GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.347.058/01
arrest van 5 augustus 2025
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg te Breda,
hierna aan te duiden als de man,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.A.P. Kolsteren-van Heijst te Hulten,
hierna aan te duiden als de vrouw.
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 18 februari 2025 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/417555 / HA ZA 23-690 gewezen vonnis van 11 september 2024.
De zaak in het kort
Partijen hebben in 2014 in hun echtscheidingsconvenant afgesproken dat hun recreatie-woning zal worden verkocht. Die verkoop heeft niet plaatsgevonden. De man woont nog steeds in deze woning. De vrouw wil nu toedeling van de woning aan de man tegen de huidige marktwaarde (€ 130.000,--) of verkoop aan een derde. Volgens de man hebben partijen echter een nieuwe, andersluidende, afspraak gemaakt. Die afspraak zou inhouden dat de woning aan hem is toegedeeld tegen een waarde van € 70.000,--.
5. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 18 februari 2025.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
6. De verdere beoordeling
Het hof gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten.
Partijen zijn op 3 september 2009 met elkaar gehuwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen.
De rechtbank heeft bij beschikking van 3 december 2014 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Aan deze beschikking is het door partijen op 13 oktober 2014 ondertekende echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) gehecht.
Op 29 januari 2015 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
De man heeft vóór de huwelijkssluiting de recreatiewoning aan [adres 1] te ( [postcode] ) [woonplaats man] (hierna: de woning) in eigendom verkregen. De koopsom bedroeg € 145.000,--.
Partijen zijn in het convenant het volgende overeengekomen over de woning:
‘2.1 Tot de huwelijkse gemeenschap van partijen behoort de recreatiewoning met ondergrond (…).
Partijen hebben [makelaar 1] te [kantoorplaats] opdracht gegeven de verkoop van de in artikel 2.1 genoemde recreatiewoning ter hand te nemen. Partijen zullen hun volledige medewerking verlenen aan een voorspoedige verkoop van de woning tegen een marktconforme prijst.
Na verkoop en levering van de hierboven genoemde recreatiewoning zullen eerst de makelaarskosten en overige verkoopkosten betaald worden met de opbrengst van de woning. Partijen zullen het resterende bedrag bij helfte delen.
Partijen zijn tevens huurders van de woning aan [adres 2] tte [woonplaats vrouw] . Ten tijde van ondertekening van dit convenant woont de man in de in artikel 2.1 genoemde recreatiewoning en de vrouw in de huurwoning (…). De vrouw heeft het recht om in deze huurwoning te blijven wonen.
De man heeft het recht om in de artikel 2.1 genoemde recreatiewoning te blijven wonen totdat deze is verkocht en geleverd aan derden. De man is geen vergoeding aan de vrouw verschuldigd voor het gebruik van zijn onverdeelde helft in de woning.’
De woning is niet verkocht. De man verblijft tot op heden in de woning.
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 13 maart 2024 overeengekomen dat de woning zal worden getaxeerd (bindende taxatie). Uit het taxatierapport blijkt een marktwaarde van de woning van (B13 formulier advocaat vrouw roldatum 19 juni 2024) op de peildatum 16 april 2024 van € 130.000,--.
De procedure bij de rechtbank
De vrouw heeft, in conventie, bij de rechtbank, gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
‘I. vast te stellen dat de verdeling zal plaatsvinden overeenkomstig het voorstel van de vrouw, althans de verdeling vast te stellen op een wijze die de rechtbank juist acht, meer in het bijzonder aan de man toe te scheiden de woning voor een bedrag zoals door een onafhankelijk makelaar te bepalen en in het verlengde daarvan gedaagde te veroordelen het bedrag van de helft van de overwaarde tegen behoorlijk bewijst van kwijting aan de vrouw te voldoen per datum van de totstandkoming van de notariële akte van transport en de overschrijving daarvan in de openbare registers met betrekking tot de gezamenlijke woning,
subsidiair indien de man financieel niet in staat is de vrouw uit te kopen voor een bedrag gelijk aan de helft van de vrije verkoopwaarde zoals door een onafhankelijk makelaar te bepalen, de man te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning door zich binnen vijf dagen na betekening van dit
vonnis tot een nader aan te wijzen NVM Makelaar te wenden, zulks onder verbeurte van een dwangsom ad € 250,= voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man met de nakoming van het vonnis in gebreke zal blijven, althans een zodanige dwangsom als de rechtbank in goede justitie meent te behoren te beslissen;
II. te bepalen dat een taxateur c.q. NVM makelaar wordt aangesteld die de woning op kosten en voor rekening van partijen dient te taxeren en te komen tot vaststelling van een vrije verkoopprijs en/of verkoopprijs, onder verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 250,= per dag met een maximum van € 5.000,= dat de man in
gebreke blijft zijn medewerking te verlenen en in overleg te treden aan/met de door de rechtbank aangestelde taxateur;
III. de man te veroordelen aan ondertekening van de (verkoopovereenkomst mee te werken en medewerking te verlenen aan de notariële eigendomsoverdracht op last van een dwangsom van € 5.000,= voor iedere dag dat de man nalatig blijft aan deze veroordeling te voldoen, dan wel onder verbeurte van een dwangsom die de
rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
IV. te bepalen dat de oplevertermijn van de woning maximaal zes maanden zal zijn, dan wel een dusdanige termijn als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
V. de man te veroordelen om in het geval dat de woning dient te worden verkocht, een week voorafgaand aan de in de koopovereenkomst met de potentiële kopers overeengekomen leverdatum de woning met al de daarin aanwezige personen, goederen en zaken, te ontruimen en te verlaten met afgifte van de sleutels en deze ter vrije beschikking aan de vrouw op te leveren en vervolgens ontruimd en verlaten te houden, op last van een dwangsom van € 500,= voor iedere keer dat de man nalatig blijft aan deze veroordeling te voldoen, dan wel onder verbeurte van een dwangsom zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
VI. te bepalen dat dit vonnis indien nodig in de plaats treedt van de toestemming van de man, wanneer de man medewerking weigert aan de toedeling en ten gevolge daarvan de uitkoop van de vrouw dan wel het in de verkoop brengen dan wel de eigendomsoverdracht c.q. de levering van de woning;
VII. gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure, de kosten van de advocaat daaronder begrepen.’
De man heeft, in voorwaardelijke reconventie, gevorderd, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
‘I. indien en voor zover de woning aan de man wordt toebedeeld: te bepalen dat de man aan de vrouw dient te voldoen [50% van (taxatiewaarde -/- € 30.000)}€ 30.075,=;
II. indien en voor zover de woning wordt verkocht, te bepalen dat van de verkoopopbrengst een bedrag van € 30.000,= toekomt aan de man en dat het restant 50-50 tussen partijen wordt verdeeld, met dien verstande dat het reeds door de man aan de vrouw betaalde bedrag van € 30.075,= met dit restant wordt verrekend;
III. de vrouw te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, advocaatkosten en nakosten daaronder begrepen.’
De rechtbank heeft, in conventie en reconventie, als volgt beslist:
‘gelast de verdeling van de woning (…) op de volgende wijze:
de woning wordt toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 130.000,=;
de man moet de helft van die waarde, zijnde € 65.000,= aan de vrouw voldoen per datum van de akte van verdeling van de woning;
de woning zal uiterlijk binnen zes maanden na de datum van dit vonnis notarieel worden overgedragen aan de man;
indien de man financieel niet in staat is de helft van de overwaarde aan de vrouw te voldoen, wordt de woning verkocht aan (een) derde(n). Partijen wenden zich in dit geval tot de makelaar die ook het taxatierapport heeft opgesteld, namelijk [makelaar 2] B.V. ten behoeve van de verkoop van de woning;
veroordeelt de man, in het geval tot verkoop moet worden overgegaan, mee te werken aan de ondertekening van de (ver)koopovereenkomst en medewerking te verlenen aan de notariële eigendomsoverdracht aan (een) derde(n);
veroordeelt de man, in het geval de woning moet worden verkocht, een week voorafgaand aan de in de koopovereenkomst met de potentiële koper(s) overeengekomen leverdatum de woning met al de daarin aanwezige personen, goederen en zaken, te ontruimen en deze te verlaten met afgifte van de sleutels en de woning ter vrije beschikking aan de vrouw op te leveren en vervolgens ontruimd en verlaten te houden;
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming van de man, wanneer de man medewerking weigert aan de toedeling en ten gevolge daarvan de overdracht van het aandeel van de woning van de vrouw aan hem, dan wel het in de verkoop brengen van de woning, dan wel de levering van de woning (een) aan derde(n) (sic);
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af’
De procedure bij het hof
De man heeft tijdig hoger beroep ingesteld.
In het incident
De man heeft in de appeldagvaarding ook een incidentele vordering ingesteld. In dit incident heeft hij geconcludeerd tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, althans de tenuitvoerlegging, van de beslissing van de rechtbank. De vrouw heeft zich in dit incident gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof heeft vervolgens in zijn arrest van 18 februari 2025 deze vordering toegewezen. Het hof heeft de beslissing over de proceskostenveroordeling in het incident aangehouden tot in de hoofdzaak is beslist.
In de hoofdzaak
De man heeft in zijn dagvaarding in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
het niet ontvankelijk verklaren van de vrouw in haar conventionele vorderingen althans die vorderingen af te wijzen;
toewijzing van zijn voorwaardelijke reconventionele vorderingen;
veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide instanties.
Hij heeft daartoe drie grieven ingesteld. Deze grieven komen er in de kern genomen op neer dat de verdeling van de woning reeds heeft plaatsgevonden (grief 1). Voor zover verdeling alsnog plaats moet vinden, moet daarbij rekening worden gehouden met a) het bedrag dat hij al aan de vrouw heeft voldaan (grief 2) en b) de door hem in de woning en tuin gedane investeringen (grief 3).
De vrouw heeft de grieven weersproken. Zij heeft geconcludeerd tot, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
het niet ontvankelijk verklaren van de man in zijn vorderingen althans afwijzing van die vorderingen;
bekrachtiging van het bestreden vonnis;
veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties.
Het hof zal de grieven van de man en de reactie van de vrouw daarop hierna bespreken.
Afspraak partijen over woning (grief 1)
6.3.6.1. De grief keert zich tegen rov. 4.4. van het bestreden vonnis. De rechtbank is van oordeel dat i) partijen geen nieuwe afspraken over de verdeling van de woning hebben gemaakt en ii) de woning nog moet worden verdeeld. De rechtbank overwoog daartoe als volgt.
‘De rechtbank moet eerst beoordelen of sprake is van nieuwe afspraken zoals door de man gesteld, op grond waarvan de woning al is verdeeld en afgerekend. De vrouw betwist dat partijen de door de man gestelde afspraken hebben gemaakt. Zij heeft nooit enig bedrag van de man ontvangen in het kader van de scheiding en deling van (de waarde van) de woning. Er heeft ook nog altijd geen notariële levering van de woning aan de man plaatsgevonden. Op de mondelinge behandeling heeft zij verder aangegeven dat zij nooit een handtekening onder de door de man overgelegde overeenkomst heeft geplaatst.
Daarnaast constateert de rechtbank dat de door de man overgelegde stukken en door hem gestelde afspraken niet stroken met zijn toelichting over de gang van zaken. Allereerst is de afspraak in de overeenkomst tegenstrijdig met de stellingen van de man. Immers, volgens de overeenkomst gaat de man betalingen doen op vooruitbetaling van de vordering van 50% netto opbrengst bij verkoop van het chalet. Hieruit volgt niet dat de woning is toegedeeld aan de man. De man heeft verder toegelicht dat nieuwe afspraken zijn gemaakt over toedeling aan hem omdat de woning onverkoopbaar bleek. Echter, uit de door hem overgelegde stukken volgt dat deze afspraak is gemaakt op 6 januari 2015. Dit is slechts een maand na de beschikking van de rechtbank betreffende echtscheiding en ongeveer drie maanden nadat partijen het echtscheidings-convenant hebben ondertekend. In zo’n korte periode kan naar het oordeel van de rechtbank niet al worden geconcludeerd dat een woning onverkoopbaar is. Daarnaast bleef de woning na deze afspraak te koop staan. Ook dit strookt niet met de volgens de man gemaakte afspraak dat de woning aan hem is toebedeeld. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw van de stelling van de man, de man naar het oordeel van de rechtbank zijn stelling dat partijen een nieuwe afspraak hebben gemaakt onvoldoende heeft onderbouwd. Aan zijn stelling zal dus voorbij worden gegaan. Dit betekent dat de woning nog moet worden verdeeld.’
6.3.6.2. De man heeft zijn grief als volgt toegelicht.
Partijen zijn overeengekomen dat de woning zal worden verkocht. Die afspraak hebben zij in het convenant vastgelegd. Dit convenant is op 13 oktober 2014 ondertekend. Ruim voordat het convenant werd getekend, stond de woning echter al te koop.
De woning staat op een recreatiepark. Permanente bewoning is hier formeel niet toegestaan. Daardoor bleek de woning niet verkoopbaar. De gemeente gedoogde weliswaar af en toe permanente bewoning maar ook soms was sprake van handhaving. In 2014/2015 was sprake van handhaving en daarom zou de man in de woning blijven wonen. Als de woning ‘in de tussentijd’ alsnog zou kunnen worden verkocht, zou dit gebeuren. Partijen spraken daarom (in afwijking van convenant) het volgende af:
dat de woning aan de man wordt toegedeeld tegen een waarde van € 70.000,--;
op welke de wijze de betaling van de helft van de overwaarde van de woning aan de vrouw zal plaatsvinden.
Deze afspraken zijn vastgelegd in door partijen op 6 januari 2015 getekende documenten (prod. 1 tot en met 3 cva).
Volgens de rechtbank heeft hij tijdens de mondelinge behandeling bepaalde uitlatingen gedaan die niet stroken met de inhoud van de overlegde stukken. Die uitlatingen kunnen hem echter niet worden tegengeworpen gelet op zijn leeftijd (hij was toen 77 jaar) en het feit dat de gebeurtenissen in 2014 (10 jaar geleden) plaatsvonden. Bovendien moeten die uitlatingen anders worden begrepen:
de bepaling in de overeenkomst dat sprake zou zijn van een ‘vooruitbetaling op de 50% netto opbrengst’ moet aldus worden gelezen dat hij € 35.000,-- aan de vrouw ‘aflost (vooruitbetaalt)’;
de omstandigheid dat de overeenkomst dateert van 6 januari 2015, één maand na de datum van de echtscheidingsbeschikking, kan worden verklaard door het feit dat de woning al veel eerder te koop stond en al eerder was geconstateerd dat deze onverkoopbaar was;
de rechtbank vindt het onlogisch dat de woning na het tekenen van de overeenkomst te koop is blijven staan maar als ‘zich alsnog iemand zou hebben gemeld die bereid was de woning voor een redelijk bedrag te kopen, dan zou de man daar ontvankelijk voor zijn’. Hij kan zich niet meer herinneringen in welke periode de woning te koop heeft gestaan.
Hij biedt bewijs aan van zijn stelling dat ‘partijen hebben afgesproken dat de man de woning zou overnemen voor € 70.000,-. en ‘dat de handtekening onder de producties 1 t/m 3 bij conclusie van antwoord afkomstig is van de vrouw’. ’
6.3.6.3. De vrouw heeft de grief weersproken. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Nakoming afspraken convenant
Partijen zijn in het convenant overeengekomen dat de woning zal worden verkocht en de netto verkoopopbrengst bij helfte zal worden verdeeld. De woning is echter nog steeds niet verkocht. In 2023 werd voor haar duidelijk dat de woning zonder haar toestemming uit de verkoop was gehaald (mva pt. 11).
Zij bepleit in hoger beroep (het hof begrijpt: primair) nakoming van de in het convenant gemaakte afspraken over de woning (mva, pt. 15).
Bestaan nieuwe overeenkomst
Partijen hebben (vlak na de ondertekening van het convenant) geen afspraak gemaakt dat de man de woning zou overnemen (mva pt. 9). Het heeft er alle schijn van dat de man de nieuwe overeenkomst waarop hij een beroep doet, heeft opgesteld om ‘zich te onttrekken aan de afwikkeling van de nog onverdeelde woning’. Het is ook zeer onaannemelijk dat partijen zouden zijn overeengekomen dat de woning tegen een waarde van € 70.000,-- aan de man zou worden toegedeeld. De vrouw wist immers dat de man de woning in 2009 had gekocht voor € 145.000,--. Verder is de inhoud van de door de man gestelde overeenkomst op een aantal punten in strijd met de door partijen in het convenant gemaakte afspraken (pt. 8 mva). Na de echtscheiding heeft zij bovendien geen enkel geldbedrag van de man ontvangen.
De woning kan worden verkocht aan een derde omdat de man inmiddels kan beschikken over vervangende woonruimte.
6.3.6.4. Het hof overweegt als volgt.
Bestaan nieuwe overeenkomst
Tussen partijen staat vast dat zij in het convenant, d.d. 13 oktober 2014, hebben afgesproken dat de woning zal worden verkocht. De man doet echter een beroep op het bestaan van een andersluidende overeenkomst ter verdeling van de woning. Die gepretendeerde overeenkomst, gesloten op 8 januari 2015, zou inhouden dat de woning aan hem is toegedeeld tegen een waarde van € 70.000,-- en partijen afspraken hebben gemaakt op welke wijze € 35.000,-- (de helft van de waarde van de woning) aan de vrouw wordt voldaan. De vrouw heeft deze stellingen van de man betwist.
Krachtens het bepaalde in art. 150 Rv rust op de man de stelplicht, en bij genoegzame betwisting daarvan, ook de bewijslast van feiten die strekken ter onderbouwing van zijn stelling dat tussen partijen een nieuwe (van het convenant afwijkende) overeenkomst met de door hem bepleite inhoud is ontstaan.
Ter onderbouwing van zijn stellingen, heeft de man bij conclusie van antwoord de producties 1 tot en met 3 overgelegd. Aan de hand van die producties, bezien in het licht van de zijn stellingen en de betwisting door de vrouw, dient het hof vast te stellen of de overeenkomst waar de man een beroep op doet tussen partijen tot stand is gekomen en zo ja, wat de inhoud van die overeenkomst is.
Overeenkomst van verdeling
Voor het ontstaan van een overeenkomst van verdeling tussen partijen is vereist dat partijen het eens zijn geworden over de toedeling van het goed (in dit geval: toedeling van de woning aan de man) én over de financiële consequenties die deze verdeling voor ieder van hen heeft (het ontstaan van vorderingen uit over- en onderbedeling) (HR 8 februari 2013, rov. 4.2.2, ECLI:NL:HR:2013:BY4279).
De man doet een beroep op een schriftelijke weergave van de tussen partijen gesloten overeenkomst (prod. 1 cva). Dit document heeft de volgende inhoud:
‘Bovengenoemde personen verklaren hierbij dat Mevr [de vrouw] van de Heer [de man] na de scheiding een bedrag van 10.000 euro contant voor het inrichten van [adres 2] en een auto van 3650.00 euro Chevrolet Matiz heeft ontvangen.
Dit alles op vooruitbetaling van de vordering van 50% netto opbrengst.
Dit betekent min 50 % van het lopende groot onderhoud en vervangingen welke in het huis aanwezig zijn om het woongenot te kunnen genieten, uitgezonderd meubels.
Voorts is er afgesproken dat mevr. [de vrouw] . iedere maand 200,00 euro contant ontvangt ook weer als vooruitbetaling op de 50 % netto opbrengst van het chalet van [de man] . met ingang van 01-01-2015
Deze betaling loopt totdat er een totaal bedrag van maximaal 35000,00 euro is bereikt of zoveel eerder als dat het chalet eventueel word verkocht.
Bij eventuele calamiteiten of ziekte kan de betaling altijd worden onderbroken.
De gedane betalingen worden op een betaallijst bijgehouden.’
Uitleg document
Uitleg van het document met inachtneming van de Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158) kan niet leiden tot het oordeel dat een overeenkomst van verdeling tot stand is gekomen.
Allereerst heeft de man nagelaten aanknopingspunten aan te voeren waaruit kan worden afgeleid dat een overeenkomst van verdeling tot stand is gekomen (zoals het noemen van feitelijke gedragingen van partijen en hetgeen zij daar redelijkerwijs uit mochten afleiden en/of bijzondere omstandigheden van het geval).
Hij geeft weliswaar in hoger beroep uitleg van de passage over de ‘vooruitbetaling van de vordering van 50% netto opbrengst’ en wijst op de omstandigheid dat de woning onverkoopbaar bleek, maar dat is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat een overeenkomst van verdeling tot stand is gekomen. Het hof wijst daarbij op het volgende.
Zijn uitleg dat de passage over de betaling aldus moet worden gelezen dat hij € 35.000,-- aan de vrouw vooruitbetaalt, is in het licht van productie 2 bij conclusie van antwoord in conventie namelijk onbegrijpelijk. Deze productie behelst een door de man gemaakt overzicht van door hem gestelde (maar door de vrouw betwiste) betalingen aan de vrouw. In dit overzicht ontbreekt iedere relatie met de door de man gestelde overeengekomen waarde van de woning.
Verder is ook zijn verklaring voor het ontstaan van de gepretendeerde overeenkomst (de woning bleek onverkoopbaar te zijn) onbegrijpelijk gelet op zijn, ook in hoger beroep ingenomen stelling dat de woning al ruim voordat het convenant werd getekend te koop stond vanwege het niet toegestaan zijn van permanente bewoning en handhaving door de gemeente van dit verbod in de periode 2014/2015. Die omstandigheden waren dus bij het ondertekenen van het convenant (op 13 oktober 2014) bekend en kunnen daarom geen verklaring en/of bijzondere omstandigheid vormen voor de totstandkoming van een nieuwe overeenkomst van verdeling.
Voorts ontbreekt in het document iedere verwijzing naar toedeling van de woning aan de man en lijkt veeleer sprake van verkoop van de woning (‘Dit alles op vooruitbetaling van de vordering van 50% netto opbrengst bij verkoop (onderstreping hof) van het chalet van [de man] ’ en ‘Deze betaling loopt totdat er een totaal bedrag van maximaal 35000,00 euro is bereikt of zoveel eerder als dat het chalet eventueel word verkocht’(onderstreping hof)). Daarbij komt dat ook de waarde van de woning, een essentieel vereiste voor de totstandkoming van een overeenkomst van verdeling, niet is vermeld in het document. De enkele maximering van het aan de vrouw te betalen bedrag van € 35.000,-- zonder enige verwijzing naar een vordering wegens over-/onderbedeling is daartoe onvoldoende.
Daarnaast is van belang dat – zo staat in hoger beroep als onweersproken vast – de levering van de woning aan de man, ruim tien jaar na de datum van de gepretendeerde overeenkomst, nog steeds niet heeft plaatsgevonden. Een verklaring daarvoor heeft de man in hoger beroep niet gegeven.
Ten slotte heeft de man een beroep gedaan op prod. 3 bij conclusie van antwoord in conventie (een verklaring die de vrouw zou hebben ondertekend). Het beroep van de man op deze productie kan evenmin leiden tot het oordeel dat tussen partijen een overeenkomst van verdeling tot stand is gekomen. Het hof wijst daartoe op het volgende. In deze verklaring is vermeld:
‘Verklaart hierbij van [de man] te hebben ontvangen in contanten een bedrag van 5000,00
Vijfduizend euro als extra voorschot of aflossing naast de lopende betaling op de vordering van de helft van het huis minus de gezamenlijke kosten met een maximum van 35000,00.
Vijfendertigduizend euro.
Getekend, 25 januari 2018’
Weliswaar is in dit document een verband gelegd tussen de vordering van de vrouw en de waarde van de woning (‘op de vordering van de helft van het huis’), maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat een overeenkomst van verdeling tussen partijen tot stand is gekomen. Allereerst heeft de vrouw betwist dat zij dit document heeft ondertekend. Daarnaast staat vast – en daar heeft de vrouw ook een beroep op gedaan – dat de woning in 2009 is gekocht voor € 145.000,--. Het is daardoor, aldus de vrouw, onaannemelijk dat zij, vijf jaar later zou instemmen met toedeling van de woning aan de man tegen een waarde van € 70.000,--. De man heeft geen verklaring gegeven waarom de woning – in weerwil van zijn stellingen in grief 3 (kort gezegd: de woning zou door zijn investeringen meer waard zijn geworden) – binnen vijf jaar aanzienlijk in waarde zou zijn gedaald (van € 145.000,-- naar € 70.000,--). De man heeft niet toegelicht hoe de waardedaling waar hij in grief 1 van uitgaat zich verhoudt tot de waardestijging waar hij in grief 3 een beroep op doet. Dit betekent dat ook prod. 3 bij conclusie van antwoord niet kan dienen ter onderbouwing van de stelling van de man.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat, in het licht van de betwisting door de vrouw) niet kan worden vastgesteld dat partijen redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen en de bijzondere omstandigheden van het geval mochten begrijpen dat de woning tegen een waarde van € 70.000,-- aan de man zou worden toegedeeld. De man heeft daartoe onvoldoende gesteld. Ook overigens is het bewijsaanbod van de man niet voldoende specifiek en voor zover het bewijsaanbod ziet op de handtekening van de vrouw niet ter zake dienend zodat het hof ook daarom daar aan voorbij gaat. De grief faalt.
Verdeling overwaarde – contante betalingen (grief 2)
6.3.6.1. De grief keert zich tegen rov. 4.7. van het bestreden vonnis. De rechtbank is van oordeel dat de man zijn stelling dat hij contante betalingen aan de vrouw heeft gedaan onvoldoende heeft onderbouwd. Zijn vordering is daarom afgewezen. De rechtbank overwoog daartoe als volgt.
‘De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat hij geldbedragen in contanten aan de vrouw heeft voldaan een overeenkomst tussen partijen en een lijst met door de man aan de vrouw betaalde bedragen (productie 1 en 2 van de man) overgelegd. De vrouw betwist dat zij deze overeenkomst heeft getekend en
contante geldbedragen van de man heeft ontvangen. Zij voert aan dat zij er geen enkel belang bij had om deze zwarte betalingen te ontvangen. Zij ontving namelijk een uitkering op grond van de Participatiewet en weet dat zij vanwege haar vermogen in de woning een bedrag aan de gemeente zal moeten terugbetalen. Daarbij komt dat op de mondelinge behandeling is gebleken dat de door man overgelegde lijst met betalingen (productie 2 van de man) niet klopt. In deze lijst staat namelijk dat de vrouw een bedrag heeft ontvangen voor de Chevrolet, terwijl deze in het echtscheidingsconvenant al aan de vrouw is toegedeeld en waarbij is opgenomen dat partijen over en weer niks meer van elkaar te vorderen hebben. Mede gelet op de betwisting door de vrouw van de stelling van de man dat hij contante betalingen aan de vrouw heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat de man zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Bij de verdeling van de overwaarde van de woning zal dan ook geen rekening worden gehouden met de door de man gestelde contante betalingen.’
6.3.6.2. De man heeft zijn grief als volgt toegelicht.
Bij de verdeling van de overwaarde van de woning (hof: waarbij omdat grief 1 faalt, moet worden uitgegaan van een waarde van € 130.000,--) moet rekening worden gehouden met betalingen die hij al aan de vrouw heeft voldaan. Het gaat om een bedrag van € 35.075,--. Dit blijkt uit de producties 2 en 3 bij de conclusie van antwoord. Dit bedrag bestaat uit de volgende onderdelen.
Hij heeft de vrouw geholpen met de inrichting van haar nieuwe woning en, in de eerste maanden, het betalen van de huur (zie prod. 2 bij cva – overzicht door man gedane betalingen, en prod. 3 in hb – factuur vloer). Het gaat om € 10.000,--.
Hij heeft contante betalingen aan de vrouw gedaan van (meestal) € 200,--. Partijen hebben gekozen voor contante betalingen omdat de vrouw destijds een uitkering had op grond van de Participatiewet (en zij daarom geen geld van hem mocht ontvangen). Dit verklaart ook waarom zij de ontvangst van deze bedragen ontkent.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat de auto van het merk Chevrolet Matiz ten onrechte is in de lijst (prod. 2 bij cva) is opgenomen maar dat betekent niet dat de lijst voor het overige onjuist is.
De vrouw heeft verklaard op 25 januari 2018 € 5.000,-- van hem te hebben ontvangen (prod. 3 cva).
Voor zover de vrouw in hoger beroep ontkent dat het haar handtekening is op deze producties, verzoekt de man het hof een (hand)schriftdeskundige ‘aan te stellen om nader onderzoek naar die handtekeningen te verrichten’.
6.3.6.3. De vrouw heeft de grief weersproken.
In het kader van de aanstaande beëindiging van het huwelijk hebben partijen eerst vervangende woonruimte voor haar gezocht. Op 28 mei 2014 tekenden zij gezamenlijk, omdat zij nog gehuwd waren, de huurovereenkomst voor deze vervangende woonruimte (prod. 1 appeldv). Partijen hebben samen voor de inrichting van haar huurwoning zorggedragen. Ook dit vond plaats toen partijen nog gehuwd waren.
Verder zijn partijen in het convenant overeengekomen dat zij over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben. Zij hoeft daarom niet bij te dragen in de terugbetaling van een toeslag op de AOW uitkering die de man heeft ontvangen.
Zij betwist dat zij op 25 januari 2018 heeft verklaard dat zij € 5.000,-- van de man heeft ondertekend. Het schriftelijke stuk waarop de man een beroep doet, heeft zij – totdat het stuk door de man werd overgelegd – nooit eerder gezien. Bij de rechtbank heeft zij betwist geen contante betalingen van de man te hebben ontvangen omdat zij daarbij, vanwege haar uitkering krachtens de Participatiewet, geen belang had.
6.3.6.4. Het hof overweegt als volgt.
Volgens het overzicht van de man (prod. 2 bij cva) gaat het om de volgende betalingen door de man aan of voor de vrouw.
Kosten inrichting huurwoning € 10.000,--
Het hof stelt vast dat de huurovereenkomst tijdens het huwelijk van partijen (op 28 mei 2014) tot stand is gekomen. Het hof gaat er van uit dat de inrichting van de huurwoning ook nog tijdens het huwelijk plaatsvond nu in het convenant (d.d. 13 oktober 2014) is bepaald dat de vrouw het recht heeft om in deze huurwoning te blijven wonen en de man het recht heeft in de recreatiewoning te blijven wonen (totdat deze is verkocht en geleverd aan een derde, art. 2.4 convenant). De man heeft ook niet aangetoond dat de kosten van herinrichting na het huwelijk door hem zijn voldaan. Nu de kosten van herinrichting tijdens het huwelijk zijn voldaan (en partijen gehuwd waren in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen), kan van een vordering van de man op de vrouw geen sprake zijn. Dat betekent dat het hof geen rekening zal houden met het bedrag van € 10.000,-- vanwege ‘Betalingen aan [de vrouw] inrichting [adres 2] totaal’.
Kosten Chevrolet € 3.650,--
Tussen partijen is niet meer in geschil (zie rov. 6.3.6.2 sub c hiervóór) dat geen rekening moet worden gehouden met de kosten van de Chevrolet Matiz (€ 3.650,--).
Terugbetaling toeslag AOW € 1.825,--
Partijen zijn in het convenant finale kwijting overeengekomen (art. 6.1 ‘niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar algehele en finale kwijting te verlenen’). Het hof begrijpt dat de terugbetaling van de AOW-toeslag betrekking heeft op de huwelijkse periode (betaling in 2015 volgens het overzicht van de man). De afspraak van partijen om elkaar finale kwijting te verlenen staat daarmee in de weg aan deze vordering van de man.
Contante betalingen en overboekingen per bank € 19.600,--
In het licht van de betwisting door de vrouw, ligt het op de weg van de man zijn stellingen te onderbouwen. Dat heeft de hij nagelaten. Volgens het overzicht van de man (prod. 2 bij cva) heeft hij extra bedragen (48 keer € 200,-- = € 9.600,-- en eenmalig € 5.000,--) contant aan de vrouw voldaan. Daarnaast heeft hij extra bedragen (€ 1.000,-- op 24 mei 2018, € 1.000,-- op 11 juli 2018 en € 3.000,-- op 11 oktober 2018) naar haar overgemaakt. De man had via zijn rekeningoverzichten deze overboekingen en contante betalingen (kasopnamen ten laste van zijn bankrekening) kunnen aantonen. Dat heeft hij niet gedaan. Het hof kan daarom niet vaststellen dat de man in totaal € 19.600,-- (€ 9.600,-- + € 5.000,-- + € 1.000,-- + € 1.000,-- + € 3.000,--) aan de vrouw heeft voldaan.
Het voorgaande betekent dat grief 2 van de man faalt.
Verdeling overwaarde – kosten renovatie (grief 3)
6.3.7.1. De grief keert zich tegen rov. 4.7. van het bestreden vonnis. De rechtbank is van oordeel dat partijen in het convenant zijn overeengekomen dat de man de kosten van de renovatie zou voldoen. Bovendien heeft de man de kosten en betalingen daarvan door hem onvoldoende onderbouwd. De rechtbank overwoog daartoe als volgt.
‘Ook de door de man gemaakte kosten voor het opknappen van de woning zullen bij de verdeling van de overwaarde van de woning niet worden meegenomen. Het is namelijk onduidelijk welke kosten de man precies heeft gemaakt ten behoeve van de woning. Hij heeft geen volledige lijst van werkzaamheden, de kosten daarvan en bewijsstukken van deze gemaakte kosten overgelegd. Daarnaast hebben partijen in hun echtscheidingsconvenant opgenomen dat alle kosten van het onderhoud van de woning geheel voor rekening van de man komen, met uitzondering van de kosten van een eventueel nieuwe verwarmingsketel.
De man geeft weliswaar aan dat hij ook de verwarmingsketel heeft vervangen voor € 1.700,=, maar hij heeft geen bewijsstukken hiervan overgelegd, zodat ook met dit bedrag geen rekening zal worden gehouden. De vorderingen van de man onder I. en II zullen daarom worden afgewezen.’
6.3.7.2. De man heeft zijn grief als volgt toegelicht.
Hij heeft bij zijn conclusie van antwoord en akte overlegging producties diverse stukken overgelegd waaruit volgt dat hij kosten voor de woning heeft gemaakt. Het gaat onder meer om de aanschaf van een nieuwe keuken, nieuwe vloer, de aanleg van een terras, zwembad en buitenkeuken, vernieuwing van de meterkast en vervanging van deuren. In zijn conclusie van antwoord (pt. 21 en verder) heeft hij een aantal investeringen nader toegelicht. De woning is in 2024 getaxeerd op een bedrag van € 130.000,--. Die waarde is mede tot stand gekomen door de door hem na het einde van het huwelijk aangebrachte verbeteringen.
Het gaat in totaal om een, geschat, bedrag van € 30.000,-- (dagvaarding hb, pt. 34). Hij beschikt niet meer over bewijsstukken van alle uitgaven. ‘Als alle in de conclusie van antwoord genoemde bedragen bij elkaar worden opgeteld, blijkt van een investering van € 26.220,09). Van dit bedrag kan de man een bedrag van € 13.400,38 middels bonnen onderbouwen (genoemd bedrag is de optelsom van alle aan de conclusie van antwoord gehechte bronnen)’ (dagvaarding hb, pt. 35).
6.3.7.3. De vrouw heeft de grief weersproken.
Van een verbouwing van de woning is geen sprake geweest. Zij vermoedt dat het ging om onderhoud van de woning en de tuin (mva pt. 12). Zij betwist niet dat de man, die sinds 2014 het uitsluitend gebruik heeft van de woning, ‘dingen heeft aangepast’. Dit past bij normaal gebruik van de woning. De door de man overlegde bonnen, tonen niet aan dat al deze kosten zijn gemaakt voor de woning. In totaal gaat het om een bedrag van € 13.100,--. Dit is een, in het kader van onderhoud van de woning gedurende een periode van tien jaar, te verwaarlozen bedrag.
De door de man gestelde verbouwingen hebben niet bijgedragen tot waardevermeerdering van de woning. De woning is in 2009 gekocht voor € 145.000,-- en de marktwaarde op 16 april 2024 bedroeg € 130.000,--.
6.3.7.4. Het hof overweegt als volgt.
Gelet op de betwisting door de vrouw, dient het hof te beoordelen:
wat de hoogte is van de door de man gestelde kosten;
of de man deze kosten heeft betaald;
of de kosten betrekking hadden op het onderhoud van de woning dan wel investeringen voor de woning.
Hoogte gestelde kosten
De man heeft in zijn conclusie van antwoord de producties 4 tot en met 8 overgelegd. Productie 9 bij conclusie van antwoord betreft een aantal bonnen van bouwmarkten waaruit aankopen voor de woning zouden blijken. Uit deze producties zou moeten blijken dat de kosten € 13.400,38 bedragen.
Samengevat bevatten de producties 4 tot en met 8 de volgende informatie.
productie
uitgave voor
hoogte bedrag
datum
4
keuken
€ 8.750,--
1-2-2019
5
carport
€ 1.248,62
14-9-2022
6
carport
€ 529,12
31-8-2022
7
planken rondom zwembad
vlonderplanken
planken
€ 198,75
€ 399,75
€ 1.353,55
12-11-2020
27-2-2023
5-5-2020
8
deur
€ 297,51
5-10-2022
Totaal bedrag
€ 12.777,30
De man heeft niet nader toegelicht op welke werkzaamheden productie 9 betrekking heeft. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen echter mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (vgl. HR 23 oktober 1992 ECLI:NL:HR:2023:ZC0729). De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (zie HR 10 maart 2017 ECLI:NL:HR:2017:404) De man heeft die vereiste toelichting bij productie 9 niet gegeven. Het hof zal daarom bij zijn verdere beoordeling uitgaan van gemaakte kosten ter hoogte van € 12.777,30.
Betaling kosten door man
Alle door de man overgelegde facturen staan op zijn naam en de woning werd gedurende de periode waarop de facturen betrekking hebben uitsluitend door hem bewoond. Het hof gaat er daarom vanuit dat de materialen ten behoeve van de woning zijn aangeschaft en ook door hem zijn betaald.
Onderhoud of investering
Het hof begrijpt de stelling van de vrouw aldus dat de door de man gemaakte kosten het onderhoud van de woning en de tuin betreffen waarvoor hij op grond van het convenant draagplichtig is.
Partijen hebben in art. 2.5 van convenant de volgende afspraken gemaakt over die kosten:
‘Met betrekking tot de eigenaarslasten van in artikel 2.1 genoemde recreatiewoning zijn partijen overeengekomen dat, vanaf ondertekening van dit convenant:
de bijdrage voor de parkkosten van de recreatiewoning, geheel voor rekening van de man komt;
de aanslag WOZ en de opstalverzekering, geheel voor rekening van de man komen;
het overige onderhoud van de recreatiewoning en de tuin van de recreatiewoning, geheel voor rekening van de man komt (onderstreping hof).
een eventueel nieuwe verwarmingsketel indien de huidige verwarmingsketel het begeeft komt voor rekening van beide partijen komt (sic), ieder voor de helft. De man in eerste instantie de kosten voor de nieuwe verwarmingsketel op zich nemen, pas na verkoop en levering van de recreatiewoning zal de te betalen helft van de vrouw verrekend worden.’
Het staat vast dat de man sinds het uiteengaan van partijen (in 2014) de woning, met uitsluiting van de vrouw, bewoont. De werkzaamheden zijn verricht in de periode tussen 1 februari 2019 en 27 februari 2023 (derhalve tussen de 10 en 14 jaar na de koop van de woning in 2009). Gelet op de aard van de verrichte werkzaamheden, de datum waarop de eigendom van de woning is verkregen en de periode waarin de werkzaamheden plaatsvonden, moeten deze worden aangemerkt als onderhoud van de woning. Dat betekent dat de man, op grond van art. 2.5 van het convenant, draagplichtig is voor deze kosten. De door hem betaalde kosten strekken daarom niet in mindering op de door hem aan de vrouw te betalen vergoeding wegens overbedeling. De grief faalt.
Samenvatting
Nu alle grieven falen, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen.
Proceskosten in de hoofdzaak en in het incident
Het hof zal met toepassing van art. 237 Rv in verbinding met art. 353 Rv (partijen zijn voormalige echtgenoten) de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
7. De uitspraak
Het hof:
In het incident
compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten in hoger beroep draagt;
In de hoofdzaak
bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 september 2024;
compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten in hoger beroep draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, G.J. Vossestein en E.F.M. van Swaaij en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 augustus 2025.
griffier rolraadsheer