ECLI:NL:GHSHE:2025:2272

ECLI:NL:GHSHE:2025:2272, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19-08-2025, 200.348.544_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 19-08-2025
Datum publicatie 06-01-2026
Zaaknummer 200.348.544_01
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBLIM:2024:6036

Samenvatting

Overeenkomst van aanneming van werk. Tekortkoming in verbintenis tot juist uitzetten peil van de woning. Te veel grond afgegraven, welke fout pas wordt ontdekt als de vloer is gestort. Schadepost ter zake afvoer van de te veel afgegraven grond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.348.544/01

arrest van 19 augustus 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. S.M.M. Hamers te Heerlen,

tegen

Gé Zet Support B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als GeZet,

niet verschenen in hoger beroep, verstek verleend,

op het bij exploot van dagvaarding van 13 november 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 14 augustus 2024, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser en GeZet als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/03/316606 / HA ZA 23-171)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

De vaststaande feiten en de kern van het geschil

Het gaat in deze zaak naar de kern genomen om een overeenkomst van aanneming van werk, waarbij de aannemer is tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenis om het peil van een nieuwbouwwoning juist uit te zetten. Als gevolg van die fout is te veel grond afgegraven, en de fout wordt pas ontdekt als de vloer is gestort. Het geschil in hoger beroep gaat met name over de schadepost ter zake de afvoer van de te veel afgegraven grond.

De rechtbank heeft in de overwegingen 2.1 tot en met 2.21 van het beroepen vonnis enkele feiten vastgesteld. Tegen die vaststelling van feiten zijn in hoger beroep geen bezwaren gericht. Het hof zal daarom de door de rechtbank vaststelde feiten tot uitgangspunt nemen, en deze feiten hieronder citeren:

“2.1. [appellant] is in 2021 gestart met de bouw van een nieuwbouwwoning aan het adres

[adres] te [woonplaats] . Een deel van de bouw van deze woning heeft [appellant]

uitbesteed aan GeZet. Voormalig bestuurder van GeZet is [persoon A] .

Op 25 mei 2021 heeft GeZet aan [appellant] een offerte uitgebracht voor – kort gezegd – het uitgraven van het gat voor de kelder, het storten van de garagevloer,

werkzaamheden met betrekking tot het dakterras en het plaatsen van prefab vloeren. Deze

offerte is op 27 mei 2021 door [appellant] geaccordeerd.

Partijen hebben op 28 mei 2021 een overeenkomst van aanneming van werk

gesloten (hierna: de Overeenkomst). Met betrekking tot het overeengekomen werk vermeldt de overeenkomst, voor zover thans van belang:

“Het werk bestaat kort gezegd uit: Zie calculatie (3) d.d. 25 mei 2021”

Daarnaast is in de overeenkomst bepaald dat het werk zal worden uitgevoerd overeenkomstig de in de Overeenkomst genoemde contractstukken:

Calculatie (3) Gé Zet Support bv d.d. 25-05-2021

Tekening TO001. 005. 012 [yyy] Architecten d.d. 04-02-2021

Tekeningen BOI t/m B03 [XXX] engineering d.d. 02-02-2021

Bouwbesluittoets [yyy] Architecten d.d. 04-02-2021

Statistische berekening [XXX] engineering d.d. 02-02-2021

In bovengenoemde calculatie van 25 mei 2021 (hierna: de calculatie) is ten aanzien

van de algemene werkzaamheden – voor zover thans van belang – vermeld:

“Maken bouwramen, hoofdmaatvoering en peil bepalen € 797”

De door partijen overeengekomen aanneemsom van in totaal € 63.447,00 is door

[appellant] in termijnen voldaan.

Op 2 augustus 2021 is door de Gemeente Stein (hierna: de Gemeente), in verband

met de bouw van de nieuwbouwwoning, het +NAP peil (hierna ook: het peil) uitgezet op de bouwkavel. Het peil is uitgezet door [persoon B] (hierna: [persoon B] ), die dit werk deed in opdracht van de Gemeente.

Op 30 augustus 2021 is GMI in opdracht van GeZet met de graafwerkzaamheden

gestart. Op 31 augustus 2021 werd [appellant] door de machinist van GMI gebeld met de

mededeling dat de uitgegraven grond niet meer verwerkt kon worden. Op dezelfde dag heeft [persoon C] de overtollige grond afgevoerd.

Bij e-mail van 15 september 2021 heeft [appellant] GeZet bericht dat, nadat op

9 september 2021 bleek dat de betonnen keldervloer niet op het correcte niveau was gestort, op 13 september 2021 op de bouwplaats is geconcludeerd dat er 65 cm te diep was

uitgegraven en dat dit deel van het bouwplan niet conform tekening TO001 was uitgevoerd.

[appellant] heeft GeZet daarbij verzocht om te komen tot een passende oplossing. Partijen

hebben hierover op 24 september 2021 gesproken.

Op 30 september 2021 heeft GeZet een offerte aan [appellant] gezonden voor het

aanbrengen van schuimbeton op de keldervloer voor een bedrag van € 7.180,00 inclusief

btw.

[appellant] heeft GeZet bij e-mail van 7 oktober 2021 aansprakelijk gesteld voor de

kosten die voortvloeien uit het feit dat niet het correcte peil is gehanteerd. Daarnaast heeft

hij aangegeven dat de ophoging van de keldervloer met 55 cm schuimbeton onvoldoende is, nu het hoogteverschil 60 cm bedraagt en de vraag voorgelegd of het een oplossing is dat

eerst nog een drukvaste isolatielaag van 5 cm wordt aangebracht. Tevens heeft [appellant]

GeZet bericht dat, bij wijze van concessie, de vloer van de berging niet hoeft te worden

opgehoogd in verband met de reeds in die vloer verwerkte leidingen, afvoeren en

pompinstallatie.

Bij e-mail van 8 oktober 2021 heeft GeZet de aansprakelijkheid voor het onjuist

bepaalde peil van de hand gewezen. Daarbij heeft zij de meettekening van [persoon B] als

bijlage aan [appellant] verzonden. GeZet schrijft in dat verband: “In de bijlage ontvangt u de

tekening die [persoon B] van de Gemeente aan [persoon A] heeft overhandigd (uzelf en

derden waren hierbij niet aanwezig)”. Verder heeft GeZet in deze brief een voorstel gedaan, onder meer inhoudend dat zij naast het aanbrengen van schuimbeton tegen kostprijs (overeenkomstig de offerte van 30 september 2021) vijf centimeter isolatie op de

keldervloer zou aanbrengen zonder extra kosten. Bij dit voorstel heeft GeZet vermeld:

“indien u akkoord gaal vervallen alle mogelijke verdere aanspraken op kosten betreffende

de zaken genoemd in uw e-mail van 07-10-2021”.

Bij e-mail van 1 november 2021 heeft [appellant] onder meer aan GeZet geschreven:

“Inzake het aanvullen van de vloer met schuimbeton is dit akkoord. (…)

Voor wat betreft de hoogte dat opgevuld kan worden met maximaal 55 cm door

schuimbeton is het noodzakelijk dat de vloer nog 5 cm wordt verhoogd. (…) Mijn

vraag is dan ook of het mogelijk is om met isolatieplaten van 5 cm onder de

schuimbeton deze hoogte op te vullen?”

De desbetreffende werkzaamheden aan de keldervloer zijn door GeZet uitgevoerd

op 8 en 10 december 2021.

GeZet heeft op 17 december 2021 een factuur voor meer- en minderwerk aan

[appellant] gezonden van in totaal € 16.936,00. Van die factuur heeft [appellant] € 10.000,00

voldaan.

[appellant] heeft GeZet op 12 januari 2022 bericht dat diverse door GeZet verrichte

werkzaamheden (waaronder isolatie K5, betonvloer garage en bekisting terrasvloer) niet

naar tevredenheid zijn uitgevoerd.

[appellant] is vanaf juni 2022 met zijn gezin woonachtig in de nieuwbouwwoning.

[appellant] heeft, bij brief van zijn gemachtigde van 16 september 2022, GeZet

(opnieuw) aansprakelijk gesteld voor het feit dat te veel grond is afgegraven en haar

gesommeerd een bedrag van € 30.000,00 binnen veertien dagen te voldoen. GeZet heeft

deze aansprakelijkheid op 6 oktober 2022 (wederom) van de hand gewezen.

[appellant] heeft GeZet op 6 oktober 2022 bericht dat nog resterende (herstel)werkzaamheden conform de Overeenkomst moeten worden uitgevoerd.

Gezet heeft bij e-mail van 18 oktober 2022 [appellant] – kort gezegd – bericht dat de

werkzaamheden waartoe zij is gehouden, zijn verricht. GeZet heeft [appellant] gesommeerd

het nog openstaande bedrag ad € 6.936,00 van de factuur betreffende meer- en minderwerk

binnen zeven dagen te voldoen.

Partijen hebben nadien nog over en weer gecorrespondeerd, waarbij [appellant] GeZet

meermaals heeft gesommeerd de door hem gevorderde schadevergoeding te voldoen, terwijl GeZet aansprakelijkheid is blijven betwisten en harerzijds heeft aandrongen op betaling van haar eindfactuur.

Gezet heeft haar bedrijfsactiviteiten eind oktober 2023 beëindigd. Zij is ontbonden

per 1 november 2023.”

Het geding bij de rechtbank

In de onderhavige procedure vorderde [appellant] in het geding bij de rechtbank, na zijn eis meerdere keren te hebben gewijzigd, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, verklaringen voor recht dat GeZet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst ten aanzien van:

1) het aanbrengen van de isolatie;

2) het storten van de garagevloer;

3) het bepalen van het (NAP-)peil, (specifiek: peil bepalen), althans door bij het graven niet uit te gaan van het NAP-peil van +47,05;

en dat GeZet uit dien hoofde is gehouden de schade te vergoeden die [appellant] daardoor heeft geleden en nog zal lijden;

en veroordeling van GeZet tot betaling van:

€ 43.554,55, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf de dag van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening:

€ 1.078.70 aan buitengerechtelijke incassokosten;

met veroordeling van GeZet in de proceskosten.

Aan deze vordering heeft [appellant] , samengevat, ten grondslag gelegd dat GeZet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst en dat GeZet daarom aan [appellant] op grond van artikel 6:74 BW schadevergoeding moet betalen.

GeZet heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

In het beroepen vonnis heeft de rechtbank, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld.

GeZet is ten aanzien van het bepalen van het peil en het afgraven van de grond toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van aanneming van werk (rov. 4.6 en 4.7).

Toen de fout werd ontdekt was die naar haar aard niet meer te herstellen. GeZet is dus op grond van artikel 6:74 BW verplicht tot schadevergoeding, zonder dat daarvoor een ingebrekestelling en verzuim zijn vereist (rov. 4.9).

Het verweer van GeZet dat zij met [appellant] een minnelijke regeling heeft getroffen waardoor [appellant] geen aanspraak meer kan maken op vergoeding van de door hem gestelde schadeposten, moet worden verworpen (rov. 4.11).

Daarom zal de rechtbank voor recht verklaren dat GeZet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst ten aanzien van het bepalen van het (NAP-)peil (specifiek: peil bepalen), althans door bij het graven niet uit te gaan van het NAP-peil van +47,05 en dat GeZet uit dien hoofde is gehouden de schade te vergoeden die [appellant] daardoor heeft geleden en nog zal lijden (rov. 4.12).

Het door [appellant] gevorderde bedrag van € 11.755,55 voor de kosten van grondafvoer wordt afgewezen omdat de factuur niet aan hem maar aan zijn bedrijf Atlas Bewindvoering is gericht en [appellant] in het licht daarvan niet heeft onderbouwd waarin hij dit bedrag van GeZet te vorderen zou hebben (rov. 4.15 en 4.16).

Ter zake de kosten voor het ophogen van de muren is € 9.864,-- toewijsbaar (rov. 4.17 tot en met 4.19).

GeZet is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst met betrekking tot het aanbrengen van isolatie. Daarvoor is een schadevergoeding van € 10.575,-- toewijsbaar (rov. 4.24 en 4.25).

GeZet is toerekenbaar tekortgeschoten ten aanzien van het storten van de garagevloer en daarom gehouden tot schadevergoeding, welke schadevergoeding in de onderhavige procedure nog niet gevorderd is (rov. 4.26).

Aan schadevergoeding is deze procedure dus € 20.439,-- toewijsbaar, te weten € 9.864,-- voor het ophogen van de muren en € 10.575,-- voor de tekortkoming met betrekking tot het aanbrengen van isolatie (rov. 4.27).

Over het toegewezen bedrag aan schadevergoeding is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 18 oktober 2022 (rov. 4.28).

Het door [appellant] gevorderde bedrag van € 2.610,-- ter zake kosten van de door hem ingeschakelde deskundige is toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 november 2023 (rov. 4.29).

Ter zake buitengerechtelijke kosten is € 1.078,70 toewijsbaar (rov. 4.30).

GeZet wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld (rov. 4.31).

Op grond van deze oordelen heeft de rechtbank voor recht verklaard, samengevat:

dat GeZet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst ten aanzien van het aanbrengen van de isolatie, en uit dien hoofde is gehouden de schade te vergoeden die [appellant] dientengevolge heeft geleden en nog zal lijden;

dat GeZet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst ten aanzien van het storten van de garagevloer, en uit dien hoofde is gehouden de schade te vergoeden die [appellant] dientengevolge heeft geleden en nog zal lijden;

dat GeZet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst ten aanzien van het bepalen van het (NAP-)peil en door bij het graven niet uit te gaan van het NAP-peil van

-47,05, en uit dien hoofde is gehouden de schade te vergoeden die [appellant] dientengevolge heeft geleden en nog zal lijden.

Verder heeft de rechtbank GeZet veroordeeld tot betaling aan [appellant] van:

€ 20.439,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;

€ 2.610,00 ter vergoeding van de kosten van de door [appellant] ingeschakelde deskundige, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2023 tot de dag van volledige betaling;

€ 1.078,70 aan buitengerechtelijke kosten.

Tot slot heeft de rechtbank GeZet in de proceskosten veroordeeld, de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het geding in hoger beroep

[appellant] heeft in hoger beroep één grief aangevoerd. [appellant] heeft op basis van die grief geconcludeerd tot gedeeltelijke vernietiging van het beroepen vonnis, voor zover het betreft de afwijzing van de vordering van € 11.755,55 voor de kosten van grondafvoer, en tot het alsnog toewijzen van die vordering, met veroordeling van GeZet in de proceskosten.

GeZet is niet verschenen in hoger beroep. Dit laat onverlet dat het hof bij de beoordeling van de grieven - binnen de omvang van de voorliggende rechtsstrijd - in beginsel acht moet slaan op het verweer dat GeZet in het geding bij de rechtbank heeft gevoerd.

Volledigheidshalve overweegt het hof dat het feit dat GeZet inmiddels ontbonden en geliquideerd is, niet in de weg staat aan voortzetting van dit hoger beroep, aangezien de onderhavige procedure tegen GeZet bij de rechtbank is aangevangen vóór de ontbinding en vereffening van GeZet (HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9762, rov. 3.3.4).

Over de grief: de vordering van € 11.755,55 voor de kosten van grondafvoer

Door de grief wordt de vordering van [appellant] ten bedrage van € 11.755,55 ter beoordeling aan het hof voorgelegd. Aan die vordering heeft [appellant] in het geding bij de rechtbank, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

GeZet is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst door het bouwpeil niet te bepalen van op 47,05 +NAP maar op 46,40 +NAP, en door op basis daarvan te veel grond af te graven. [appellant] werd vervolgens gebeld met de mededeling dat de uitgegraven grond niet verwerkt kon worden en afgevoerd moest worden. [appellant] heeft de grond toen laten afvoeren en daarvoor tot een bedrag van € 11.755,55 aan kosten gemaakt. Pas enkele weken later is aan [appellant] duidelijk geworden dat GeZet het peil onjuist had bepaald en te veel grond had afgegraven. De kosten die [appellant] voor het afvoeren van de te veel afgegraven grond heeft moeten maken, moet GeZet daarom aan [appellant] vergoeden.

GeZet heeft als verweer tegen deze vordering onder meer aangevoerd dat de factuur van [persoon C] van 2 september 2021 ten bedrage van € 11.755,55 die [appellant] ter onderbouwing van deze vordering heeft overgelegd, niet is gericht tot [appellant] maar tot Atlas Bewindvoering, zodat kennelijk van voor rekening van [appellant] komende kosten geen sprake is geweest.

Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 17 mei 2024 heeft [appellant] als reactie op dit verweer het volgende verklaard:

“Atlas Bewindvoering is mijn onderneming. De kosten grondafvoer zijn echter gewoon vanaf mijn depot-rekening voldaan en door mij in privé betaald. Ik kan die betaling nu niet laten zien, daar ik geen online inzage meer heb in die depotrekening. Ik kan de stukken wel

opvragen en alsnog overleggen.”

[appellant] heeft voorts tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk aangeboden om door het overleggen van bankafschriften te bewijzen dat de factuur door hemzelf betaald is.

De rechtbank heeft vervolgens in rov. 4.15 van het beroepen vonnis geoordeeld:

dat [appellant] niet heeft onderbouwd op grond waarvan hij, terwijl de factuur gericht is aan Atlas Bewindvoering, een vordering ter zake het factuurbedrag zou hebben op GeZet;

dat het aanbod van [appellant] om aan de hand van stukken te bewijzen dat de factuur door hem privé (uit zijn eigen vermogen) is voldaan, in strijd is met een goede procesorde omdat [appellant] de desbetreffende stukken in een eerder stadium had moeten overleggen.

Op grond van deze oordelen heeft de rechtbank de vordering van € 11.755,55 afgewezen.

In de toelichting op de grief heeft [appellant] , samengevat, het volgende aangevoerd. [appellant] heeft met [persoon C] gecommuniceerd vanuit zijn zakelijke e-mailadres (van Atlas Bewindvoering), omdat hij dat e-mailadres ook privé gebruikt. Daardoor is het gekomen dat [persoon C] de factuur voor het afvoeren van de grond heeft gericht aan Atlas Bewindvoering. [appellant] heeft de factuur echter betaald vanaf zijn privérekening. Dit blijkt uit het door [appellant] bij de memorie van grieven overgelegde afschrift van zijn privérekening, waarop de afboeking van het bedrag van € 11.755,55 staat met vermelding van het [factuurnummer] , welk factuurnummer tevens is vermeld op de factuur van [persoon C] .

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] met deze uiteenzetting en door overlegging van het rekeningafschrift voldoende onderbouwd dat de grondafvoer in zijn opdracht is verricht en de factuur door hem uit zijn privévermogen is voldaan. GeZet heeft dit – nu zij in hoger beroep niet verschenen is – ook niet meer betwist. Naar het oordeel van het hof moet dat daarom nu als vaststaand worden aangenomen.

De redenering op grond waarvan de rechtbank de vordering van € 11.755,55 voor de afvoer van te veel afgegraven grond heeft afgewezen, kan dus geen stand houden. De grief is terecht voorgedragen.

Devolutieve werking hoger beroep, andere verweren van GeZet

Omdat de grief terecht is voorgedragen en dit ertoe kan leiden dat de vordering van € 11.755,55 voor de afvoer van te veel afgegraven grond alsnog moet worden toegewezen, moet het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep de andere verweren beoordelen die GeZet in het geding bij de rechtbank tegen deze vordering heeft aangevoerd (HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:784, rov. 3.1.3).

GeZet heeft in het geding bij de rechtbank betwist dat zij op grond van de aannemingsovereenkomst het peil diende te bepalen. Volgens GeZet was dit niet haar taak en is zij om die reden op dit punt niet tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst.

Het hof verwerpt dit verweer. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rov. 4.6 en 4.7 van het beroepen vonnis. Het hof kan zich met die overwegingen verenigen.

GeZet heeft als verweer voorts aangevoerd dat [appellant] haar niet in gebreke heeft gesteld en haar geen redelijke termijn heeft gegeven om alsnog na te komen. Volgens GeZet is zij daarom niet in verzuim geraakt.

Het hof verwerpt ook dit verweer. Het hof kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen in rov. 4.9 van het beroepen vonnis, hetgeen er op neerkomt dat ten aanzien van het voorkomen van de onderhavige schadepost nakoming al blijvend onmogelijk was toen de tekortkoming werd ontdekt, zodat geen verzuim vereist is om een verplichting tot schadevergoeding te doen ontstaan.

GeZet heeft als verweer verder aangevoerd dat zij met [appellant] een minnelijke regeling heeft getroffen, en dat [appellant] daarom geen aanspraak meer kan maken op vergoeding van de onderhavige schadepost.

Het hof verwerpt dit verweer onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rov. 4.11 van het beroepen vonnis. Het hof verenigt zich met die overweging.

GeZet heeft in het geding bij de rechtbank voorts aangevoerd dat met betrekking tot de onderhavige schadepost sprake is van eigen schuld aan de zijde van [appellant] , zodat deze schade op grond van artikel 6:101 BW geheel of grotendeels voor rekening van [appellant] zelf moet blijven. Volgens GeZet had [appellant] , toen hij bericht kreeg dat er grond afgevoerd moest worden terwijl dat volgens de berekening van zijn architect niet nodig zou zijn, onverwijld contact moeten opnemen met GeZet. Volgens GeZet had één en ander dan onderzocht kunnen worden en had het graafverschil van 65 cm dan mogelijk gecorrigeerd kunnen worden.

[appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling van 17 mei 2024 bij de rechtbank op dit verweer gereageerd. Hij heeft toen volgens het proces-verbaal van de zitting onder meer het volgende verklaard:

“Na de bouwvak, toen de graafwerkzaamheden waren gestart, werd ik gebeld door de machinist met de boodschap dat er een probleem was met betrekking tot de extra grond.

GeZet had de machinist naar mij verwezen. De architect was toen nog op vakantie en ik was zelf elders in het land. Ik heb de maandag erna contact gehad met GeZet. GeZet vond het niet haar probleem en zei dat de grond weg moest, omdat anders de hele bouw zou komen stil te liggen en dat ik maar moest kijken hoe ik het geregeld kreeg. Ik wilde niet dat de bouw werd stopgezet en ben meteen alles gaan regelen. Bijvoorbeeld het aanvragen van een vergunning e.d. voor het alsnog snel kunnen afvoeren van de extra grond. Vervolgens is het werk doorgezet. Ik dacht toen nog dat het misschien een miscalculatie van de architect betrof.

Ongeveer anderhalve maand later, bij het storten van de keldervloer, bleek opeens dat het

verkeerde peil was uitgezet. De architect zag de gestorte keldervloer en zei: "ik ga eens

meten”. De architect constateerde toen dat het verkeerde peil gebruikt was.”

Dit betoog van [appellant] komt er op neer dat [appellant] de uitgegraven grond op korte termijn moest laten verwijderen omdat GeZet het niet haar probleem vond en volgens de mededeling van GeZet anders de bouw stil zou komen te liggen, terwijl pas anderhalve maand later bleek dat het verkeerde peil was uitgezet. GeZet, die bij de mondelinge behandeling van 17 mei 2024 niet is verschenen, heeft dit betoog van [appellant] niet gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van het hof is bij deze stand van zaken geen sprake van omstandigheden op grond waarvan een deel van de kosten voor het afvoeren van de te veel afgegraven grond op de voet van artikel 6:101 BW voor rekening van [appellant] zelf zou moeten blijven.

Het hof constateert volledigheidshalve dat GeZet geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de factuur van [persoon C] voor het afvoeren van de grond.

Het hof komt tot de conclusie dat de verweren die GeZet tegen de vordering van € 11.755,55 ter zake het afvoeren van te veel afgegraven grond heeft aangevoerd, geen doel treffen. Dit voert tot de tussenconclusie dat het bedrag van € 11.755,55 moet worden toegewezen.

Wettelijke rente over het bedrag van € 11.755,55

[appellant] heeft aanspraak gemaakt op wettelijke rente over onder meer het bedrag van € 11.755,55 “vanaf de dag van verzuim”.

Onder verwijzing naar rov. 4.28 van het beroepen vonnis zal het hof de wettelijke rente toewijzen vanaf 18 oktober 2022, omdat onder verwijzing naar die overweging van de rechtbank kan worden aangenomen dat het verzuim van GeZet op die datum is ingetreden.

De proceskosten van het hoger beroep

Met betrekking tot de proceskosten van het hoger beroep oordeelt het hof als volgt.

GeZet heeft bij haar conclusie van antwoord het verweer gevoerd dat de factuur ten bedrage van € 11.755,55 niet aan [appellant] maar aan Atlas Bewindvoering was gericht, zodat niet kan worden aangenomen dat [appellant] de schade van € 11.755,55 zelf had geleden. Het had op de weg van [appellant] gelegen om, als zij dat verweer wilde weerleggen met het bankafschrift waaruit bleek dat de kosten wel degelijk voor zijn rekening waren gekomen, dat bankafschrift vóór de mondelinge behandeling van 17 mei 2024 in het geding te brengen. Uit het procesverloop van het geding bij de rechtbank blijkt dat [appellant] daarvoor meerdere gelegenheden heeft gehad. Het hof kan zich dus voorstellen dat de rechtbank het pas tijdens de mondelinge behandeling van 17 mei 2024 gedane aanbod om het rekeningafschrift op een later moment alsnog over te leggen, heeft gepasseerd.

Het stond [appellant] vrij om het rekeningafschrift vervolgens in hoger beroep over te leggen. Het staat een partij immers vrij om fouten uit de procesvoering van het geding in eerste aanleg te herstellen in hoger beroep.

Dit betekent echter tevens dat [appellant] de proceskosten van het hoger beroep nodeloos heeft veroorzaakt. Als [appellant] het rekeningafschrift bij rechtbank tijdig in geding had gebracht, had de procedure in hoger beroep waarschijnlijk niet hoeven plaats te vinden. Het hof ziet daarin aanleiding om te bepalen dat de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van [appellant] , als zijnde nodeloos veroorzaakt, voor zijn eigen rekening moeten blijven (artikel 237 lid 1 slotzin Rv).

Aan de zijde van GeZet zijn in verband met het hoger beroep geen proceskosten gemaakt waarover het hof moet beslissen.

Conclusie en afwikkeling

Uit het voorgaande volgt dat het beroepen vonnis vernietigd moet worden voor zover in dit hoger beroep aangevochten, dat wil zeggen voor zover bij het beroepen vonnis de vordering van [appellant] van € 11.755,55 voor de kosten van grondafvoer is afgewezen. Het hof zal, in zoverre opnieuw rechtdoende, het bedrag van € 11.755,55 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 18 oktober 2022.

Om de hiervoor in rov. 3.13.1 tot en met 3.13.3 genoemde redenen zal het hof de door [appellant] voor het hoger beroep gemaakte kosten voor zijn eigen rekening laten.

4. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/316606 / HA ZA 23-171 gewezen vonnis van 14 augustus 2024, voor zover aangevochten in dit hoger beroep, dat wil zeggen uitsluitend voor zover bij dat vonnis de vordering van [appellant] van € 11.755,55 voor het afvoeren van de te veel afgegraven grond is afgewezen;

in zoverre opnieuw rechtdoende: veroordeelt GeZet om (in aanvulling op de door de rechtbank in het beroepen vonnis reeds toegewezen bedragen) aan [appellant] € 11.755,55 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 18 oktober 2022;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

laat de door [appellant] gemaakte proceskosten van het hoger beroep als nodeloos veroorzaakt voor zijn eigen rekening;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en T.J. Dorhout Mees en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 augustus 2025.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?