ECLI:NL:GHSHE:2025:2178

ECLI:NL:GHSHE:2025:2178, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 05-08-2025, 200.309.822_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 05-08-2025
Datum publicatie 23-12-2025
Zaaknummer 200.309.822_01
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

verkeersrecht, benoeming deskundige, letselschade, ongeval fietser, aan deskundige te stellen vragen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.309.822/01

arrest van 5 augustus 2025

in de zaak van

1. Gemeente Tilburg ,zetelend te Tilburg ,

2. [X] B.V.,

tevens handelende onder de naam [Y] Verzekeringen,gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk aan te duiden als de gemeente en [Y] en gezamenlijk als

de gemeente c.s.,

advocaat: mr. I.I. Assink te Borne,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. P.W.M. Gossens te 's-Hertogenbosch.

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 14 november 2023 en 18 maart 2025 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer 9722969 CV EXPL 22-845 gewezen vonnis van 1 december 2020.

8. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenarrest van 18 maart 2025;

de akte van de gemeente c.s.;

de akte van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9. De verdere beoordeling

In het tussenarrest van 18 maart 2025 heeft het hof overwogen voornemens te zijn om ir. A. Walraad , verkeerskundige, als deskundige te benoemen en hem de in het tussenarrest geformuleerde vragen voor te leggen, alsmede om het voorschot op de kosten van de deskundige voorshands ten laste van [geïntimeerde] te brengen en het voorschot daarop te bepalen op € 9.680,00 inclusief btw. Partijen hebben zich bij akte over de genoemde voornemens uitgelaten.

Benoeming van een deskundige

[geïntimeerde] herhaalt in haar akte haar bezwaar tegen het inschakelen van een deskundige. Met verwijzing naar onder meer het arrest van dit hof van 24 mei 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:1647) betoogt [geïntimeerde] dat het hof eerder heeft geoordeeld dat biggenruggen op zichzelf gezien een gevaarlijke situatie opleveren, waarvoor voldoende dient te worden gewaarschuwd. [geïntimeerde] voert voorts aan dat over de specifieke situatie in de [straatnaam A] in [woonplaats] veel informatie in het geding is gebracht aan de hand waarvan het hof een oordeel kan vellen. Gelet op het belang van de zaak kan het benoemen van een deskundige, met een voorschot dat de persoonlijke schade van [geïntimeerde] overstijgt, volgens [geïntimeerde] als disproportioneel worden aangemerkt.

Het hof komt niet terug op zijn voornemen om een deskundige te benoemen en zal daartoe overgaan. Zoals in het tussenarrest van 14 november 2023 in rechtsoverweging (rov.) 3.6.9. overwogen, wenst het hof door een deskundige nader te worden voorgelicht, in het bijzonder ten aanzien van de vraag hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is dat een fietser in een situatie als destijds aanwezig in de [straatnaam A] in aanraking komt met een biggenrug en daardoor ten val komt en ten aanzien van de vraag naar de redenen voor de keuze voor een weginrichting met biggenruggen aldaar. Het benoemen van een deskundige is een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Een deskundigenbericht strekt in beginsel ter voorlichting van de rechter. [geïntimeerde] heeft voorafgaand aan het laatste tussenarrest al gewezen op twee uitspraken van dit hof die betrekking hadden op de aanwezigheid van biggenruggen, hetgeen voor het hof geen reden is geweest om in deze zaak een deskundigenbericht achterwege te laten.

Mr. Gossens heeft het hof bij brief van 27 maart 2024 bericht dat over de hoogte van de schade buiten rechte overeenstemming is bereikt, maar dat partijen een oordeel over de aansprakelijkheid wensen. Het hof heeft die brief tijdens de mondelinge behandeling van 3 juni 2024 aan de orde gesteld, waarbij partijen bij dat standpunt zijn gebleven. In dat licht bezien is de mogelijke disbalans tussen de omvang van de schade en de kosten van de deskundige voor het hof geen reden om van benoeming van de deskundige af te zien.

Persoon van de deskundige

Partijen hebben geen bezwaar tegen de persoon van de deskundige naar voren gebracht. Het hof zal dan ook overeenkomstig zijn voornemen ir. A. Walraad benoemen.

Voorschot

[geïntimeerde] heeft het hof verzocht het voorschot ten laste van de gemeente c.s. te brengen. De gemeente c.s. hebben aangevoerd dat zij met [geïntimeerde] overeenstemming hebben bereikt over het feit dat [Y] het voorschot voorshands voor haar rekening zal nemen, onder voorbehoud van het recht om bezwaar tegen het door de deskundige te hanteren uurtarief te maken zodra dit bekend is. Op grond daarvan zal het hof het voorschot bepalen op € 9.680,00 en dit ten laste van [Y] brengen. Het hof zal de kostenbegroting van de deskundige als bijlage bij dit arrest voegen

Aan de deskundige te stellen vragen (tussenarrest 18 maart 2025 rov. 6.3)

De gemeente c.s. hebben geen suggesties ten aanzien van de aan de deskundige te stellen algemene vragen. Ten aanzien van de concrete vragen over de biggenruggen ter plaatse van het ongeval verzoeken de gemeente c.s. om een aantal aanvullende vragen op te nemen.

Als eerste stellen de gemeente c.s. voor om de volgende vraag toe te voegen: “Hoe groot is de kans dat fietsers schuin oversteken en daarbij vanaf de rijbaan het fietspad op willen fietsen? Wilt u bij uw oordeel de doorgetrokken witte strepen en hun functie/zichtbaarheid betrekken?

Het hof zal deze vragen aldus overnemen: “Hoe groot is de kans dat fietsers schuin oversteken en daarbij vanaf de rijbaan het fietspad op willen fietsen? Wilt u vervolgens bij uw antwoord betrekken:

a. de doorgetrokken witte strepen en hun functie/zichtbaarheid;

b. hoe groot die kans is als het ‘s nachts gebeurt bij geen verkeersdrukte?

Als tweede verzoeken de gemeente c.s. om de volgende vraag toe te voegen: “Hoe beoordeelt u de zichtbaarheid van de biggenruggen zowel bij licht als bij donker gezien vanaf de rijbaanzijde, waarbij u ook de naderingsafstand in acht neemt waarbinnen een fietser nog tijd heeft om te remmen/bij te sturen? Wilt u bij deze beoordeling ook de verlichting ter plaatse meewegen?

Het hof zal deze vraag overnemen.

Als derde verzoeken de gemeente c.s. om de volgende vraag toe te voegen: “Hoe groot schat u de kans in dat een fietser die zich óp het fietspad aan de [straatnaam A] bevindt de biggenruggen over het hoofd ziet (ten tijde van het ongeval)?” Als vierde verzoeken de gemeente c.s. om de volgende vraag toe te voegen: “Hoe beoordeelt u de zichtbaarheid van de biggenruggen (ten tijde van het ongeval) gezien vanaf/gaande over het fietspad?

Het hof zal deze vragen niet overnemen. Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde] onmiddellijk voorafgaand aan haar val op de rijbaan en niet op het fietspad fietste. De zichtbaarheid van de biggenruggen vanaf het fietspad doet dus niet ter zake.

Als vijfde verzoeken de gemeente c.s. om de volgende vraag toe te voegen: “Dient de zwart-witte verkeerszuil als een waarschuwing/markering te worden beschouwd ten aanzien van de biggenruggen die daarachter liggen, cq verlaagt deze zuil het botsrisico voor fietsers tegen de biggenruggen?

Het hof zal deze vraag aldus overnemen: “Is voor verkeersdeelnemers voldoende duidelijk welke betekenis de zwart-witte verkeerszuil heeft en wat zij moeten verwachten ten aanzien van de biggenruggen die daarachter liggen, c.q. verlaagt deze zuil het botsrisico voor fietsers tegen de biggenruggen?

Als zesde verzoeken de gemeente c.s. om de volgende vraag toe te voegen: “Wilt u beoordelen in hoeverre de afscheiding tussen het fietspad en de rijbaan met biggenruggen de verkeersveiligheid voor fietsers op het fietspad vergroot?

Het hof zal deze vraag niet overnemen nu deze besloten ligt in de algemene vragen van het hof als genoemd in rov 6.3 van het tussenarrest.

Ten aanzien van vraag 6 verzoeken de gemeente c.s. toe te voegen dat de deskundige ook in zijn beoordeling betrekt dat de weginrichting van de [straatnaam A] in ieder geval van voor 2005 is.

Het hof zal de vraag aan vraag 6 toevoegen. In de vraag ligt een nieuwe stelling besloten, te weten dat de weginrichting in ieder geval van voor 2005 dateert. Weliswaar heeft de gemeente tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat het systeem van de gemeente 20 jaar terug gaat en dat de weginrichting toen was zoals die nu is, maar [geïntimeerde] is onvoldoende in de gelegenheid geweest om daarop te reageren. Het hof kan dat dus nu niet vaststellen. Niettemin acht het hof het antwoord op de vraag wel relevant en zal het debat hierover zo nodig tussen partijen uitgeprocedeerd kunnen worden en beslist door het hof.

Tot slot verzoeken de gemeente c.s. aan de deskundige om vast te stellen in welke mate/hoe schuin [geïntimeerde] is overgestoken en dit mee te wegen bij de beantwoording van vraag 6.

Het hof zal deze vraag niet overnemen. De gemeente c.s. laten na om toe te lichten hoe de deskundige dit zou kunnen vaststellen.

[geïntimeerde] voert in haar akte aan dat zij ervan uitgaat dat het hof de foto’s en de video-opname meestuurt aan de deskundige en de deskundige specifiek wijst op productie 10 bij het verzoekschrift om de staat van de weginrichting ten tijde van het ongeval te duiden.

Het hof zal ook in deze zaak bepalen dat partijen alle processtukken (hof: dus ook de akte van [geïntimeerde] ) aan de deskundige ter beschikking zullen stellen. Daarmee is voldoende aan de wens van [geïntimeerde] tegemoetgekomen.

Volgens [geïntimeerde] dient de deskundige ook te worden bevraagd over de zichtbaarheid van de biggenruggen in combinatie met de aanwezige straatverlichting ten tijde van het ongeval.

Het hof zal geen vraag toevoegen. De deskundige kan de zichtbaarheid van de biggenruggen betrekken bij zijn antwoord op vraag 10 a en b.

Tot slot voert [geïntimeerde] aan van mening te zijn dat de toevoeging “heel” in vraag 7b (nu: 10b) als sturend kan worden ervaren. [geïntimeerde] verzoekt deze weg te laten.

Het hof tekent aan dat de toevoeging “heel” in de vraag tussen haken is geplaatst en daarom naar zijn oordeel niet “sturend” is. Het hof zal deze handhaven.

Het voorgaande leidt ertoe dat aan de deskundige de volgende vragen worden gesteld.

Zijn er algemene onderzoeksgegevens?

1. Is er statistisch onderzoek verricht naar (het aantal) enkelvoudige ongevallen van verkeersdeelnemers, waaronder fietsers, die in aanraking komen met tijdelijke/permanente fysieke middelen op de weg en in het bijzonder met biggen- (of varkens-) ruggen?

2. Is er wetenschappelijk onderzoek verricht naar het gebruik van vormen van weginrichting, in het bijzonder met toepassing van biggenruggen, ter geleiding van verkeersstromen? Zo ja:

a. is onderzoek gedaan naar en/of geadviseerd over het risico op enkelvoudige ongevallen van bestuurders, waaronder fietsers, die in aanraking komen met fysieke middelen, waaronder biggenruggen?

b. is daarbij onderzoek gedaan naar alternatieve maatregelen om de verkeersstromen zo veilig mogelijk, althans veiliger dan door middel van biggenruggen, te geleiden?

c. is daarbij onderzoek gedaan naar en/of geadviseerd over (verbetering van) de zichtbaarheid van fysieke middelen, waaronder biggenruggen?

Algemene vragen over biggenruggen

3. Is er een vaste maatvoering voor de biggenrug/varkensrug? Zo nee, kan worden aangegeven welke maat voor welke situatie geëigend is?

4. Plegen verkeersdeelnemers te worden gewaarschuwd voor de aanwezigheid van biggenruggen en, zo ja, hoe?

5. Hoe zichtbaar dient een biggenrug te zijn en welke maatregelen zijn geëigend om de zichtbaarheid te waarborgen?

Concrete vragen over de biggenruggen ter plaatse van het ongeval

6. Was het plaatsen van de biggenruggen in de [straatnaam A] in [plaats] , een ontsluitingsweg, destijds in overeenstemming met de geldende regelgeving? Zo ja, was de beslissing van de gemeente tot plaatsing een beslissing die een redelijk handelend verkeerskundige op dat moment had kunnen onderschrijven? Zo nee, waarom niet? Wilt u in de beoordeling betrekken dat de weginrichting van de [straatnaam A] in ieder geval van voor 2005 is?

7. Hoe groot is de kans dat fietsers schuin oversteken en daarbij vanaf de rijbaan het fietspad op willen fietsen? Wilt u vervolgens bij uw antwoord betrekken:

a. de doorgetrokken witte strepen en hun functie/zichtbaarheid;

b. hoe groot die kans is als het ‘s nachts gebeurt bij geen verkeersdrukte?

8. Hoe beoordeelt u de zichtbaarheid van de biggenruggen zowel bij licht als bij donker gezien vanaf de rijbaanzijde, waarbij u ook de naderingsafstand in acht neemt waarbinnen een fietser nog tijd heeft om te remmen/bij te sturen? Wilt u bij deze beoordeling ook de verlichting ter plaatse meewegen?

9. Is voor verkeersdeelnemers voldoende duidelijk welke betekenis de zwart-witte verkeerszuil heeft en wat zij moeten verwachten ten aanzien van de biggenruggen die daarachter liggen, c.q. verlaagt deze zuil het botsrisico voor fietsers tegen de biggenruggen?

10.

a. Zijn er naar uw oordeel voldoende maatregelen getroffen om fietsers te waarschuwen voor de biggenruggen in de [straatnaam A] te [plaats] ?

b. Is daarbij naar uw oordeel van belang dat het ongeval ’s nachts - in het donker dus - plaatsvond terwijl het regende en de fietser de kruising (heel) schuin overstak?

11. Was naar uw oordeel de weginrichting in de [straatnaam A] te [plaats] , een ontsluitingsweg, ten tijde van het ongeval in de nacht van 12 op 13 januari 2019:

a. in overeenstemming met aan een deugdelijke weginrichting te stellen eisen?

b. de meest gebruikelijke;

c. de meest veilige?

d. Welke voorzorgsmaatregelen c.q. welk veiliger alternatief voor de in de [straatnaam A] te [plaats] aanwezige weginrichting met biggenruggen waren c.q. was naar uw oordeel mogelijk en redelijkerwijs van de gemeente te vergen, destijds en op een later moment?

Het hof verzoekt u bij de beantwoording van deze vragen rekening te houden met (de rijrichting van) fietsers komende vanuit de [straatnaam B] .

12. Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?

[Y] wordt belast met betaling van het voorschot op de deskundigenkosten. Dat voorschot bedraagt € 9.680,00 inclusief btw.

10. De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 9.6. van dit arrest geformuleerde vragen;

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:

ir. A. Walraad, verkeerskundige

[adres]

[postcode] [plaats]

E [e-mailadres] ;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;

bepaalt dat partijen binnen twee weken na de datum van dit arrest (een afschrift van) de processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek - en ten aanzien van het concept-rapport - partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het rapport van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het rapport tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van die opmerkingen en verzoeken;

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed definitief rapport, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het rapport aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijke, ondertekende rapport ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op vier maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van in totaal € 9.680,00 inclusief btw;

bepaalt dat [Y] het voorschot van € 9.680,00 inclusief btw zal voldoen na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

benoemt mr. M. van der Schoor tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier (het Bureau Deskundigen van dit hof) dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

verwijst de zaak naar de rol van 13 januari 2026 in afwachting van het deskundigenrapport;

verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenrapport naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenrapport aan de zijde van [geïntimeerde] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. van Rijkom, J.M.H. Schoenmakers en M. van der Schoor en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 augustus 2025.

griffier rolraadsheer

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. van der Schoor tot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl PS-Updates.nl 2026-0014
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?