vrouw met financiële hulp van haar ouders in staat was de overname van het aandeel van de man te financieren. Dit is door de man ook niet betwist. De vrouw wijst ook op de verklaring van haar ouders d.d. 8 april 2024, als bijlage gevoegd bij een e-mail d.d. 28 mei 2024. Met die verklaring heeft zij een en ander tijdig en gemotiveerd aangetoond. Het is niet aan de man te oordelen welke stukken moesten worden getoond, temeer niet nu door de rechtbank niet is gespecificeerd welke stukken moesten worden getoond. De ouders van de vrouw hebben de vrouw altijd financieel gesteund waar dat nodig was. De man heeft zodoende altijd geweten dat de vrouw met de financiële steun van haar ouders zijn aandeel in de woning zou kunnen overnemen.

De man voert verweer. In de eerste plaats is geen sprake van een overweging van de rechtbank, maar is dit een weergave van wat partijen hebben afgesproken. Daarnaast is helder wat van de vrouw wordt verwacht, te weten (1) dat zij de hypothecaire geldlening kan overnemen, (2) dat de man kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en (3) dat zij aan de man een bedrag kan betalen dat gelijk is aan de helft van de overwaarde. Uit de gedragingen van de vrouw blijkt overigens ook dat zij weet wat van haar wordt verlangd. De man wijst op een e-mailbericht van 26 maart 2024 (productie 19 bij memorie van antwoord) Hij heeft van meet af aan vraagtekens geplaatst bij de mogelijkheid tot financiering door de vrouw. Hij heeft ook vraagtekens bij de door de vrouw in hoger beroep overgelegde producties waaruit zou moeten blijken dat zij de overname kan financieren. Zo wijken de vier overgelegde financieringsrapporten van elkaar af en blijkt uit geen van deze rapporten het standpunt van ING inzake het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Over de financiële positie van de ouders stelt de man dat hij kennisneemt van de overgelegde stukken. Uit de stukken zou opgemaakt kunnen worden dat de ouders van de vrouw in staat zijn een bepaald bedrag te verstrekken, maar dat doet niets af aan de overweging van de rechtbank in het kortgeding vonnis van 7 augustus 2024, te weten dat de vrouw uiterlijk op 28 mei 2024 een en ander had moeten aantonen: alle stukken dateren van ná deze datum.

Het hof stelt vast dat de zinsnede van de rechtbank “onderbouwd met stukken” door partijen dusdanig verschillend wordt geïnterpreteerd, dat dit – naast het hoger beroep in deze zaak met zaaknummer 200.339.874/01 – tot twee kortgedingprocedures heeft geleid, te weten het kort geding dat heeft geleid tot het vonnis van 7 augustus 2024 (waarvan hoger beroep; zie zaaknummer 200.344.798/01) en het kort geding waarin de rechtbank op 16 september 2024 vonnis heeft gewezen (waarvan geen hoger beroep).

Het hof is in de eerste plaats van oordeel dat voor partijen voldoende duidelijk was althans dat zij redelijkerwijs hebben moeten begrijpen wat de rechtbank heeft bedoeld met “onderbouwd met stukken”. De vrouw wist, of althans had redelijkerwijs dienen te begrijpen, dat zij moest aantonen, (1) dat zij de hypothecaire geldlening kan overnemen, alsook (2) dat de man daarbij kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en voorts (3) dat zij aan de man een bedrag kan betalen dat gelijk is aan de helft van de overwaarde.

Het antwoord op de vraag echter op welke wijze dit dient te geschieden en welke stukken daartoe voldoende zijn, dient naar het oordeel van het hof bezien te worden in het licht van de omstandigheden van het geval, mede bezien de (post)relationele situatie van partijen en is derhalve afhankelijk van hetgeen partijen in de gegeven situatie over en weer van elkaar konden en mochten verwachten. Daarbij speelt de redelijkheid en billijkheid, die ook de rechtsverhouding tussen (ex-)echtgenoten beheerst, een rol (art. 6:2 BW). Dat leidt in deze zaak tot het volgende.

Op de vrouw rustte de verplichting om aan te tonen dat zij het aandeel van de man in de woning kan overnemen – op de wijze zoals bedoeld als hiervoor omschreven onder (1), (2) en (3) – maar dat veronderstelt aan de zijde van de man ook de verplichting tijdig en adequaat te reageren op hetgeen de vrouw aan hem in dat kader schriftelijk mededeelt. Het hof hecht in dit verband waarde aan de e-mailberichten van 1 maart 2024 en 12 maart 2024 (productie 8 en 9 behorende bij de dagvaarding in eerste aanleg van de man d.d. 26 juni 2024 in zaaknummer 200.344.798/01) en de e-mail van 26 maart 2024 van de vrouw aan de man (productie 19 bij memorie van antwoord). Weliswaar zijn de eerste twee e-mailberichten in de kortgedingprocedure overgelegd maar gelet op het feit dat de zaken nauw samenhangen en tegelijkertijd behandeld zijn op de mondelinge behandeling waarbij partijen in beide zaken uitdrukkelijk in de gelegenheid zijn gesteld op alle stukken te reageren, slaat het hof in deze zaak ook acht op die e-mails.

In het e-mailbericht van 26 maart 2024 (productie 19 bij memorie van antwoord) schrijft de advocaat van de vrouw:

“Klopt het dat ik van u namens uw cliënt nog geen reactie heb ontvangen op mijn onderstaande e-mail d.d. 12 maart 2024?

Inmiddels zijn we twee weken verder en begint de tijd te dringen. Graag verzoek ik u mij daarom aanstaande donderdag, 28 maart 2024, vóór 13:00 uur te bevestigen dat uw cliënt zijn schuld(en) van (ten minste) totaal € 67.500,00 aan cliënte alsnog erkend en dat uw cliënt zijn schuld(en) van (ten

minste) totaal € 67.500,00 aan cliënte, gelijktijdig met de toedeling / notariële levering van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] aan cliënte, geheel zal aflossen door verrekening met zijn aandeel in de overwaarde van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) Breda.

Ingeval uw cliënt desondanks meent te mogen blijven betwisten dat hij een schuld(en) van (ten minste) totaal € 67.500,00 aan cliënte heeft, verzoek ik u mij aanstaande donderdag vóór 13:00 uur te bevestigen of uw cliënt ermee instemt dat het gedeelte van de aan uw cliënt toekomende overwaarde van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] waarover tussen partijen een geschil bestaat (€ 75.000,00, althans ten minste € 67.500.00) door cliënte, voorafgaand aan de toedeling / notariële levering van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] aan haar, bij de

notaris in depot wordt gestort en dat dit bedrag bij de notaris in depot blijft staan totdat het gerechtshof arrest heeft gewezen.

(…)

“Cliënte is in staat de overname van het aandeel van uw cliënt in de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] te financieren. ING Bank N.V. is bereid uw cliënt te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor (het restant van) de hypotheekschuld. Ook kan cliënte beschikken over een

aanvullende financiering, zodat zij bij de toedeling / notariële levering van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] aan haar in staat is het aandeel van uw cliënt in de overwaarde van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] aan uw cliënt uit te betalen. Cliënte heeft

Notariskantoor [yyy] opdracht gegeven de akte van verdeling in concept op te stellen.”

(…)”

Uit dit e-mailbericht van 26 maart 2024 blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat de vrouw uitgaat van toedeling / notariële levering van de woning aan haar, omdat zij in haar beleving aan de op haar rustende verplichting heeft voldaan. De vrouw geeft expliciet aan dat zij in staat is de overname van het aandeel van de man in de woning te financieren, dat de ING bereid is de man te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor (het restant van) de hypotheekschuld én dat zij kan beschikken over aanvullende financiering, zodat zij bij toedeling / notariële levering van de woning aan haar in staat is het aandeel van de man in de overwaarde aan de man uit te betalen. Hoewel in de genoemde e-mailberichten expliciet is verzocht om een reactie van de man, is een reactie op die e-mailberichten van de zijde van de man uitgebleven. Als de man op dat moment had gemeend dat er zijns inziens ten onrecht geen relevante, dan wel onvoldoende, stukken waren overgelegd, had hij dit, mede gelet op het bepaalde in art. 6:2 BW, aan de vrouw kenbaar moeten maken. Nu hij dit niet heeft gedaan, mocht de vrouw er op vertrouwen dat óók voor de man tijdig en voldoende duidelijk was dat zij het aandeel van de man in de woning kon overnemen (zoals hiervoor bedoeld onder (1), (2) en (3)). In dit oordeel heeft het hof betrokken dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat haar ouders haar altijd financieel gesteund hebben waar dat nodig was en dat de man altijd heeft geweten dat zij met de financiële steun van haar ouders het aandeel van de man in de woning zou kunnen overnemen.

Het voorgaande betekent dat grief 2 van de vrouw slaagt. Daaruit volgt dat de vrouw alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om binnen vier weken na datum van dit arrest, de woning aan haar toegedeeld te krijgen. Het hof zal de vordering van de vrouw toewijzen, zoals in het dictum nader te melden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen behoeft grief 3 van de vrouw – nu deze grief betrekking heeft op de overname van het aandeel van de vrouw in de woning door de man– geen verdere bespreking meer. Het hof komt dan ook niet toe aan de voorwaardelijke vordering van de vrouw zoals in het petitum weergegeven onder IV.

Het hof komt thans toe aan de grieven 4 tot en met 9.

Aflossing

Grief 4 van de vrouw komt er in de kern op neer dat zij van mening is dat de man uit zijn aandeel in de overwaarde van de woning de helft van de aflossingen van de hypotheekschuld aan ING Bank N.V., die de vrouw sinds mei 2022 voor de man heeft voldaan, aan haar moet terugbetalen. Door de aflossingen van de hypotheekschuld aan ING Bank N.V., die de vrouw vanaf 1 mei 2022 heeft betaald, is de overwaarde van de woning hoger geworden. De vrouw stelt dat zij niet is gehouden de helft van de aflossingen van de hypotheekschuld aan ING Bank N.V. voor de man te voldoen in het kader van de gebruiksvergoeding, gelijk aan het aandeel van de man in de eigenaarslasten voor de woning, die zij aan de man betaalt voor het gebruik van zijn eigendomsdeel in de woning.

De man voert verweer. Partijen hebben afspraken gemaakt over de woonlasten en in dit verband verwijst de man naar de producties 06 en 07 van de inleidende dagvaarding d.d. 20 december 2022. Dit zijn een tweetal e-mailberichten (van mr. Kathmann d.d. 18 juli 2022 respectievelijk mr. Van Essen d.d. 20 juli 2022) waaruit de man citeert:

“Volgens cliënte zijn partijen overeengekomen dat cliënte met ingang van 1 mei 2022 de eigenaarslasten - waaronder in ieder geval de rente en aflossingen voor

de hypotheekschuld, de eigenaarsheffingen van de gemeente en het waterschap

(zoals de onroerendzaakbelasting en de watersysteemheffing gebouwen), de

premie voor de opstalverzekering en de premie voor de

overlijdensrisicoverzekering - voor de gemeenschappelijke woning zou betalen,

zodat cliënte voor het uitsluitend gebruik door haar van de gemeenschappelijke

woning aan uw cliënte feitelijk een vergoeding betaalt ter grootte van het aandeel

van uw cliënt (de helft) in de eigenaarslasten voor de gemeenschappelijke woning.”

en namens de man hierop wordt gereageerd met:

“Het komt mij redelijk voor om de gebruiksvergoeding gelijk te stellen met voldoening van de eigenaarslasten zoals opgesomd in uw bericht door uw cliënte.

Wat mij betreft is hiermee op dit punt overeenstemming.”

Kortom, de betaling van de lasten door de vrouw vormt geen discussie tussen

partijen. De vrouw kan niet meer terugkomen op deze afspraak.

Het hof overweegt dat uit bovenstaande e-mailberichten blijkt dat partijen afspraken hebben gemaakt over de eigenaarslasten – waaronder in ieder geval de rente en aflossingen voor de hypotheekschuld, de eigenaarsheffingen van de gemeente en het waterschap (zoals de onroerendzaakbelasting en de watersysteemheffing gebouwen), de

premie voor de opstalverzekering en de premie voor de overlijdensrisicoverzekering, alsook over de gebruiksvergoeding, waarbij partijen het erover eens zijn dat de vrouw het aandeel van de man in de eigenaarslasten voor haar rekening neemt en dat zij dit aandeel gelijk stellen aan een door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding. De gevorderde verklaring voor recht onder II sub c en de vordering van de vrouw tot betaling van het bedrag van € 8.623,90 terzake de helft van de door de vrouw sedert mei 2022 gedane aflossingen van de hypotheekschuld wordt dan ook afgewezen.

Met haar vijfde grief komt de vrouw op tegen de afwijzing van haar vordering om te bepalen dat het vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man voor de eigendomsoverdracht van de woning, dan wel dat het vonnis in de plaats treedt van de toedeling/notariële akte van levering van de woning aan de vrouw en de verzochte dwangsom worden als niet noodzakelijk afgewezen.

Omdat de man al vanaf 28 februari 2024 weigert mee te werken aan de toedeling / notariële levering van de woning aan haar, dient de vrouw in dit hoger beroep, althans in een

aparte kort geding procedure bij de rechtbank, alsnog medewerking door de man aan de

toedeling / notariële levering van de woning [plaats] aan haar af te dwingen.

De man voert verweer. Nu de vrouw hem niet uiterlijk op 28 mei 2024 onderbouwd met stukken op de hoogte heeft gesteld dat zij de woning toegedeeld kon krijgen, behoefde hij zijn medewerking niet te verlenen.

Het hof overweegt als volgt. Uit de vele procedures waar partijen elkaar over en weer in betrekken, de hoeveelheid aan stukken en hetgeen het hof heeft waargenomen tijdens de mondelinge behandeling, blijkt dat er veel wantrouwen heerst tussen partijen. Om te voorkomen dat partijen elkaar blijven betrekken in (kort geding) procedure(s), ziet het hof aanleiding om te bepalen, zoals door de vrouw ook is verzocht, dat dit arrest in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man voor de verdeling van de woning en levering van de woning, dan wel dat het arrest in de plaats treedt van de toedeling/notariële akte van levering van de woning aan de vrouw. In zoverre slaagt de grief van de vrouw. Voor een dwangsom, zoals door de vrouw subsidiair is verzocht, is alsdan geen plaats meer.

Geldleningen / investeringen in de woning /schuldbekentenis. Bedrag van € 67.500,--

Gelet op de onderlinge samenhang, zal het hof de grieven zes tot en met acht van de vrouw gezamenlijk behandelen. Deze grieven richten zich tegen rov. 4.12 (grief 6), 4.19 (grief 7) en 4.22 (grief 8) van het vonnis van de rechtbank van 28 februari 2024.

Deze grieven komen er in de kern op neer dat de vrouw stelt een vordering op de man te hebben uit hoofde van een door haar aan de man verstrekte geldlening voor de aflossing van een hypothecaire (rest)schuld ad € 55.000,-- van het appartement dat de man in het verleden in eigendom had, alsook voor het door de vrouw in de verbouwing van de woning geïnvesteerde privévermogen van ten minste € 25.000,--. Hierdoor heeft zij een vordering op de man van in totaal € 67.500,-- (zijnde € 55.000,-- + [1/2 x € 25.000,--]). Zij licht dit als volgt toe.

De man erkent dat hij zijn appartement aan de [plaats] te ( [postcode] ) [plaats] met een restschuld van € 55.000,-- heeft verkocht en dat hij zelf geen financiële middelen had om zijn restschuld af te lossen. De man heeft niet onderbouwd waarom de ouders van de vrouw bereid zouden zijn geweest de man, althans partijen gezamenlijk, € 55.000,-- te schenken om zijn restschuld af te lossen. De schenking van € 50.000,-- van de ouders van de vrouw aan partijen gezamenlijk is, met medeweten van de man, omgezet in een schenking van € 55.000,-- onder uitsluitingsclausule van haar ouders aan de vrouw alleen. Door de aankoop van de gemeenschappelijke woning heeft er inderdaad geen vermogensverschuiving plaatsgevonden. De vrouw heeft aldus een schenking van € 55.000,-- onder uitsluitingsclausule van haar ouders ontvangen. De vrouw heeft vervolgens € 55.000,-- aan de man geleend voor de aflossing van zijn restschuld, zodat de man een schuld van € 55.000,-- aan de vrouw heeft.

Daarnaast heeft de vrouw privévermogen geïnvesteerd in de verbouwing van de gemeenschappelijke woning, waarvoor de man een schuld van (ten minste) € 12.500,-- aan de vrouw heeft.

In de door beide partijen op 23 december 2015 ondertekende schuldbekentenis erkent de man dat hij een schuld van € 67.500,-- aan de vrouw heeft. Door de beëindiging van de samenwoning is de schuld opeisbaar geworden. De vrouw heeft de schuldbekentenis pas eerst op 12 maart 2024 ontvangen van het notariskantoor, zodat zij deze niet eerder kon overleggen. Omdat de vrouw niet eerder in het bezit was van een ondertekende schuldbekentenis, heeft zij aanvankelijk getracht te reconstrueren hoe dit bedrag tot stand is gekomen. De vrouw beperkt haar vordering thans tot het bedrag dat in de schuldbekentenis is genoemd. Met de verklaring in de samenlevingsovereenkomst, welke overeenkomst op 6 januari 2016 door partijen is ondertekend, inhoudende “dat ter zake van de aankoop van voormelde zaken tussen partijen geen vermogensverschuiving heeft plaatsgehad” hebben partijen beoogd te bevestigen dat de vordering van de vrouw van € 67.500,-- op de man niet is komen te vervallen door de overdracht/notariële levering van de woning aan hen beiden. Het privévermogen van de vrouw, blijft immers van de vrouw.

De man verweert zich. Hij is het, kort gezegd, eens met de beslissing van de rechtbank. Dat de vrouw thans een door hem ondertekende schuldbekentenis in het geding heeft gebracht, verandert daar niets aan. De vrouw heeft wisselende stellingen ingenomen over de wijze waarop de vordering is opgebouwd. De schuldbekentenis is ruim een jaar na de schenkingsovereenkomst opgesteld en deze schuldbekentenis staat ook haaks op de opmerking in de nadien opgemaakte samenlevingsovereenkomst dat “ter zake van de aankoop van voormelde zaken tussen partijen geen vermogensverschuiving heeft plaatsgehad.” De man heeft zijn appartement met ongeveer € 50.000,-- verlies verkocht. Dit bedrag hebben de ouders van de vrouw aan partijen geschonken, zo blijkt uit de overeenkomst van 28 mei 2014. Vervolgens kopen partijen een nieuwe woning en hebben zij voor de verbouwing ongeveer € 20.000,-- te besteden. Zij gaan daadwerkelijk verbouwen en de kosten worden uiteindelijk geraamd op € 55.000,--. Dit “gat” ad € 35.000,-- lenen zij van de ouders van de vrouw en deze lening ad € 35.000,-- is ook afbetaald. Als de ouders van de vrouw in 2015 belastingaangifte doen, blijkt een en ander fiscaal aantrekkelijker om de schenking in de vorm van de zogenaamde jubelton te gieten. Een en ander zal dan – achteraf – moeten worden gerepareerd en daar komt de notariële schuldbekentenis om de hoek die uiteindelijk – gebaseerd op overboekingen door de ouders van de vrouw aan partijen van € 50.000,--, € 5.000,--, € 11.000,-- en nog wat kleine bedragen – uitkomt op een totaalbedrag van € 67.500,--. De schuldbekentenis is niet opgenomen of toegevoegd aan de later gesloten samenlevingsovereenkomst, omdat in de onderlinge verhouding geen waarde aan die schuldbekentenis kan worden gehecht. De bedoeling was louter om een en ander fiscaal te repareren.

Het hof overweegt als volgt. Het hof begrijpt de grieven van de vrouw aldus dat zij tevens haar verzoek heeft gewijzigd en thans in totaal een bedrag van € 67.500,-- van de man vordert, nu de man een schuld aan haar heeft ter grootte van dit bedrag. De vrouw heeft in haar grieven toegelicht hoe dit bedrag in/en deze schuldbekentenis tot stand gekomen is.

Het hof stelt vast dat de schuldbekentenis door de notaris is opgesteld en ondertekend door partijen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij de notariële schuldbekentenis niet kent en dat hij zich ook niet kan herinneren dat hij de bekentenis ondertekend heeft. Maar de man geeft voorts expliciet aan dat hij de schuldbekentenis niet betwist, aangezien deze er nu eenmaal ligt. Hij heeft bovendien niet betwist dat zijn handtekening op de schuldbekentenis staat. Het hof gaat dan ook uit van de juistheid van die schuldbekentenis. De man heeft weliswaar nog aangevoerd dat deze schuldbekentenis om fiscale redenen is opgesteld, maar dat is door de vrouw betwist en doet, zonder duidelijke toelichting van de man, die ontbreekt, niet af aan de juistheid van de door de man ondertekende schuldbekentenis. De man heeft verder nog gewezen op de - na de ondertekening van de schuldbekentenis - tussen partijen gesloten samenlevingsovereenkomst, waarin expliciet is opgenomen dat er tussen partijen geen vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden. De man meent dat dit betekent dat de vrouw geen daadwerkelijke vordering heeft op de man. De vrouw heeft daar echter tegenover gesteld dat zij als gevolg van de schuldbekentenis een vordering heeft verkregen op de man en dat daarin door de samenlevingsovereenkomst geen verandering is gekomen: daarom staat in de samenlevingsovereenkomst dat als gevolg van die samenlevingsovereenkomst geen vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden.

Nu de man zijn stelling tegenover de uitdrukkelijke betwisting van de vrouw niet nader heeft onderbouwd noch daarvan specifiek bewijs heeft aangeboden, gaat het hof hieraan voorbij. Nu voorts gesteld noch gebleken is dat de man (een deel van) deze schuld reeds heeft afgelost, slagen de grieven van de vrouw. Dat de schuldbekentenis niet is opgenomen of toegevoegd aan de later gesloten samenlevingsovereenkomst, kan, gelet op hetgeen hiervóór is overwogen, niet tot een ander oordeel leiden. Het hof zal de vorderingen van de vrouw, betrekking hebbend op het bedrag van € 67.500,-- toewijzen. Nu de man geen verweer heeft gevoerd tegen de verzochte wettelijke rente over dit bedrag zal het hof deze toewijzen.

Achterstallige kinderalimentatie

Tussen partijen staat vast dat de man de aan de vrouw genoemde achterstallige kinderalimentatie dient te voldoen. Het hof zal – als niet betwist – de vorderingen van de vrouw terzake het bedrag van € 8.740,-- toewijzen.

Betalingen Nedasco

De vrouw stelt dat de man een schuld aan haar heeft van ten minste € 4.553,-- voor de premies voor de autoverzekering en de caravanverzekering die de vrouw, vanaf het feitelijk uiteengaan van partijen in april 2022, voor de man aan Nedasco heeft voldaan. Deze verzekeringspremies betroffen privékosten van de man en dienen dus door de man te worden betaald en gedragen. De vrouw wijst in dit verband op productie 29, zijnde bankafschriften waaruit betalingen door de vrouw aan Nedasco blijken.

De man verweert zich. Kijkend naar het polisoverzicht 2022 (productie 28 bij de memorie van grieven), dan blijkt dat partijen diverse verzekeringen hebben bij Nedasco, te weten voor de caravan (€ 210,24 jaarpremie), de reisverzekering (€ 125,04 jaarpremie), de verzekeringen voor de Skoda (€ 794,14 jaarpremie) en de Daihatsu (€ 352,18 jaarpremie). Vanaf mei 2022 tot en met december 2024 heeft de vrouw - bij een gelijkblijvende premie - € 83,69 per maand voldaan aan de verzekeringen ten behoeve van de caravan en de auto. In totaal spreken we over 32 maanden, maakt € 2.678,08. Echter, tot op heden heeft er nog geen verdeling plaatsgevonden, waardoor onmogelijk dit bedrag voor rekening van de man kan komen. Caravanstallingskosten heeft de man voldaan, zijnde 3 jaar x € 366,--, bij verdeling

dient dit te worden verrekend.

Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat het hier om “privé-kosten van de man” gaat maar zij heeft deze stelling, tegenover de betwisting door de man, niet onderbouwd. De man heeft gesteld dat het hier om verzekeringen “van partijen” gaat. Het hof zal de vordering onder II punt d van het petitum van de vrouw en haar vordering terzake daarom toewijzen tot de helft van het bedrag van € 4.553,-- = € 2.276,50.

De man heeft nog aangevoerd dat hij caravanstallingskosten heeft gemaakt die bij verdeling van de caravan nog aan de orde dienen te komen. Hij heeft hierover geen beslissing van het hof gevraagd zodat daarop nu niet behoeft te worden beslist.

Premie glas- en opstalverzekering, inboedel-, aansprakelijkheids- en rechtsbijstandsverzekering

De vrouw stelt dat de man een schuld aan haar heeft van ten minste € 1.266,87 voor zijn aandeel in de premies voor de glas- en opstalverzekering, de inboedelverzekering, de

aansprakelijkheidsverzekering en de rechtsbijstandverzekering die de vrouw, vanaf het

feitelijk uiteengaan van partijen in april 2022 aan Klaverblad, heeft voldaan. De helft van

deze verzekeringspremies dienen door de man te worden betaald en gedragen

(productie 30: bankafschriften betalingen door de vrouw aan Klaverblad).

De man voert het volgende aan. Voor de glas- en opstalverzekering verwijst hij naar de gemaakte afspraak zoals weergegeven in rov. 7.10. De vrouw dient deze betalingen te verrichten. Thans resteert de inboedel-, aansprakelijkheids- en rechtsbijstandsverzekering, die respectievelijk volgens productie 28 een jaarpremie kennen van € 178,20, € 53,75 en € 243,67. In totaal aldus € 39,63 per maand. Het gaat om 32 maanden en dus een totaalbedrag van € 1.268,32. De helft van dit bedrag is het aandeel van de man: € 634,16.

Het hof deelt het standpunt van de man dat over de glas – en opstalverzekering een afspraak is gemaakt zoals hiervoor in rov. 7.10 is weergegeven. Deze kosten komen dan ook voor rekening van de vrouw. Nu de man ten aanzien van de overige in de vorige rechtsoverweging genoemde verzekeringen niet heeft betwist dat de helft daarvan voor zijn rekening komt zal het hof de vorderingen van de vrouw toewijzen tot het door de man genoemde bedrag van € 634,16.

Premie overlijdensrisicoverzekering

De vrouw stelt dat de man een schuld aan haar heeft van ten minste € 190,36 voor zijn aandeel in de premies voor de overlijdensrisicoverzekering die de vrouw, vanaf het feitelijk uiteengaan van partijen in april 2022, aan TAF heeft voldaan. De helft van deze verzekeringspremies dienen door de man te worden betaald en gedragen (productie 31: bankafschriften betalingen door de vrouw aan TAF).

De man verwijst naar de gemaakte afspraak zoals weergegeven in rov. 7.10. De vrouw dient deze betalingen te verrichten.

Het hof is van oordeel dat de vrouw deze kosten – gelet op de in rov. 7.10 weergegeven overeenstemming – voor haar rekening dient te nemen. De vordering wordt dan ook afgewezen.

Afrekening Eneco

Partijen zijn het erover eens dat de man een schuld heeft aan de vrouw van € 52,50 voor zijn aandeel in de kosten voor gas en elektriciteit tot en met maart 2022. Dat betekent dat de vordering van de vrouw die hier op ziet, wordt toegewezen.

Betaling APK

De vrouw stelt dat de man een schuld heeft aan haar van € 1.105,75 voor de door de vrouw voor de man voorgeschoten kosten voor de APK en het onderhoud van de bij de man in gebruik zijnde personenauto. De kosten voor de bij de man in gebruik zijnde auto betroffen privékosten van de man en dienen dus door de man te worden betaald en gedragen (productie 33: bankafschrift betaling door de vrouw aan [XXX] ).

De man voert verweer. De boedel, inclusief de auto, is nog altijd niet verdeeld. De man stelt zich op het standpunt dat deze kosten aldus gemeenschappelijk zijn en hij slechts gehouden is om de helft te voldoen van dit bedrag. Voorts blijkt uit het afschrift dat de vrouw overlegt dat de betaling is verricht van de gemeenschappelijke bankrekening. Per saldo is er dus niet meer te vorderen door de vrouw.

Het hof overweegt dat nu de auto in gebruik is bij de man, de man deze kosten van onderhoud en apk-keuring voor zijn rekening dient te nemen. Het hof zal de vordering van de vrouw ad € 1.105,75 dan ook toewijzen.

Teruggave inkomstenbelasting

De vrouw stelt dat de man een schuld van € 874,71 heeft aan haar voor de overboeking door hem van de en/of-rekening naar zijn bankrekening van de van de Belastingdienst ontvangen inkomstenbelastingteruggave 2021 (productie 34: bankafschrift opname Belastingteruggave door de man).

De man voert verweer. De vrouw heeft haar aandeel in de teruggave ook behouden en naar haar eigen rekening overgemaakt. Het kwam de man redelijk voor dit bedrag dan voor zich te houden. Voor de goede orde merkt de man nogmaals op dat er nog geen overeenstemming is bereikt over de verdeling of de vaststelling van een peildatum, laat staan dat de vrouw zich nu al kan beroepen op verrekening op dit punt.

Het hof overweegt dat de vrouw – tegenover de betwisting door de man en het door hem gevoerde verweer – niet voldoende heeft onderbouwd dat de vrouw vanwege deze teruggave een vordering heeft op de man. Deze vordering wordt afgewezen.

De vrouw heeft onder II onderdeel j. van haar petitum een verklaring voor recht gevorderd dat zij voor de verdeling van de inboedel, de auto's en de caravan een vordering wegens onderbedeling van € 6.827,50 op de man heeft.

Zij heeft deze vordering echter niet onderbouwd (zo geeft zij niet aan of en hoe de betreffende vervoermiddelen zijn verdeeld en ontbreekt iedere toelichting in de memorie van grieven). Het hof zal deze vordering dan ook wegens gebrek aan onderbouwing afwijzen.

De vrouw heeft in het petitum ven de memorie van grieven bij diverse vorderingen een “p.m.” vordering genoemd. Het hof zal deze p.m. posten wegens gebrek aan voldoende bepaaldheid en om iedere verdere discussie tussen partijen te voorkomen, afwijzen. Indien en voor zover de vrouw met “p.m.” doelt op gezamenlijke kosten die zij tot aan de levering van de woning aan haar voor haar rekening zal hebben genomen is het aan partijen om hierover nadere afspraken te maken.

Bewijsaanbod

De vrouw biedt aan haar stellingen te bewijzen met alle middelen rechtens, waaronder begrepen het overleggen van bescheiden en het horen van getuigen, onder wie de ouders van de vrouw, [persoon A] en [persoon B] , en de hypotheekadviseur, [persoon C] van Hypotheek Visie Breda. Gelet op de beslissingen in dit arrest wordt niet aan bewijslevering toegekomen.

9. Proceskosten

Grief 9 van de vrouw richt zich tegen de compensatie van de proceskosten door de rechtbank. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man veroordeeld dient te worden in de proceskosten omdat de man “lichtvaardig is omgegaan met het belang van de

vrouw om kosten te voorkomen c.q. te beperken”. De man voert verweer.

Het hof ziet in het door de vrouw gestelde onvoldoende reden om de man te veroordelen in de proceskosten. Tussen partijen is als gevolg van het verbreken van hun samenwoning een conflict ontstaan over toedeling van de woning. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank terecht de proceskosten van de eerste aanleg gecompenseerd. Ook in hoger beroep zal het hof de proceskosten compenseren als na te melden. Grief 9 van de vrouw faalt.

10. Conclusie

Het voorgaande betekent dat het vonnis van 28 februari 2024 –

met uitzondering van de beslissing tot compensatie van de proceskosten – zal worden vernietigd. Voor de leesbaarheid van de beslissing in hoger beroep zal het hof het vonnis in zijn geheel vernietigen en opnieuw recht doen als in het dictum nader aangegeven.

11. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda d.d. 28 februari 2024 (zaak- en rolnummer: C/02/404758 / HA ZA 22/682) zowel in conventie als in reconventie gewezen;

en opnieuw rechtdoende;

verklaart voor recht dat de vrouw:

- op grond van de door beide partijen op 23 december 2015 ondertekende

schuldbekentenis - waarin de man erkent dat hij een schuld van € 67.500,00 heeft

aan de vrouw een vordering van € 67.500,00 op de man heeft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2022 tot het moment van algehele voldoening;

- op grond van de beschikking rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda d.d.

21 december 2023 (zaak- en rekestnummer: C/02/397121 / FA RK 22/1911) - voor

door de man voor de periode mei 2022 tot en met december 2023 aan de vrouw te betalen achterstallige kinderalimentatie voor [kind 1] en [kind 2] - een vordering van

€ 8.740,00 op de man heeft;

- voor de premies voor de autoverzekering en de caravanverzekering, die de vrouw

vanaf het feitelijk uiteengaan van partijen in april 2022 voor de man aan Nedasco

heeft voldaan, een vordering van € 2.276,50 op de man heeft;

- voor het aandeel van de man in de premies voor de inboedelverzekering, de aansprakelijkheidsverzekering en de rechtsbijstandverzekering, die de vrouw vanaf het feitelijk uiteengaan van partijen in april 2022 aan Klaverblad heeft voldaan, een vordering van € 634,16 op de man heeft;

- voor het aandeel van de man in de kosten voor gas en elektriciteit tot en met

maart 2022, die de vrouw op basis van de eindafrekening aan Eneco heeft voldaan,

een vordering van € 52,50 op de man heeft;

- voor de door de vrouw voor de man voorgeschoten kosten voor de APK en het

onderhoud van de bij de man in gebruik zijnde personenauto (Skoda Superb) aan

[XXX] heeft voldaan, een vordering van € 1.105,75 op de man heeft;

gelast dat de man deze schulden uit zijn aandeel in de overwaarde van de

woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , gelijktijdig met de notariële levering van

de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , aan de vrouw dient te voldoen;

gelast de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap van woning aldus dat:

de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , binnen vier weken na de datum

van dit arrest, aan de vrouw dient te worden toegedeeld middels een akte van verdeling

waarbij:

bepaalt dat voor het geval de man niet binnen vier weken na de datum van dit arrest

meewerkt aan de toedeling / notariële levering van de woning aan de [adres] te

( [postcode] ) [plaats] aan de vrouw dit arrest in de plaats komt van de noodzakelijke

toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man voor de

eigendomsoverdracht van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] via / bij de

door de vrouw aan te wijzen notaris aan de vrouw, althans dat dit arrest in de plaats treedt van de tot de toedeling / notariële levering van de woning

aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] aan de vrouw bestemde akte van verdeling;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep aldus dat ieder partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Laarhoven, P.P.M. van Reijsen en R.W.J. van Veen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 juli 2025.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?