GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.349.764/01
arrest van 29 juli 2025
in de zaak van
[---] Begeleiding B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [appellante],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna respectievelijk aan te duiden als [---] en [appellante] ,
advocaat: mr. D.J.A. Burlet te Oostburg,
tegen
Stichting Clavis,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Clavis,
niet verschenen in hoger beroep, verstek verleend,
op het bij exploot van dagvaarding van 18 december 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 20 november 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [---] als gedaagde en Clavis als eiseres.
1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 11221070CV EXPL 24-2539)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 7 augustus 2024.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. De beoordeling
De vaststaande feiten en de kern van het geschil
Het gaat in deze zaak naar de kern genomen om de vraag of de huurovereenkomst tussen Clavis en [appellante] moet worden ontbonden omdat [appellante] een huurachterstand heeft laten ontstaan, terwijl Clavis pas in een laat stadium de melding als bedoeld in artikel 2 van het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening heeft gedaan.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. Bij huurovereenkomst van 31 mei 2022 heeft Clavis de woning aan de [adres] te [plaats] verhuurd aan [appellante] .
b. [appellante] heeft sinds juli 2023 een huurachterstand laten ontstaan. Die huurachterstand is daarna geleidelijk opgelopen.
c. Bij brief van 26 juli 2023 heeft Clavis [appellante] gesommeerd de op dat moment bestaande huurachterstand binnen 14 dagen na ontvangst van die brief te voldoen.
d. Bij brief van 5 februari 2024 heeft de door Clavis ingeschakelde deurwaarder [appellante] gesommeerd om binnen vijf dagen een hoofdsom van € 2.231,-- aan achterstallige huur over de periode tot en met de maand februari 2024, vermeerderd met € 101,23 aan incassokosten te voldoen dan wel daarvoor een deugdelijk betalingsvoorstel te doen. In deze brief staat verder onder meer het volgende:
“ Schuldhulpverlening
Namens de verhuurder vraag ik u of u ermee instemt dat uw contactgegevens aan
schuldhulpverlening van de gemeente worden aangeleverd. Wilt u binnen vijf dagen laten weten of u instemt. Als u niets laat weten dan is de verhuurder verplicht (artikel 2 Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening) uw contactgegevens aan schuldhulpverlening te verstrekken.”
e. Brief van 12 februari 2024 heeft de door Clavis ingeschakelde deurwaarder [appellante] gesommeerd het volgens die brief openstaande bedrag van € 2.392,96 binnen drie dagen te voldoen.
f. Op 25 juni 2024 heeft Clavis de huurachterstand op de voet van artikel 2 van het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening (hierna: Bgs) gemeld bij de gemeente.
g. Op 16 juli 2024 heeft Clavis de inleidende dagvaarding in het onderhavige geding aan [appellante] laten betekenen.
h. Op 29 juli 2024 heeft [appellante] een aanvraag voor schuldhulpverlening ingediend. Op die datum heeft de Consulent Vroegsignalering en Schuldhulpverlening van de gemeente een crisisintakegesprek met de [appellante] gevoerd. De consulent heeft hierover een bericht van 29 juli 2024 gezonden aan Clavis en daarin onder meer meegedeeld dat [appellante] op 2 augustus 2024 een intakegesprek heeft bij (beoogd bewindvoerder) [---] . Verder is in deze brief aan Clavis gevraagd of zij ermee instemt dat [appellante] voorlopig € 50,-- per maand aflost en dat er, als het bewind is opgestart, eventueel een nieuw voorstel komt.
i. Clavis heeft bij e-mail van 30 juli 2024 aan de consulent meegedeeld dat zij na de definitieve uitspraak van de rechtbank over de vorderingen van Clavis, zal beslissen hoe met het voorstel van de consulent om te gaan.
j. Bij beschikking van 5 september 2024 heeft de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, een bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [appellante] , en [---] tot bewindvoerder benoemd.
k. Op 12 september 2024 heeft in de onderhavige procedure de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [---] heeft daar namens [appellante] verweer gevoerd.
Het geding bij de kantonrechter
Clavis vorderde in het geding bij de kantonrechter, samengevat:
ontbinding van de tussen Clavis en [appellante] bestaande huurovereenkomst;
veroordeling van [---] tot ontruiming van het gehuurde;
veroordeling van [---] tot betaling van achterstallige huur, lopende huur en gebruiksvergoeding, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten, wettelijke rente en proceskosten.
Aan deze vordering heeft Clavis, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
[appellante] is in de nakoming van de huurovereenkomst tekortgeschoten door een aanzienlijke huurachterstand te laten ontstaan. Zij moet de achterstallige huur alsnog voldoen. De tekortkoming rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling van [appellante] tot ontruiming van het gehuurde.
[---] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
In het tussenvonnis van 7 augustus 2024 heeft de kantonrechter een mondelinge behandeling bevolen. Die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 september 2024. Daarna heeft nog een aktewisseling plaatsgevonden over de hoogte van de huurachterstand.
In het beroepen vonnis van 20 november 2024 heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld.
Ter zake achterstallige huur over de periode tot en met september 2024 is € 3.224,66 toewijsbaar (rov. 2.4).
Ten tijde van de mondelinge behandeling (hof: van 12 september 2024) bedroeg de huurachterstand ongeveer 5,5 maand. [appellante] kwam de huurovereenkomst dus al langere tijd niet goed na. De kantonrechter zal daarom de huurovereenkomst ontbinden en de vordering tot ontruiming toewijzen (rov. 2.5).
De door Clavis gevorderde buitengerechtelijke kosten en (wettelijke) rente zullen worden afgewezen (rov. 2.7).
[---] moet als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld (rov. 2.8).
Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter, samengevat, de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde ontbonden, [---] veroordeeld om het gehuurde binnen twee weken na betekening van het vonnis te ontruimen, en [---] veroordeeld tot betaling van;
€ 3.244,66 aan achterstallige huur over de periode tot en met september 2024 (hof: kennelijk abusievelijk vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 juli 2024, zie hierna rov. 3.4.3 van dit arrest);
€ 586,54 per maand of gedeelte daarvan aan huur vanaf 1 oktober 2024 tot de ontbinding van de huurovereenkomst;
€ 586,54 per maand aan schadevergoeding vanaf de ontbinding van de huurovereenkomst tot de feitelijke ontruiming van het gehuurde.
Tot slot heeft de kantonrechter [---] in de proceskosten veroordeeld, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Gebeurtenissen na het beroepen vonnis
Na het beroepen vonnis heeft zich onder meer nog het volgende voorgedaan.
Clavis heeft op grond van het beroepen vonnis de ontruiming aangezegd tegen 17 december 2024.
[---] heeft daartegen een executiegeschil aangezegd, waarvan de mondelinge behandeling is bepaald op 16 december 2024. Na de dagvaarding in hoger beroep van 11 december 2024 zijn in dit hoger beroep geen proceshandelingen meer verricht door [---] . Het hof is daarom niet op de hoogte van de uitkomst van het executiegeschil.
Het geding in hoger beroep
[---] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. Op basis van die grieven heeft [---] geconcludeerd tot:
vernietiging van het beroepen vonnis wat betreft de ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling tot ontruiming;
opnieuw rechtdoende: afwijzing alsnog van de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en de vordering tot ontruiming van het gehuurde;
met veroordeling van Clavis in de proceskosten.
Clavis is niet verschenen in hoger beroep en heeft dus in hoger beroep geen verweer gevoerd. Dat laat onverlet dat het hof wel acht moet slaan op hetgeen Clavis in het geding bij de kantonrechter aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd.
De omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep
[---] heeft geen grieven gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de achterstallige huur over de periode tot en met september 2024 € 3.224,66 bedroeg. Ook Clavis is daar niet tegen opgekomen. Daarom staat in dit hoger beroep vast dat de huurachterstand over de periode tot en met september 2024 € 3.224,66 bedroeg. Omdat de te betalen huur op dat moment € 586,54 per maand bedroeg, was de huurachterstand in september 2024 afgerond 5,5 maand.
Clavis is niet opgekomen tegen de afwijzing van haar vordering ter zake buitengerechtelijke kosten. Die vordering ligt dus niet ter beoordeling voor in hoger beroep.
De kantonrechter heeft in rov. 2.7 van het vonnis gemotiveerd geoordeeld dat de door Clavis gevorderde wettelijke rente niet toewijsbaar is. Toch heeft de kantonrechter in het dictum van het vonnis de wettelijke rente over de toewijsbare hoofdsom van € 3.224,66 toegewezen. Die toewijzing berust gelet op hetgeen in rov. 2.7 is overwogen op een onmiskenbare vergissing. Het hof moet het dictum van het vonnis uitleggen in het licht van en met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid (zie onder meer HR 19 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7084, rov. 4.2.2). Het hof zal het dictum van het vonnis daarom aldus uitleggen dat de vordering van Clavis ter zake wettelijke rente is afgewezen. Overigens zou een verzoek van [---] aan de kantonrechter tot verbetering van de betreffende kennelijke fout op de voet van artikel 31 Rv ook tot die uitkomst hebben geleid. Omdat Clavis niet is opgekomen tegen het oordeel dat haar vordering ter zake wettelijke rente niet toewijsbaar is, ligt ook die vordering niet ter verdere beoordeling voor in hoger beroep.
Wel ter beoordeling liggen voor de vorderingen van Clavis tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot veroordeling van [---] tot ontruiming van het gehuurde.
Over grief 1: moet de omstandigheid dat Clavis pas in een laat stadium de melding als bedoeld in artikel 2 van het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening heeft gedaan, leiden tot afwijzing van de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde?
Het hof zal eerst grief 1 behandelen. Door middel van deze grief betoogt [---] samengevat het volgende.
De kantonrechter heeft zijn oordeel dat de tekortkoming van [appellante] in de nakoming van haar betalingsverplichtingen de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, uitsluitend gebaseerd op de hoogte van de huurachterstand. Bij de beantwoording van de vraag of een tekortkoming de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt, zijn echter alle omstandigheden van het geval van belang.
In dit geval is van belang dat er al in juli 2023 een huurachterstand aanwezig was, die daarna geleidelijk is opgelopen. Clavis heeft van het bestaan van de huurachterstand echter pas meer dan een jaar later, te weten op 25 juni 2024, de door artikel 2 Bgs vereiste melding gedaan bij de gemeente. Die termijn is veel te lang. Als Clavis de melding eerder had gedaan, dan zou eerder een traject van schuldhulpverlening op gang zijn gekomen, zou eerder een bewindvoerder zijn benoemd en zou de huurachterstand niet zo ver zijn opgelopen.
Daar komt bij dat Clavis de inleidende dagvaarding in de onderhavige procedure al op 16 juli 2024 heeft laten betekenen aan [appellante] . Dat is slechts drie weken na het doen van de melding als bedoeld in artikel 2 Bgs. Deze termijn is onredelijk kort en binnen die termijn is het niet mogelijk om de schuldhulpverlening op gang te brengen.
Het bewind heeft er inmiddels toe geleid dat voor [appellante] een uitkering ingevolge de Participatiewet is verkregen, en waar mogelijk worden aanvragen voor toeslagen gedaan. [---] is in staat om namens [appellante] de lopende huur te voldoen en die huur wordt inmiddels ook maandelijks voldaan.
De ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling tot ontruiming leiden in dit geval tot resultaten die het Bgs juist beoogt te voorkomen.
Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief het volgende voorop.
Artikel 6:265 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De hoofdregel en de tenzij-bepaling brengen tezamen de materiële rechtsregel tot uitdrukking dat, kort gezegd, slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst. Ten aanzien van de stelplicht en bewijslast brengt de structuur van hoofdregel en tenzij-bepaling in de systematiek van het BW echter wel mee dat de schuldeiser moet stellen en zo nodig bewijzen dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de schuldenaar (en in voorkomend geval dat voldaan is aan de eis van art. 6:265 lid 2 BW dat de schuldenaar in verzuim is), en dat het aan de schuldenaar is om de omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die zien op toepassing van de tenzij-bepaling. Bij beantwoording van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst (HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810).
Het door [---] in de toelichting op haar grief genoemde Bgs is per 1 januari 2021 in werking is getreden. Voor huurovereenkomsten met betrekking tot woonruimte is met name artikel 2 van het Bsg van belang. Dit artikel luidt als volgt:
“ Artikel 2. Gegevensverstrekking huurachterstand
De verhuurder van een tot bewoning bestemde onroerende zaak verstrekt als er achterstand is in het betalen van de huur de contactgegevens van de huurder en de hoogte van de achterstand aan het college voor schuldhulpverlening, als hij:
a. inspanning heeft geleverd om in persoonlijk contact te treden met de huurder om deze te wijzen op de mogelijkheden om betalingsachterstanden te voorkomen en te beëindigen;
b. de huurder gewezen heeft op de mogelijkheden voor schuldhulpverlening;
c. de huurder tenminste eenmaal een schriftelijke herinnering heeft gestuurd over de betalingsachterstand; en
d. bij die schriftelijke herinnering heeft aangeboden om met schriftelijke toestemming van de huurder zijn contactgegevens aan het college te verstrekken en de huurder daarop niet afwijzend heeft gereageerd.”
Het Bgs is gebaseerd op de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs). In artikel 3 lid 1 onder b van die wet is de mogelijkheid opgenomen om signalen van schuldeisers over het bestaan van betalingsachterstanden aan te wijzen op basis waarvan schuldhulpverleners zelf het initiatief moeten nemen voor een intakegesprek met inwoners met schulden (de zogenoemde ‘vroegsignalering’ van schulden). Daarvoor is het nodig dat de schuldhulpverleners meldingen ontvangen over die schulden. In het Bgs is kort gezegd geregeld dat woningverhuurders betalingsachterstanden melden bij gemeenten als het hen niet lukt de huurachterstand buitengerechtelijk te incasseren. Er is in het Bgs geen sanctie opgenomen op het niet melden. De verhuurder houdt de mogelijkheid om aan de rechter om ontbinding van de huurovereenkomst te vragen. In de Nota van toelichting op het Bgs staat onder meer dat het de verwachting is dat de rechter de vroegsignalering van schulden gaat betrekken bij de afweging of huisuitzetting te rechtvaardigen is. Het niet melden van de huurachterstand door de verhuurder is – met andere woorden – een omstandigheid die de rechter kan meewegen bij de beantwoording van de vraag of de tekortkoming van de huurder in de nakoming van de huurbetalingsverplichtingen van voldoende gewicht is om ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen te rechtvaardigen.
Naar het oordeel van het hof staat in dit geval vast dat Clavis het bepaalde in artikel 2 van het Bsg niet goed heeft nageleefd. De melding aan de gemeente heeft pas meer dan een jaar na het ontstaan van de huurachterstand plaatsgevonden en in de tussenliggende periode is de huurachterstand verder opgelopen. Bovendien heeft Clavis de inleidende dagvaarding al drie weken na het doen van de melding laten betekenen. Hierdoor heeft geen tijdige schuldhulpverlening kunnen plaatsvinden.
Bij de beoordeling hoeveel gewicht dit in de schaal legt, acht het hof van belang dat, nadat de melding is gedaan, schuldhulpverlening aan [appellante] op gang is gekomen, dat aan [appellante] vervolgens een uitkering is toegekend, dat waar mogelijk toeslagen voor [appellante] worden aangevraagd en dat de lopende huur inmiddels maandelijks volledig betaald wordt. Verder pleegt in het kader van de schuldhulpverlening een aanbod te worden gedaan aan de schuldeisers, hetgeen ertoe kan leiden dat de openstaande huurschuld al dan niet in termijnen geheel of ten dele wordt voldaan.
[---] heeft gesteld dat, als Clavis wel tijdig aan haar meldingsplicht had voldaan en de schuldhulpverlening eerder zou zijn opgestart, de huurachterstand niet zo ver zou zijn opgelopen als nu het geval is. Clavis heeft dat niet betwist, en het hof acht het ook aannemelijk, omdat vanaf de inschakeling van de schuldhulpverlening en de benoeming van [---] als bewindvoerder (pas omstreeks de datum van de mondelinge behandeling van het onderhavige geding bij de kantonrechter) de lopende huurtermijnen steeds maandelijks zijn voldaan. Daarom acht het hof het waarschijnlijk dat bij eerdere inschakeling van de schuldhulpverlening het oplopen van de huurachterstand eerder tot staan zou zijn gebracht. Het hof acht het feit dat Clavis de melding in een buitengewoon laat stadium heeft verricht, daarom een zwaarwegende omstandigheid die toe te rekenen valt aan Clavis en die niet ten nadele van [appellante] mag komen.
Volledigheidshalve overweegt het hof nog het volgende. [---] heeft in de toelichting op de grief gesteld dat de huur momenteel maandelijks op de 10e van de maand wordt voldaan. Het hof acht het feit dat de huur niet voor de eerste van de maand wordt voldaan in dit geval niet zwaarwegend. Dat de huur op de 10e van de maand wordt betaald, houdt verband met de betaaldatum van de uitkering van [appellante] . Clavis heeft hier geen bezwaar tegen gemaakt.
Het hof concludeert dat, nadat de schuldhulpverlening is ingeschakeld de lopende huur steeds maandelijks wordt voldaan. Ook is een voorlopige afbetalingsregeling van € 50,- per maand voorgesteld, die Clavis echter heeft afgewezen. Het hof acht daarom aannemelijk dat, als [appellante] eerder met schuldhulpverlening in contact was gekomen, haar betalingsgedrag ook eerder zou zijn verbeterd. Dat dit niet in een eerder stadium is gebeurd, is aan Clavis toe te rekenen. Zij heeft immers niet voldoende voortvarend voldaan aan de uit artikel 2 van het Bgs voortvloeiende meldingsplicht. Naar het oordeel van het hof valt niet uit te sluiten dat, indien Clavis de uit het Bgs voortvloeiende verplichtingen tijdig zou zijn nagekomen, de huurachterstand niet zou zijn opgelopen tot meer dan drie maanden, zodat dan de huurachterstand in beginsel onvoldoende zou zijn geweest om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen.
Het hof constateert verder dat Clavis aan haar vorderingen geen andere tekortkomingen van [appellante] in de nakoming van de huurovereenkomst ten grondslag heeft gelegd. Er is dus geen sprake van andere tekortkomingen die meewegen bij de vraag of in dit geval ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is.
Het hof komt op grond van het bovenstaande tot de slotsom dat de tekortkoming van [appellante] in de nakoming van haar huurbetalingsverplichtingen, die mede toe te rekenen is aan de niet tijdige nakoming door Clavis van haar meldingsplicht, de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De meldingsplicht is juist in het Bgs opgenomen om tijdig te kunnen ingrijpen bij betalingsproblemen en onnodige huisuitzettingen zoveel mogelijk te voorkomen. Het hof acht voorts van belang dat [appellante] , sinds zij contact heeft met schuldhulpverlening, correct voldoet aan haar huurbetalingsverplichtingen. Clavis heeft ook niet gesteld dat [appellante] , althans [---] , niet doende is met het treffen van een regeling over haar bestaande schulden. Clavis heeft niet betwist dat dit traject ernstig in gevaar komt als [appellante] haar huurwoning zou moeten ontruimen. Grief 1 slaagt dus.
Over grief 2: is het beroepen vonnis ten onrechte uitvoerbaar bij voorraad verklaard?
Grief 2 is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter om de veroordeling tot ontruiming van het gehuurde uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Deze grief hoeft niet meer behandeld te worden. Omdat grief 1 terecht is voorgedragen, moet het beroepen vonnis immers al vernietigd worden voor zover het betreft de ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling tot ontruiming van het gehuurde.
Conclusie en afwikkeling
Uit het bovenstaande volgt dat het beroepen vonnis vernietigd moet worden voor zover het betreft de ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling tot ontruiming van het gehuurde. Het hof zal, in zoverre opnieuw rechtdoende, die vorderingen afwijzen.
Het voorgaande brengt mee dat de partijen in het geding bij de kantonrechter geacht moeten worden over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk te zijn gesteld. Het hof zal het beroepen vonnis daarom ook vernietigen, voor zover het betreft de veroordeling van [---] in de proceskosten. Het hof zal, in zoverre opnieuw rechtdoende, de proceskosten van het geding bij de kantonrechter compenseren tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen.
Het door [---] ingestelde hoger beroep heeft doel getroffen. Het hof zal Clavis daarom als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof zal de proceskosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [---] vaststellen op:
Explootkosten € 135,97
Griffierechten € 362,--
Salaris advocaat € 1.214,-- (1 punt x tarief II)
Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals hierna in de
uitspraak vermeld)
___________________________________________________+
Totaal € 1.889,97
Uit het bovenstaande volgt de hierna te geven uitspraak.
4. De uitspraak
Het hof:
vernietigt het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaak-/rolnummer 11221070CV EXPL 24-2539 tussen partijen gewezen vonnis van 20 november 2024, voor zover het betreft:
in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt Clavis in de proceskosten van het hoger beroep ten bedrage van € 1.889,97 te betalen binnen veertien dagen na heden; als Clavis niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet Clavis € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.B. Smits en J.J.M. Saelman en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 juli 2025.
griffier rolraadsheer