8. Het vervolg van de procedure in hoger beroep
Het vervolg van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
9. De verdere beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep
Bij het tussenarrest van 15 april 2025 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor:
een akte aan de zijde van de toenmalig appellante waarbij zij zich diende uit te laten over de vraag of, nu het bewind per 16 juli 2024 is opgeheven, het geding op naam van [appellant] wordt voortgezet en over de vraag of mr. Van Ek daarbij namens [appellant] optreedt;
een antwoordakte aan de zijde van Hollanders waarbij Hollanders zich daarover kon uitlaten en zich tevens moest uitlaten over de vraag of de onjuiste aanduiding van de bewindvoerder in de dagvaarding waarbij het hoger beroep is ingesteld, moet worden hersteld.
De aktewisseling heeft plaatsgevonden. Het hof kan nu nader over de betreffende kwesties oordelen.
De verdere beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep en van het verzoek tot wijziging van de aanduiding van appellante
Het hof roept in herinnering dat Hollanders heeft aangevoerd:
dat Paffen B.V. per 16 juni 2023 tot opvolgend bewindvoerder is benoemd;
dat de dagvaarding in hoger beroep vervolgens niet namens Paffen B.V., maar namens bewindvoerder [persoon A] is uitgebracht;
dat bewindvoerder [persoon A] op dat moment geen bewindvoerder was van [appellant] ;
dat binnen de beroepstermijn dus geen hoger beroep is ingesteld door een daartoe bevoegde partij;
dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van bewindvoerder [persoon A] in het door haar ingestelde hoger beroep.
De toenmalig appellante heeft als reactie daarop aangevoerd:
dat het feit dat niet Paffen B.V. maar bewindvoerder [persoon A] als bewindvoerder van [appellant] in de dagvaarding in hoger beroep is vermeld, op een duidelijke vergissing berust;
dat er tussen partijen geen misverstand over heeft bestaan dat de bevoegde bewindvoerder van [appellant] het hoger beroep heeft ingesteld en in hoger beroep heeft geprocedeerd;
dat Hollanders door de onjuiste partijaanduiding niet onredelijk in haar belangen is geschaad;
dat daarom de aanvankelijke aanduiding van appellante overeenkomstig rechtspraak van de Hoge Raad moet worden gewijzigd in de juiste naam van Paffen BV.
Bij het tussenarrest van 15 april 2025 heeft het hof Hollanders in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. Hollanders heeft vervolgens in haar (antwoord)akte na tussenarrest naar de kern genomen aangevoerd:
dat zij in verwarring is gebracht door de omstandigheid dat het hoger beroep werd ingesteld door bewindvoerder [persoon A] ;
dat voor haar niet aanstonds duidelijk en kenbaar was dat hier sprake was van een vergissing;
dat bewindvoerder [persoon A] nimmer de hoedanigheid van bewindvoerder van [appellant] heeft gehad;
dat Hollanders door de gang van zaken in haar belangen wordt geschaad en onredelijk in haar belangen is benadeeld omdat haar advocaat nader onderzoek heeft moeten doen en in de processtukken op de kwestie heeft moeten ingaan, hetgeen heeft geleid tot meer werkzaamheden en meer kosten, waardoor Hollanders is bemoeilijkt in het voeren van verweer tegen het ingestelde hoger beroep.
Het hof stelt bij de beoordeling van dat betoog het volgende voorop. Indien hoger beroep is ingesteld, kan de partij die hoger beroep heeft ingesteld, wijziging verzoeken van haar aanduiding in de procedure op de grond dat een vergissing is begaan in die aanduiding.
Volgens vaste rechtspraak is een dergelijk verzoek toewijsbaar, tenzij de wederpartij stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat zij daardoor onredelijk in haar belangen wordt geschaad in de zin van artikel 122 lid 1 Rv (zie onder meer HR 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881 rov. 5.5.3, HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:668 rov. 3.4.3 en HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2009, rov. 3.3). Doorgaans wordt aangenomen dat een partij door een onjuiste aanduiding van de wederpartij slechts onredelijk in haar belangen is geschaad in de zin van artikel 122 lid 1 Rv, indien zij daardoor wordt bemoeilijkt in het verweer dat zij in het geding wil voeren. Hiervan zal niet snel sprake zijn.
Hetgeen Hollanders in haar (antwoord)akte na tussenarrest heeft aangevoerd, rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet de conclusie dat zij door de onjuiste aanduiding van de bewindvoerder onredelijk in haar belangen is geschaad. Het heeft Hollanders immers van meet af aan redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat beoogd werd het hoger beroep in te stellen namens de bevoegde bewindvoerder van [appellant] . Dat sprake is van een duidelijke vergissing, volgt naar het oordeel van het hof mede uit het feit dat de wijziging van het bewind bij de beschikking van 12 juni 2023, waarbij Paffen BV tot opvolgend bewindvoerder is benoemd, heeft plaatsgevonden op verzoek van “ [persoon B] , handelend als bestuurder van [XX] Beheer B.V., welke vennootschap handelt als bestuurder van Paffen B.V.”. Bewindvoerder [persoon A] was dus nauw betrokken bij het verzoek tot wijziging van het bewind. Bij deze stand van zaken is het enkele feit dat Hollanders aanvankelijk in verwarring is gebracht en enige aandacht aan de kwestie heeft besteed, onvoldoende om te kunnen oordelen dat Hollanders in relevante mate bemoeilijkt is in het voeren van verweer tegen het hoger beroep. Naar het oordeel van het hof kan niet worden geoordeeld dat Hollanders onredelijk in haar belangen is geschaad.
Om bovenstaande redenen is het verzoek van bewindvoerder [persoon A] tot wijziging van de partijaanduiding in de dagvaarding in hoger beroep (zie het slot van rov. 6.4.4 van het tussenarrest) toewijsbaar. Aangenomen moet dus worden dat het hoger beroep op 22 juni 2023 is ingesteld door de daartoe bevoegde partij, te weten de op 16 juni 2023 als bewindvoerder benoemde Paffen BV. Daarom verwerpt het hof het beroep van Hollanders op niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. Het hoger beroep is ontvankelijk, en zal daarom verder door het hof worden beoordeeld.
Nader over de opheffing van het bewind en de aanmerking van [appellant] zelf als appellant
Tussen partijen staat vast dat het bewind per 16 juli 2024 is opgeheven. Dit brengt mee dat de per 16 juni 2023 benoemde bewindvoerder, die om de hiervoor in rov. 9.2.5 en 9.2.6 genoemde redenen moet worden aangemerkt als partij die het onderhavige hoger beroep heeft ingesteld, niet langer bevoegd is om [appellant] in rechte te vertegenwoordigen. Die bevoegdheid is weer bij [appellant] zelf komen te berusten.
Van de zijde van appellant is bij akte na tussenarrest duidelijk gemaakt dat het geding voortgezet moet worden op naam van [appellant] . Hollanders heeft daar in haar antwoordakte geen bezwaar tegen gemaakt. Het hof zal daarom aannemen dat schorsing als bedoeld in artikel 225 Rv en hervatting als bedoeld in artikel 227 Rv besloten liggen in de aktewisseling van partijen, waardoor [appellant] nu zelf als appellant kan worden aangemerkt (Vergelijk HR 27-5-2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3193, rov. 3.2). Het hof heeft [appellant] daarom als appellant in de kop van dit arrest vermeld.
Mr. van Ek heeft in de namens de bewindvoerder althans namens [appellant] genomen akte meegedeeld dat er geen wisseling van advocaat zal plaatsvinden en dat hij na de partijwisseling als advocaat van [appellant] zal optreden. Ook daar heeft Hollanders in haar antwoordakte geen bezwaar tegen gemaakt. Het hof neemt dus aan dat mr. Van Ek nu als advocaat van [appellant] optreedt.
Het hof zal de stellingen die in de onderhavige procedure vóór de opheffing van het bewind zijn ingenomen door de bewindvoerder van [appellant] , toerekenen aan [appellant] . Het hof zal daarom in het navolgende spreken over stellingen van [appellant] , ook indien daarmee stellingen worden bedoeld die door de bewindvoerder zijn ingenomen.
Over grief III in principaal hoger beroep: was sprake van zakelijke activiteiten van [appellant] ?
Omdat in het voorgaande is vastgesteld dat het hoger beroep ontvankelijk is en dat [appellant] nu zelf als procespartij optreedt, kan het hof overgaan tot een beoordeling van de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep. Het hof ziet aanleiding om eerst grief III in principaal hoger beroep te behandelen. Deze grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] bij het sluiten van de in geding zijnde huurovereenkomsten beroepsmatig handelde (rov. 2.6 van het beroepen vonnis).
In de toelichting op de grief heeft [appellant] onder verwijzing naar de conclusie van dupliek aangevoerd dat hij slechts in zijn vrije tijd als privépersoon wat werkzaamheden verrichtte voor derden, en daarbij niet als ondernemer kan worden aangemerkt. Naar het hof begrijpt, bedoeld [appellant] hiermee te stellen dat hij bij het sluiten van de huurovereenkomsten niet handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf in de zin van artikel 6:236 BW.
Het hof acht bij de beoordeling van de grief de volgende feiten en omstandigheden van belang:
[appellant] heeft niet de stelling van Hollanders betwist dat hij zich bij het afsluiten van de in geding zijnde huurovereenkomsten jegens Hollanders als zzp-er presenteerde.
[appellant] presenteerde zich door middel van Facebook aan het publiek met een handelsnaam (“ [appellant] Dak & Tuin”) en een duidelijk logo. Hij heeft daarbij melding gemaakt van een reeks opdrachten en opdrachtgevers.
[appellant] heeft in 2020 en 2021 meermalen diverse professionele materialen en gereedschappen van Hollanders gehuurd, en daarvoor aanvankelijk contant en per pin betaald.
Deze feiten en omstandigheden duiden er op dat [appellant] bij het sluiten van de in geding zijnde huurovereenkomsten in de periode van maart 2021 tot en met augustus 2021 in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] dat onvoldoende betwist. Het hof verwerpt daarom grief III in principaal hoger beroep.
Over grief 1 in incidenteel hoger beroep: behoorde Hollanders het bewind in beginsel te kennen?
Het hof zal nu grief 1 in incidenteel hoger beroep behandelen. Deze grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat Hollanders het ten aanzien van de goederen van [appellant] uitgesproken bewind behoorde te kennen, omdat dit bewind op 16 augustus 2018 is gepubliceerd in het Centraal curatele- en bewindregister (hierna: CCBR).
Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief het volgende voorop.
Tijdens het bewind komt het beheer over de onder bewind staande goederen volgens artikel 1:438 lid 1 BW niet toe aan de rechthebbende maar aan de bewindvoerder.
Volgens artikel 1:438 lid 2 BW kan de rechthebbende tijdens het bewind slechts met medewerking van de bewindvoerder of, indien deze weigerachtig is, met machtiging van de kantonrechter over de onder het bewind staande goederen beschikken.
Indien een rechtshandeling ongeldig is, omdat zij ondanks het bewind werd verricht door of gericht tot de rechthebbende, kan deze ongeldigheid volgens artikel 1:439 lid 1 BW aan de wederpartij slechts worden tegengeworpen, zo deze het bewind kende of had behoren te kennen.
Volgens artikel 1:440 lid 1 BW kunnen schulden die voortspruiten uit een handeling, tijdens het bewind met of jegens de rechthebbende, anders dan in overeenstemming met artikel 1:438, tweede lid BW, verricht door een schuldeiser die het bewind kende of had behoren te kennen, niet op de onder het bewind staande goederen worden verhaald, en brengt het einde van het bewind hierin geen wijziging. Het betreft hier een aanvulling op art. 1:439 BW. Het gaat hier niet zozeer zoals in laatstgenoemd artikel om handelingen van de rechthebbende met betrekking tot de onder bewind staande goederen, maar juist om diens handelingen voor zover die niet de onder bewind gestelde goederen betreffen. In de wetsgeschiedenis worden als voorbeelden genoemd het afsluiten van een lening of de koop van een auto (MvT, Kamerstukken II 15350, p. 22). Naar het oordeel van het hof geldt hetzelfde ten aanzien van de huur van zaken, zoals in dit geval aan de orde. Het doel van deze bepaling is de rechthebbende te beschermen tegen verhaal op de onder bewind staande goederen door de schuldeiser die het bewind kende of had behoren te kennen.
Of een derde het bewind behoorde te kennen, hangt, volgens vaste rechtspraak, af van de al dan niet publicatie van het bewind en de feitelijke omstandigheden.
Hollanders heeft in de toelichting op de grief naar de kern genomen aangevoerd dat zij geen enkele reden had om te vermoeden dat [appellant] onder bewind zou kunnen staan, aangezien [appellant] zich jegens Hollanders als zzp-er presenteerde, zich op Facebook als zodanig presenteerde, professioneel materiaal huurde voor de uitvoering van opdrachten van opdrachtgevers, en in elk geval tot begin 2021 over een bankpas en voldoende contant geld beschikte.
Naar het oordeel van het hof laten die omstandigheden onverlet dat Hollanders het bewind behoorde te kennen. Hollanders had immers, zoals [appellant] uiteen heeft gezet, vóór of bij het sluiten van de huurovereenkomsten om inzage in het identiteitsbewijs van [appellant] kunnen vragen. Hollanders zou dan op de hoogte zijn geweest van de geboortedatum van [appellant] . Hollanders had vervolgens op eenvoudige wijze het via de website www.rechtspraak.nl toegankelijke CCBR kunnen raadplegen. In hoger beroep staat vast dat het ten aanzien van [appellant] uitgesproken bewind daarin was gepubliceerd overeenkomstig artikel 1:436 lid 3 BW. Bij invoering van de naam en geboortedatum van [appellant] zou Hollanders dan hebben gezien dat de goederen van [appellant] onder bewind waren gesteld.
De omstandigheid dat Hollanders geen aanleiding had om te vermoeden dat de goederen van [appellant] onder bewind waren gesteld, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Dit zal immers vaak het geval zijn indien personen ten aanzien van wie bewind is uitgesproken, overeenkomsten sluiten die tot betalingsverplichtingen leiden. Naar het oordeel van het hof zou de strekking van de regeling van het beschermingsbewind – bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van de onder bewind gestelde – te veel worden aangetast als in een geval als dit zou worden aangenomen dat de wederpartij van de onder bewind gestelde het bewind, terwijl dat gepubliceerd was in het CCBR, niet had behoren te kennen.
Van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden – zoals bijvoorbeeld een spoedeisende medische kwestie waardoor de wederpartij van de onder bewind gestelde geen gelegenheid had om vóór het verrichten van medische handelingen de identiteit van de betrokkene vast te stellen en het CCBR te raadplegen – is in dit geval geen sprake.
Het hof komt daarom tot de slotsom dat Hollanders, toen zij in de periode van maart 2021 tot en met augustus 2021 de in geding zijnde huurovereenkomsten met [appellant] sloot, het bewind had behoren te kennen. Het hof verwerpt daarom grief 1 in incidenteel hoger beroep.
Over de grieven I en II in principaal hoger beroep: heeft de bewindvoerder meegewerkt aan de sluiting van de huurovereenkomsten?
Het hof zal de grieven I en II in principaal hoger beroep gezamenlijk behandelen. Deze grieven zijn naar de kern genomen gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de bewindvoerder zijn medewerking heeft verleend aan het sluiten van de huurovereenkomsten, althans de schijn heeft gewekt dat hij heeft meegewerkt, hetgeen de medewerking van de bewindvoerder oplevert als bedoeld in artikel 1:438 lid 2 BW, zodat Hollanders zich op de onder bewind gestelde goederen kan verhalen ondanks het feit dat Hollanders het bewind behoorde te kennen (rov. 2.3 tot en met 2.7 van het beroepen vonnis).
De kantonrechter heeft aan dit oordeel, samengevat, de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:
[appellant] heeft volgens het proces-verbaal van de rolzitting van 19 januari 2022 als mondeling antwoord verklaard: “Ik begrijp dat ik de spullen die ik gehuurd heb ook moet betalen. Dat wil ik ook. De bewindvoerder weet dat ik deze contracten ben aangegaan”.
De bewindvoerder had zicht moeten hebben op de geldstromen die samenhingen met de zakelijke activiteiten die [appellant] ontplooide, en heeft die activiteiten welbewust toegelaten.
In de toelichting op grief II in principaal hoger beroep heeft [appellant] uitdrukkelijk betwist dat de bewindvoerder op de hoogte was van de activiteiten die [appellant] onder de naam [YY] Dak & Tuin ontplooide. [appellant] heeft daartoe uiteengezet dat hij nimmer ingeschreven heeft gestaan bij de Kamer van Koophandel en dat hij de bewindvoerder destijds niet op de hoogte heeft gesteld van de betreffende activiteiten. Ook heeft [appellant] gemotiveerd uiteengezet dat tijdens het bewind sprake was van twee bankrekeningen waar de bewindvoerder zicht op had: de beheerrekening en de leefgeldrekening, en dat [appellant] de inkomsten en uitgaven in het kader van [YY] Dak & Tuin niet via een van deze rekeningen heeft laten lopen, zodat de bewindvoerder geen aanleiding had om te vermoeden dat [appellant] zakelijke activiteiten ontplooide.
Naar het oordeel van het hof heeft Hollanders tegenover deze stellingen van [appellant] onvoldoende onderbouwd dat de bewindvoerder ten tijde van het sluiten van de in geding zijnde huurovereenkomsten (van maart tot en met augustus 2021) op de hoogte was van de zakelijke activiteiten van [appellant] . Het hof ziet daarom ook onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat de bewindvoerder heeft meegewerkt aan het sluiten van de in geding zijnde huurovereenkomsten in de zin van artikel 1:438 lid 2 BW. Het hof neemt hier bij in aanmerking dat Hollanders niet heeft betwist dat [appellant] in een minnelijk schuldsaneringstraject bij de Kredietbank zat, en dat het daarbij niet is toegestaan om nieuwe schulden aan te gaan. Tegen die achtergrond is het naar het oordeel van het hof volstrekt onwaarschijnlijk dat de bewindvoerder er destijds van op de hoogte was dat [appellant] meermalen professionele bouwmaterialen en machines huurde van Hollanders.
Dat [appellant] volgens het proces-verbaal van de rolzitting van 19 januari 2022 als mondeling antwoord onder meer heeft verklaard: “De bewindvoerder weet dat ik deze contracten ben aangegaan”, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Uit eigen stellingen van Hollanders in punt 40 van de memorie van antwoord in principaal hoger beroep volgt dat de bewindvoerder die kennis zou hebben verkregen doordat hij e-mails van [appellant] van 6 en 7 december 2021 moet hebben gezien. In zoverre is het te verklaren dat [appellant] tijdens de rolzitting van 19 januari 2022 heeft verklaard dat de bewindvoerder (op dat moment inmiddels) wist dat [appellant] de huurovereenkomsten was aangegaan. De in geding zijnde huurovereenkomsten dateren echter van ruim daarvoor: de periode van maart tot en met augustus 2021. Dat de bewindvoerder ten tijde van het sluiten van die huurovereenkomsten daarvan al op de hoogte was, is niet komen vast te staan en is naar het oordeel van het hof ook onaannemelijk, waartoe het hof onder meer verwijst naar hetgeen hiervoor in rov. 9.6.4 is overwogen.
Omdat Hollanders zich beroept op de rechtsgevolgen van haar stelling dat de huurovereenkomsten zijn gesloten met medewerking van de bewindvoerder, draagt zij de bewijslast van die stelling. Hollanders heeft op dit punt in hoger beroep niet aan haar stelplicht voldaan en bovendien geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Het hof ziet daarom geen aanleiding om Hollanders op dit punt tot bewijslevering toe te laten.
Het bovenstaande voert tot de conclusie dat de gezamenlijk behandelde grieven I en II in principaal hoger beroep terecht zijn voorgedragen. Medewerking van de bewindvoerder aan het sluiten van de in geding zijnde huurovereenkomsten is niet komen vast te staan. De redenering op grond waarvan de kantonrechter de vorderingen van Hollanders ten dele heeft toegewezen, kan dus geen stand houden.
Dat het bewind tijdens het hoger beroep geëindigd is, kan evenmin tot toewijzing van de vorderingen van Hollanders leiden. De recente beëindiging van het bewind brengt immers geen wijziging in het feit dat de onderhavige schulden, die voortspruiten uit tijdens het bewind verrichte handelingen, niet op de onder het bewind staande goederen kunnen worden verhaald (artikel 1:440 lid 1 slotzin BW). Omtrent door [appellant] pas na het recent opgeheven bewind verkregen goederen waarop wel verhaal zou kunnen plaatsvinden is niets gesteld of gebleken.
Devolutieve werking hoger beroep: dwaling
Omdat de grieven I en II in principaal hoger beroep terecht zijn voorgedragen en dit ertoe kan leiden dat de door de kantonrechter toegewezen vorderingen van Hollanders ter zake onbetaalde huur en schadevergoeding niet toewijsbaar zijn, moet het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep de andere grondslagen beoordelen die Hollanders aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd.
Het hof zal allereerst de in de conclusie van repliek genoemde grondslag dwaling beoordelen. Hollanders heeft ter zake die grondslag, samengevat, het volgende aangevoerd.
Hollanders heeft de in geding zijnde huurovereenkomsten gesloten in de veronderstelling dat [appellant] zelfstandig ondernemer was en dat een vordering op zijn vermogen verhaalbaar zou zijn. Die veronderstelling is door [appellant] veroorzaakt omdat hij heeft verzwegen dat zijn goederen onder bewind waren gesteld. De overeenkomsten zijn daarom vernietigbaar wegens dwaling en bedrog. Hollanders vordert in plaats van vernietiging van de overeenkomsten wijziging van de overeenkomsten op de voet van artikel 6:230 lid 2 BW, in die zin dat [appellant] het door Hollanders geleden nadeel moet compenseren en Hollanders een daarop gebaseerde vordering op het vermogen van [appellant] kan verhalen.
Het hof oordeelt als volgt over deze grondslag. Hollanders had van het bewind op de hoogte kunnen zijn als zij voor of bij het sluiten van de overeenkomsten een identiteitsbewijs van [appellant] had gevraagd en het CCBR had geraadpleegd. Omdat Hollanders dat niet heeft gedaan, kan zij zich niet op het vermogen van [appellant] verhalen (zie hetgeen hiervoor ten aanzien van grief 1 in incidenteel hoger beroep en de grieven I en II in principaal hoger beroep is geoordeeld). Het zou in strijd zijn met de door de wetgever beoogde bescherming van de onder bewind gestelde, als Hollanders vervolgens via de weg van de dwaling haar huurvorderingen toch op het vermogen van [appellant] zou kunnen verhalen. Dat [appellant] bij het aangaan van de huurovereenkomsten heeft verzwegen dat zijn vermogen onder bewind stond, voert niet tot een ander oordeel. Dat zal in dit soort gevallen vrijwel steeds het geval zijn. De dwaling moet in dit geval op grond van artikel 6:228 lid 2 BW in verband met de in het verkeer geldende opvattingen en de omstandigheden van het geval – waaronder de toepasselijkheid van de regeling van het beschermingsbewind – voor rekening van Hollanders blijven.
De vorderingen ter zake onbetaalde huur (of schadevergoeding wegens het te laat terugbrengen van zaken) zijn dus niet op de grondslag dwaling toewijsbaar. De vorderingen ter zake het weigeren bepaalde zaken terug te geven, zijn zoals hierna zal blijken toewijsbaar op de grondslag onrechtmatige daad.
Devolutieve werking hoger beroep: ongerechtvaardigde verrijking
Hollanders heeft in de conclusie van repliek voorts aangevoerd dat [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt doordat Hollanders de gehuurde zaken ter beschikking heeft gesteld maar de vorderingen ter zake onbetaalde huur (en schadevergoeding ter zake het te laat terugbrengen van zaken) niet op het vermogen van [appellant] kan verhalen.
Volgens artikel 6:212 lid 1 BW is hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.
Naar het oordeel van het hof is het in dit geval niet redelijk in de zin van artikel 6:212 lid 1 BW dat de vorderingen ter zake huur (of schadevergoeding voor het te laat terugbrengen van gehuurde zaken) op het vermogen van [appellant] kunnen worden verhaald. Naar het oordeel van het hof zou dit leiden tot een ongerechtvaardigde doorkruising van de regeling van het beschermingsbewind. Hollanders had deze schade aan haar zijde kunnen voorkomen door voor of bij het sluiten van de overeenkomsten een identiteitsbewijs van [appellant] te vragen en vervolgens het CCBR te raadplegen.
De vorderingen ter zake onbetaalde huur (of schadevergoeding wegens het te laat terugbrengen van zaken) zijn dus niet op de grondslag ongerechtvaardigde verrijking toewijsbaar. De vorderingen ter zake het weigeren bepaalde zaken terug te geven, zijn zoals hierna zal blijken toewijsbaar op de grondslag onrechtmatige daad.
Devolutieve werking van het hoger beroep: misbruik van bevoegdheid
Hollanders heeft in de conclusie van repliek voorts betoogd dat [appellant] misbruik van bevoegdheid maakt in de zin van artikel 3:13 BW, door zich onder de omstandigheden van dit geval op de regeling van het beschermingsbewind te beroepen.
Het hof verwerpt ook dit betoog. Op dit punt geldt in grote lijnen hetzelfde als hiervoor ten aanzien van de grondslagen dwaling en ongerechtvaardigde verrijking is geoordeeld. De regeling van het beschermingsbewind zou te zeer worden doorkruist als
het [appellant] niet vrij zou staan zich op die regeling te beroepen.
De vorderingen ter zake onbetaalde huur (of schadevergoeding wegens het te laat terugbrengen van zaken) zijn dus niet op de grondslag misbruik van bevoegdheid toewijsbaar. De vorderingen ter zake het weigeren bepaalde zaken terug te geven, zijn zoals hierna zal blijken toewijsbaar op de grondslag onrechtmatige daad.
Devolutieve werking van het hoger beroep: onrechtmatige daad door de weigering bepaalde zaken terug te geven
Hollanders heeft in de conclusie van repliek voorts aangevoerd dat [appellant] , ook los van de contractuele huurverhouding, jegens Hollanders onrechtmatig heeft gehandeld door te weigeren bepaalde zaken terug te geven. De kantonrechter heeft dienaangaande een bedrag van € 4.300,-- toewijsbaar geacht, ter zake de niet teruggebrachte steenzaag en trilplaat (rov. 2.12 en 2.13 van het beroepen vonnis). Naar het hof begrijpt ziet deze grondslag (onrechtmatige daad) niet op vorderingen ter zake onbetaalde huur en schadevergoeding voor het te laat terugbrengen van zaken, maar alleen op de door de kantonrechter toegewezen schadevergoeding voor het in het geheel niet terugbrengen van de genoemde zaken.
Naar het oordeel van het hof handelt [appellant] inderdaad onrechtmatig door te weigeren de steenzaag en trilplaat aan Hollanders terug te geven. [appellant] maakt daardoor inbreuk op het eigendomsrecht van [appellant] . De regeling van het beschermingsbewind staat er naar het oordeel van het hof niet aan in de weg dat de schadevergoeding die [appellant] voor deze onrechtmatige daad aan Hollanders verschuldigd is, op het vermogen van [appellant] kan worden verhaald.
Over de hoogte van deze schadevergoeding zal het hof hieronder bij de behandeling van grief IV in principaal hoger beroep oordelen.
Over grief IV in principaal hoger beroep: over de hoogte van de schadevergoeding ter zake de niet teruggegeven steenzaag en trilplaat
[appellant] heeft niet betwist dat hij de steenzaag en de trilplaat niet heeft teruggebracht. In de toelichting op grief IV in principaal hoger beroep voert hij echter aan dat de kantonrechter daarvoor ten onrechte een schadevergoeding van € 4.310,-- heeft toegekend (€ 1.850,-- voor de steenzaag en € 2.460,-- voor de trilplaat). Volgens [appellant] had een “aftrek nieuw voor oud” moeten plaatsvinden en had dus de dagwaarde becijferd moeten worden in plaats van de nieuwwaarde.
Hollanders heeft dat betwist, en aangevoerd dat op grond van artikel 14 van de toepasselijke algemene voorwaarden de huurder bij diefstal van zaken, waaronder volgens Hollanders ook verduistering valt, de nieuwwaarde van de betreffende zaken moet vergoeden.
Het hof verwerpt het beroep van Hollanders op de algemene voorwaarden. Uit hetgeen in het voorgaande is overwogen, volgt immers dat Hollanders haar vorderingen uit de huurovereenkomsten niet op basis van die huurovereenkomsten op het vermogen van [appellant] kan verhalen. Het feit dat het vermogen van [appellant] onder bewind stond toen de huurovereenkomsten werden gesloten, staat daaraan in de weg. De schadevergoeding voor de niet teruggegeven steenzaag en trilplaat is daarom slechts verschuldigd op de grondslag onrechtmatige daad. Het betreft hier een wettelijke verplichting tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:95 en verder BW. Dat brengt onder meer mee dat de rechter de schade moet begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is, en dat de schade, als de omvang ervan niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, moet worden geschat.
Het hof acht hierbij een aftrek nieuw voor oud op zijn plaats. Hollanders heeft immers niet betwist dat de steenzaag en de trilplaat geenszins in nieuwstaat verkeerden. Omdat partijen aan het hof verder geen enkel aanknopingspunt hebben verschaft voor de vaststelling van de mate van de aftrek nieuw voor oud, zal het hof die aftrek schattenderwijs vaststellen op 50%.
Het voorgaande brengt mee dat als schadevergoeding in verband met de niet teruggegeven steenzaag en trilplaat in totaal 50% maal € 4.310,-- is € 2.155,-- toewijsbaar is. Grief IV in principaal hoger beroep heeft dus ten dele doel getroffen.
Over grief 2 in incidenteel hoger beroep: de matiging van de buitengerechtelijke kosten
Over grief IV in principaal hoger beroep: afwijzing van de buitengerechtelijke kosten
De kantonrechter heeft ter zake buitengerechtelijke kosten € 792,42 toegewezen. Dat is het bedrag dat volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zou zijn, uitgaande van de door de kantonrechter toegewezen hoofdsom.
Grief 2 in incidenteel hoger beroep is hiertegen gericht. In de toelichting op deze grief betoogt Hollanders dat de kantonrechter op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst 15% van de hoofdsom had moeten toewijzen ter zake buitengerechtelijke kosten, en de vergoeding niet had moeten matigen tot het bedrag dat voortvloeide uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
Het hof verwerpt deze grief. Uit hetgeen in het voorgaande is overwogen, volgt immers dat Hollanders haar vorderingen uit de huurovereenkomsten niet op basis van die huurovereenkomsten op het vermogen van [appellant] kan verhalen. Het feit dat het vermogen van [appellant] onder bewind stond toen de overeenkomsten werden gesloten, staat daaraan in de weg. De grondslag waarop de vorderingen van [appellant] ten dele worden toegewezen, is de onrechtmatige daad van [appellant] die besloten ligt in zijn weigering om de steenzaag en trilplaat terug te geven.
In de toelichting op grief IV in principaal hoger beroep heeft [appellant] aangevoerd dat, aangezien de hoofdvorderingen van Hollanders afgewezen moeten worden, ook de vordering ter zake buitengerechtelijke kosten afgewezen moet worden.
Het hof heeft in het voorgaande geoordeeld dat [appellant] onrechtmatig jegens Hollanders handelt door te weigeren de steenzaag en de trilplaat terug te geven, en dat [appellant] in verband daarmee aan Hollanders een schadevergoeding van € 2.155,-- verschuldigd is die op het vermogen van [appellant] kan worden verhaald. Het hof acht ter zake buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 323,25 toewijsbaar, zijnde het bedrag dat bij een hoofdsom van € 2.155,-- volgt uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Er is voldoende komen vast te staan dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Grief IV in principaal hoger beroep slaagt dus ten dele.
Over de proceskosten van het geding bij de kantonrechter
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van Hollanders slechts in beperkte mate toewijsbaar zijn. Beide partijen zijn dus ten dele in het gelijk en ten dele in het ongelijk gesteld. Het hof ziet daarin aanleiding om de proceskosten van het geding bij de kantonrechter te compenseren tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen.
Conclusie en afwikkeling
Uit het voorgaande volgt dat het beroepen vonnis vernietigd moet worden. Het hof zal, opnieuw rechtdoende:
[appellant] veroordelen om aan Hollanders een hoofdsom van € 2.155,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de door de kantonrechter gehanteerde en door partijen niet bestreden datum van 14 dagen na de datum van het vonnis, derhalve vanaf 24 mei 2023;
[appellant] veroordelen om aan Hollanders € 323,25 te betalen ter zake buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de door de kantonrechter gehanteerde en door partijen niet bestreden datum van de inleidende dagvaarding, zijnde 20 december 2021;
de proceskosten van het geding bij de kantonrechter compenseren tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen;
het door Hollanders meer of anders gevorderde afwijzen.
Het principaal hoger beroep heeft in belangrijke mate doel getroffen. Het hof zal Hollanders daarom als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep. Het hof zal deze kosten aan de zijde van [appellant] begroten op:
Explootkosten € 129,14
Griffierechten € 783,--
Salaris advocaat € 3.642,-- (3 punten x tarief II)
Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
+
Totaal € 4.732,14
Het incidenteel hoger beroep heeft geen doel getroffen. Het hof zal Hollanders daarom veroordelen in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep. Het hof zal deze kosten aan de zijde van [appellant] begroten op € 1.214,-- (2 punten x tarief II maal factor ½).
Het voorgaande voert tot de onderstaande uitspraak.
10. De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
vernietigt het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer 9636717 \ CV EXPL 22-253 tussen partijen gewezen vonnis van 10 mei 2023;
opnieuw rechtdoende:
veroordeelt Hollanders in de proceskosten van het principaal hoger beroep ten bedrage van € 4.732,14 en van het incidenteel hoger beroep ten bedrage van € 1.214,--, te betalen binnen veertien dagen na heden; als Hollanders niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet Hollanders € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.B. Smits en C.B.M. Scholten van Aschat en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 augustus 2025.
griffier rolraadsheer