ECLI:NL:GHSHE:2025:2304

ECLI:NL:GHSHE:2025:2304, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26-08-2025, 200.325.882_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 26-08-2025
Datum publicatie 18-12-2025
Zaaknummer 200.325.882_01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2023:158

Samenvatting

Nietigheid uiterste wilsbeschikkingen in testamenten overleden vader, waarbij uiteindelijk één van de kinderen werd onterfd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.325.882/01

arrest van 26 augustus 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. B.S. van der Klauw te Rotterdam.

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 6 juni 2023 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer C/02/362568 / HA ZA 19-541 gewezen vonnis van 11 januari 2023. (Het vonnis van 11 januari 2023 betrof ook een andere procedure met een ander nummer, zie hierover verder onder 6.4. en 6.5.)

5. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovengenoemde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6. De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

Kern van de zaak

Deze uitspraak gaat over twee broers ( [geïntimeerde] en [appellant] ) die een geschil hebben over twee relatief kort achter elkaar opgemaakte, gewijzigde testamenten van hun overleden vader. Deze gewijzigde testamenten heeft de vader op oudere leeftijd laten maken op 14 juli 2014 en op 23 januari 2015. In een eerder testament van 28 maart 2014 waren [geïntimeerde] en [appellant] beiden tot erfgenamen van vader benoemd. In het testament van 14 juli 2014 is een regeling op genomen die inhield dat de helft van alle kosten van bepaalde juridische procedures zou worden afgetrokken van wat [geïntimeerde] zou ontvangen uit de nalatenschap. In het gewijzigde testament van 23 januari 2015 is opgenomen dat [geïntimeerde] wordt onterfd. [geïntimeerde] wil dat de inhoud van beide gewijzigde testamenten nietig wordt verklaard, omdat volgens hem de vader wilsonbekwaam was toen hij de beide gewijzigde testamenten liet opstellen. [appellant] is het daar niet mee eens. De rechtbank heeft een deskundige benoemd en daarna voor recht verklaard dat de inhoud van het testament van 23 januari 2015 nietig is (over het testament van 14 juli 2014 had [geïntimeerde] bij de rechtbank geen vordering ingesteld). Het hof komt tot hetzelfde oordeel als de rechtbank en stelt [geïntimeerde] daarnaast ook ten aanzien van het testament van 14 juli 2014 in het gelijk.

Feiten

In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. [geïntimeerde] en [appellant] zijn de zonen van [erflater]

geboren op [geboortedatum] (hierna: de vader), en [de moeder]

, geboren op [geboortedatum] (hierna: de moeder).

b. [appellant] is huisarts. In die hoedanigheid zag hij toe op de medische zorg die aan de

vader en de moeder werd verleend.

c. Bij de moeder werd in 2010 dementie vastgesteld.

d. Bij e-mail van 5 september 2013 heeft [appellant] onder meer het volgende aan [geïntimeerde]

geschreven:

“(…) Wel kan ik je het volgende melden.

Zoals je zelf al aangeeft is Pa bijzonder vergeetachtig. Hij weet inderdaad niet meer wat er

een paar minuten eerder gezegd is. Wanneer je hem helpt herinneren wat er gebeurd is dan

kan hij zich delen hiervan herinneren. In vergelijking met vorig jaar holt pa achteruit.

Vorige week wist hij zelf niet meer wat voor dag het was. Ik verdenk hem van een

Korsakow: een vergeetachtigheid die progressief is a.g.v. alcohol. Ook nu drinkt hij een fles

wijn per dag. Hij ziet het leven niet meer zitten en wenst eigenlijk dat hij niet meer wakker

wordt. De wijn is het enige wat hij nog heeft. Dit geeft hij zelf ook aan.

(...)

We hebben een PGB voor beiden geregeld. We hebben opvang geregeld en totale zorg. Het

PGB is nu stopgezet omdat de budgethouder dan wel een door de rechter aangestelde

bewindvoerder mag tekenen. Pa kan zijn pen nauwelijks vast houden. Hierdoor loopt pa dus

zijn pgb mis. Ook het huis kan niet verkocht worden omdat het huis op beider naam staat.

Ma is niet meer wilsbekwaam en ik begin mij af te vragen of pa dat ook niet begint te

worden.

(...)"

e. Bij beschikking van 3 oktober 2013 heeft de kantonrechter van de rechtbank

Zeeland-West-Brabant (hierna: de kantonrechter) een bewind ingesteld over de goederen

van de vader en de moeder en [appellant] als bewindvoerder en mentor benoemd.

f. Bij beschikking van 22 januari 2014 heeft de kantonrechter, kort gezegd,

machtiging verleend tot het doen van een jaarlijkse schenking door de vader van € 117.000,-

aan [appellant] en [geïntimeerde] voor een periode van drie jaar.

g. Op 28 maart 2014 heeft de notaris een testament van de vader gepasseerd, waarbij

zowel [geïntimeerde] als [appellant] tot zijn erfgenamen zijn benoemd.

h. Op 18 april 2014 heeft [geïntimeerde] hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de

kantonrechter van 22 januari 2014 bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

i. Op 14 juli 2014 heeft de notaris een nieuw testament gepasseerd (hierna ook: het testament van 14 juli 2014, prod. F bij memorie van antwoord), waarbij de vader heeft bepaald dat de wettelijke verdeling niet van toepassing is op zijn nalatenschap. De vader heeft daarbij [appellant] tot enig erfgenaam benoemd en daarbij de moeder en [geïntimeerde] onterfd. Vervolgens heeft de vader bepaald dat [geïntimeerde] een legaat zal ontvangen niet vrij van rechten en kosten. Dit betreft een bedrag in contanten ter grootte van hetgeen [geïntimeerde] zou hebben verkregen wanneer [geïntimeerde] en [appellant] voor gelijke delen van de nalatenschap erfgenamen zouden zijn geweest. Dit bedrag diende te worden verminderd met de helft van alle kosten van gerechtelijke procedures die (tijdens het leven van de vader of na zijn overlijden) door [geïntimeerde] jegens [appellant] of jegens de nalatenschap zijn ingesteld. Dit, voor zover [geïntimeerde] deze kosten niet al tijdens het leven van de vader aan de vader zou hebben voldaan.

Als beweegreden voor het maken van dit testament is het volgende opgenomen:

“Ik maak dit testament mede naar aanleiding van het feit dat mijn zoon [geïntimeerde] bezwaar

heeft aangetekend tegen de van tweeëntwintig januari tweeduizend veertien daterende

beschikking van de kantonrechter, waarbij machtiging aan de bewindvoerder over mijn vermogen is verleend voor het doen van schenkingen uit mijn vermogen door middel

van schuldigerkenningen aan mijn kinderen. Door het opstellen van dit testament wil ik voorkomen dat mijn kinderen onderling in een juridische procedure verwikkeld geraken en dat de afwikkeling van mijn nalatenschap daardoor een langdurige kwestie wordt.”

j. Op 7 oktober 2014 heeft [geïntimeerde] de kantonrechter verzocht [appellant] als bewindvoerder en mentor te ontslaan.

k. De notaris heeft op 11 november 2014 een proces-verbaal opgemaakt, waarin een

verklaring van de notaris is opgenomen over het voornemen van de vader om [geïntimeerde] te

onterven in verband met de door hem gevoerde gerechtelijke procedures.

l. Bij beschikking van 4 december 2014 heeft de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant het verzoek om [appellant] als bewindvoerder en mentor te ontslaan, afgewezen. De kantonrechter heeft daarbij geoordeeld dat op basis van de ingediende stukken, de zitting, het verhoor van vader en het dossier over het bewind en mentorschap, geen sprake was van zodanige gewichtige redenen dat ontslag van de bewindvoerder en mentor moest volgen.

m. Op 23 januari 2015 heeft de vader bij testament (hierna ook: het testament van 23 januari 2015) alle eerder door hem gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroepen. Daarbij heeft hij [appellant] tot zijn enig erfgenaam benoemd, onder de last bepaalde legaten uit te keren of af te geven. [geïntimeerde] is in het testament van 23 januari 2015 uitdrukkelijk als erfgenaam uitgesloten. Als beweegreden voor het maken van dit testament is het volgende opgenomen:

"Ik maak dit testament mede naar aanleiding van het feit dat mijn zoon [geïntimeerde] bezwaar

heeft aangetekend tegen:

- de van tweeëntwintig januari tweeduizend veertien daterende beschikking van de

kantonrechter, waarbij machtiging aan de bewindvoerder over mijn vermogen is verleend

voor het doen van schenkingen uit mijn vermogen door middel van schulderkenningen aan

mijn kinderen;

- de van drie oktober tweeduizend dertien daterende beschikking van de kantonrechter

waarbij mijn zoon [appellant] als bewindvoerder is aangewezen.

Het is mijn wens dat mijn kinderen niet onderling in een juridische procedure verwikkeld.

geraken en dat de afwikkeling van mijn nalatenschap daardoor een langdurige kwestie

wordt. ”

n. Bij beschikking van 12 februari 2015 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de

uitspraak van 22 januari 2014 van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof heeft onder meer

het volgende overwogen:

“(…)

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de vader zeer

wel in staat is geweest zijn wil te bepalen ten aanzien van een schenking aan zijn beide

zonen en dat de in de bestreden beschikking verleende machtiging tot schenking van

€ 117.000,- aan ieder van hen overeenkomstig zijn wil is.

Het hof wijst in dit verband op het door verweerder aangehaalde proces-verbaal van 28

maart 2014, opgesteld door [persoon A] , kandidaat-notaris, en op

de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats

Middelburg, van 4 december 2014."

o. Op 26 februari 2016 is de vader overleden.

p. Op 21 maart 2018 is de moeder overleden.

De procedure bij de rechtbank

In de onderhavige procedure vorderde [geïntimeerde] in eerste aanleg in conventie samengevat primair om voor recht te verklaren dat het testament van 23 januari 2015 nietig is, althans om dat testament te vernietigen. Subsidiair vorderde hij dat, voorafgaand aan genoemde verklaring voor recht, een medisch deskundige zou worden benoemd ter beoordeling van de wilsbekwaamheid van de vader ten tijde van het opmaken van het bewuste testament. Meer subsidiair vorderde hij om voor recht te verklaren dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld doordat hij heeft bewerkstelligd dat de vader het testament van 23 januari 2015 heeft opgemaakt en dit niet ongedaan is gemaakt. Nog meer subsidiair vorderde hij om voor recht te verklaren dat [appellant] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen rechten kan ontlenen aan het testament van 23 januari 2015. Daarnaast vorderde [geïntimeerde] veroordeling van [appellant] tot vergoeding van de als gevolg van de onrechtmatige daad door [geïntimeerde] geleden schade, op te maken bij staat.

[appellant] vorderde in eerste aanleg in reconventie primair [geïntimeerde] op straffe van het verbeuren van een dwangsom te veroordelen mee te werken aan de executie van het testament van 23 januari 2015. Subsidiair vorderde hij dat de rechtbank vervangende toestemming zou verlenen deze executie ten uitvoer te leggen en voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden schade.

Beide partijen hebben in eerste aanleg gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, verderop in dit arrest aan de orde komen.

In het tussenvonnis van 18 december 2019 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast, die op 18 augustus 2020 is gehouden.

In het tussenvonnis van 21 april 2021 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek gelast door een specialist ouderengeneeskunde en daarbij voorlopige vragen geformuleerd. In het tussenvonnis van 11 augustus 2021 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek bevolen en daarbij [persoon B] , klinisch geriater (hierna: de deskundige) als deskundige benoemd.

De deskundige heeft de door de rechtbank gestelde vragen (onderstreept weergegeven, hof) als volgt beantwoord, voor zover relevant:

1) Wilt u de voor uw onderzoek relevante medische informatie ten aanzien van [erflater]

, geboren op [geboortedatum] , opvragen en

aan de hand daarvan een beschrijving geven van de relevante medische

voorgeschiedenis van [erflater] . Welke diagnoses zijn er gesteld?

(…)

2010 sufheid door medicatie (lioresal en tramadol)

2010 delier (wisselende nachtelijke verwardheid)

2 nov 2012 lichte geheugenstoornissen, chronische rugklachten en vitamine D tekort

2013-2016 vallen, blaasontstekingen, enkeloedeem, onrustige benen, huidtumoren

(basaalcelcarcinomen)

11 juni 2013 licht hartfalen (decompensatio cordis)

18 nov 2013 dementie door chronisch overmatig alcohol gebruik en mogelijk Alzheimer

20 maart 2014 stemmingsproblemen

4 Juni 2014 nachtelijk spoken, slaap probleem

13 juni 2014 heupfractuur rechts, nauwelijks nog mobiel sindsdien

1 / juli 2014 doorligwonden

24 dec 2014 Urineweg infectie met incontinentie, waarvoor condoom catheter

15 mei 2015 lijdelijk (5 weken) ophogen antidepressivum ivm toename stemmingsproblemen

(…)

2) Bestond ten tijde van het maken van het testament op 23 januari 2015 bij [erflater]

naar uw oordeel een geestelijke stoornis? Zo ja, welke? U wordt

verzocht uw antwoord zo veel mogelijk toe te lichten en te onderbouwen, met waar

mogelijk verwijzingen naar relevante literatuur en/of onderzoeksgegevens.

Ja, [erflater] was op 23 januari 2015 dement en was een alcoholist. Bij [erflater]

is op 18 november 2013 de diagnose dementie gesteld door [persoon C] ,

nadat de huisarts een maand ervoor een notitie heeft gemaakt over zijn slecht geheugen. De

verzorgenden van [erflater] rapporteerden geheugenproblemen met oa noodzaak tot toezicht op medicatie, hetgeen voor een oud medisch specialist opvallend is.

De vader van [erflater] was alcoholist. Erfelijke factoren bepalen dat de kans op

alcoholisme bij [erflater] groot is. [erflater] dronk dagelijks tot 2

flessen wijn per dag. Zijn drankgebruik heeft tot nadelige gevolgen geleid: vallen, dementie

en heupfractuur. Hiermee voldoet [erflater] aan de criteria van een alcoholist.

[erflater] heeft periodes gekend van stemmingsproblemen. Uit de rapportage

van de huisarts blijkt niet dat hij op 23 januari 2015 een depressie had.

3) Indien u vraag 2 bevestigend beantwoordt, belette deze stoornis een redelijke waardering van de bij het opmaken van het testament betrokken belangen? U wordt verzocht uw antwoord op deze vraag te motiveren, voor zover mogelijk met verwijzing naar relevante literatuur en/of onderzoeksgegevens.

Ja. bovenstaande geestelijke stoornis heeft een redelijke waardering van de bij [het]opmaken van het testament betrokken belangen belet.

Wilsbekwaamheid beoordeling bij dementie bij leven vraagt om ervaring en is aan duidelijke

voorwaarden omschreven. De beoordeling van de wilsbekwaamheid van specialist ouderen

[persoon D] 12 september 2015, voldoet niet aan deze voorwaarden oa door het ontbreken van

neurospychologische testen en het ontbreken van een psychiatrische beoordeling,

noodzakelijk door het gecombineerd voorkomen van zowel alcoholisme, dementie en mogelijk matige stemming.

Wilsbekwaamheid beoordeling bij dementie bij een overleden persoon is mogelijk door een

inschatting te maken van de ernst van de dementie op dat moment. De ernst van de dementie

wordt internationaal beoordeeld door de Clinical Dementia Rating Scale (CDR) (bijlage 17).

De mate van afhankelijkheid door de dementie bepaalt de ernst van de CDR. De CDR ernst is achteraf redelijk goed in te vullen als er geen complicerende factoren zijn. En die

complicerende factoren zijn op 23 januari 2015 bij [erflater] wel aanwezig.

De afhankelijkheid van [erflater] op 23 januari 2015 wordt bepaald door

meerdere factoren waaronder zijn lichamelijke conditie (nauwelijks mobiel, noodzaak tillift),

de ernst van zijn dementie, zijn overmatig alcohol gebruik en zijn stemming. Een CDR score

op grond van zijn afhankelijkheid is dus moeilijk achteraf te bepalen. Geen oog hebben voor

deze afhankelijkheid door lichamelijke klachten, overmatig alcohol gebruik en matige

stemming kan een overschatting geven van de ernst van de dementie.

De verbale vermogens van [erflater] zullen op 23 januari 2015 nog goed geweest zijn. Alcohol gerelateerde dementie gaat minder gepaard met begrip en expressie problemen van de taal. Dit is ook terug te zien in het verslag van specialist ouderengeneeskundige [persoon D] van 12 september 2015. Overzicht problemen waren op 18 november 2013 echter al aanwezig bij [erflater] , te zien aan het onvermogen om adequaat wijzers te plaatsen in een klok, waarbij [erflater] ook niet door had dat hij deze verkeerd plaats[t]. Onbewust onbekwaam op dit gebied op 18 november 2013. Het overmatig alcohol gebruik kan op 23 januari 2015 mogelijk wat minder zijn geworden, maar was in september 2015 nog altijd een halve fles wijn per dag. De in dit verslag eerder vermelde literatuur geeft aan dat alcohol gerelateerde dementie alleen maar kan verbeteren bij totale abstinentie. Aangezien meerdere rapportages melden dat [erflater] overmatig alcohol is blijven gebruiken, stel ik als onderzoeker dat het te verwachten was dat [erflater] op 23 januari 2015 voor overzicht en planning nog altijd onbewust onbekwaam was, ondanks zijn goede verbale vermogens. Daar uit volgt dat het te verwachten is dat [erflater] belangen minder goed heeft kunnen wegen op 23 januari 2015.

4) Welke opmerkingen zijn naar uw oordeel verder van belang ten behoeve van de

door de rechtbank te nemen beslissing?

(…)

Het blijft voor mij als onderzoek[er, hof] niet duidelijk of bovengenoemde mogelijke voorkeur voor [appellant] uiteindelijk ook heeft gezorgd voor de verandering van het testament door [erflater] .”

In het bestreden vonnis (van 11 januari 2023) heeft de rechtbank in conventie voor recht verklaard dat de uiterste wilsbeschikkingen neergelegd in het testament van 23 januari 2015 nietig zijn. In reconventie heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft [appellant] in de proceskosten in conventie en reconventie veroordeeld.

In de aanloop naar het bestreden vonnis heeft de rechtbank de zaak waar het hier om gaat (met nummer C/02/362568 / HA ZA 19-541) over de nalatenschap van de vader, gevoegd met de zaak met nummer C/02/384653 / HA ZA 21-212 over de nalatenschap van de kant van de moeder. Die zaak heeft de rechtbank aangehouden en op de parkeerrol geplaatst.

De procedure in hoger beroep

[appellant] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en, kort gezegd, tot het afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] en (naar het hof begrijpt) tot het alsnog toewijzen van de vorderingen van [appellant] .

Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman van [appellant] desgevraagd toegelicht hoe het petitum uitgelegd moet worden. In het petitum wordt gevorderd dat het bestreden vonnis van 11 januari 2023 wordt vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeerde] ongegrond zullen worden verklaard. De raadsman van [appellant] heeft meegedeeld dat dit alleen betrekking heeft op de zaak over de nalatenschap van de vader en niet op de zaak over de nalatenschap van moeder.

Dat betekent dat in dit hoger beroep en dit arrest alleen de zaak over de nalatenschap van de vader (de eerstgenoemde zaak in 6.4. hierboven) aan de orde is. De procedure over de nalatenschap van de kant van de moeder (laatstgenoemde zaak in 6.4.) blijft hier buiten beschouwing.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft hij voor het geval het bestreden vonnis wordt bekrachtigd een grief aangevoerd, zijn eis gewijzigd en gevorderd:

primair een verklaring voor recht dat ook de uiterste wilsbeschikkingen neergelegd in het testament van 14 juli 2014 nietig zijn,

subsidiair een verklaring voor recht dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde] door het creëren en laten voortbestaan van de situatie van afhankelijkheid waarin het testament van 23 januari 2015 en/of het testament van 14 juli 2014 tot stand is gekomen, en door het aanzetten van de vader tot het opmaken van dit (deze) testament(en) althans door hem daarvan niet te behouden, op grond waarvan hij schadeplichtig is,

meer subsidiair een verklaring voor recht dat [appellant] naar maatstaven redelijkheid en billijkheid geen rechten kan ontlenen aan de uiterste wilsbeschikking die de vader in het testament van 23 januari 2015 en/of het testament van 14 juli 2014 heeft gemaakt.

[appellant] maakt in zijn memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appelbezwaar tegen de eiswijziging van [geïntimeerde] . Kort weergegeven voert [appellant] aan dat niet valt in te zien dat deze eis ten aanzien van het testament van 14 juli 2014 niet in eerste aanleg had kunnen worden ingesteld. Daarnaast beroept hij zich er op dat indien het hof toekomt aan beoordeling van de bewuste vordering, dit tot gevolg zal hebben dat een feitelijke en juridische instantie overgeslagen wordt ten aanzien van een testament dat is opgesteld ruim vóór het testament waar de procedure in hoger beroep op ziet.

Nog daargelaten de vraag of [geïntimeerde] op de hoogte was of had kunnen of moeten zijn van het bestaan van het testament van 14 juli 2014, acht het hof het bezwaar tegen de eiswijziging ongegrond.

Mede gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep, staat geen rechtsregel er aan in de weg om in hoger beroep alsnog een eis in te stellen die al eerder ingesteld had kunnen worden. Ook heeft [appellant] niet toegelicht dat door de vermeerdering van eis de procedure onredelijk zou worden vertraagd dan wel de verdediging onredelijk zou worden bemoeilijkt.

Verder is het verlies van een instantie inherent aan het feit dat de wet toestaat dat een eis ook in hoger beroep kan worden vermeerderd. Slechts onder bijkomende omstandigheden kan dit feit het oordeel rechtvaardigen dat sprake is van strijd met de eisen van een goede procesorde. Dergelijke omstandigheden zijn echter niet gesteld of gebleken. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde.

Het hof recht zal dan ook recht doen op de gewijzigde eis.

Aldus rekening houdend met de eiswijziging aan de kant van [geïntimeerde] spitst dit geschil zich toe op de vraag of de vader ten tijde van het maken van het testament van 23 januari 2015 en het testament van 14 juli 2014 wilsonbekwaam was.

Vooropgesteld wordt dat het hof zich realiseert dat het complex is om achteraf na iemands overlijden te beoordelen of diegene op enig moment wilsonbekwaam was.

Een uiterste wilsbeschikking is een eenzijdige rechtshandeling (art. 4:42 lid 1 BW). Voor het opmaken van een testament, is een op rechtsgevolg gerichte wil vereist die zich door een verklaring heeft geopenbaard (art. 3:33 BW). Het uitgangpunt in het rechtsverkeer is dat bij de handelende persoon (die volgens de wet niet handelingsonbekwaam is) een met zijn verklaring overeenstemmende wil aanwezig wordt geacht. Dit uitgangspunt geldt ook voor personen die op vergevorderde leeftijd een testament laten opmaken. Die wil wordt echter op grond van art. 3:34 lid 1 BW geacht te ontbreken indien degene die het testament laat opmaken in verband met een geestelijke stoornis, zoals dementie, niet meer in staat is tot een redelijke waardering van de bij het testament betrokken belangen of indien het testament onder invloed van die geestelijke stoornis is gemaakt. De uiterste wilsbeschikking is in dat geval nietig op grond van art. 3:34 lid 2 BW.

In dit geval gaat het er dan ook om te beoordelen: (i) of er bij de vader ten tijde van het verlijden van het testament op 23 januari 2015 overeenkomstig de stellingen van [geïntimeerde] sprake was van een ontbrekende wil zoals hierboven bedoeld en zo ja, of (ii) hetzelfde gold voor het dan toepasselijke testament van 14 juli 2014. De stelplicht en bewijslast van de stelling dat de vader niet in staat was zijn wil te bepalen op deze twee data, rusten op [geïntimeerde] . In een geval als dit voldoet de desbetreffende partij in de regel aan zijn stelplicht door een voldoende onderbouwde medische verklaring in het geding te brengen die deze stelling ondersteunt.

De rechtbank heeft terecht en op goede gronden [geïntimeerde] toegelaten tot bewijs van zijn stellingen en de deskundige benoemd. Hiertegen heeft [appellant] ook geen grieven gericht.

Zoals al overwogen, luidde de conclusie van de deskundige dat bij de vader ten tijde van het opmaken van het testament van 23 januari 2015 sprake was van een geestelijke stoornis en dat deze geestelijke stoornis een redelijke waardering van de bij het opmaken van dat testament betrokken belangen heeft belet. Het hof is van oordeel dat de deskundige deze conclusie voldoende overtuigend heeft gemotiveerd en onderbouwd in zijn rapport, uitmondend in zijn antwoorden op de vragen 2 en 3 (zie onder 6.3.6.). Het hof zal deze conclusie dan ook overnemen. Dit zal het hof hieronder in 6.11. tot en met 6.18. toelichten.

Dit betekent dat het hof ook toekomt aan de beoordeling of overeenkomstig de stellingen van [geïntimeerde] sprake was van een ontbrekende wil van de vader bij het (eerdere) testament van 14 juli 2014. Het hof heeft overwogen en ook ter zitting met partijen besproken dat voor die beoordeling mogelijk opnieuw een deskundige geraadpleegd zou dienen te worden. Alles afwegende en in samenhang beziend acht het hof dit niet nodig voor de oordeelsvorming en komt het hof tot het oordeel dat de vader ook ten aanzien van dit (eerdere) testament van 14 juli 2014 handelingsonbekwaam was. Dit zal het hof onder 6.16. nader toelichten.

Allereerst geldt het volgende. Voor de rechter geldt een beperkte motiveringsplicht ten aanzien van de beslissing om de bevindingen van een deskundige al dan niet te volgen. Wel dienen bij de beantwoording van de vraag of de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen zullen worden gevolgd, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te worden genomen. Op basis van die aangevoerde stellingen dient de rechter in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. De rechter zal op specifieke bezwaren van een partij moeten ingaan als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundige.

Het hof leest het deskundigenbericht tegen de achtergrond van alle relevante, door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden en overweegt in het licht van de bovenstaande maatstaf als volgt.

Het hof acht onder meer van belang dat als onvoldoende betwist vaststaat dat:

het op 14 juli 2014 en 23 januari 2015 bij het verlijden van de aangepaste testamenten ging om complexe rechtshandelingen die begrip en overzicht vereisten, mede in aanmerking genomen de in die testamenten weergegeven beweegredenen voor het maken daarvan (zie 6.2. onder i. en m.),

uit het overgelegde transcript van het bezoek van de notaris aan de vader op 11 maart 2014 blijkt dat de vader tot driemaal toe heeft aangegeven dat hij de discussie over de toen besproken papieren schenking niet begreep/niet kon volgen (prod. XVIII bij conclusie van antwoord in reconventie),

het [appellant] , die mentor en bewindvoerder van vader was, is geweest die in elk geval ten aanzien van de onterving van [geïntimeerde] in het testament van 23 januari 2015 tegen de notaris heeft gezegd dat vader tot deze wijziging wilde overgaan,

het [appellant] was die voordeel had van deze relatief kort achter elkaar gerealiseerde wijzingen ten aanzien van de eerdere gelijke verdeling van de nalatenschap van vader.

Bovendien neemt het hof in aanmerking dat [appellant] huisarts is en al op 5 september 2013 aan [geïntimeerde] meedeelde (zie ook hierboven onder 6.2. d.) dat:

de vader bijzonder vergeetachtig was en niet meer wist wat er een paar minuten eerder gezegd was,

de vader in vergelijking met het jaar daarvóór achteruit holde,

de vader op een bepaald moment zelf niet meer wist wat voor dag het was,

[appellant] dacht dat er sprake was van “Korsakow: een vergeetachtigheid die progressief is a.g.v. alcohol”, en

de moeder niet meer wilsbekwaam was en [appellant] zich begon af te vragen of de vader dat ook niet begon te worden.

De deskundige heeft in zijn deskundigenbericht duidelijk en overzichtelijk gerapporteerd welke richtlijn (De ‘beginselen en vuistregels bij wilsonbekwaamheid bij oudere cliënten met een complexe zorgvraag’, KNMG 2008) en wetenschappelijke inzichten hij heeft gehanteerd. Daarnaast heeft hij overtuigend toegelicht hoe hij deze richtlijn en inzichten hier concreet heeft toegepast en op welke valkuilen hij mede op grond daarvan bedacht moest zijn. Verder heeft hij in lijn met het voorgaande zijn bevindingen gebaseerd op gesprekken met [appellant] en [geïntimeerde] en op diverse relevante informatiebronnen uit de relevante periode (zie enkele citaten hieronder), dit alles gekoppeld aan zijn eigen expertise. Ook heeft hij benoemd op welke complicaties hij tijdens zijn onderzoek stuitte, waaronder met name de onderkende moeilijkheden bij het bepalen van een zogenaamde CDR score (internationale score om de ernst van dementie te bepalen).

Het hof noemt hier vier van die hiervoor bedoelde informatiebronnen, met daarbij enkele volgens het hof relevante citaten.

- Een brief van geriater [persoon E] van 2 november 2012 (bijlage 3 bij het deskundigenrapport), waarin is vermeld dat vader vertelt dat: “het geheugen wat achteruitgaat, met name wat betreft de korte termijn. Afspraken schrijft hij op, hij vindt het wel vervelend.”

Blijkens deze brief heeft vader ook verteld dat hij drie zonen heeft (wat niet juist is).

- Een evaluatie van Zorg & Welzijn, Landgoed Rijckholt van 6 september 2013 (bijlage 5 bij het deskundigenbericht), met daarin onder meer de volgende passages:

“er is toezicht op de inname van de medicatie” “in de nacht wordt hij regelmatig aangeschoten of dronken aangetroffen, al dan niet

op de vloer.”

Vooral de laatste weken valt het op dat dhr (nog) meer drinkt, hij geeft verschillende keren aan 'dat dit het enige is dat hjj nog heeft en hij is neerslachtig”.

- De huisarts rapportage van 2 oktober 2013 (bijlage 10 bij het deskundigenbericht), met daarin onder meer de volgende passages:

“Geheugen gaat achteruit, vaak vergeten wat hij de dag daarvoor heeft gedaan. Heeft gesprek gehad met de rechter over zeggenschap kinderen, maar kan zich inhoud niet herinneren. Zou wel onderzocht willen worden door een geriater of neuroloog als dat medisch gezien wat op zou leveren.”

- De brief van neuroloog [persoon C] van 18 november 2013 aan huisarts [persoon F] (bijlage 6 bij het deskundigenbericht) met daarin onder meer de volgende passages:

“Als blijkt dat het onderzoek gericht is op de cognitieve functies, zegt dhr dat zijn

geheugen gatenkaas is.”Dhr zegt aanvankelijk dat zijn vrouw nog een kwieke vrouw is, die alles nog goed kan maar als de verzorgende hem helpt herinneren dat zijn echtgenote in de groepswoning woont omdat ze vergeetachtig is, beaamt hij dit.”

“Intoxicaties. Dhr kent periodes dat hij fors alcohol drinkt, waarschijnlijk omdat hij vergeten is dat hij al gedronken heeft. Zelf noemt hij 2 a 3 glazen per dag maar de begeleidster zegt dat het soms om 1 a 2 flessen per dag gaat.”

“Dhr zegt veel tv te kijken en dan voornamelijk naar actualiteitenprogramma's. Hij kan desgevraagd geen nieuwsfeiten reproduceren.”

“Op de MMSE scoort dhr 25/30, waarbij hij de datum en de plaats niet weet te benoemen. Rekensom gaat uitermate vlot. Herhalen van 3 woorden na 1 minuut is 1/3. De zin heeft geen onderwerp en geen gezegde. Figuur natekenen gaat goed. Het handschrift is bibberig. Bij het kloktekenen plaatst dhr de cijfers op de juiste plaats. De wijzers zet hij verkeerd. Hij ziet dit zelf niet. Er is een benoemfout, heeft wel een goed overzicht. Met name het geheugen is slecht.“

“Meest waarschijnlijk is dat het hier gaat om een dementie van het Alzheimertype.”

“Al met al is er sprake van cognitieve stoornissen bij een MRI scan zonder specifieke bevindingen. Mogelijk is het alcoholgebruik een belangrijke oorzaak, dd wordt gedacht aan de ziekte van Alzheimer.”

Alles overziend acht het hof de conclusies van de deskundige voldoende overtuigend. Het hof ziet geen aanleiding om op basis van wat [appellant] aanvoert af te wijken van die conclusies. Meer in het bijzonder overweegt het hof als volgt ten aanzien van de bezwaren van [appellant] over het deskundigenbericht.

[appellant] heeft naar aanleiding van het concept deskundigenbericht 34 vragen (deels in de vorm van aanbevelingen) aan de deskundige gesteld. De deskundige heeft de vragen aangehecht aan het deskundigenbericht en drie vragen verwerkt in het rapport (en op grond daarvan bepaalde tekst aangepast). Het staat een deskundige vrij het onderzoek in te richten naar eigen inzicht, zo ook hier. De deskundige heeft voldoende inzichtelijk gemaakt en toegelicht hoe hij met de vragen van [appellant] is omgegaan. De inhoud van de niet door de deskundige verwerkte 31 vragen maakt naar het oordeel van het hof niet dat de relevante conclusies van de deskundige in zijn rapport minder of geen waarde hebben.

Anders dan [appellant] aanvoert en in lijn met het betoog van [geïntimeerde] , is het hof van oordeel dat de deskundige op basis van zijn interpretatie van de brief van [persoon C] kan concluderen dat [persoon C] de diagnose dementie heeft gesteld.

[appellant] brengt nog diverse bezwaren naar voren over de interpretatie van de kant van de rechtbank, onder meer dat de rechtbank (onder 3.11.) ten onrechte de suggestie wekt dat [appellant] als mentor van vader had moeten zorgen voor opvolging (zoals [persoon C] adviseerde). Net als [geïntimeerde] leest het hof deze overweging van de rechtbank aldus, dat de rechtbank er vooral mee aanduidt dat [appellant] er niet voor heeft gezorgd dat de verdere ontwikkeling van de dementie nader is vastgelegd. Wat hier van zij, dit doet naar het oordeel niet af aan de conclusies van de deskundige dàt er sprake was van dementie bij vader.

Verder passeert het hof het betoog van [appellant] dat de deskundige aangeeft dat hij de dementie niet heeft kunnen vaststellen. Naar het hof begrijpt, doelt [appellant] hiermee op de hierboven al genoemde door de deskundige gesignaleerde complicatie dat het hier moeilijk was om achteraf een zogenaamde CDR score te bepalen. Naar het oordeel van het hof doet dit niet af aan de waarde van de conclusies van de deskundige, integendeel. De deskundige vermeldt transparant dat hij zich van deze complicatie bewust is en motiveert daarnaast voldoende overtuigend hoe hij tot de conclusie komt dat de door hem geconstateerde geestelijke stoornis zoals beschreven in zijn antwoord op vraag 2, een redelijke waardering van de bij het opmaken van het testament betrokken belangen heeft belet.

Anders dan [appellant] naar voren brengt, leest het hof de conclusies van de deskundige niet zo, dat hij per definitie vindt dat de aanduiding “onbewust onbekwaam” hetzelfde betekent als wilsonbekwaam. De aanduiding geeft overigens wel duidelijk weer wat er op het punt van de klok-test speelde. Bovendien is het slechts een onderdeel van de beantwoording van vraag 2 en moet deze passage naar het oordeel van het hof in de context van het geheel worden gelezen.

Een zelfde overweging geldt ook voor het betoog van [appellant] dat de deskundige ten onrechte zou menen dat iemand die aan dementie lijdt per definitie wilsonbekwaam is. De beantwoording van vragen 2 en 3 maakt duidelijk dat deskundige deze begrippen niet zonder meer gelijk schakelt en gemotiveerd tot zijn conclusies op dit punt komt.

De enkele stelling van [appellant] dat de deskundige niet de in memorie van grieven nr. 17 genoemde leidraad, richtlijn en gedragscode heeft gevolgd, passeert het hof aangezien [appellant] dit verwijt niet nader onderbouwt en ook de implicaties daarvan onvoldoende toelicht. Het gebrek aan onderbouwing geldt ook voor in genoemde passage van de memorie van grieven opgesomde algemene verwijten dat het rapport: onvolledig is, toewerkt naar een eindconclusie, niet gebaseerd is op feiten, en is gebaseerd op confirmation bias en vooringenomenheid. Ook hieraan gaat het hof dus voorbij.

Evenmin volgt het hof [appellant] in zijn bezwaar dat de conclusies voornamelijk zijn gebaseerd op citaten van [geïntimeerde] . De deskundige heeft uitvoerig met zowel [appellant] als [geïntimeerde] gesproken en heeft de verslagen van die besprekingen aan zijn rapport gehecht. Zoals ook [geïntimeerde] aanvoert, geeft de deskundige voldoende duidelijk aan waar het gaat om uitlatingen of meningen van [geïntimeerde] en waar sprake is van uitlatingen of meningen van [appellant] , of waarover zij het niet eens zijn.

Voor zover [appellant] betoogt dat de deskundige zich door de rapportage van [persoon G] heeft laten misleiden of beïnvloeden, geldt het volgende. De deskundige heeft op pagina 2 van zijn rapport duidelijk aangegeven op welke zeventien stukken hij zijn conclusies heeft gebaseerd (en deze stukken ook als bijlagen toegevoegd). Daar staat bedoelde rapportage van [persoon G] niet bij. De deskundige hoeft niet aan te geven op welke stukken hij zijn conclusies allemaal niet heeft gebaseerd.

Gelet op al het bovenstaande, is het hof van oordeel dat de deskundige terecht en op goede gronden heeft geconcludeerd dat bij de vader ten tijde van het opmaken van het testament van 23 januari 2015 sprake was van een geestelijke stoornis en dat deze geestelijke stoornis een redelijke waardering van de bij het opmaken van dat testament betrokken belangen heeft belet. Het hof neemt die conclusie over en maakt die tot de zijne.

[appellant] vermeldt in memorie van grieven nr. 29 dat hij “huiverig” is om aan het hof te verzoeken om een contra-expertise en dat hij het aan het hof overlaat om te oordelen of een nadere deskundige nodig is. Zoals uit al het voorgaande in onderlinge samenhang blijkt, acht het hof dit niet nodig.

Het hof leest het deskundigenbericht zo, dat uit de antwoorden op de vragen 2 en 3 volgt dat de deskundige zijn conclusie, gebruik makend van zijn eigen deskundigheid, met name baseert op de relevante informatiebronnen van vóór 14 juli 2014. Het gaat dan meer in het bijzonder om de brief van geriater [persoon E] uit 2012 en de uit 2013 daterende: brief van neuroloog [persoon C] , huisarts rapportage en evaluatie van de verzorgenden (zie citaten in 6.13.). Het hof komt daarom tot het oordeel dat uit het voorgaande volgt dat ook ten tijde van het verlijden van het testament van 14 juli 2014 bij de vader sprake was van een geestelijke stoornis, die een redelijke waardering van de bij het opmaken van dat testament betrokken belangen heeft belet. Er is ook geen enkel aanknopingspunt in de stellingen van partijen of in de overgelegde stukken, dat de conclusie rechtvaardigt dat de wilsonbekwaamheid van de vader pas na 14 juli 2014 is ontstaan.

Het voorgaande betekent dat er geen aanleiding is voor het opnieuw raadplegen van de deskundige of het raadplegen van een andere deskundige, waarbij dan bovendien ook slechts dezelfde informatiebronnen beschikbaar zouden zijn.

Het hof is aldus van oordeel dat de vader zowel ten aanzien van het testament van 23 januari 2015 als ten aanzien van het testament van 14 juli 2014 wilsonbekwaam was.

Naast de al in 6.14.1. tot en met 6.14.8. behandelde bezwaren van [appellant] ten aanzien van het deskundigenbericht, doen ook de volgende punten niet aan het oordeel van het hof af.

Dat eerder in andere procedures de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het hof in hun uitspraken van respectievelijk 4 december 2014 en 12 februari 2015 (zie 6.2. onder l. en n.) hebben vastgesteld dat de vader wilsbekwaam was, maakt niet dat ten aanzien van het testament van 14 juli 2014 en het testament van 23 januari 2015 niet kan worden geoordeeld dat de vader wilsonbekwaam was. Ter zitting in hoger beroep is (als onvoldoende betwist) komen vast te staan dat de bewuste gerechten ten tijde van de desbetreffende uitspraken niet op de hoogte waren van de rapportage van neuroloog [persoon C] . Bovendien is het hof van oordeel dat het bij die uitspraken ging over minder complexe en minder verstrekkende rechtshandelingen dan de hier aan de orde zijnde wijzigingen van de testamenten van de vader (zie ook 6.12., eerste gedachtestreepje).

In dat kader geldt voorts dat anders dan [appellant] aanvoert, het enkele feit dat [geïntimeerde] (in 2015) uiteindelijk akkoord is gegaan met bepaalde aspecten van de tegen zijn zin gedane schenkingen op papier, niet met zich brengt dat de vader wilsbekwaam was ten tijde van het laten opmaken van de gewijzigde testamenten.

Dat de notaris de vader kennelijk wel wilsbekwaam heeft geacht ten tijde van het verlijden van het testament van 14 juli 2014 en het testament van 23 januari 2015, leidt ook niet tot een ander oordeel van het hof. Zoals ook de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld (onder 3.18.) had het zeer wel voor de hand gelegen dat de notaris het zogenaamde Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening (hierna: het stappenplan, productie XVI bij dagvaarding in eerste aanleg) had doorlopen bij het opmaken van het testament van 23 januari 2015. Een groot deel van de in het stappenplan daarvoor genoemde indicatoren waren in dit geval aanwezig. Dat geldt overeenkomstig voor het testament van 14 juli 2014. Niettemin heeft de notaris dit stappenplan niet doorlopen.

Daar komt bij dat al bij leven van de vader en vóór het opmaken van de beide testamenten de meermaals besproken rapportage van neuroloog [persoon C] is opgemaakt, waarin de dementie van de vader aan de orde komt.

Gelet op al het voorgaande, hecht het hof doorslaggevende waarde aan de conclusies en bevindingen van de deskundige.

Anders dan [appellant] , is het hof van oordeel dat de rechtbank (evenals de deskundige) terecht en op goede gronden voorbij is gegaan aan de conclusie in het verslag dat specialist ouderengeneeskunde [persoon D] (hierna: [persoon D] ) op 14 september 2015 opgesteld (bijlage 8 bij het deskundigenbericht). Dit verslag had betrekking op het gesprek dat [persoon D] heeft gehad met de vader op 12 september 2015. Op basis van dit gesprek en de informatie van de zorgcoördinator en het zorgevaluatieverslag van 11 september 2015 komt [persoon D] tot de conclusie dat de vader ondanks zijn vergeetachtigheid en mogelijke beïnvloedbaarheid volledig wils- en beslissingsbekwaam is ten aanzien van de keuze wie aan te stellen als zijn bewindvoerder.

Zoals [geïntimeerde] terecht aanvoert en overeenkomstig de overwegingen van de rechtbank constateert het hof dat [persoon D] geen onderzoek heeft gedaan naar de wilsbekwaamheid voor het maken van een testament (maar voor de minder complexe keuze voor een bewindvoerder).

Daarnaast geeft de deskundige duidelijk en inzichtelijk aan waarom hij de werkwijze van [persoon D] niet als voldoende beschouwt.

Bovendien kan [persoon D] niet worden aangemerkt als onafhankelijk deskundige: hij heeft zijn onderzoek gedaan op verzoek van [appellant] en hij geeft aan dat hij [appellant] kent uit de studietijd.

De brief van 5 november 2014 van [persoon H] (hierna: [persoon H] ) van het verzorgingshuis waar de vader verblijft (prod. 5 bij antwoordconclusie na deskundigenbericht) leidt ook niet tot een ander oordeel van het hof.

Het enkele uit die brief ook blijkende feit dat de vader niet in de zogenaamde ‘dementieketen’ verbleef, maakt niet er bij de vader geen sprake kon zijn van wilsonbekwaamheid bij het laten opmaken van de testamenten van 14 juli 2014 en 23 januari 2015.

Verder blijkt uit de brief niet dat [persoon H] zelf bij de dagelijkse verzorging van de vader betrokken was. In lijn met de terechte overweging van de rechtbank op dit punt (onder 3.27.), geeft de brief geen aanknopingspunten dat het hier gaat om eigen waarnemingen.

Het feit dat de vader [geïntimeerde] in 2010 al eens eerder heeft onterfd, wijst weliswaar op een eerdere moeizame verhouding tussen de vader en [geïntimeerde] , maar deze omstandigheid leidt niet tot een ander oordeel van het hof. De deskundige heeft dergelijke strubbelingen ook in zijn onderzoek onderkend. Vaststaat echter dat de vader deze onterving vrij spoedig weer heeft teruggedraaid. En ook overigens is het onvoldoende om te kunnen oordelen dat er dus geen sprake was of kon zijn van wilsonbekwaamheid op 14 juli 2014 en 23 januari 2015.

Tot slot voert [appellant] aan (memorie van grieven nr 26) dat de rechtbank een onjuiste overweging heeft gewijd aan het feit dat de vader in het testament diametraal afwijkt van het eerdere testament van 28 maart 2014. In dat kader wijst [appellant] voor het eerst op (het bestaan van) het testament van 14 juli 2014, waaraan volgens [appellant] voorafging dat de vader aan de notaris had aangegeven dat hij kosten van procedures ten laste wilde laten komen van het erfdeel van [geïntimeerde] . Het hof merkt allereerst op dat ook met het bestaan van het testament van 14 juli 2014 de constatering van de rechtbank overeind blijft dat het testament, waarin [geïntimeerde] onterfd wordt, in belangrijke mate afwijkt van het voorafgaande testament (naar in dit stadium van de procedure blijkt: het testament van 14 juli 2014, waarin slechts bepaalde kosten voor rekening van [geïntimeerde] worden gebracht). Wat daar van zij, het bestaan van dit extra testament doet naar het oordeel van het hof niet af aan de waarde van de conclusies en bevindingen van de deskundige. Integendeel, dit extra testament betekent dat de vader nog frequenter dan de rechtbank heeft aangenomen, zijn testament heeft laten aanpassen. Zoals ook uit het stappenplan blijkt, is dit een relevante indicator om de wilsbekwaamheid van de vader ten tijde van het verlijden van de testamenten overeenkomstig het stappenplan te onderzoeken (wat de notaris zoals al overwogen niet heeft gedaan).

Alles overziend, is het hof van oordeel dat uit het rapport van de deskundige volgt: (i) dat bij de vader ten tijde van het opmaken van het testament van 23 januari 2015 sprake was van een geestelijke stoornis en dat deze geestelijke stoornis een redelijke waardering van de bij het opmaken van dat testament betrokken belangen heeft belet en (ii) dat dit zelfde geldt voor het testament van 14 juli 2014.

Het hof passeert het aanbod van [appellant] tot het leveren van tegenbewijs in zijn algemeenheid en door het als getuige horen van respectievelijk de deskundige, de notaris en [persoon H] als onvoldoende relevant. Uit al het bovenstaande en meer in het bijzonder de overwegingen in respectievelijk 6.15./6.16., 6.17.3. en 6.17.5. volgt dat [appellant] geen stellingen over de bewuste getuigen of anderszins heeft aangevoerd die tot een andere beslissing kunnen leiden. Dan is toelaten tot bewijslevering niet aan de orde.

Het voorgaande betekent voorts ten aanzien van het testament van 14 juli 2014 dat het primaire onderdeel van de grief in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep slaagt. Dat brengt mee dat de primaire vordering in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (verklaring voor recht dat de uiterste wilsbeschikkingen in het testament van 14 juli 2014 nietig zijn) zal worden toegewezen.

Daaruit volgt dat het hof niet meer toekomt aan de in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingestelde subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen van [geïntimeerde] op grond van respectievelijk onrechtmatige daad en de artikelen 6:2 en 6:248 BW.

Slotsom en proceskosten

Het principaal hoger beroep van [appellant] slaagt niet. De primaire grief in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt.

Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en daarnaast voor recht verklaren dat de uiterste wilsbeschikkingen neergelegd in het testament van 14 juli 2014 nietig zijn.

Als de in principaal en incidenteel hoger beroep in het ongelijk gestelde partij, zal [appellant] in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep worden veroordeeld.

Het hof ziet gelet op het financiële belang van de zaak (de omvang van de nalatenschap) aanleiding daarbij tarief III te hanteren. Genoemde kosten zullen aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld worden op:

- Griffierecht € 343,--

- Salaris advocaat € 7.855,-- (4 punten x tarief III van € 1.571,-- = € 6.284,--, en 2 punten x tarief III x 0,5 = € 1.571,--)

- Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

----------------------------------------------------------------------------------------------------------- +

Totaal € 8.376,--

7. De uitspraak

Het hof:

in het principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 januari 2023, voor zover aan het hof voorgelegd;

verklaart voor recht dat de uiterste wilsbeschikkingen neergelegd in het door [erflater] (de vader) op 14 juli 2014 opgemaakte testament nietig zijn;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep van € 8.376,--, dit bedrag te betalen binnen veertien dagen na vandaag; als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;

verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, A.C. van Campen en G.M. Menon, en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 augustus 2025.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Notamail 2025/286 JERF Actueel 2026/494 VEAN-ERF-Updates.nl 2026-0013 ERF-Updates.nl 2026-0013 Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/17
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?