GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.344.916/01
arrest van 29 juli 2025
in de zaak van
Mr. Job Marie Molkenboer in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [de B.V.]
kantoorhoudend te [kantoorplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. E. van der Kolk te Tilburg,
tegen:
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. A.P. Macro te Amsterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 22 juli 2024 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen vonnis van 5 juli 2024 (zaaknummer C/02/422542 / KG ZA 24-228) tussen de curator als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.
1. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties 1 tot en met 6;
- de memorie van antwoord met een productie;
- de akte overlegging producties en nadere toelichting van de curator van 13 mei 2025 met producties 7 tot en met 16;
- de brief van de curator van 15 mei 2025 met producties 17 en 18.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 juni 2025. Hierbij zijn verschenen:
de curator, bijgestaan door mr. G.J.P. Molkenboer;
[geïntimeerde] , bijgestaan door mrs. H.J. School en A.P. Macro.
De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd en deze voorgedragen.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
2. De feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[de B.V.] (hierna: [de B.V.] ) is door de rechtbank Rotterdam op 5 maart 2024 in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. J.M. Molkenboer tot curator.
[de B.V.] behoort tot de IPS-groep, een concern waaraan [geïntimeerde] , samen met zijn echtgenote, aan het hoofd staat. De IPS-groep bestaat uit meerdere vennootschappen die zowel in Nederland als in het buitenland zijn gevestigd. De activiteiten van de IPS groep bestaan onder meer uit het inkopen van onderdelen en materialen voor de olie- en gas industrie over de gehele wereld (purchasing) en uit de productie en verkoop van afsluiters en kleppen voor de industrie. Een aantal vennootschappen houdt zich bezig met geheime en vertrouwelijke activiteiten voor defensie.
De curator heeft direct na zijn benoeming de administratie van [de B.V.] onder zich genomen. Hij heeft [persoon A] (hierna: [persoon A] ), verbonden aan Evidentum, ingeschakeld voor het onder zich nemen van e-mail(accounts) van [de B.V.] .
Bij e-mail van 8 april 2024 heeft [persoon A] aan [persoon B] (CFO van de IPS-groep, hierna: [persoon B] ) het volgende bericht:
“Ik heb inmiddels financiële data veiliggesteld vanuit uw financiële systeem Multlvers. Ik zou ook graag de e-mails veiligstellen die betrekking hebben op [de B.V.] . Ik weet dat de mail voor [de B.V.] via dezelfde mailboxen loopt als de overige vennootschappen van [de B.V.] en ook prlvémail bevat. Het maken van een kopie van de Integrale mailbox zou dan ook mail bevatten van die vennootschappen en/of privémail en dat is ongewenst. Om dat te ondervangen stel ik voor dat er geautomatiseerd een filtering plaatsvindt waarbij alleen [de B.V.] mail wordt veiliggesteld. Dit geautomatiseerd filteren kan uitgevoerd worden met speciale software. In deze software word(t)(en) dan de mailbox(en) ingeladen die gefilterd moet(en) worden. Door het gebruik van zoekwoorden kan dan de filtering worden uitgevoerd. Een toepasselijk zoekwoord zou " [de B.V.] " zijn. Vanuit het principe van zorgvuldigheid kunnen wij de software bij u op het bedrijf op een van uw eigen computers laten draaien waarna alleen de resultaten geëxporteerd worden. U kunt toezicht houden op het filterproces. Op deze manier kunt u er verzekerd van zijn dat er geen andere mail wordt veiliggesteld dan die betrekking heeft op [de B.V.] .
Staat u hier voor open?”
In reactie hierop heeft [persoon B] bij e-mail van 10 april 2024 aan [persoon A] medegedeeld dat hij daartoe niet bereid is.
De curator heeft [geïntimeerde] bij e-mail van 12 april 2024 verzocht en voor zover nodig gesommeerd om binnen 5 dagen alsnog in te stemmen met het voorstel van [persoon A] als omschreven in de e-mail van 8 april 2024, onder aanzegging van rechtsmaatregelen (kort geding).
De advocaat van [geïntimeerde] heeft de curator bij e-mail van 13 april 2024 bericht dat er geen sprake is van een weigering om mee te werken maar dat er technische IT-kwesties zijn die eerst geadresseerd moeten worden. De (advocaten van) partijen hebben vervolgens afgesproken om tot 22 april 2024 te wachten en daarna het vervolg te bespreken.
[persoon B] heeft de curator eind april 2024 toegang verleend tot de e-mailboxen van dertien medewerkers van [de B.V.] .
[persoon A] heeft bij e-mail van 30 april 2024 aan [persoon B] bericht dat de curator graag ook de e-mailboxen van
- [persoon C]
- [persoon D]
- [persoon E]
- [persoon B]
- [persoon F]
- [persoon G]
- [persoon H]
wil filteren op e-mail waarin over [de B.V.] wordt gesproken. Hij heeft [persoon B] gevraagd of dit gefaciliteerd kan worden.
[persoon B] heeft bij e-mail van 2 mei 2024 geantwoord dat niet aan het verzoek zal worden voldaan, omdat geen van genoemde personen voor [de B.V.] hebben gewerkt, met uitzondering van [persoon G] . [persoon G] heeft tot en met 3 mei 2023 voor [de B.V.] gewerkt maar zijn e-mails zijn verloren gegaan, aldus [persoon B] .
Partijen hebben geen overeenstemming bereikt met betrekking tot het filteren van de e-mailboxen van genoemde zeven personen. De curator heeft vervolgens dit kort geding aanhangig gemaakt.
3. De procedure bij de voorzieningenrechter
De curator heeft in eerste aanleg als voorlopige voorziening, samengevat, gevorderd [geïntimeerde] op grond van artikel 92 Faillissementswet (Fw) te veroordelen om:
de curator, althans [persoon A] , toegang te verschaffen tot alle e-mail accounts binnen zijn concerns, waaronder de e-mailboxen van de onder 2.1.9 genoemde personen, voor zover deze in bezit/beheer zijn van [geïntimeerde] en/of door hem gecontroleerde vennootschappen en
[persoon A] in staat te stellen de e-mail accounts - door middel van speciale software - geautomatiseerd te filteren middels de term [de B.V.] , waarbij [persoon A] de software op een van de computers van het concern laat draaien waarna alleen de resultaten geëxporteerd worden,
dit alles op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
[geïntimeerde] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.
Bij vonnis in kort geding van 5 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De voorzieningenrechter heeft daartoe, samengevat, overwogen dat e-mails van en naar [de B.V.] die zich bevinden op een aan een derde toebehorend account en tot de administratie behorende (e-mail)gegevens die zich op een aan een derde toebehorende server bevinden vallen onder artikel 92 Fw, maar dat de vordering toch niet toewijsbaar is. De voorzieningenrechter heeft in dat verband overwogen dat onweersproken is dat de zoekterm [de B.V.] veel te ruim is en dat dit ertoe zal leiden dat er bedrijfsgevoelige informatie en zelfs uiterst geheime informatie (met betrekking tot defensieactiviteiten) wordt prijsgegeven en voorts dat niet duidelijk is welke extra filters toereikend zijn. De voorzieningenrechter heeft daarnaast in aanmerking gekomen dat de resultaten van de filtering worden geëxporteerd en de gegevens offline op een harde schijf worden opgeslagen, maar dat niet duidelijk is bij wie de schijf daarna in bewaring zal worden gegeven.
4. De beoordeling in hoger beroep
De curator voert drie grieven aan tegen voornoemd vonnis. Hij vordert in hoger beroep vervolgens, na eiswijziging, vernietiging van dit vonnis en [geïntimeerde] te veroordelen om alle medewerking te verlenen aan veiligstelling en filtering van de e-mailbestanden met de extensies [e-mailadres] en [e-mailadres] , conform het protocol dat als bijlage is gevoegd bij de e-mail van de curator aan mr. Macro van 5 december 2024 (productie 10 zijdens de curator), waarbij primair [geïntimeerde] , subsidiair de curator een computer ter beschikking stelt met:
een Intel 17 Processor uit de 13e of 14e generatie met een degelijke koeling, idealiter een i7 type 14700k of 13700k, en als alternatief een Intel i5 processor type 14600k of 13600k;
minimaal 32 GB geheugen;
een NVMe SSD van 2 TB als opslagmedium,
en waarbij de aldus gefilterde e-mailbestanden in gerechtelijke bewaring worden gegeven aan [persoon I] van Deurwaarderskantoor [---] te [vestigingsplaats] op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 100.000,00, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.
[geïntimeerde] bestrijdt de grieven en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de curator in zijn hoger beroep, althans tot afwijzing van het hoger beroep en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de curator in de kosten van het hoger beroep.
Grief 1: feitenvaststelling
De eerste grief van de curator is gericht tegen de opname door de voorzieningenrechter bij de feitenvaststelling dat een aantal vennootschappen behorende tot de IPS-groep zich bezig houdt met uiterst geheime en vertrouwelijke activiteiten voor (het Ministerie van) Defensie. De curator voert in dat verband slechts aan dat hij niet kan vaststellen of dit juist is. Zonder nadere toelichting is het hof de strekking van de grief niet duidelijk. Bovendien betwist de curator niet dat [geïntimeerde] via enkele vennootschappen van de IPS-groep werkzaamheden verricht voor Defensie. De advocaat van de curator heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook aangegeven dat de curator niet ter discussie stelt dat sprake is van geheime informatie. Gelet hierop verwerpt het hof de eerste grief.
Grief 2: bewaring e-mailbestanden
Eiswijziging
De tweede grief gaat over de eiswijziging in hoger beroep. Nadat de curator zijn eis in de memorie van grieven al had gewijzigd, heeft hij in zijn later ingediende akte dit nogmaals gedaan. De curator vordert na deze eiswijziging, samengevat, bewaring van de e-mailbestanden met de extensies [e-mailadres] en [e-mailadres] conform het protocol, zoals door de curator bij e-mail van 5 december 2024 aan de advocaat van [geïntimeerde] is toegestuurd. Dit komt in feite neer op een eisvermindering. De curator vordert immers geen inzage meer in de e-mailbestanden. Namens [geïntimeerde] is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen deze eiswijziging. In zijn ter zitting overgelegde spreekaantekeningen heeft de advocaat van de curator de eis van de curator nogmaals geformuleerd, maar niet voorgedragen. Namens [geïntimeerde] is wel bezwaar gemaakt tegen deze eisformulering, voor zover deze afwijkt van de eis die is opgenomen in de akte. De advocaat van de curator heeft ter zitting echter verklaard dat de curator met de eisformulering in de spreekaantekeningen geen wijziging heeft beoogd ten opzichte van de in de akte opgenomen eis. Het hof gaat bij de verdere beoordeling dan ook uit van de eis, zoals geformuleerd in de akte en hiervoor is weergegeven onder 4.1.
Spoedeisend belang
Bij de beoordeling van de vraag of een in kort geding gevorderde voorziening in hoger beroep (alsnog) voor toewijzing in aanmerking komt, moet mede worden beoordeeld of de eisende partij (in dit geval de curator) ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft.
Het hof stelt vast dat de curator met de gevraagde voorlopige voorziening wil bereiken dat de e-mailboxen van de hiervoor onder 2.1.9 genoemde personen worden veiliggesteld. Artikel 68 Fw bepaalt dat de curator is belast met het beheer en de vereffening van de boedel. Op grond van artikel 92 Fw is onderdeel van deze wettelijke taak dat de curator alle nodige en gepaste middelen inzet ter bewaring van de boedel en onmiddellijk de bescheiden en andere gegevensdragers onder zich neemt, ook wanneer deze zich ergens anders bevinden. Zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen, vloeit hieruit voort dat de curator onmiddellijk na zijn benoeming alles in het werk stelt om (onder meer) de administratie en alle aanwezige informatie daarover veilig te stellen voor zijn latere onderzoek daarvan in het belang van de boedel. Tot genoemde bescheiden en andere gegevensdragers behoren ook digitale bestanden waarop zich dergelijke informatie bevindt, dan wel redelijkerwijs vermoed kan worden zich daarop te bevinden. Met het voorgaande is naar het oordeel van het hof het spoedeisend belang van de curator bij zijn vordering al gegeven.
[geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog aangevoerd dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant [geïntimeerde] bij vonnis van 14 mei 2025 heeft veroordeeld tot het betalen van een (voorschot op) het tekort in het faillissement van [de B.V.] en de curator daarom geen belang meer heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Dit argument gaat al niet op, omdat de advocaat van [geïntimeerde] vervolgens ter zitting in hoger beroep heeft bevestigd dat [geïntimeerde] tegen dat vonnis hoger beroep zal instellen.
De door [geïntimeerde] aangevoerde omstandigheid dat de curator de datum van de te houden verificatievergadering heeft vervroegd naar 2 juli 2025, leidt er evenmin toe dat de curator geen spoedeisend belang (meer) heeft bij de gevraagde voorziening. Anders dan [geïntimeerde] kennelijk meent, betekent het feit dat de verificatievergadering - in het licht van de datum van de mondelinge behandeling van dit kort geding - binnenkort zal worden gehouden niet dat het rechtmatigheidsonderzoek door de curator geheel is afgerond. De verificatievergadering is immers bedoeld om de omvang en de juistheid van de schulden van de failliet vast te stellen. Om in vervolg op die vergadering de stand van de boedel vast te stellen en de ingediende vorderingen definitief te beoordelen, kan nader onderzoek noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld omdat een of meerdere vorderingen (door de curator of een andere schuldeiser) wordt/worden betwist.
Inhoudelijke beoordeling
Het hof komt vervolgens toe aan de inhoudelijke beoordeling van de gevraagde voorziening. Het hof overweegt daartoe het volgende.
De voorzieningenrechter heeft de in eerste aanleg gevorderde voorziening afgewezen, kort gezegd op de grond dat het zoekfilter ‘ [de B.V.] ’ onvoldoende specifiek is en onduidelijk is welke filters toereikend zijn, dat daarnaast onduidelijk is bij welke derde de opgeslagen resultaten van de filtering in bewaring zal worden gegeven en dat [geïntimeerde] met het oog op de gevoelige gegevens bij de bewaring en veiligstelling daarvan een zekere mate van inspraak moet hebben. Tussen partijen staat vast dat tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg in dat verband is gesproken over het opstellen van een protocol.
Naar aanleiding hiervan en van het bestreden vonnis heeft de curator een protocol opgesteld. Dit protocol heeft hij bij e-mail van 19 juli 2024 aan de advocaat van [geïntimeerde] gestuurd (productie 5 bij memorie van grieven). De advocaat van [geïntimeerde] heeft bij e-mail van 3 december 2024 het protocol teruggestuurd met door [geïntimeerde] aangebrachte aanpassingen (productie 9 bij akte overleggen producties en nadere toelichting van de curator). De curator heeft vervolgens het door hem opgestelde protocol aangepast, waarbij hij de door [geïntimeerde] gewenste aanpassingen deels heeft verwerkt. Hij heeft dit aangepaste protocol bij e-mail van 5 december 2024 aan de advocaat van [geïntimeerde] toegestuurd (productie 10 bij akte overleggen producties en nadere toelichting van de curator). De curator vraagt bewaring van de mailbestanden conform dit laatste protocol.
[geïntimeerde] voert ten eerste het verweer dat [geïntimeerde] geen toegang heeft tot de in het protocol genoemde e-mailbestanden, omdat die niet bij hem maar bij Compete IT Solutions (Compete) in bezit/beheer zijn. Volgens [geïntimeerde] had de curator zijn vordering daarom niet tegen hem maar tegen Compete moeten instellen. Hierin volgt het hof [geïntimeerde] niet. De IPS-groep, waarvan [de B.V.] onderdeel uitmaakt, heeft haar e-mailbestanden in beheer gegeven aan Compete. [geïntimeerde] staat (samen met zijn echtgenote) aan het hoofd van de IPS-groep. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [geïntimeerde] als bestuurder van de IPS-groep, die op haar beurt weer opdrachtgever van Compete is, geen toegang tot de mailbestanden kan (doen) verschaffen. Aannemelijk is dat de data door Compete zal worden vrijgegeven op basis van een uitvoerbare gerechtelijke uitspraak. Dit wordt bevestigd door de verklaring namens [geïntimeerde] ter zitting in hoger beroep dat [geïntimeerde] het eerste door de curator toegestuurde protocol in samenspraak met Compete heeft aangepast en doordat de vrijgave van (een kopie van) de data door Compete aan de gerechtelijke bewaarder in dat aangepaste protocol is blijven staan.
[geïntimeerde] voert voorts het verweer dat de curator toegang vordert tot alle
e-mailaccounts van alle concerns van [geïntimeerde] en pas daarna wil filteren op ‘ [de B.V.] ’, terwijl de omvang van [de B.V.] in relatie tot alle ondernemersactiviteiten van [geïntimeerde] minimaal is en de niet aan [de B.V.] toebehorende e-mailaccounts geen deel uitmaken van de administratie van [de B.V.] . Bovendien kan op deze manier bedrijfsgevoelige informatie en uiterst geheime informatie (met betrekking tot defensieactiviteiten) worden prijsgegeven, aldus [geïntimeerde] .
Het hof stelt vast dat de curator geen toegang wil tot álle e-mailbestanden van alle concerns van [geïntimeerde] . De curator wenst immers, zo blijkt ook uit het protocol, veiligstelling van de mailboxen van de onder 2.1.9 genoemde personenmailboxen met e-mailadressen eindigend op [e-mailadres] en [e-mailadres] . Het bezwaar van [geïntimeerde] ziet met name op het laatstgenoemde e-mailadres. Weliswaar gaat het hierbij om e-mailbestanden die formeel geen eigendom zijn van [de B.V.] , maar dit staat op zich niet aan toewijzing van de gevraagde voorziening in de weg. Zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen, behoren de e-mails van en naar [de B.V.] die zich op een aan een derde toebehorend account bevinden, tot de administratie van [de B.V.] en vallen ook tot de administratie behorende (e-mail)gegevens die zich op een aan een derde toebehorende server bevinden, onder artikel 92 Fw (vgl. Hof Den Haag, 11 maart 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2206, JOR 2014/218).
Voor zover [geïntimeerde] aanvoert dat de curator geen belang heeft bij de
e-mailbestanden van de hiervoor genoemde personen, omdat deze nooit werkzaam zijn geweest bij [de B.V.] , gaat het hof ook hieraan voorbij. Vast staat dat zij allemaal in dienst zijn (geweest) van vennootschappen binnen de IPS-groep, waarvan [de B.V.] ook onderdeel uitmaakt. De curator heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep toegelicht dat
- genoemde personen, hetzij recent, hetzij in het verleden, (feitelijk of indirect) leiding hebben gegeven aan [de B.V.] ;
- hij tot nu toe alleen inzage heeft gekregen in de e-mailboxen van productiemedewerkers,
en dat hij daarom belang heeft bij de e-mailbestanden van deze personen.
Dit is vervolgens niet door [geïntimeerde] weersproken.
Daar komt bij dat [geïntimeerde] zelf tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard dat al zijn communicatie (het hof begrijpt: over alle vennootschappen van het concern) via het e-mailadres [e-mailadres] verloopt. Niet is uitgesloten dat dit ook voor de andere personen geldt. Anders dan [geïntimeerde] beweert, kan het niet zo zijn dat deze communicatie, voor zover deze namens [de B.V.] is verstuurd of ontvangen, zich per definitie ook bevindt in de aan [de B.V.] toebehorende e-mailbestanden die de curator al tot zijn beschikking heeft. Deze communicatie is dan immers verzonden via of ontvangen op een e-mailaccount dat geen eigendom is van [de B.V.] . Deze wijze van communicatie komt voor rekening en risico van [geïntimeerde] en de IPS-groep.
Met de voorzieningenrechter acht het hof het dan ook niet onaannemelijk dat naast [geïntimeerde] en zijn [persoon E] als (indirecte) bestuurders van de IPS-groep en [persoon B] als CFO van de IPS-groep ook de overige genoemde personen vanuit het e-mailaccount (eindigend op) [e-mailadres] namens [de B.V.] e-mails hebben verstuurd en ontvangen die tot de administratie van [de B.V.] moeten worden gerekend.
Het hof is daarnaast van oordeel dat het door [geïntimeerde] aangedragen bezwaar met betrekking tot de vertrouwelijkheid van bepaalde informatie/activiteiten binnen de IPS-groep voldoende wordt ondervangen met het protocol. In de eerste plaats volgt uit het dossier dat de mailbestanden pas ná filtering in bewaring zullen worden genomen. Het protocol vermeldt immers dat alleen de mailbestanden die na insluiting en uitsluiting overblijven, zullen worden geëxporteerd naar een externe harddisk, waarvan een tweede kopie ter beschikking wordt gesteld aan de gerechtelijk bewaarder. Uit het protocol volgt bovendien dat de mailbestanden niet alleen worden gefilterd op het woord ‘ [de B.V.] ’. Uit de data in de e-mailboxen zullen eerst alle e-mailberichten waarin het woord ‘ [de B.V.] ’ voorkomt, worden ingesloten. Vervolgens wordt gefilterd op basis van uitsluitingen: een temporele uitsluiting (alle data vóór 1 januari 2018), alle communicatie van en aan de advocaat/advocaten in de genoemde e-mailadressen en ten slotte 23 woorden, verband houdend met bedrijfsgevoelige informatie en defensieactiviteiten waarmee een aantal vennootschappen van de IPS-groep zich bezig houdt. Hierbij dient nog te worden opgemerkt dat de curator deze lijst met woorden al heeft uitgebreid om tegemoet te komen aan de bezwaren van [geïntimeerde] in verband met de vertrouwelijkheid van bepaalde informatie/activiteiten binnen de IPS-groep. In het oorspronkelijke protocol dat de curator op 19 juli 2024 heeft toegestuurd, bedroeg de lijst nog acht woorden. De curator heeft ter zitting in hoger beroep nogmaals bevestigd dat het hem niet gaat om de defensieactiviteiten van de IPS-groep, maar uitsluitend om activiteiten van [de B.V.] .
[geïntimeerde] maakt overigens ook op geen enkele wijze inzichtelijk waaruit zijn bezwaar op dit punt nog concreet bestaat en onder welke voorwaarden hieraan door de curator kan worden tegemoet gekomen. Dit had wel op zijn weg gelegen, zeker gelet op zijn plicht als (indirect) bestuurder van [de B.V.] om de curator alle medewerking aan het beheer en de vereffening van de boedel te verlenen en om de administratie van [de B.V.] volledig en ongeschonden aan de curator over te dragen (artikel 105a lid 1 en lid 2 jo artikel 106 Fw). Daarnaast heeft [geïntimeerde] geen verklaring gegeven voor het uitblijven van een inhoudelijke reactie door of namens hem op het door de curator aangepaste protocol dat bij e-mail van 5 december 2024 aan de advocaat van [geïntimeerde] van is toegestuurd en dat voorafgaand aan de mondelinge behandeling als productie 10 in het geding is gebracht door de curator.
Het hof stelt verder vast dat partijen het erover eens zijn om, zoals in het protocol opgenomen, [---] Gerechtsdeurwaarders en Incasso te [vestigingsplaats] als gerechtelijk bewaarder van de e-mailbestanden te laten optreden. [geïntimeerde] heeft er wel bezwaar tegen als de [persoon A] of een door hem in te schakelen deskundige de data veilig stelt. De curator heeft daarop in zijn akte twee andere partijen aangedragen die daartoe bereid zijn, te weten [persoon J] van Spindle en [persoon K] van Insolvit. Hierop heeft [geïntimeerde] niet gereageerd. Het hof gaat er dan ook van uit dat [geïntimeerde] tegen geen van beide deskundigen bezwaren heeft. Het hof laat het aan de curator over wie van beiden hij als deskundige kiest om de data veilig te stellen.
Conclusie
Onder bovengenoemde omstandigheden zal het hof de door de curator gevraagde voorziening toewijzen, met dien verstande dat in plaats van [persoon A] één van de hiervoor genoemde deskundigen de data veilig zal stellen. Zoals al overwogen, gaat het daarbij dus alleen om de veiligstelling van de e-mailbestanden door bewaring en (nog) niet om inzage door de curator in deze e-mailbestanden. Afhankelijk van het verdere verloop van het faillissement van [de B.V.] kan de curator in een later stadium verzoeken tot inzage doen, eventueel met inachtneming van de nodige procedurele waarborgen en/of overeen te komen protocollen.
Het hof zal de door de curator gevorderde dwangsom eveneens toewijzen, aangezien er actieve medewerking van [geïntimeerde] is vereist voor het door Compete na filtering ter beschikking stellen van (een kopie van) de in het protocol genoemde e-mailbestanden aan de gerechtelijke bewaarder.
Grief 2 slaagt dus.
Grief 3: compensatie proceskosten eerste aanleg
De derde grief van de curator richt zich tegen de beslissing van de voorzieningenrechter om de proceskosten tussen partijen te compenseren. De curator meent dat [geïntimeerde] alsnog in de proceskosten in eerste aanleg moet worden veroordeeld, omdat de vordering van de curator in eerste aanleg ten onrechte niet, althans niet deels is toegewezen.
Het hof overweegt dat de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis tot uitgangspunt heeft genomen dat de curator met de door hem gevraagde voorziening, gezien zijn wettelijke taak, in zijn recht stond. De voorzieningenrechter heeft de vordering desondanks afgewezen, omdat de gevraagde veiligstelling van (en toen nog inzage in) de e-mailbestanden, gelet op de binnen het concern aanwezige gevoelige informatie over defensieactiviteiten, nog niet met voldoende waarborgen was (waren) omkleed. In hoger beroep ligt de situatie, zoals hiervoor vastgesteld, anders, reden waarom de (gewijzigde) vordering alsnog wordt toegewezen. De curator heeft in hoger beroep ook erkend dat er binnen het concern vanwege de defensieactiviteiten sprake is van geheime informatie die buiten de bewaarneming moet blijven. Gelet hierop en gelet op het ontbreken van de in dat verband nodige waarborgen in eerste aanleg, ziet het hof geen aanleiding om [geïntimeerde] alsnog te veroordelen in de kosten van eerste aanleg. De derde grief faalt.
5. Slotsom
Het bovenstaande betekent dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd met uitzondering van de proceskostencompensatie.
[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in hoger beroep worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep. Deze kosten stelt het hof aan de zijde van de curator vast op:
- griffierecht
€
349,00
- salaris advocaat
€
3.035,00
(2,5 punten × appeltarief II)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld)
- totaal:
€
3.562,00
De veroordelingen in dit arrest zullen, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
6. De uitspraak
Het hof:
vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 5 juli 2024, met uitzondering van de proceskostencompensatie;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerde] om alle medewerking te verlenen aan veiligstelling en filtering van de e-mailbestanden met de extensies [e-mailadres] en [e-mailadres] , conform het protocol dat als bijlage is gevoegd bij de e-mail van de curator aan mr. Macro van 5 december 2024 (productie 10 zijdens de curator) met dien verstande dat de veiligstelling en filtering van de data zal plaatsvinden onder supervisie van [persoon J] van Spindle of [persoon K] van Insolvit, waarbij primair [geïntimeerde] , subsidiair de curator een computer ter beschikking stelt met:
en waarbij de aldus gefilterde e-mailbestanden in gerechtelijke bewaring worden gegeven aan [persoon I] van Deurwaarderskantoor [---] te [vestigingsplaats] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 100.000,00;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de curator vastgesteld op € 3.562,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening;
verklaart bovengenoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.C. van Campen, J.W. van Rijkom en C.M. Molhuysen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 juli 2025.
griffier rolraadsheer