ECLI:NL:GHSHE:2025:2307

ECLI:NL:GHSHE:2025:2307, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26-08-2025, 200.335.261_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 26-08-2025
Datum publicatie 07-01-2026
Zaaknummer 200.335.261_01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2023:4633

Samenvatting

Vervolg op ECLI:NL:RBZWB:2023:4633. Distributieovereenkomst, opzegging, toerekenbare tekortkoming, onrechtmatige daad.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.335.261/01

arrest van 26 augustus 2025

in de zaak van

Isea France S.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] (Frankrijk),

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna: Isea,

advocaat: mr. I.A. van Rooij te Tilburg,

tegen

Eurolook B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna: Eurolook,

advocaat: mr. S.G.A. van der Horst te Tilburg,

op het bij dagvaardingsexploot van 27 september 2023 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 februari 2022 en 28 juni 2023.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak C/02/391434 / HA ZA 21-638)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beroepen vonnissen van 23 februari 2022 en 28 juni 2023.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van Isea met producties 1 tot en met 12;

de door Isea genomen memorie van grieven met producties 13 tot en met 15;

de door Eurolook genomen memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties 30 tot en met 31;

de door Isea genomen memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties 16 tot en met 18;

de akte van Eurolook;

de rolaantekening dat ambtshalve akte van niet-dienen is verleend ten aanzien van de door Isea te nemen antwoordakte.

Nadat arrest is gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg.

Deze zaak vloeit voort uit een (voormalige) distributieovereenkomst voor de Franse markt.

3. De beoordeling

De feiten

In dit hoger beroep dienen de volgende feiten tot uitgangspunt.

Een op 2 januari 2015 uitgedraaid Kamer van Koophandel-uittreksel (hierna: KvK-uittreksel) vermeldt als enig aandeelhouder en bestuurder van Eurolook de Franse vennootschap Ventiss S.A.R.L. (hierna: Ventiss). Eurolook is gespecialiseerd in de vervaardiging, het vermarkten en de levering van transparante veiligheidsgordijnen. Eurolook brengt haar producten op de markt onder de merknaam EUROLOOK. Haar zusteronderneming Eurolook International brengt transparante beschermende gordijnen op de markt onder de Franse merknamen MAXIVISION en MAXIVISION PLUS die eigendom zijn van hun moedermaatschappij Ventiss.

Isea is een Franse vennootschap die gespecialiseerd is in de vervaardiging, de verkoop en de aankoop van alle handmatige, elektrische of op afstand bedienbare afsluitingen alsmede in de vervaardiging van metalen gordijnen, industriële en residentiële sectionaaldeuren in Frankrijk.

Op 20 juni 2013 hebben Eurolook en Isea een distributieovereenkomst gesloten op grond waarvan Eurolook Isea als haar exclusieve distributeur in Frankrijk heeft aangesteld voor de transparante beveiligings- en beschermingsproducten die ze op de markt brengt onder de merknaam EUROLOOK CRYSTAL CLEAR SECURITY (hierna: ECCS-producten). De door Eurolook en Isea op 20 juni 2013 ondertekende schriftelijke “Distribution Agreement” (hierna: Distributieovereenkomst) vermeldt, verkort zakelijk weergegeven, in:

- artikel 7 onder a dat de distributeur naar beste vermogen de verkoop actief dient te promoten en het marktaandeel dient te vergroten van de ECCS-producten,

- artikel 9 dat de distributeur zich dient te onthouden van iedere participatie in de verkoop van mogelijk met ECCS-producten concurrerende artikelen of ondernemingen;

- artikel 11 dat Isea zich voor de duur van de Distributieovereenkomst nadrukkelijk mag profileren als distributeur van Eurolook voor de ECCS-producten;

- de aanhef van artikel 14 dat de Distributieovereenkomst voor een eerste termijn van drie jaren geldt, waarna de overeenkomst met instemming van beide partijen steeds voor periodes van telkens één jaar kan worden hernieuwd; iedere verlenging zal ten minste drie maanden voor het verstrijken van een lopende periode worden overeengekomen; artikel 14 onder e vermeldt dat een partij de Distributieovereenkomst schriftelijk mag beëindigen als de wederpartij haar verplichtingen schendt en niet binnen een termijn van 30 dagen na aanschrijving alsnog nakomt.

- artikel 16 dat de distributeur na het eindigen van de Distributieovereenkomst voor Eurolook een lijst zal opstellen met nog voorhanden ECCS-producten, dat partijen afspraken zullen maken over de terugneming of verkoop van die ECCS-producten, dat de distributeur de verkoopdocumentatie van die ECCS-producten aan Eurolook zal teruggeven en dat Eurolook onvoltooide orders van Isea tegen betaling nog zal uitvoeren,

- artikel 19 dat alle geschillen uit of in verband met de Distributieovereenkomst exclusief zullen worden beslist door de rechtbank in Breda en overeenkomstig Nederlands recht.

In 2017 heeft Isea met ECCS-producten concurrerende producten op de markt gebracht onder de naam MAXILOOK.

Bij brief van 17 juni 2019 heeft Isea aan Eurolook geschreven de handelsbetrekkingen tussen partijen per direct te beëindigen.

Bij in kort geding tussen Eurolook en Isea gewezen arrest van 9 januari 2020 heeft het Hof van Beroep in Grenoble -in hoger beroep van het op 29 mei 2019 door de president van de Handelsrechtbank Grenoble gewezen kortgedingvonnis- Isea onder een dwangsom onder meer verboden om:

- de naam MAXILOOK te gebruiken voor het voorstellen, aanbieden, verhandelen of distribueren van transparante beschermingsgordijnen en de schakels waaruit deze bestaan;

- commerciële documentatie te verspreiden op ongeacht welke drager, waarin de naam of de producten van Eurolook worden geassocieerd of vergeleken met de producten aangeduid onder de naam MAXILOOK;

- een gemeenschappelijke gebruiks- en onderhoudshandleiding voor de producten aangeduid onder de naam MAXILOOK voor de producten van Eurolook te gebruiken en te verspreiden.

Naar aanleiding van dit op 9 januari 2020 gewezen arrest heeft Isea haar producten een nieuwe naam gegeven onder de merknaam ISEA CLAIR/ISEA CLEAR en de vermeldingen met betrekking tot het merk MAXILOOK in haar commerciële documentatie in maart 2020 geschrapt.

Bij tussen Isea enerzijds en Ventiss en Eurolook anderzijds gewezen arrest van 24 april 2024 heeft het Hof van Beroep in Parijs -in hoger beroep van het op 24 juni 2022 door het Tribunaal van Parijs gewezen vonnis- Isea onder meer veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en onder een dwangsom veroordeeld tot inbreng van accountantstukken over haar omzet en voorraad van gordijnen onder de merknamen MAXILOOK en ISEA CLEAR vanaf 1 augustus 2017.

Zo nodig zal het hof hierna nog nadere feiten vaststellen.

Het geding in eerste aanleg bij de rechtbank

In dit met de dagvaarding van 7 september 2021 ingeleide geding heeft Eurolook in eerste aanleg na eiswijziging gevorderd, samengevat, dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad:

in incident:

- Isea op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per kalenderdag zal gelasten tot inbreng van haar verkoop- en debiteurenadministratie over de periode van 20 juni 2013 tot en met 31 december 2019 en betrekking hebbend op de verkopen van MAXILOOK-producten (onder de naam MAXILOOK of ISEA CLEAR) en op de daarmee toen gerealiseerde omzet exclusief belasting;

in de hoofdzaak:

i. voor recht zal verklaren dat Isea over de periode van de totstandkoming van de Distributieovereenkomst op 20 juni 2013 tot de einddatum ervan op 20 juni 2016, althans 17 september 2019:

primair: tekortgeschoten is in de nakoming van haar contractuele verplichtingen

uit de Distributieovereenkomst, meer in het bijzonder het non-concurrentiebeding van artikel 9 Distributieovereenkomst en de distributeurverplichtingen van de artikelen 7 en 14 Distributieovereenkomst,

subsidiair: onrechtmatig heeft gehandeld, meer in het bijzonder door de

onrechtmatige beëindiging van de Distributieovereenkomst en door

oneerlijke handelspraktijken;

voor recht zal verklaren dat Isea na het eindigen van de Distributieovereenkomst op 20 juni 2016, althans 17 september 2019, een onrechtmatige daad heeft gepleegd, meer in het bijzonder door oneerlijke handelspraktijken;

voor recht zal verklaren dat Isea aansprakelijk is voor de schade van Eurolook als gevolg van de onder i bedoelde wanprestatie, althans onrechtmatige daad, en/of de onder ii bedoelde onrechtmatige daad, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 7 september 2021 (dag van de inleidende dagvaarding);

Isea zal veroordelen tot vergoeding van onder iii bedoelde schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

(hierna: vorderingen i tot en met iv), met veroordeling van Isea in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na vonniswijzing.

Isea heeft verweer gevoerd tegen het door Eurolook opgeworpen incident en in de hoofzaak. In incident heeft Isea gevorderd, samengevat, dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om van de vorderingen van Eurolook kennis te nemen, met veroordeling van Isea in de proceskosten.

In het beroepen tussenvonnis van 23 februari 2022 heeft de rechtbank in hoofdlijn als volgt geoordeeld.

Op grond van het overeengekomen forumkeuzebeding is de rechtbank bevoegd om van het geschil kennis te nemen (rov. 4.1).

De vordering tot inbreng van stukken is gebaseerd op de aan Isea verweten tekortkoming en onrechtmatige daad, die eerst in de hoofdzaak moeten wordt beoordeeld (rov. 6.2).

De rechtbank heeft:

in incident:

de vordering tot onbevoegdverklaring van Isea afgewezen;

de vordering tot inbreng van stukken van Eurolook afgewezen;

de proceskosten in de incidenten gecompenseerd;

in de hoofdzaak:

- bepaald dat de zaak weer op de rol zal komen om voort te procederen.

Bij het beroepen eindvonnis van 28 juni 2023 heeft de rechtbank in de hoofdzaak naar de kern genomen als volgt geoordeeld.

Op grond van artikel 19 Distributieovereenkomst is de Nederlandse rechter bevoegd en Nederlands recht van toepassing op gedragingen van Isea uit de contractuele periode. Op grond van artikel 4 lid 3 Rome II Vo dient ook de aan Isea verweten onrechtmatige daad naar Nederlands recht te worden beoordeeld (rov. 3.7).

De Distributieovereenkomst is conform artikel 14 Distributieovereenkomst 30 dagen na de brief van 17 juni 2019 en dus op 17 juli 2019 geëindigd (rov. 3.9).

Eurolook produceert en leverde aan Isea veiligheidsgordijnen met schakels van doorzichtige materialen, terwijl Isea aanvankelijk met name diverse soorten metalen gordijnen en sectionaaldeuren verhandelde zonder schakels van doorzichtige materialen. Doordat Isea binnen de looptijd van de Distributieovereenkomst (20 juni 2013 tot en met 17 juli 2019) concurrerende rolgordijnen met niet van Eurolook afkomstige schakels van doorzichtige materialen heeft verkocht, heeft Isea in strijd gehandeld met artikel 9 Distributieovereenkomst en artikel 7 onder a Distributieovereenkomst. In zoverre is vordering i primair tot verklaring voor recht dat Isea tijdens (de loop van) de Distributieovereenkomst tekort is geschoten, toewijsbaar (rov. 3.10 tot en met 3.11).

Vordering ii tot verklaring voor recht dat Isea na (het einde van) de Distributieovereenkomst onrechtmatig heeft gehandeld is niet toewijsbaar, omdat de daartoe ingeroepen gedragingen allemaal dateren van vóór het einde van de Distributieovereenkomst (rov. 3.12).

Vordering iii tot verklaring voor recht dat Isea aansprakelijk is voor de door Eurolook geleden schade, is toewijsbaar voor alleen de schade door de onder i bedoelde tekortkoming en niet voor de schade door de onder vordering ii bedoelde onrechtmatige daad (rov. 3.13).

Vordering iv tot vergoeding van schade is alleen toewijsbaar voor de onder iii bedoelde schade door de onder i bedoelde tekortkoming (rov. 3.14).

Voor zover Eurolook een voorschot van € 350.000,-- op de schadevergoeding verlangt, kan dat bij gebreke van een hiertoe in het petitum openomen vordering onbesproken blijven (rov. 3.15).

De in de hoofdzaak door Eurolook gehandhaafde vordering tot inbreng van stukken wordt alsnog toegewezen voor de periode van 20 juni 2013 tot en met 17 juni 2019 (rov. 3.16).

In het dictum heeft de rechtbank in de hoofdzaak:

(onder 4.1) verklaard voor recht dat Isea in de periode van de totstandkoming van de Distributieovereenkomst op 20 juni 2013 tot de einddatum ervan op 17 september 2019 tekortgeschoten is in de nakoming van haar contractuele verplichtingen uit de Distributieovereenkomst, meer in het bijzonder het non-concurrentiebeding van artikel 9 Distributieovereenkomst en de verplichtingen van de distributeur als bedoeld in artikel 7 sub a Distributieovereenkomst;

(onder 4.2) verklaard voor recht dat Isea jegens Eurolook aansprakelijk is voor de schade die Eurolook heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de onder 4.1 bedoelde toerekenbare tekortkoming, te vermeerderen met de wettelijke rente over die schade vanaf 7 september 2021 (dag van de inleidende dagvaarding) tot aan de dag der algehele voldoening.

en uitvoerbaar bij voorraad:

(onder 4.3) Isea veroordeeld tot vergoeding van de onder 4.2. bedoelde schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

(onder 4.4) Isea gelast om

- op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke kalenderdag dat Isea nalaat

om daaraan te voldoen, met een maximum van € 25.000,-- aan te verbeuren

dwangsommen;

uiterlijk op 1 augustus 2023 te verstrekken aan Eurolook:

- haar verkoop- en debiteurenadministratie uit de periode van 20 juni 2013 tot en

met 17 juli 2019 en uitsluitend betrekking hebbend op de verkopen door Isea

van de MAXILOOK-producten, zodanig dat daaruit volgt hoeveel en voor

welke bedragen bestellingen van transparante beschermingsgordijnen

producten onder de naam MAXILOOK of ISEA CLEAR (of schakels van

deze gordijnen) zijn aanvaard en aan klanten zijn geleverd, en

- voor dezelfde periode van 20 juni 2013 tot en met 17 juli 2019, het bedrag van de

omzet exclusief belasting, gerealiseerd met de verkoop van MAXILOOK- of

ISEA CLEAR-producten (transparante beschermingsgordijnen MAXILOOK

of ISEA CLEAR of schakels en onderdelen van deze gordijnen);

- ( (onder 4.5) Isea veroordeeld in de proceskosten, begroot op € 2.039,37 en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na vonnisdatum tot aan de dag der algehele voldoening;

Het geding in hoger beroep bij dit hof

In dit met de dagvaarding van 27 september 2023 ingeleide principaal hoger beroep formuleert Isea twee grieven (hierna: grieven 1P en 2P) en vordert Isea, kort samengevat, dat het hof uitvoerbaar bij voorraad de beide beroepen vonnissen zal vernietigen en opnieuw rechtdoende: Eurolook niet-ontvankelijk zal verklaren in de vorderingen i tot en met iv, met veroordeling van Eurolook in de proceskosten van beide instanties.

Eurolook weerspreekt de door Isea geformuleerde grieven en formuleert in incidenteel hoger beroep vier grieven (hierna: grieven 1I, 2I, 3I en 4I). Eurolook concludeert in hoger beroep, verkort weergegeven, dat het hof uitvoerbaar bij voorraad:

het principaal hoger beroep ongegrond zal verklaren;

het incidenteel hoger beroep gegrond zal verklaren en daarin

- het beroepen eindvonnis zal vernietigen en haar vorderingen i tot en met iv

zal toewijzen, met dien verstande dat (niet 17 juli 2019, maar) 20 juni 2020,

althans 17 september 2019, de datum is waarop de distributieovereenkomst

is geëindigd,

- haar toegewezen vordering om Isea op verbeurte van een dwangsom te

gelasten tot inbreng van haar verkoop- en debiteurenadministratie en

betrekking hebbend op de verkopen van MAXILOOK-producten (onder de

naam MAXILOOK of ISEA CLEAR) en op de daarmee toen gerealiseerde

omzet exclusief belasting, te laten zien op de periode van 20 juni 2013 tot en

met (niet 17 juli 2019, maar) 20 juni 2020, althans 17 september 2019;

met veroordeling van Isea in alle proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

Isea weerspreekt de door Eurolook geformuleerde incidentele grieven en concludeert in incidenteel hoger beroep, verkort weergegeven, dat het hof uitvoerbaar bij voorraad de beroepen vonnissen zal bekrachtigen en het incidenteel hoger beroep zal verwerpen, met veroordeling van Eurolook in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep.

Internationale aspecten

Dit geschil heeft internationale aspecten omdat Isea in Frankrijk gevestigd is en het beweerde onrechtmatig handelen van Isea volgens Eurolook ook in Frankrijk tot schade lijdt. De rechtbank heeft terecht en onbestreden de Nederlandse rechter bevoegd geoordeeld. Voorts is de toepasselijkheid van Nederlands recht tussen partijen niet in geschil. Nu partijen hierover in hoger beroep niet debatteren, behoeven de rechtsmacht en het toepasselijke recht hier verder geen bespreking.

De aan het hof voorliggende vorderingen en grieven

Voor zover Isea onder verwijzing naar een op 10 januari 2024 uitgedraaid KvK-uittreksel de niet-ontvankelijkheid van Eurolook inroept, miskent Isea dat daaruit slechts blijkt van een op 12 augustus 2021 ambtshalve doorgehaalde inschrijving van een vestiging. Ook voor zover een op 2 mei 2024 uitgedraaid KvK-uittreksel vermeldt dat Eurolook activiteiten per 12 augustus 2021 heeft gestaakt, volgt daaruit nog niet dat Eurolook als rechtspersoon niet langer bestaat. Nu niet gesteld of gebleken is dat Eurolook als rechtspersoon is ontbonden, wordt het door Isea opgeworpen niet-ontvankelijkheidsverweer verworpen.

Waar Eurolook blijkens het in haar memorie van 14 mei 2024 geformuleerde petitum (onder vi) meent dat de rechtbank in incident de vordering tot inbreng van stukken heeft toegewezen, berust dat op een onjuiste lezing van de beroepen vonnissen. In het beroepen tussenvonnis van 23 februari 2022 heeft de rechtbank immers nadrukkelijk die vordering in incident afgewezen, terwijl de rechtbank in het beroepen eindvonnis van 28 juni 2023 onder 4.4 in de hoofdzaak heeft beslist dat Isea op verbeurte van een dwangsom stukken moet inbrengen.

Dit hoger beroep spitst zich toe op de door de rechtbank in het beroepen eindvonnis van 28 juni 2023 in de hoofdzaak gegeven beslissingen op de vorderingen van Eurolook om:

I. voor recht te verklaren dat Isea over de periode van de totstandkoming van de Distributieovereenkomst op 20 juni 2013 tot de einddatum ervan op 20 juni 2016, althans 17 september 2019:

primair: tekortgeschoten is in de nakoming van haar contractuele verplichtingen

uit de Distributieovereenkomst, meer in het bijzonder het non-concurrentiebeding van artikel 9 Distributieovereenkomst en de distributeurverplichtingen van de artikelen 7 en 14 Distributieovereenkomst,

subsidiair: onrechtmatig heeft gehandeld, meer in het bijzonder door de

onrechtmatige beëindiging van de Distributieovereenkomst en door

oneerlijke handelspraktijken;

II. voor recht te verklaren dat Isea na het eindigen van de Distributieovereenkomst op 20 juni 2016, althans 17 september 2019, een onrechtmatige daad heeft gepleegd, meer in het bijzonder door oneerlijke handelspraktijken;

III. voor recht te verklaren dat Isea aansprakelijk is voor de door Eurolook geleden schade als gevolg van de onder I bedoelde wanprestatie, althans onrechtmatige daad, en/of de onder II bedoelde onrechtmatige daad, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 7 september 2021 (dag van de inleidende dagvaarding);

IV. Isea te veroordelen tot vergoeding van de onder III bedoelde schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

(hierna: vorderingen I tot en met IV), met veroordeling van Isea in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na arrestwijzing. Ook vordert Eurolook dat het hof

V. Isea op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per kalenderdag met een maximum van € 25.000,-- aan te verbeuren dwangsommen, zal gelasten om binnen 30 dagen na arrestwijzing aan Eurolook te verstrekken haar verkoop- en debiteurenadministratie betrekking hebbend op de verkopen van MAXILOOK-producten (onder de naam MAXILOOK of ISEA CLEAR) en op de daarmee toen gerealiseerde omzet exclusief belasting, over de periode van de totstandkoming van de distributieovereenkomst op 20 juni 2013 tot de einddatum ervan op (niet 17 juli 2019, maar) 20 juni 2020, althans 17 september 2019 (hierna: vordering V).

Voor zover Eurolook met de aan het hof voorliggende vorderingen de eis in hoger beroep wijzigt, weerspreekt Isea de toewijsbaarheid daarvan inhoudelijk. Isea maakt tegen de wijziging als zodanig evenwel geen bezwaar. Het hof oordeelt de door Eurolook bij de eerste memorie gedane wijziging tijdig en deze komt ook anderszins niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Of de in hoger beroep voorliggende vorderingen van Eurolook daarmee ook toewijsbaar zijn, is een andere kwestie en zal het hof hierna onderzoeken.

Dat Isea zegt het geschil in volle omvang aan het hof te willen voorleggen, is onvoldoende om niet duidelijk gepreciseerde geschilpunten door het hof opnieuw te laten onderzoeken. Isea hoeft in principaal hoger beroep niet uitdrukkelijk (al dan niet genummerde) grieven te benoemen, maar moet wel kenbaar maken welke bezwaren worden aangevoerd tegen welke beslissingen van de rechtbank, zodat duidelijk is waartegen Isea wil grieven, waartegen Eurolook zich in hoger beroep moet verweren en waarover het hof moet oordelen. Uiteraard geldt hetzelfde ten aanzien van Eurolook als appellante in incidenteel hoger beroep en Isea als verweerster in incidenteel hoger beroep.

Vordering I primair dat Isea tijdens de Distributieovereenkomst tekort is geschoten

Voor zover Eurolook aan vordering I primair ten grondslag legt dat Isea tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de Distributieovereenkomst, stelt Eurolook in de kern dat Isea de verplichtingen uit het non-concurrentiebeding van artikel 9 Distributieovereenkomst en de distributeurverplichtingen van de artikelen 7 onder a en 14 Distributieovereenkomst heeft geschonden. Volgens Eurolook hebben partijen blijkens hun (voortgezette) gedragingen de Distributieovereenkomst per 20 juni 2016 en 20 juni 2017 verlengd en heeft zij daar ook op vertrouwd, terwijl haar eerst in de loop van 2017 is gebleken dat Isea haar eigen MAXILOOK-producten - die identiek zijn aan de ECCS-producten van Eurolook - actief heeft aangeprezen en verkocht aan klanten, ook wanneer die klanten hadden gevraagd naar ECCS-producten. Volgens Eurolook heeft Isea de benaming van haar eigen producten zelfs ontleend aan (een samentrekking van) de in licentie verkregen merknamen EUROLOOK, MAXIVISION en MAXIVISION PLUS. Eurolook meent dat de opzeggingsbrief van Isea van 17 juni 2019 bij gebreke van een deugdelijke opzeggingsgrond, de in artikel 14 onder e Distributieovereenkomst bedoelde 30-dagen-termijn en een aanbod om de schade als gevolg van de abrupte opzegging te vergoeden, niet de onmiddellijke beëindiging van de Distributieovereenkomst als effect kan hebben gehad.

Isea betwist op zichzelf niet dat zij sinds 20 juni 2016 haar eigen MAXILOOK-producten - die concurrerend zijn aan de ECCS-producten van Eurolook - actief heeft aangeprezen en verkocht aan klanten, maar verweert zich met een beroep op artikel 14 Distributieovereenkomst. Volgens Isea hebben partijen met artikel 14 Distributieovereenkomst willen vastleggen dat een verlenging van de Distributieovereenkomst drie maanden voor het eindigen ervan expliciet moet worden overeengekomen en hebben partijen daarmee een stilzwijgende verlenging willen uitsluiten. Isea betoogt dat de Distributieovereenkomst niet expliciet is verlengd per 20 juni 2016, dat partijen na het verstrijken van die oorspronkelijk overeengekomen termijn ook geen uitvoering meer hebben gegeven aan de Distributieovereenkomst en dat nadien tussen partijen nog slechts een commerciële relatie op basis van normale koopovereenkomsten heeft bestaan. Isea heeft zich sinds 20 juni 2016 in ieder geval niet meer gebonden geacht aan de Distributieovereenkomst en zich vrij geacht om haar eigen MAXILOOK-producten aan te prijzen en te verkopen.

Duur van de Distributieovereenkomst, grieven 1P en 1I, 2I en 3I

Vast staat dat partijen de Distributieovereenkomst met ingang van 20 juni 2013 zijn aangegaan. Beide partijen grieven evenwel tegen het oordeel van de rechtbank dat de Distributieovereenkomst op 17 juli 2019 is geëindigd. Isea betoogt middels grief 1P dat de Distributieovereenkomst bij gebreke van een expliciete verlenging na het verstrijken van de oorspronkelijk overeengekomen termijn al per 20 juni 2016 is geëindigd. Eurolook betoogt met de toegelichte grieven 1I en 2I dat de opzeggingsbrief van Isea van 17 juni 2019 niet de onmiddellijke beëindiging van de Distributieovereenkomst als beoogd effect kan hebben gehad en de Distributieovereenkomst eerst is beëindigd na afloop van de toen al lopende periode: op 20 juni 2020, althans een redelijke termijn van drie maanden na de opzegging: op 17 september 2019.

Blijkens de tekst van artikel 14 Distributieovereenkomst geldt de Distributieovereenkomst voor een eerste termijn van drie jaren, waarna de overeenkomst met instemming van beide partijen steeds voor periodes van telkens één jaar kan worden hernieuwd en iedere verlenging ten minste drie maanden voor het verstrijken van een lopende periode zal worden overeengekomen, terwijl een partij de Distributieovereenkomst schriftelijk mag beëindigen als de wederpartij haar verplichtingen schendt en niet binnen een termijn van 30 dagen na aanschrijving alsnog nakomt.

Artikel 14 Distributieovereenkomst dient echter niet alleen te worden uitgelegd naar een grammaticale uitleg van de gebezigde bewoordingen. Bij uitleg gaat het met name om wat partijen daarover vóór of bij het sluiten van de overeenkomst tegenover elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijs hebben mogen afleiden. Daarbij zijn alle omstandigheden van het concrete geval van betekenis, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.

Hoewel aan de beschreven tekst geen beslissende betekenis toekomt, komt praktisch aan de objectieve betekenis ervan hier wel relevant gewicht toe. Niet gesteld of gebleken is immers dat (specifiek de tekst van) artikel 14 Distributieovereenkomst tot stand is gekomen na uitvoerige partijonderhandelingen, zodat dergelijke onderhandelingen geen aanknopingspunten voor een subjectieve uitleg ervan zouden kunnen verschaffen. Voor zover Isea aanbiedt voor de uitleg van artikel 14 Distributieovereenkomst haar onderhandelaar en ondertekenaar [persoon A] als getuige te horen, ziet het bewijsaanbod op een juridische conclusie en stelt Isea geen voor bewijs vatbare concrete feiten, zodat dit aanbod wordt gepasseerd. De in de bewoordingen van artikel 14 Distributieovereenkomst tot uitdrukking gebrachte partijbedoelingen dienen vooral te worden afgeleid uit de daarin beschreven afspraken, uit te leggen naar relatief objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de overeenkomst.

Blijkens artikel 14 Distributieovereenkomst vereisen zowel iedere verlenging van de Distributieovereenkomst als iedere beëindiging ervan wegens een schending van contractverplichtingen, steeds een voorafgaande verklaring. Voor een verlenging verlangt het artikel steeds een voorafgaande instemming van beide partijen, welke instemming bij gebreke van een voorgeschreven vormvoorschrift in iedere vorm kan worden gegeven of in gedragingen besloten kan liggen. Voor een beëindiging verlangt het artikel steeds een voorafgaande aanzegging van één partij, die schriftelijk dient te worden gedaan. Voor zover Isea beweert dat partijen met dit artikel 14 een stilzwijgende verlenging hebben willen uitsluiten, zijn daartoe relevante feiten niet gesteld of gebleken.

De rechtbank heeft naar de kern genomen geoordeeld dat partijen de Distributieovereenkomst na de overeengekomen periode van drie jaren per 20 juni 2016 feitelijk hebben voortgezet door op gelijke wijze hun handelwijze te continueren en heeft daartoe onder meer genoemd:

de email van 11 oktober 2017, waarin Eurolook aan Isea heeft geschreven dat de verkoop van ECCS-producten door Isea nog immer doorgaat en dat er sprake is van voorraden en een voortzetting van de commerciële samenwerking;

dat Isea in reactie op die email het (voort)bestaan van de Distributieovereenkomst niet heeft ontkend;

dat partijen ook niet hebben gehandeld zoals artikel 16 Distributieovereenkomst na het eindigen van de Distributieovereenkomst voorschrijft.

Volgens de rechtbank heeft Eurolook er onder deze omstandigheden destijds gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat de Distributieovereenkomst nog immer doorliep, zodat de Distributieovereenkomst ook per 20 juni 2017 en zelfs nog per 20 juni 2018 is verlengd. Het hof onderschrijft dat oordeel van de rechtbank. Voor zover Isea aangeeft dat partijen na 20 juni 2016 hun commerciële relatie weliswaar hebben voortgezet maar toen nog ‘slechts’ sprake was van een op koop gebaseerde verhouding en dat zij toen ook alleen nog melding heeft gemaakt van ‘een commerciële relatie’ en ‘ons partnerschap’, staat dat aan het gerechtvaardigde vertrouwen van Eurolook in de na 20 juni 2016 doorgelopen Distributieovereenkomst niet in de weg.

Waar Isea zegt dat Eurolook na 20 juni 2016 in de Distributieovereenkomst beschreven verplichtingen niet langer is nagekomen, volgt hieruit nog niet zonder meer een gewilde of overeengekomen beëindiging daarvan. Dergelijk handelen kan immers eveneens een mogelijk wanpresteren in contractuele verplichtingen inhouden.

Aan de hiervoor reeds aangehaalde argumenten van de rechtbank voegt het hof nog toe dat Eurolook bij brief van 27 november 2018 aan Isea bovendien heeft verweten dat Isea, ondanks hun eerdere contact in oktober 2017:

nog immer doorgaat met het op de markt brengen van de concurrerende identieke MAXILOOK-producten, terwijl partijen al jaren een commercieel partnerschap hebben,

de MAXILOOK-aanduiding gebruikt, wat een samentrekking is van de Eurolook en Ventiss toebehorende merken EUROLOOK en MAXIVISION,

verwarring heeft gecreëerd door klanten te laten denken dat de ECCS-producten en MAXILOOK-producten onderling verwisselbaar zijn en eenzelfde oorsprong hebben,

MAXILOOK-producten te koop heeft aangeboden en verkocht aan klanten die ECCS-producten wilden kopen,

dringend wordt verzocht om haar handelwijze te staken en de distributierelatie tussen partijen te goeder trouw voort te zetten.

Isea heeft niet op die brief heeft gereageerd en dus ook toen het (voort)bestaan van de Distributieovereenkomst (met daarin het non-concurrentiebeding van artikel 9 Distributieovereenkomst) niet kenbaar ontkend.

Volgens de rechtbank heeft Isea de Distributieovereenkomst pas bij brief van 17 juni 2019 opgezegd wegens schending van verplichtingen door Eurolook, bestaande uit het ontbreken van de juiste brandveiligheidscertificaten.

Door grief 3I keert Eurolook zich tegen het oordeel van de rechtbank dat zij tot de verstrekking van brandveiligheidscertificaten verplicht was, maar zij onderbouwt dit slechts met vage algemene beschouwingen en een uitspraak in een Franse gerechtelijke procedure waarin zij niet was betrokken.

De rechtbank heeft die bij brief van 17 juni 2019 gedane opzegging uitgelegd als de in artikel 14 Distributieovereenkomst voorziene rechtsgeldige beëindiging wegens schending van contractverplichtingen die Eurolook niet binnen een termijn van 30 dagen na aanschrijving alsnog is nagekomen, en aldus als een beëindiging van de Distributieovereenkomst op 17 juli 2019. Eurolook betoogt dat de opzeggingsbrief van Isea van 17 juni 2019 niet de onmiddellijke beëindiging van de Distributieovereenkomst als beoogd effect kan hebben gehad, maar bestrijdt niet, althans onvoldoende, het door de rechtbank aangenomen effect van de opzegging naar de - in het licht van artikel 14 onder e Distributieovereenkomst - rechtsgeldige beëindiging van de Distributieovereenkomst op 17 juli 2019.

Gelet op het voorgaande heeft de Distributieovereenkomst tussen partijen gegolden van 20 juni 2013 tot 17 juli 2019 en falen de grieven 1P van Isea en 1I, 2I en 3I van Eurolook.

Grief 2P

Grief 2P ziet op het non-concurrentiebeding van artikel 9 Distributieovereenkomst. Isea wijst er op dat voor de in dit beding bedoelde producten de productdefinitie van artikel 1 Distributieovereenkomst geldt, die verwijst naar Appendix 1. Isea betoogt dat het non-concurrentiebeding door het ontbreken van de in die definitie bedoelde appendix verder gaat dan noodzakelijk, zelfs onbeperkt is en strijdt met artikel 6 Mededingingswet, waardoor het nietig is en Eurolook daarvan geen nakoming kan vorderen.

Grief 2P van Isea treft evenwel geen doel. Vast staat immers dat de distributeur zich ingevolge het non-concurrentiebeding van artikel 9 Distributieovereenkomst alleen dient te onthouden van iedere participatie in de verkoop van mogelijk met ECCS-producten concurrerende artikelen of ondernemingen. Niet gebleken is dat hierover bij Isea onduidelijkheid heeft bestaan, in ieder geval niet tijdens de duur van de Distributieovereenkomst. Bovendien behoren tot die ECCS-producten van Eurolook veiligheidsgordijnen met schakels van doorzichtige materialen, terwijl Isea aanvankelijk vooral metalen gordijnen en sectionaaldeuren zonder schakels van doorzichtige materialen verhandelde. Hoewel Isea vanwege de door de rechtbank onvoldoende geoordeelde feitelijke onderbouwing de gestelde nietigheid van het non-concurrentiebeding ook overigens nader had behoren te bepleiten, verduidelijkt Isea dat in hoger beroep verder niet.

Waar Isea sinds 20 juni 2016 haar eigen MAXILOOK-producten - die concurrerend zijn aan de ECCS-producten van Eurolook - actief heeft aangeprezen en verkocht aan klanten, heeft de rechtbank in het beroepen eindvonnis onder 4.1 dan ook terecht voor recht verklaard dat Isea in de periode van de totstandkoming van de Distributieovereenkomst op 20 juni 2013 tot de einddatum ervan op 17 juli 2019 tekortgeschoten is in de nakoming van haar contractuele verplichtingen uit de Distributieovereenkomst, meer in het bijzonder het non-concurrentiebeding van artikel 9 Distributieovereenkomst en de verplichtingen van de distributeur als bedoeld in artikel 7 sub a Distributieovereenkomst.

Vordering I subsidiair inzake onrechtmatig handelen van Isea tijdens de Distributieovereenkomst

Nu op vordering I primair terecht de in het beroepen eindvonnis onder 4.1 uitgesproken verklaring voor recht is gegeven, komt het hof niet toe aan een beslissing op vordering I subsidiair inzake onrechtmatig handelen van Isea tijdens de duur van de Distributieovereenkomst.

Vordering II inzake onrechtmatig handelen van Isea na de Distributieovereenkomst

Grief 4I ziet op de afwijzing van vordering II inzake onrechtmatig handelen van Isea na het eindigen van de Distributieovereenkomst. Hiermee komt Eurolook op tegen het oordeel van de rechtbank dat de Distributieovereenkomst op 17 juli 2019 is geëindigd, dat het non-concurrentiebeding daarna niet meer van toepassing is en dat Eurolook geen onrechtmatige gedragingen van Isea heeft gesteld die dateren van na 17 juli 2019. Eurolook licht toe dat de rechtbank heeft miskend dat Isea onrechtmatig heeft gehandeld door de bij brief van 17 juni 2019 gedane opzegging van de Distributieovereenkomst zonder deugdelijke grond en zonder daarbij een redelijke opzegtermijn in acht te hebben genomen of een aanbod tot vergoeding van schade als gevolg van die opzegging te hebben gedaan. Ook deze door Eurolook toegelichte omstandigheden dateren echter niet van na het eindigen van de Distributieovereenkomst op 17 juli 2019.

Bij gebreke van overige voldoende toegelichte bewaren tegen de voornoemde oordelen van de rechtbank, is vordering II inzake onrechtmatig handelen van Isea na het eindigen van de Distributieovereenkomst, terecht afgewezen. Hiermee treft ook grief 4I van Eurolook geen doel.

Vorderingen III inzake aansprakelijkheid en IV inzake schadevergoeding

De door Eurolook onder III gevorderde verklaring voor recht dat Isea aansprakelijk is en de onder IV gevorderde schadevergoeding betreffen de aan Isea verweten tekortkomingen en onrechtmatige handelingen zoals bedoeld in de vorderingen I en II. In zoverre bouwt Eurolook met de vorderingen III en IV voort op de vorderingen I en II. Waar de rechtbank met betrekking tot de vorderingen I en II juist heeft beslist, dienen ook de daarop voortbouwende beslissingen op de vorderingen III en IV te worden bekrachtigd.

Vordering V tot inbreng van stukken

Met betrekking tot vordering V heeft de rechtbank terecht overwogen dat waar

Isea tekort is geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen en aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade, het rechtmatig belang van Eurolook bij de vordering gegeven is. In het beroepen vonnis onder 4.4 is Isea gelast om:

- op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke kalenderdag dat Isea nalaat

om daaraan te voldoen, met een maximum van € 25.000,-- aan te verbeuren

dwangsommen;

uiterlijk op 1 augustus 2023 te verstrekken aan Eurolook:

- haar verkoop- en debiteurenadministratie uit de periode van 20 juni 2013 tot en

met 17 juli 2019 en uitsluitend betrekking hebbend op de verkopen door Isea

van de MAXILOOK-producten, zodanig dat daaruit volgt hoeveel en voor

welke bedragen bestellingen van transparante beschermingsgordijnen

producten onder de naam MAXILOOK of ISEA CLEAR (of schakels van

deze gordijnen) zijn aanvaard en aan klanten zijn geleverd, en

- voor dezelfde periode van 20 juni 2013 tot en met 17 juli 2019, het bedrag van de

omzet exclusief belasting, gerealiseerd met de verkoop van MAXILOOK- of

ISEA CLEAR-producten (transparante beschermingsgordijnen MAXILOOK

of ISEA CLEAR of schakels en onderdelen van deze gordijnen).

Nu niet gesteld of gebleken is van omstandigheden om de hoogte van de opgelegde dwangsom te wijzigen en bij gebrek van overigens tegen deze beslissing geformuleerde bezwaren, dient het beroepen eindvonnis in zoverre te worden bekrachtigd.

Overigens

Onbestreden is de beslissing van de rechtbank dat Eurolook geen vordering heeft geformuleerd voor een voorschot van € 350.000,-- op de schadevergoeding, terwijl Eurolook een dergelijke vordering in hoger beroep ook niet aan het hof voorlegt.

De slotsom

Nu wat verder nog is aangevoerd geen concrete feiten bevat die anders doen beslissen, passeert het hof wat partijen verder nog te bewijzen aanbieden. De grieven van zowel Isea als Eurolook zijn verworpen en nu ook de terechte proceskostenbeslissingen uit de eerste aanleg niet gemotiveerd zijn bestreden, komt het hof tot de slotsom dat de beroepen vonnissen moeten worden bekrachtigd. Het hof zal, omdat partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld, de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep compenseren, zodat ieder de eigen proceskosten dient te dragen, en beslist nu als volgt.

4. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het beroepen tussenvonnis van 23 februari 2022 en het beroepen eindvonnis van 28 juni 2023;

bepaalt dat elke partij de eigen proceskosten van dit (principaal en incidenteel) hoger beroep draagt;

wijst het in (principaal en incidenteel) hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.B. Smits en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 augustus 2025.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?