2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
In de zaak is een mondelinge behandeling bepaald. Deze is gehouden op 7 mei 2025, tezamen met de behandeling in de tussen partijen aanhangige procedure (de bodemzaak) met zaaknummer 200.339.874/01. Partijen en hun advocaten zijn verschenen. De advocaat van de vrouw heeft pleitnotities overgelegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Na het kortgedingvonnis van 7 augustus 2024 (waarover dit hoger beroep) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 16 september 2024 een kortgedingvonnis gewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van het vonnis van 28 februari 2024 geschorst totdat het gerechtshof in het hoger beroep (zaaknummer 200.399.874/01) heeft beslist. Verder heeft de voorzieningenrechter de man verboden het vonnis in kort geding van 7 augustus ten uitvoer te leggen, totdat het gerechtshof in de kortgedingprocedure in hoger beroep (zaaknummer: 200.344.798/01) heeft beslist, op straffe van een dwangsom van € 25.000,= . Van dit vonnis is geen hoger beroep in gesteld.
3. De beoordeling
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, welke relatie in februari 2022 is verbroken;
partijen zijn de ouders van [kind 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en [kind 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];
partijen hebben op 25 juli 2014 in gemeenschappelijk eigendom een woning verworven aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning), ieder voor de onverdeelde helft;
op de woning rust een hypothecaire geldlening bij de ING Bank, waarvoor partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn. Deze geldlening bestaat uit een hypotheek (met [nummer 1]) met een totale hoofdsom van € 283.920,--, afgesloten op 25 juli 2014 en een hypotheek (met [nummer 2]) met een totale hoofdsom van € 66.560,--, afgesloten op 20 september 2019;
de man heeft de echtelijke woning op 15 februari 2022 verlaten, doch de man heeft tot 23 maart 2022 in het kader van “birdnesting” in de weekenden met de kinderen in de woning verbleven.
Procedures
Vonnis van 28 februari 2024
De man is een procedure gestart waarin hij – kort gezegd – toedeling van de woning aan hem vordert. De vrouw heeft verweer gevoerd en in reconventie – onder meer- toedeling van de woning aan haar gevorderd. Bij vonnis van 28 februari 2024 heeft de rechtbank – kort gezegd en voor zover thans van belang – de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke woning aldus gelast dat de vrouw - na taxatie van de woning - binnen drie maanden na de datum van het vonnis dan wel de datum van na het verschijnen van het taxatierapport (als eerste) de gelegenheid krijgt om de woning over te nemen. Als de vrouw de woning niet aan zich kan laten toedelen binnen genoemde termijn, krijgt de man de gelegenheid om binnen drie maanden de woning aan zich te laten toedelen. De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis en in die zaak (met zaaknummer 200.339.874/01) wordt heden eveneens arrest gewezen.
Kortgedingvonnis van 7 augustus 2024. Het bestreden vonnis.
De man heeft in eerste aanleg in kort geding, in conventie, –samengevat – gevorderd dat hij, indien hij uiterlijk op 28 augustus 2024 heeft aangetoond dat hij in staat is de woning toegedeeld te krijgen in die zin dat hij de op de woning rustende hypothecaire geldlening bij ING Bank kan overnemen, de vrouw kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en hij aan de vrouw een bedrag kan betalen dat gelijk is aan de helft van de overwaarde, de woning aan hem wordt toegedeeld, waarbij het vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw voor de eigendomsoverdracht van de woning aan hem via/bij de door de man nader aan te wijzen notaris, althans dat het vonnis in de plaats treedt van de tot toedeling/notariële levering van de woning aan de man bestemde akte van verdeling en de vrouw te veroordelen de woning twee weken voor de levering(sdag) aan de man, met medeneming van haar huisraad te ontruimen met machtiging van de man om de ontruiming zelf te bewerkstelligen op kosten van de vrouw. Indien de woning niet aan de man kan worden toegedeeld, dient de woning te worden verkocht zoals door de man onder 2 van het petitum van de dagvaarding nader aangegeven, alles op straffe van een dwangsom.
Aan deze vordering heeft de man, samengevat, ten grondslag gelegd dat de vrouw niet binnen de door de rechtbank in het vonnis van 28 februari 2024 bepaalde termijn van drie maanden na dat vonnis met stukken onderbouwd heeft aangetoond dat zij de woning zal en kan overnemen tegen de vastgestelde waarde, waarbij de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid uit hoofde van de op de woning rustende hypothecaire geldlening en waarbij de vrouw op het moment van het verlijden van de akte van verdeling bij de notaris de helft van de overwaarde, verminderd met de helft van de taxatiekosten, aan de man moet voldoen.
De vrouw heeft verweer gevoerd zoals in haar conclusie van antwoord nader aangegeven en in reconventie gevorderd - kort gezegd – de man te veroordelen tot nakoming van het vonnis van 28 februari 2024 zoals in het petitum van de conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie nader is aangegeven.
De man heeft verweer gevoerd tegen de eis in reconventie.
De voorzieningenrechter heeft in het vonnis van 7 augustus 2024 de vorderingen van de man in conventie toegewezen en bepaald dat:
“ indien de man uiterlijk 28 augustus 2024 aan de vrouw met stukken onderbouwd kenbaar heeft gemaakt dat hij in staat is de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] toegedeeld te krijgen, in die zin dat hij de op de woning rustende hypothecaire geldlening bij de ING Bank kan overnemen, de vrouw kan worden ontslagen uil de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze geldlening en de man aan de vrouw dan een bedrag kan betalen dat gelijk is aan de helft van de overwaarde, dit vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw voor de eigendomsoverdracht van de woning aan de man. via/bij een door de man aan te wijzen notaris, dan wel dat dit vonnis in de plaats treedt van de tot toedeling/notariële levering van de woning aan de man bestemde akte van verdeling;”
Verder heeft de voorzieningenrechter:
- de vrouw bevolen de woning uiterlijk twee weken voor de levering(sdag) aan de
man te verlaten, met medeneming van haar huisraad te ontruimen, als woonplaats te verlaten met al die zich in de woning bevinden en deze niet meer te betreden;
- de vrouw veroordeeld, indien de man niet uiterlijk op 28 augustus 2024 aan de
vrouw met stukken onderbouwd kenbaar heeft gemaakt dat hij in staat is om de woning toebedeeld te krijgen, in die zin dat hij de op de woning rustende hypothecaire geldlening bij de ING Bank kan overnemen, de vrouw kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze geldlening en de man dan een bedrag aan de vrouw kan betalen dat gelijk is aan de helft van de overwaarde, om uiterlijk 11 september 2024 haar medewerking te verlenen aan het verstrekken van een opdracht tot bemiddeling aan de makelaar Van Liessum Makelaars met betrekking tot de verkoop van de woning;
- de vrouw veroordeeld om aan de man een dwangsom te betalen van € 1.000,--
voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan bovenstaande veroordeling voldoet, tot een maximum van € 20.000,-- bereikt;
Het meer of anders gevorderde in conventie is afgewezen.
De voorzieningenrechter heeft in reconventie heeft de vorderingen van de vrouw afgewezen en zowel in conventie als in reconventie de proceskosten gecompenseerd.
Kortgedingvonnis van 16 september 2024.
Na het bestreden vonnis van 7 augustus 2024 heeft de man kenbaar gemaakt dat hij de vonnissen van 28 februari 2024 en 7 augustus 2024 ten uitvoer zou leggen, in die zin dat de akte van verdeling (van het aandeel van de vrouw aan de man), zou worden gepasseerd op dinsdag 17 september 2024 Daarbij heeft hij de vrouw aangezegd de woning uiterlijk dinsdag 3 september 2024 te verlaten. De vrouw is vervolgens een kort geding procedure gestart waarop de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland- West-Brabant bij vonnis van 16 september 2024:
de tenuitvoerlegging van het vonnis van 28 februari 2024 heeft geschorst totdat het gerechtshof in het hoger beroep (zaaknummer 200.399.874/01) heeft beslist;
de man verboden het vonnis in kort geding van 7 augustus ten uitvoer te leggen, totdat het gerechtshof in de kortgedingprocedure in hoger beroep
(zaaknummer: 200.344.798/01) heeft beslist, op straffe van een dwangsom van € 25.000,= .
Van dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
De vrouw is van het vonnis van 7 augustus 2024 in hoger beroep gekomen en zij heeft daarbij negen grieven aangevoerd. De vrouw heeft tevens een incident opgeworpen.
Zij vordert, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad in het incident om
uitvoerbaarverklaring bij voorraad althans de tenuitvoerlegging te schorsen van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie [plaats] d.d. 28 februari 2024 (zaak- en rolnummer: C/02/404758 / HA ZA 22-682), dat wil zeggen de door de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad, gelaste wijze van verdeling van de gemeenschappelijke woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats].
De vrouw vordert voorts vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter van 7 augustus 2024 voor zover de voorzieningenrechter daarbij de vorderingen van de man in conventie heeft toegewezen en alsnog toewijzing van haar vorderingen in reconventie in die zin dat zij alsnog vier weken de gelegenheid krijgt de woning aan zich te doen toedelen, met betaling door de man van een aantal in het petitum genoemde schulden. Voors vordert de vrouw dat, indien de man niet meewerkt aan levering van zijn aandeel aan de vrouw, het arrest van het hof in de plaats treedt van de noodzakelijke medewerking van de man. De vrouw heeft verder veroordeling van de man in de proceskosten gevorderd.
De man heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van de voorzieningenrechter. Voorts heeft de man gevorderd de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering in het incident dan wel haar vorderingen af te wijzen.
De man heeft zelf ook een incident opgeworpen. Hij vordert om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad in het incident:
“Het vonnis in kort geding van de rechtbank Zeeland - West-Brabant, locatie [plaats] d.d. 7 augustus jl. met het kenmerk C/02/423459 / KG ZA 24/279 voor zover het betreft de beslissing van de rechtbank onder r.o. 5.1. en 5.2 te herformuleren in dier voege, uitvoerbaar bij voorraad
a. de vrouw te veroordelen te gehengen en gedogen dat, indien eiser uiterlijk op 28 augustus 2024 aan de gedaagde met stukken onderbouwd kenbaar heeft gemaakt dat hij in staat is de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] toebedeeld te krijgen in die zin dat hij de op de woning rustende hypothecaire geldlening bij ING Bank kan overnemen, gedaagde kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze geldlening en hij aan gedaagde dan een bedrag kan betalen dat gelijk is aan de helft van overwaarde, het in dezen te wijzen vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van gedaagde voor de eigendomsoverdracht van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] via / bij de door eiser nader aan te wijzen notaris aan eiser, althans dat het vonnis van uw rechtbank in de plaats treedt van de tot toedeling / notariële levering van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] aan eiser bestemde akte van verdeling en gedaagde te veroordelen, althans te bevelen de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] twee weken voor de levering(sdag) aan eiser, met medeneming van haar huisraad te ontruimen, metterwoon te verlaten met al die zich in de woning bevinden en deze niet meer te betreden, met machtiging van eiser voor het geval de gedaagde hieraan niet voldoet de ontruiming van de woning zelf te bewerkstelligen, zulks op kosten van gedaagde voor zover het haar betreft;
b.de vrouw te veroordelen de woning uiterlijk twee weken voor de levering(sdag) aan de man te verlaten, met medeneming van haar huisraad te ontruimen, als woonplaats te verlaten met al die zich in de woning bevinden en deze niet meer te betreden”
Beoordeling in de incidenten
Het door de vrouw opgeworpen incident.
Het hof stelt allereerst vast dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep haar incidentele vordering strekkende tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad bij voorraad/tenuitvoerlegging van het vonnis van 28 februari 2024 ex art. 351 Rv heeft ingetrokken. Aldus behoeft dit incident geen verdere bespreking meer. Het hof zal de vrouw in deze vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Het door de man opgeworpen incident.
De man heeft in het door hem opgeworpen incident alsnog de uitvoerbaar verklaring bij voorraad gevorderd van de door de voorzieningenrechter genomen beslissing dat de man tot 28 augustus 2024 de gelegenheid kreeg om de woning aan zich te doen toedelen.
Nu het hof in het arrest van heden in het hoger beroep van de vrouw in de bodemzaak (gericht tegen het vonnis van 28 februari 2024) heeft beslist dat de vrouw alsnog de gelegenheid krijgt de woning aan zich te doen toedelen, heeft de man geen (spoedeisend) belang meer bij beoordeling van zijn incidentele vordering. De vordering in het incident wordt dan ook afgewezen.
Beoordeling grieven tegen het vonnis van de voorzieningenrechter.
De grieven 1 t/m 5 van de vrouw komen er in de kern op neer dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de vrouw niet aan het vonnis van 28 februari 2024 heeft voldaan doordat zij niet tijdig en onderbouwd met stukken aan de man heeft doen weten dat zij de woning aan zich toegedeeld kon krijgen in die zin dat zij de op de woning rustende hypothecaire geldlening bij de ING Bank kan overnemen, de man kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze geldlening en de vrouw dan een bedrag aan de man kan betalen dat gelijk is aan de helft van de overwaarde. Met deze grieven betoogt de vrouw dat zij wel aan haar verplichtingen in dit kader heeft voldaan.
De man heeft de grieven gemotiveerd weersproken. Hij voert aan dat de vrouw in de aan haar gegeven periode (t/m 28 mei 2024) onvoldoende heeft aangetoond dat zij de woning aan zich kon doen toedelen en hem uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid kon doen ontslaan. Het toegezonden (verouderde) hypotheekrapport gaf geen uitsluitsel over de vraag of de vrouw de woning kon overnemen inclusief een ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid en uitkering aan de man van de helft van de overwaarde. De e-mailberichten van 1 maart 2024 en 12 maart 2024 geven geen uitsluitsel over de financieringsmogelijkheden van de vrouw, evenmin als haar e-mail van 26 maart 2024. Zij had deze e-mails met nadere stukken moeten onderbouwen en dat heeft zij niet (tijdig) gedaan.
Afstemming op het oordeel in de bodemzaak
Het hof overweegt als volgt.
De rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter een beslissing in de bodemzaak heeft gegeven, moet zijn oordeel in beginsel afstemmen op het oordeel van de bodemrechter. Dit is de zogeheten ‘afstemmingsregel’. In dit geval heeft het hof het hoger beroep in dit kort geding en het hoger beroep in de bodemzaak op de zitting van 7 mei 2025 gezamenlijk behandeld. Het hof doet in de beide zaken ook gelijktijdig uitspraak. Dit betekent dat het hof het oordeel in dit kort geding in beginsel moet afstemmen op het oordeel in de bodemzaak. Er is hier geen grond om van dat uitgangspunt af te wijken. Tot slot geldt nog dat een in het kort geding gegeven voorlopige voorziening vervalt, indien de uitspraak in de bodemprocedure meebrengt dat de grondslag aan de in kort geding gegeven voorlopige voorziening komt te ontvallen.
In het arrest van heden in de bodemzaak met zaaknummer 200.339.874/01 heeft het hof beslist dat de vrouw alsnog de gelegenheid dient te krijgen om de woning aan zich te doen toedelen.
Het hof heeft deze beslissing als volgt gemotiveerd:
“7.7.2. Het hof is in de eerste plaats van oordeel dat voor partijen voldoende duidelijk was althans dat zij redelijkerwijs hebben moeten begrijpen wat de rechtbank heeft bedoeld met “onderbouwd met stukken”. De vrouw wist, of althans had redelijkerwijs dienen te begrijpen, dat zij moest aantonen, (1) dat zij de hypothecaire geldlening kan overnemen, alsook (2) dat de man daarbij kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en voorts (3) dat zij aan de man een bedrag kan betalen dat gelijk is aan de helft van de overwaarde.
Het antwoord op de vraag echter op welke wijze dit dient te geschieden en welke stukken daartoe voldoende zijn, dient naar het oordeel van het hof bezien te worden in het licht van de omstandigheden van het geval, mede bezien de (post)relationele situatie van partijen en is derhalve afhankelijk van hetgeen partijen in de gegeven situatie over en weer van elkaar konden en mochten verwachten. Daarbij speelt de redelijkheid en billijkheid, die ook de rechtsverhouding tussen (ex-)echtgenoten beheerst, een rol (art. 6:2 BW). Dat leidt in deze zaak tot het volgende.
Op de vrouw rustte de verplichting om aan te tonen dat zij het aandeel van de man in de woning kan overnemen – op de wijze zoals bedoeld als hiervoor omschreven onder (1), (2) en (3) – maar dat veronderstelt aan de zijde van de man ook de verplichting tijdig en adequaat te reageren op hetgeen de vrouw aan hem in dat kader schriftelijk mededeelt. Het hof hecht in dit verband waarde aan de e-mailberichten van 1 maart 2024 en 12 maart 2024 (productie 8 en 9 behorende bij de dagvaarding in eerste aanleg van de man d.d. 26 juni 2024 in zaaknummer 200.344.798/01) en de e-mail van 26 maart 2024 van de vrouw aan de man (productie 19 bij memorie van antwoord). Weliswaar zijn de eerste twee e-mailberichten in de kortgedingprocedure overgelegd maar gelet op het feit dat de zaken nauw samenhangen en tegelijkertijd behandeld zijn op de mondelinge behandeling waarbij partijen in beide zaken uitdrukkelijk in de gelegenheid zijn gesteld op alle stukken te reageren, slaat het hof in deze zaak ook acht op die e-mails.
In het e-mailbericht van 26 maart 2024 (productie 19 bij memorie van antwoord) schrijft de advocaat van de vrouw:
“Klopt het dat ik van u namens uw cliënt nog geen reactie heb ontvangen op mijn onderstaande e-mail d.d. 12 maart 2024?
Inmiddels zijn we twee weken verder en begint de tijd te dringen. Graag verzoek ik u mij daarom aanstaande donderdag, 28 maart 2024, vóór 13:00 uur te bevestigen dat uw cliënt zijn schuld(en) van (ten minste) totaal € 67.500,00 aan cliënte alsnog erkend en dat uw cliënt zijn schuld(en) van (ten
minste) totaal € 67.500,00 aan cliënte, gelijktijdig met de toedeling / notariële levering van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] aan cliënte, geheel zal aflossen door verrekening met zijn aandeel in de overwaarde van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats].
Ingeval uw cliënt desondanks meent te mogen blijven betwisten dat hij een schuld(en) van (ten minste) totaal € 67.500,00 aan cliënte heeft, verzoek ik u mij aanstaande donderdag vóór 13:00 uur te bevestigen of uw cliënt ermee instemt dat het gedeelte van de aan uw cliënt toekomende overwaarde van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] waarover tussen partijen een geschil bestaat (€ 75.000,00, althans ten minste € 67.500.00) door cliënte, voorafgaand aan de toedeling / notariële levering van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] aan haar, bij de
notaris in depot wordt gestort en dat dit bedrag bij de notaris in depot blijft staan totdat het gerechtshof arrest heeft gewezen.
(…)
“Cliënte is in staat de overname van het aandeel van uw cliënt in de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] te financieren. ING Bank N.V. is bereid uw cliënt te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor (het restant van) de hypotheekschuld. Ook kan cliënte beschikken over een
aanvullende financiering, zodat zij bij de toedeling / notariële levering van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] aan haar in staat is het aandeel van uw cliënt in de overwaarde van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] aan uw cliënt uit te betalen. Cliënte heeft
Notariskantoor Terheijden opdracht gegeven de akte van verdeling in concept op te stellen.”
(…)”
Uit dit e-mailbericht van 26 maart 2024 blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat de vrouw uitgaat van toedeling / notariële levering van de woning aan haar, omdat zij in haar beleving aan de op haar rustende verplichting heeft voldaan. De vrouw geeft expliciet aan dat zij in staat is de overname van het aandeel van de man in de woning te financieren, dat de ING bereid is de man te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor (het restant van) de hypotheekschuld én dat zij kan beschikken over aanvullende financiering, zodat zij bij toedeling / notariële levering van de woning aan haar in staat is het aandeel van de man in de overwaarde aan de man uit te betalen. Hoewel in de genoemde e-mailberichten expliciet is verzocht om een reactie van de man, is een reactie op die e-mailberichten van de zijde van de man uitgebleven. Als de man op dat moment had gemeend dat er zijns inziens ten onrecht geen relevante, dan wel onvoldoende, stukken waren overgelegd, had hij dit, mede gelet op het bepaalde in art. 6:2 BW, aan de vrouw kenbaar moeten maken. Nu hij dit niet heeft gedaan, mocht de vrouw er op vertrouwen dat óók voor de man tijdig en voldoende duidelijk was dat zij het aandeel van de man in de woning kon overnemen (zoals hiervoor bedoeld onder (1), (2) en (3)). In dit oordeel heeft het hof betrokken dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat haar ouders haar altijd financieel gesteund hebben waar dat nodig was en dat de man altijd heeft geweten dat zij met de financiële steun van haar ouders het aandeel van de man in de woning zou kunnen overnemen.
Het voorgaande betekent dat grief 2 van de vrouw slaagt. Daaruit volgt dat de vrouw alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om binnen vier weken na datum van dit arrest, de woning aan haar toegedeeld te krijgen. Het hof zal de vordering van de vrouw toewijzen, zoals in het dictum nader te melden.”
In het verlengde van dit oordeel slagen de grieven 1 t/m 5 van de vrouw in dit kort geding. Het hof verwijst naar de e-mailberichten van 1 maart 2024, 12 maart 2024 en 26 maart 2024 (productie 8, 9 en 10 behorende bij de dagvaarding in eerste aanleg van de man d.d. 26 juni). Uit die e-mailberichten blijkt dat de vrouw uitgaat van toedeling / notariële levering van de woning aan haar, omdat zij in haar beleving aan de op haar rustende verplichting heeft voldaan. Zij geeft in haar e-mailbericht van 26 maart 2024 expliciet aan dat zij in staat is de overname van het aandeel van de man in de woning te financieren, dat de ING bereid is de man te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor (het restant van) de hypotheekschuld én dat zij kan beschikken over aanvullende financiering, zodat zij bij toedeling / notariële levering van de woning aan haar in staat is het aandeel van de man in de overwaarde aan de man uit te betalen. Hoewel in al die e-mailberichten expliciet is verzocht om een reactie van de man, is een reactie op die e-mailberichten van de zijde van de man uitgebleven. Als de man op dat moment had gemeend dat er zijns inziens geen, dan wel onvoldoende, stukken waren overgelegd, dan had hij dit aan de vrouw kenbaar moeten maken. Nu hij dit niet heeft gedaan, mocht de vrouw er op vertrouwen dat óók voor de man tijdig en voldoende duidelijk was dat zij het aandeel van de man in de woning kon overnemen. In dit oordeel heeft het hof betrokken dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat haar ouders haar altijd financieel gesteund hebben waar dat nodig was en dat de man altijd heeft geweten dat zij met de financiële steun van haar ouders het aandeel van de man in de woning zou kunnen overnemen. Het hof deelt aldus het standpunt van de vrouw dat de vrouw met hetgeen zij aan de man op 28 mei 2024 heeft toegezonden en in de aanloop naar die datum in haar e-mails van 1 maart 2024, 12 maart 2024 en 26 maart 2024 heeft vermeld voldoende heeft aangetoond dat zij in staat is de overname van het aandeel van de man in de woning te financieren, dat de ING bereid is de man te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor (het restant van) de hypotheekschuld én dat zij kan beschikken over aanvullende financiering, zodat zij bij toedeling / notariële levering van de woning aan haar in staat is het aandeel van de man in de overwaarde aan de man uit te betalen. Dat zij op 28 mei 2024 per abuis een verouderd hypotheekrapport meezond kan niet tot de conclusie leiden dat zij daarmee haar kansen had verspeeld op toedeling van de woning aan haar. Het betreft hier immers een vergissing die eenvoudig kan worden rechtgezet. Bovendien had het – zoals hiervoor overwogen – op de weg van de man gelegen om eerder te reageren op de door de vrouw verzonden e-mailberichten.
In het verlengde van het slagen van de grieven 1 t/m 5 van de vrouw slagen ook grief 6 en 7. Grief 8 behoeft bij gebrek aan belang geen behandeling meer. De vordering in conventie van de man wordt alsnog afgewezen. De vordering in reconventie zal het hof bij gebrek aan (spoedeisend) belang eveneens afwijzen omdat in het arrest van heden in de bodemzaak met zaaknummer 200.339.874/01) de vorderingen van de vrouw worden toegewezen
Proceskosten
De vrouw heeft veroordeling van de man in de proceskosten gevorderd. Het hof ziet daartoe in het door de vrouw gestelde echter geen aanleiding. Tussen partijen is als gevolg van het verbreken van hun samenwoning een conflict ontstaan dat zich heeft toegespitst op de verdeling van de woning. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank terecht de proceskosten van de eerste aanleg gecompenseerd. Ook in hoger beroep zal het hof de proceskosten compenseren als na te melden. Grief 9 van de vrouw faalt.
4. De uitspraak
Het hof:
rechtdoende in hoger beroep:
in het door de vrouw opgeworpen incident ex art 351 Rv:
verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar vordering.
in het door de man opgeworpen incident ex art. 234 Rv:
wijst de vordering af.
in de hoofdzaak:
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van 7 augustus 2024, behoudens voor zover daarin de proceskosten van de eerste aanleg zijn gecompenseerd;
en in zoverre opnieuw rechtdoende;
in conventie:
wijst de vorderingen van de man af;
in reconventie:
wijst de vorderingen van de vrouw – wegens gebrek aan belang – af;
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter doch uitsluitend voor zover daarin de proceskosten zijn gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Laarhoven, P.P.M. van Reijsen en R.W.J. van Veen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 juli 2025.
griffier rolraadsheer