GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.343.123/01
arrest van 19 augustus 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. J.J.H. Cuijpers te Echt,
tegen
[hotel X]
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [hotel X] ,
advocaat: mr. R.H.M. Wagemans te Maastricht,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 20 augustus 2024 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 9627624\ CV EXPL 22-121 gewezen vonnis van 1 mei 2024.
5. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 20 augustus 2024 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
6. De beoordeling
De samenvatting
[hotel X] heeft een serre laten bouwen waarin zij de eetzaal heeft gesitueerd. [appellant] heeft het glas geleverd voor die serre en hij heeft het glas geplaatst en het kitwerk uitgevoerd.
Na korte tijd zijn er lekkages ontstaan in de serre. Volgens [hotel X] komt dat door slecht kitwerk. Zij wil schadevergoeding van [appellant] .
Volgens [appellant] worden de lekkages niet veroorzaakt door slecht kitwerk maar door een verkeerde constructie van de serre. Hij vindt dat hij daarom geen schadevergoeding verschuldigd is.
[appellant] wil dat [hotel X] zijn eindfactuur betaalt. [hotel X] heeft een eerste factuur betaald en vindt dat zij verder niets meer verschuldigd is aan [appellant] .
De kantonrechter heeft een gedeelte van de door [hotel X] gevorderde schadevergoeding toegewezen en de vordering van [appellant] ter zake de eindfactuur afgewezen.
Het hof is van oordeel dat het hoger beroep van [appellant] alleen slaagt voor zover het betrekking heeft op de eindfactuur. Het oordeel van de kantonrechter over de toegewezen schadevergoeding blijft in stand. Het hof zal hierna motiveren waarom het tot dat oordeel komt.
De feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[appellant] heeft in opdracht en voor rekening van [hotel X] glas geleverd en geplaatst voor de overkapping van de binnenplaats (serre) van [hotel X] . De eetzaal van het hotel is in de serre.
Op 12 juni 2020 heeft [hotel X] aan [appellant] laten weten dat de serre gemonteerd was. [appellant] heeft het glas geleverd op 15 juni 2020. [appellant] heeft bij factuur van 17 juni 2020 € 8.470,00 (incl. btw) in rekening gebracht onder vermelding van “1e termijn serre” en “Maten volgen op afrekeningsnota”.
Op 20 juni 2020 is [appellant] begonnen met zijn werkzaamheden en op 23 juni 2020 was het werk voltooid. Het factuurbedrag van € 8.470,00 heeft [hotel X] op 28 juni 2020 voldaan.
In de maanden daarna hebben zich verschillende lekkages voorgedaan. Daarover hebben partijen contact met elkaar gehad.
Uiteindelijk heeft [hotel X] een derde ingeschakeld die het kitwerk heeft verwijderd en nieuwe kit heeft aangebracht.
De vorderingen en het oordeel van de kantonrechter
[hotel X] heeft gevorderd (samengevat weergegeven) dat de kantonrechter [appellant] veroordeelt om € 14.340,47 te betalen (vermeerderd met rente en kosten). Daartoe heeft [hotel X] (samengevat) aangevoerd dat de lekkages in de serre het gevolg zijn van ondeugdelijk kitwerk van [appellant] .
[appellant] heeft verweer gevoerd en gevorderd (in reconventie) dat de kantonrechter [hotel X] veroordeelt om € 8.947,95 te betalen (vermeerderd met rente en kosten). Daartoe heeft [appellant] aangevoerd dat [hotel X] slechts een voorschot had betaald en dat dit gevorderde bedrag de afrekennota betreft.
De kantonrechter heeft een gerechtelijk deskundige benoemd en bij het eindvonnis de vordering van [hotel X] deels toegewezen, namelijk € 6.542,00 (in hoofdsom). De kantonrechter heeft de vordering (in reconventie) van [appellant] afgewezen.
Enkele procesrechtelijke overwegingen
[appellant] wil dat het hof het eindvonnis vernietigt en dat de vorderingen van [hotel X] alsnog worden afgewezen en dat zijn vordering (in reconventie) alsnog wordt toegewezen. Zo heeft hij dat (samengevat weergegeven) aan het slot van zijn memorie van grieven geformuleerd. [appellant] heeft met een akte, genomen ná de memorie van grieven, verklaard dat hij zijn eis wil wijzigen. Hij wil aan die eis toevoegen (eveneens samengevat weergegeven) dat het hof [hotel X] veroordeelt tot terugbetaling van al hetgeen hij op grond van het bestreden vonnis heeft betaald, vermeerderd met wettelijke (handels)rente.
[hotel X] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Het hof is van oordeel dat [hotel X] terecht heeft aangevoerd dat deze aanvulling in strijd is met de zogenaamde twee-conclusie-regel (artikel 347 lid 1 Rv). [appellant] heeft niet aangevoerd dat of waarom het hof een uitzondering op die regel moet maken. Het hof zal dus recht doen op de eis zoals die aan het slot van de memorie van grieven is geformuleerd.
[hotel X] heeft geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld. Het gedeelte van haar vordering dat de kantonrechter heeft afgewezen, is dus geen onderwerp van het geschil in hoger beroep.
Het gaat in hoger beroep (voor wat betreft de hoofdsommen) dus alleen nog maar om het volgende:- de vordering van [hotel X] op [appellant] voor wat betreft de volgende posten:
€ 2.394,00 (rapport [bedrijf 1] )
€ 667,20 (nader rapport [bedrijf 1] )
€ 2.500,00 (factuur [bedrijf 2] )
€ 600,00 (schoonmaak lekkage 13, 14 en 15 juli 2021)
€ 100,00 (reparatie gevolgen lekkage 15 juli 2021)
€ 280,00 (schoonmaken vloer na lekkage 21 juli 2021)
en om
- de vordering van [appellant] op [hotel X] ter zake de eindafrekening van € 8.947,95.
[appellant] heeft in zijn inleiding op de grieven het hof verzocht om de inhoud van al zijn processtukken bij de kantonrechter als herhaald en ingelast te beschouwen.
Het hof kan aan dat verzoek geen gehoor geven. Een dergelijke verwijzing is onvoldoende om alles wat bij de kantonrechter is aangevoerd in de beoordeling van het hoger beroep te betrekken. Uit de memorie van grieven moet voldoende duidelijk zijn (zowel voor het hof als voor [hotel X] ) tegen welke beslissingen en oordelen van de kantonrechter het hoger beroep is gericht en wat de bedoeling is van het hoger beroep.
[appellant] heeft tien grieven aangevoerd. Het hof zal het hoger beroep niet per grief maar per onderwerp beoordelen.
Tekortkoming
De kantonrechter is ervan uitgegaan dat [appellant] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verbintenis uit de overeenkomst. De kantonrechter heeft daartoe overwogen (in 2.2.2. van het eindvonnis):
Uit het rapport van Verburg [hof: de door de kantonrechter ingeschakelde gerechtelijk deskundige] blijkt immers als antwoord op vraag 1 dat (een deel van) het kitwerk niet voldeed aan de vereisten van goed en deugdelijk vakmanschap. Meer in het bijzonder stelt de kantonrechter vast dat [appellant] niet de noodzakelijke primer op de ondergrond heeft gebruikt bij het kitten. Dit volgt zowel uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 mei 2022 als het antwoord van Verburg op vraag 1. Daarmee is een tekortkoming in de nakoming gegeven nu van [appellant] verwacht mocht worden dat het kitwerk deugdelijk zou zijn.
[appellant] heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij niet ‘voldoende’ is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenissen, omdat de gerechtelijk deskundige heeft opgemerkt dat het ging om (onbeduidende) randjes aan de gootzijde die eerst met een primer behandeld en vervolgens gekit hadden moeten worden. Het hof verwerpt dat standpunt van [appellant] om de volgende redenen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 23 mei 2022 heeft [appellant] verklaard dat er geen primer was gebruikt. Het hof is van oordeel dat [hotel X] terecht heeft aangevoerd dat [appellant] niet meer op die verklaring mocht terugkomen (artikel 154 Rv).
Los daarvan heeft te gelden dat de kantonrechter vervolgens (na die mondelinge behandeling) als uitgangspunt heeft genomen dat er geen primer was gebruikt (dus nergens, en niet dat dit slechts was nagelaten op enkele randjes aan de gootzijde). Dat was het uitgangspunt van de vragen die de kantonrechter bij vonnis van 3 augustus 2022 aan de gerechtelijk deskundige heeft gesteld. De kantonrechter heeft aan de gerechtelijk deskundige gevraagd of [appellant] de door hem gebruikte kit zonder voorbehandeling van de (gepoedercoate) ondergrond met een primer mocht aanbrengen. Tegen dat vonnis, en ook tegen het daarin neergelegde uitgangspunt dat in het eindvonnis is herhaald en aan het eindoordeel ten grondslag is gelegd, heeft [appellant] geen (voldoende kenbare) grief geformuleerd.
De gerechtelijk deskundige heeft het door [appellant] uitgevoerde werk niet zelf kunnen beoordelen, omdat [hotel X] inmiddels het kitwerk opnieuw had laten uitvoeren. De gerechtelijk deskundige heeft dus niet kunnen verklaren dat het slechts ging om enkele onbeduidende randjes waarop geen primer was aangebracht. Dat heeft de gerechtelijk deskundige ook niet verklaard, althans het hof kan niet uit het rapport afleiden dat de gerechtelijk deskundige tot die conclusie is gekomen.
Kortom, het uitgangspunt in hoger beroep is dat de kit overal is aangebracht zonder eerst een primer te gebruiken. Het hof is van oordeel dat uit het rapport van de gerechtelijk deskundige blijkt dat een primer gebruikt had moeten worden. Het hof kan er dus niet vanuit gaan dat [appellant] slechts in geringe mate is tekort geschoten of dat de ernst van zijn tekortkoming onvoldoende is als grondslag voor de vordering, zoals [appellant] heeft aangevoerd.
Verzuim
[appellant] heeft aangevoerd dat hij niet in verzuim is geraakt. Het hof verwerpt dat standpunt om de volgende redenen.
[appellant] is met een e-mail van 6 juli 2021 gesommeerd om het hersteladvies op te volgen dat was gegeven door [deskundige] (de door [hotel X] ingeschakelde deskundige). Bij die e-mail was het rapport van [deskundige] gevoegd. [appellant] is een termijn gesteld van zeven dagen om het hersteladvies op te volgen. [hotel X] heeft er rekening mee gehouden dat het hersteladvies wellicht niet binnen die termijn uitvoerbaar zou zijn (vanwege (on)werkbaar weer), zodat zij [appellant] heeft gevraagd om binnen die termijn te verklaren dat [appellant] tot dat herstel zou overgaan. Het hof kan deze e-mail niet anders beschouwen dan als een ingebrekestelling in de zin van artikel 6:82 lid 1 BW. [appellant] heeft niet aangevoerd dat de gestelde termijn niet redelijk was.
Volgens diezelfde bepaling treedt het verzuim in wanneer nakoming binnen de gestelde termijn achterwege blijft. Volgens [appellant] is daarvan geen sprake geweest, omdat hij zich in zijn op 13 juli 2021 gestuurde reactie wél bereid zou hebben verklaard om tot herstel over te gaan. Het hof verwerpt dat standpunt. [appellant] heeft aan zijn bereidverklaring de voorwaarde verbonden dat [hotel X] eerst zou aantonen dat [appellant] was tekortgeschoten. Het hof is van oordeel dat [appellant] aan deze bereidverklaring niet die voorwaarde mocht verbinden. Een ander oordeel zou betekenen dat [appellant] door zo’n enkele mededeling zou hebben kunnen verhinderen dat het verzuim zou intreden.
Los daarvan is het hof van oordeel dat de hele gang van zaken zo is geweest, dat het voor [appellant] volstrekt duidelijk moest zijn dat de op 6 juli 2021 geboden mogelijkheid de laatste kans was om de overeenkomst alsnog na te komen. Het hof verwijst naar hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 11 oktober 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1581; Fraanje/Alukon) heeft overwogen:
De functie van een ingebrekestelling is om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is, bij gebreke van welke nakoming de schuldenaar vanaf dat tijdstip in verzuim is.
en
Een relevante omstandigheid is de tijd die de schuldenaar vóór de aanmaning heeft gehad om zich voor te bereiden. In de meeste gevallen staat het de schuldenaar niet vrij om te wachten met het verrichten van voorbereidende handelingen tot hij aangemaand wordt.
De brief van 6 juli 2021 kwam niet uit de lucht vallen. Er was een lange voorgeschiedenis. Onbetwist is dat:
- op 23 juni 2020 het werk was voltooid;
- op 11 september 2020 foto’s zijn gestuurd van het kitwerk aan [appellant] ;
- op 27 september 2020 er na een zware regenbui een ernstige lekkage was en ook daarvan een foto is gestuurd aan [appellant] ;
- omstreeks oktober 2020 (toen het hotel opende) er Whatsapp berichten zijn gewisseld met [appellant] , waaruit in elk geval blijkt dat het de bedoeling van [hotel X] was dat [appellant] (met aanpassing of vernieuwing van het kitwerk) zou meewerken aan het oplossen van de lekkages;
- op 10 december 2020 opnieuw een foto is gestuurd aan [appellant] van een lekkage;
- in april 2021 [appellant] samen met een door hem aangezochte deskundige ( [deskundige 2] ) het hotel heeft bezocht om het werk te bekijken;
- op 7 mei 2021 [deskundige 2] een rapport heeft uitgebracht;
- op 2 juni 2021 een onderaannemer van [appellant] in zijn opdracht opnieuw kitwerk heeft verricht aan de serre;
- op 4 juni 2021 [hotel X] een e-mail heeft gestuurd aan [appellant] waarmee hij is uitgenodigd om een op 5 juni 2021 uit te voeren onderzoek bij te wonen door [deskundige] die door [hotel X] was ingeschakeld; [appellant] is niet bij dat onderzoek aanwezig geweest omdat de oproep hem te laat had bereikt, maar hij heeft daarna ook niet meer contact opgenomen met [hotel X] ;
- op 6 juli 2021 de hiervoor besproken e-mail aan [appellant] is gestuurd.
Kortom, [appellant] heeft alle tijd gehad om het werk (dat hij door onderaannemers had laten uitvoeren) zelf te inspecteren en te (laten) herstellen. Dat dit op geen enkel moment kon vanwege de agenda van onderaannemers en/of het weer, is niet aannemelijk gelet op de lange tijd die is verstreken tussen de eerste berichten die aan [appellant] zijn gestuurd en de e-mail van 6 juli 2021. [appellant] heeft dus ruimschoots gelegenheid gehad zich voor te bereiden (zoals de Hoge Raad heeft overwogen). Niet valt in te zien waarom [hotel X] eerst [appellant] moest zien te overtuigen van de gebrekkige nakoming. [appellant] moet geacht worden zelf in staat te zijn het door hem (of in zijn opdracht) uitgevoerde werk te beoordelen.
Vervangende schadevergoeding en omzettingsverklaring
De kantonrechter heeft overwogen (in 2.2.3 van het eindvonnis):
De schade die door [hotel X] wordt gevorderd betreft een vervangende schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:87 BW.
Volgens [appellant] is dat een onbegrijpelijke overweging omdat [hotel X] niet heeft gesteld dat zij een vervangende schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:87 BW vordert. Daarnaast heeft [appellant] aangevoerd dat [hotel X] niet heeft gesteld dat zij een omzettingsverklaring heeft gedaan.
Het hof begrijpt dat [appellant] meent dat [hotel X] in haar processtukken (meer) expliciet had moeten vermelden dat zij vervangende schadevergoeding vorderde en dat zij (meer) expliciet had moeten vermelden dat zij een omzettingsverklaring had uitgebracht en/of had moeten verwijzen naar artikel 6:87 BW. Dat is niet juist. De kantonrechter heeft ambtshalve de rechtsgronden aangevuld. De feitelijke grondslag gaf daartoe aanleiding, zodat de kantonrechter verplicht was om dat te doen (artikel 25 Rv). Een omzettingsverklaring als bedoeld in artikel 6:87 lid 1 BW kan besloten liggen in de dagvaarding of in andere gedingstukken (zie HR 5 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1028). Hetgeen [hotel X] in de dagvaarding heeft aangevoerd komt erop neer dat [appellant] is gesommeerd om na te komen en in gebreke is gesteld, en dat is overgegaan tot herstel op kosten van [appellant] nadat was geconstateerd dat [appellant] niet aan de sommatie tot nakoming had voldaan.
Het hof kan dat niet anders opvatten dan dat [hotel X] , toen zij ging dagvaarden, niet langer nakoming verlangde maar vervangende schadevergoeding. Overigens blijkt dat al overduidelijk uit de brief van [hotel X] van 6 september 2021. Aan het slot van die brief heeft [hotel X] aangegeven dat zij inmiddels een derde had ingeschakeld om te doen wat [appellant] had moeten doen en dat zij de rekening aan [appellant] zou presenteren. Om die reden kan in het midden blijven of de brief van 4 juni 2021, zoals [appellant] heeft aangevoerd, ook als een omzettingsverklaring moet worden beschouwd.
Causaal verband
Volgens [appellant] is er geen causaal verband met de schade. Het hof begrijpt dat [appellant] met zijn hoger beroep bedoelt dat dit er niet is omdat hij slechts in geringe mate tekort is geschoten en omdat de lekkages zijn veroorzaakt door een constructiefout.
Het hof heeft hiervoor al overwogen dat het uitgangspunt is dat [appellant] primer had moeten gebruiken en dat hij dat niet heeft gedaan. Het hof is, mede gelet hierop, van oordeel dat [appellant] het door [hotel X] gestelde causale verband onvoldoende heeft betwist. Niet valt in te zien waarom de lekkages niet konden ontstaan door het ontbreken van primer waardoor de kit niet goed heeft gehecht. Evenmin valt in te zien waarom de lekkages uitsluitend zijn veroorzaakt door een constructiefout. De grieven blijven op dit punt steken in algemeenheden. [appellant] is daar in hoger beroep onvoldoende concreet op ingegaan.
Het hof heeft bij dit oordeel betrokken dat [hotel X] in haar conclusie na deskundigenbericht heeft aangevoerd dat er een enorme plas water midden in de eetzaal lag en dat die onmogelijk kan zijn ontstaan door vanaf de overstekken omhoog kruipende druppels (dus door de constructiefout die de gerechtelijk deskundige had beredeneerd). [hotel X] heeft dat uitvoerig toegelicht in haar conclusie na deskundigenbericht en daar is [appellant] niet meer nader op ingegaan. Deze feitelijke bevinding correspondeert met het standpunt van [hotel X] dat het kitwerk zodanig slecht was, dat het water er eenvoudigweg doorheen drong. Hoewel ook mogelijk is dat de serre onjuist is geconstrueerd, moet er dan - gelet op de uitleg van de gerechtelijk deskundige - vanuit worden gegaan dat het water langs de zijkanten van de serre naar beneden loopt. Dat zal óók zijn gebeurd, maar niet alleen, en kan dus niet worden beschouwd als de uitsluitende oorzaak van de lekkages. Om die reden acht het hof van onvoldoende belang dat [appellant] heeft aangevoerd dat iemand (wiens naam hij niet mag noemen) tegen hem heeft verklaard dat er na het herstel nog steeds lekkages waren.
Hoogte van de schadevergoeding
[appellant] heeft (in zijn toelichting op grief 1) vermeld dat de kantonrechter geen overwegingen heeft gewijd aan zijn verweren tegen de hoogte van de schade en (in zijn toelichting op grief 2) dat gerechtelijk deskundige Verburg zich niet over de hoogte van de schade heeft uitgelaten. Welke verweren het hof alsnog moet beoordelen heeft [appellant] in zijn memorie van grieven niet nader toegelicht. [appellant] is in hoger beroep in het geheel niet meer ingegaan op de posten die in dit hoger beroep aan de orde zijn (zie hiervoor in 6.4.2). Het is daarom voor het hof niet voldoende duidelijk waarop [appellant] doelt. Ook voor [hotel X] is dat onvoldoende duidelijk en [hotel X] heeft ook geklaagd over die onduidelijkheid. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen in 6.4.3.
Het hof ziet daarom geen reden om het door de kantonrechter toegewezen bedrag te verlagen.
Eindfactuur van [appellant]
De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen. De vordering betreft de eindfactuur van [appellant] . De kantonrechter heeft daartoe het volgende overwogen (2.6.1 van het eindvonnis):
[appellant] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat er sprake is van een overeenkomst waaruit enige betalingsverplichting van [hotel X] ten aanzien van de afrekennota voortvloeit.
Het hof is van oordeel dat [appellant] terecht heeft geklaagd over dat oordeel. [appellant] heeft terecht aangevoerd dat hij niet nader onderbouwd hoefde te stellen dat er een overeenkomst was, omdat dit ook het uitgangspunt was van [hotel X] . Dat blijkt uit de dagvaarding, waarin [hotel X] het werk van [appellant] als uitgangspunt heeft genomen en daarop haar vordering heeft gebaseerd. Het hele geschil in conventie (dus over het kitwerk) is terug te voeren op de overeenkomst tussen [hotel X] en [appellant] , zodat het hof van oordeel is dat [appellant] niet hoefde aan te voeren dat partijen een overeenkomst hebben gesloten. Dat was niet in geschil.
Volgens [hotel X] is het door [appellant] gevorderde bedrag dat als eindafrekening is gefactureerd niet toewijsbaar. Volgens [hotel X] is geen prijs afgesproken, zodat [appellant] moet toelichten wat een redelijke prijs is in de zin van wat brancheconform is. Dat heeft [appellant] niet gedaan. Het hof verwerpt dat verweer om de volgende reden.
[appellant] heeft in zijn conclusie van antwoord aangevoerd dat hij meerdere beglazingsprojecten voor [hotel X] heeft uitgevoerd en dat hij werd gevraagd om zonder voorafgaande offerte, de beglazing van de serre uit te voeren en dat alles snel moest. Tijdens de op 29 februari 2024 gehouden mondelinge behandeling heeft [appellant] dat herhaald. [appellant] heeft in zijn antwoordconclusie na deskundigenbericht aangevoerd dat hij, zoals gebruikelijk, eerst een voorschot factuur stuurde en later, na afronding van het werk, de eindafrekening, met vermelding van alle maten. [hotel X] heeft niet betwist dat dit de gebruikelijke gang van zaken was tussen partijen en dat staat ook zo aangekondigd op de eerste factuur die [hotel X] wel heeft betaald: ‘1e termijn serre’ en ‘Maten volgen op afrekeningsnota’. [appellant] heeft vervolgens ook daadwerkelijk gefactureerd op basis van maatvoering en niet op basis van uren. Aangezien dit de tussen partijen overeengekomen wijze was waarop zij zaken met elkaar deden, ziet het hof niet in waarom [appellant] nader zou moeten stellen dat de eindfactuur brancheconform was. De juistheid van de door [appellant] in rekening gebrachte maten van het glas, heeft [hotel X] niet betwist. [hotel X] heeft evenmin toegelicht waarom de genoemde prijzen te hoog zijn. Op de eindnota is de voorschotfactuur in mindering gebracht. Het hof acht het uiteindelijk door [appellant] gefactureerde bedrag dan ook toewijsbaar. Dat [appellant] bijna twee jaar na de uitvoering van de werkzaamheden de eindnota heeft gestuurd, doet daar niet aan af. Voor zover [hotel X] heeft bedoeld te stellen dat de late facturering als zodanig moet leiden tot verval van het recht op betaling, heeft zij dit niet toegelicht.
[appellant] heeft gevorderd om [hotel X] ook te veroordelen in de wettelijke rente vanaf ‘de dag dat de reconventionele eis is ingesteld’. Tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter op 23 mei 2023 is gebleken dat de conclusie van antwoord niet aan [hotel X] was verstrekt. De kantonrechter heeft hierover opgemerkt dat de griffier had verzuimd een exemplaar aan [hotel X] te sturen. (De advocaat van) [appellant] heeft niet verklaard dat hij zelf een exemplaar had gestuurd aan (de advocaat van) [hotel X] . [hotel X] heeft verklaard dat zij de eindfactuur ook niet had ontvangen. Kortom, pas tijdens de mondelinge behandeling heeft [hotel X] voor het eerst kennis genomen van de factuur en van de vordering. Op de eindfactuur is een betalingstermijn van veertien dagen vermeld. [appellant] heeft niet gesteld dat die termijn vooraf tussen partijen is overeengekomen en deze kwalificeert daarom niet als fatale termijn in de zin van artikel 6:83 onder a BW (zie HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593). Niettemin acht het hof het, gelet op de redelijkheid en billijkheid en het tijdsverloop sinds de nakoming, redelijk om voor het intreden van verzuim aan te sluiten bij veertien dagen na 23 mei 2023. De wettelijke rente is daarom toewijsbaar vanaf 7 juni 2023.
De proceskosten van de procedure bij de kantonrechter
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 3 augustus 2022 bepaald dat ieder van partijen de helft van het voorschot van de kosten van de gerechtelijk deskundige moest voldoen. Bij eindvonnis heeft de kantonrechter daarin geen wijziging gebracht. Volgens [appellant] hadden de kosten van de gerechtelijk deskundige geheel ten laste van [hotel X] moeten worden gebracht. Het hof ziet daartoe geen aanleiding nu [appellant] ook in hoger beroep geen gelijk krijgt voor wat betreft de vordering in conventie.
De kantonrechter heeft bij eindvonnis [appellant] veroordeeld in de rest van de proceskosten in conventie (dus kosten van de dagvaarding, het griffierecht en het salaris gemachtigde). Ook op dat onderdeel faalt het hoger beroep, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de vordering van [hotel X] .
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de vordering van [appellant] op [hotel X] , is het hof van oordeel dat [appellant] ten onrechte is veroordeeld in de proceskosten in reconventie.
De slotsom
Het hof zal het bestreden eindvonnis vernietigen uitsluitend voor zover de vordering van [appellant] (in reconventie) is afgewezen. Het hof zal die vordering alsnog toewijzen en [hotel X] veroordelen in de proceskosten van de reconventie.
Het hof zal het bestreden eindvonnis voor het overige (in conventie) bekrachtigen, voor zover dat eindvonnis in hoger beroep onderwerp is van het geschil (zie hiervoor in 6.4.2).
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren aangezien partijen deels in het (on)gelijk zijn gesteld.
7. De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep uitsluitend voor zover dat vonnis in reconventie is gewezen en in reconventie opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [hotel X] om aan [appellant] € 8.947,95 te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2023, tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [hotel X] in de proceskosten en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] op € 593,25 aan salaris gemachtigde;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt dat vonnis voor het overige, voor zover dat vonnis aan het oordeel van het hof is onderworpen;
compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, M. van Ham en C.M. Salemans en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 augustus 2025.
griffier rolraadsheer