GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.346.851/01
arrest van 12 augustus 2025
gewezen in de incidenten ex artikel 351 Rv en 195 Rv in de zaak van
[XX] V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. A.H.H.M. Roelofs te Nuland, gemeente ’s-Hertogenbosch,
tegen
[YY] V.O.F,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. P.A.M. Verkuijlen te Sint-Oedenrode, gemeente Meierijstad,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 10 december 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, onder zaaknummer 10497892 \ CV EXPL 23-1990 gewezen vonnis van 4 juli 2025.
5. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 10 december 2024 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
Het hof heeft daarna een datum voor arrest in de incidenten bepaald.
6. De beoordeling
In de incidenten
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 4 juli 2024 in conventie [appellante] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen € 11.940,35 alsmede de proceskosten, beide te vermeerderen met de rente zoals in het dictum bepaald. Dit conventionele deel is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De vordering is reconventie is afgewezen en [appellante] is veroordeeld in de proceskosten vermeerderd met de wettelijke rente. Deze proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
[appellante] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan en heeft in de dagvaarding in hoger beroep een incident ex artikel 351 Rv (schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring) alsmede een incident ex artikel 195 Rv (recht op informatie) opgeworpen en vordert:
1.a. de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis te schorsen totdat hierover onherroepelijk is beslist;
1.b. [geïntimeerde] te verbieden het bestreden vonnis te executeren en te bevelen om de executie van het dictum (r.o. 5.1 t/m 5.3 en 5.5 t/m 5.7) van dit vonnis gestaakt te houden en voor zover met de tenuitvoerlegging is begonnen deze te staken en, voor zover beslag is gelegd, dat op te heffen en/of niet voort te zetten, zulks op straffe van een in het petitum van de memorie van grieven genoemde dwangsom;
2. [geïntimeerde] te veroordelen tot volledige medewerking aan afgifte van (dan wel inzage in) alle informatie en/of bescheiden die [appellante] redelijkerwijs nodig heeft om de vordering van [geïntimeerde] te weerleggen, althans zijn tegenvordering op [geïntimeerde] nader te kunnen onderbouwen en motiveren, waaronder, doch niet uitsluitend, de stukken zoals genoemd in randnummer 59 van de memorie en/of blijken dan wel volgen uit het overzicht wat als productie 8 in het geding is gebracht, zulks op straffe van een dwangsom;
3. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het incident, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen in de incidenten.
Op de standpunten van partijen zal het hof in het hiernavolgende ingaan.
Schorsing van de tenuitvoerlegging
Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden.
a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
c. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
De kantonrechter heeft de beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet gemotiveerd. Het komt dus aan op een afweging van de belangen van partijen (zie de hiervoor onder 6.3 sub a en b genoemde maatstaven). Daarbij dient uit te worden gegaan van de in het bestreden vonnis gegeven beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen.
[appellante] stelt dat zij een zwaarwegend belang heeft bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis en voert hiervoor het volgende aan.
Pas na ruim acht maanden na het vonnis heeft [geïntimeerde] aangekondigd tot executie te overgaan. Volgens [appellante] kan dit niet los gezien worden van zijn meerdere buitengerechtelijke verzoeken aan [geïntimeerde] om informatie en bescheiden waarop geen reactie is gekomen. [geïntimeerde] is weigerachtig om de verzochte informatie buitengerechtelijk te verstrekken terwijl [geïntimeerde] daar op grond van artikel 194 Rv wel toe gehouden is en er geen gewichtige redenen zijn om zich daartegen te verzetten. [appellante] stelt dat op grond daarvan alle grond bestaat en er een rechtvaardiging is om af te wijken van het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt over de belangenafweging. Daar komt bij dat [appellante] in eerste aanleg niet is uitgenodigd c.q. aanwezig is geweest bij de mondelinge behandeling en geen (aanvullend) verweer heeft kunnen voeren.
[geïntimeerde] heeft dan ook geen (zwaarwegend) belang bij executie van het vonnis, althans heeft dat tot op heden niet kenbaar gemaakt noch gesteld of bewezen.
[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en acht de motivering van [appellante] niet toereikend om de tenuitvoerlegging geschorst te krijgen.
Het hof overweegt als volgt.
[appellante] heeft niet aangevoerd dat het vonnis lijdt aan een kennelijke juridische of feitelijke misslag. Het komt dus aan op een afweging van de wederzijdse belangen van partijen.
Bij de belangenafweging is een belangrijk gezichtspunt dat de kantonrechter de vordering heeft toegewezen en dat moet worden voorkomen dat het instellen van hoger beroep wordt gebruikt als middel om uitstel van executie te verkrijgen. Het uitgangspunt is dus dat een veroordeling hangende hoger beroep uitvoerbaar dient te zijn. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan de belangen van degene die de veroordeling heeft verkregen.
Tegenover het belang van [geïntimeerde] stelt [appellante] dat [geïntimeerde] pas na ruim acht maanden na het vonnis heeft aangekondigd tot executie te overgaan. Het hof is van oordeel dat [appellante] hieraan geen rechten kan ontlenen; het is immers aan degene die tot executie wil overgaan te bepalen wanneer hij dat doet.
Dat [appellante] schorsing van de tenuitvoerlegging vordert omdat [geïntimeerde] weigerachtig zou zijn om de gevraagde stukken over te leggen, maakt niet dat het belang van [appellante] zwaarder moet wegen dan het belang van [geïntimeerde] . Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat zij al geruime tijd geleden met het bedrijf is gestopt en het voor haar onevenredig veel werk is om de gevraagde informatie boven water te halen en dat [appellante] ook zelf beschikte over alle bescheiden die nodig waren om de gefactureerde bedragen te controleren. Bovendien heeft [geïntimeerde] inmiddels een aantal stukken aan [appellante] overgelegd, uit welke stukken volgens [geïntimeerde] [appellante] kan afleiden wat er gefactureerd is.
Voor zover [appellante] haar incidentele vordering baseert op inhoudelijke bezwaren (zoals bijvoorbeeld het niet juist berekenen van de korting en het in rekening brengen van teveel omzet) tegen het bestreden vonnis gaat het hof daarop in het kader van dit incident niet in. Op het oordeel in de hoofdzaak mag immers niet worden vooruitgelopen.
Ook voor het overige heeft [appellante] niet, althans onvoldoende aannemelijk, gemaakt dat er omstandigheden zijn die meebrengen dat haar belang bij behoud van de bestaande situatie zolang niet op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] bij de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis.
Het hof zal de vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad dan ook afwijzen.
Informatie ex artikel 195 Rv
[appellante] vordert op grond van artikel 195 Rv [geïntimeerde] te veroordelen tot volledige medewerking aan afgifte van (dan wel inzage in) alle informatie en/of bescheiden, die [appellante] redelijkerwijs nodig heeft om de vordering van [geïntimeerde] te weerleggen, althans zijn tegenvordering op [geïntimeerde] nader te kunnen onderbouwen en motiveren.
Naar het oordeel van het hof is artikel 195 Rv niet van toepassing in deze zaak. Artikel 195 Rv is onderdeel van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht, welke wet op 1 januari 2025 in werking is getreden. Volgens het overgangsrecht gelden de nieuwe wettelijke regels alleen voor gerechtelijke procedures die na 1 januari 2025 worden gestart. Als een procedure vóór 1 januari 2025 is aangespannen, blijft het oude (bewijs)recht gelden totdat de procedure bij die instantie is geëindigd. De onderhavige procedure is door [appellante] gestart met het uitbrengen van de appeldagvaarding op 4 oktober 2024. Dat betekent dat het oude (bewijs)recht in deze zaak van toepassing is. Het hof zal de vordering van [appellante] tot inzage daarom toetsen aan het tot 1 januari 2025 geldende artikel 843a (oud) Rv. Een zogenoemde ‘exhibitievordering’ komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking als is voldaan aan de volgende uit artikel 843a lid 1 (oud) Rv voortvloeiende, cumulatieve voorwaarden:
degene die de vordering instelt, dient een rechtmatig belang te hebben;
het moet gaan om bepaalde bescheiden;
aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.
[appellante] stelt dat voor de onderbouwing van haar vorderingen of het weerleggen van de vorderingen van [geïntimeerde] het voor haar noodzakelijk is om volledige inzage te krijgen in bij [geïntimeerde] in bezit zijnde financiële informatie en bescheiden. [appellante] heeft deze informatie bij [geïntimeerde] opgevraagd maar [geïntimeerde] is weigerachtig om de gevraagde informatie af te geven. Het gaat om de niet bij [appellante] in bezit zijnde c.q. ontbrekende facturen en weekoverzichten inzake omzet week 26 (2021) en week 1 (2022) alsmede de weekoverzichten van week 21, 26 en 37 (2021) en week 2 t/m 7 (2022) alsmede tot het verstrekken van een specificatie van de door [geïntimeerde] op haar facturen berekende omzet en kortingen. Deze gegevens maken onderdeel uit van de boekhouding en administratie van [geïntimeerde] .
[appellante] concludeert dat zij een rechtmatig (voldoende) belang bij het verkrijgen van de verzochte gegevens aangaande de rechtsbetrekking waarvan [geïntimeerde] partij is. Die gegevens zij ook relevant voor de rechtsbetrekking waarbij [appellante] partij is en [appellante] heeft die gegevens voldoende concreet omschreven.
[geïntimeerde] geeft aan dat zij niet weigerachtig is om stukken over te leggen maar omdat [geïntimeerde] al geruime tijd gestopt is met het bedrijf waren de gevraagde stukken moeilijk te achterhalen. Verder stelt [geïntimeerde] dat [appellante] ook zelf deze stukken in haar administratie moet hebben.
Inmiddels heeft [geïntimeerde] diverse stukken uit haar administratie aan [appellante] overgelegd waaruit [appellante] volgens [geïntimeerde] de gefactureerde bedragen kan afleiden en vergelijken met de door haar opgegeven verkochte hoeveelheden.
Het hof overweegt als volgt.
Nu [geïntimeerde] , nadat het incident is opgeworpen, stukken aan [appellante] heeft verstrekt zal het hof in dit stadium van de procedure de inhoudelijke beoordeling van de vordering van [appellante] tot het verstrekken van afschriften van stukken aanhouden. Als het hof de hoofdzaak inhoudelijk gaat behandelen krijgt het zicht op de reikwijdte van deze incidentele vordering. Het ligt daarom voor de hand om deze incidentele vordering, nu de memorie van grieven al is genomen, gelijktijdig te behandelen met de vorderingen in de hoofdzaak. Daarbij zal dan de vraag aan de orde komen of het hof en [appellante] over nadere stukken moeten kunnen beschikken en zo ja, welke. Nu de zaak naar het oordeel van het hof ook niet meebrengt dat op deze incidentele vordering eerst en vooraf moet worden beslist (artikel 209 Rv), zal het hof de beslissing daarover aanhouden.
De beslissing omtrent de proceskosten zal het hof aanhouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak.
In de hoofdzaak
De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde] . Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
7. De beslissing
Het hof:
in de incidenten:
wijst de incidentele vordering ex artikel 351 Rv af;
houdt de beslissing op het incident ex artikel 843a (oud) Rv aan;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 23 september 2025 voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 augustus 2025.
griffier rolraadsheer