ECLI:NL:GHSHE:2025:2308

ECLI:NL:GHSHE:2025:2308, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26-08-2025, 200.340.253_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 26-08-2025
Datum publicatie 07-01-2026
Zaaknummer 200.340.253_01
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Uitleg contractuele borgstelling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.340.253/01

arrest van 26 augustus 2025

in de zaak van

[de B.V.] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. J.E. van Nuland te Maastricht,

tegen

1. [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] , terwijl zij, waar aan de orde, afzonderlijk zullen worden aangeduid als [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] ,

advocaat: mr. P.H.L. Dankers te Heerlen,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 april 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 21 februari 2024 (hierna: het bestreden vonnis), door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/387503/ HA ZA 22-615)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord;

- de akte uitlaten met productie 13 zijdens [appellante] ;

- de antwoordakte zijdens [geïntimeerden] , door hen ook akte uitlaten genoemd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

Waar deze zaak in essentie over gaat

Deze zaak gaat over een borgstelling door [geïntimeerde 1] tegenover [appellante] . Zij maakt deel uit van een overeenkomst tot koop en verkoop van activa die in 2016 is gesloten tussen [appellante] als koper, de vader van [geïntimeerde 1] als verkoper en [geïntimeerde 1] als garant (borg). [geïntimeerde 2] heeft, als echtgenote van [geïntimeerde 1] , de overeenkomst medeondertekend. In de kern vordert [appellante] in deze procedure de nakoming door [geïntimeerde 1] van de borgstelling. Partijen strijden onder meer over de aan de borgstelling te geven uitleg. De rechtbank heeft de uitleg van [geïntimeerden] gevolgd en op die basis de vordering van [appellante] afgewezen. Daartegen is [appellante] in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep van [appellante] slaagt niet. Hierna zal het hof uiteenzetten waarom dat zo is.

De feiten

Geen grief is gericht tegen de feiten zoals deze door de rechtbank zijn vastgesteld in het bestreden vonnis. Het hof zal die feiten in dit hoger beroep daarom ook tot uitgangspunt nemen, zij het met een enkele aanvulling.

a. [appellante] (koper) en [persoon A] (verkoper) hebben op 8 juli 2016 een overeenkomst tot koop en verkoop van activa gesloten (hierna: de overeenkomst). [persoon A] (hierna: vader [geïntimeerde 1] ) was de vader van [geïntimeerde 1] en de schoonvader van [geïntimeerde 2] .

b. Met de overeenkomst heeft vader [geïntimeerde 1] zijn onderneming verkocht aan [appellante] . De koopprijs wordt in artikel 3 van de overeenkomst gerelateerd aan de jaarlijkse omzet over 4 afzonderlijke jaren, gerekend vanaf 1 juli 2016. De koopprijs is dan telkens een percentage van die jaarlijkse omzet, met een maximum. De overeenkomst bevat daarover het volgende:

Artikel 3 Koopprijs

De grondslag van de koopprijs van de Activa van de Onderneming (de “koopprijs”) betreft de thans bestaande omzet van Verkoper, welke omzet door partijen wordt ingeschat op een bedrag van minimaal € 400.000,- per jaar. Partijen gaan ervan uit dat de omvang van de omzet de komende vier jaren tenminste op hetzelfde niveau zal blijven. De maximale Koopprijs bedraagt volgens Partijen de helft van de hiervoor bedoelde omzet en derhalve een bedrag van € 200.000,-. De Koopprijs zal in vier tranches worden uitgekeerd aan Verkoper, zoals hierna nader bepaald wordt.

De eerste tranche van de Koopprijs bedraagt 20% van de gefactureerde en betaalde omzet gemeten per 1 juli 2017 over de periode 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017 met een maximum van € 80.000,-. De eerste tranche van de Koopprijs zal ultimo augustus 2017 door Partijen gezamenlijk worden vastgesteld en aansluitend door Koper aan Verkoper worden voldaan op een door Verkoper aan Koper aan te geven bankrekening. Een en ander met inachtneming van hetgeen hierna is bepaald in artikel 9.1.

De tweede tranche van de koopprijs bedraagt 10% van de gefactureerde en betaalde omzet per 1 juli 2018 gemeten over de periode 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018 met een maximum van € 40.000,-. De tweede tranche van de Koopprijs zal ultimo augustus 2018 door Partijen gezamenlijk worden vastgesteld en aansluitend door Koper aan Verkoper worden voldaan. Een en ander met inachtneming van hetgeen hierna is bepaald in artikel 9.1.

De derde tranche van de Koopprijs bedraagt 10% van de gefactureerde en betaalde omzet per 1 juli 2019 gemeten over de periode 1 juli 2018 tot en met 30 juni 2019 met een maximum van € 40.000,-. De derde tranche van de Koopprijs zal ultimo augustus 2019 door Partijen gezamenlijk worden vastgesteld en aansluitend door Koper aan Verkoper worden voldaan. Een en ander met inachtneming van hetgeen hierna is bepaald in artikel 9.1.

De vierde en laatste tranche van de Koopprijs bedraagt 10% van de gefactureerde en betaalde omzet per 1 juli 2020 gemeten over de periode 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 met een maximum van € 40.000,-. De vierde tranche van de Koopprijs zal ultimo augustus 2020 door Partijen gezamenlijk worden vastgesteld en aansluitend door Koper aan Verkoper worden voldaan. Een en ander met inachtneming van hetgeen hierna is bepaald in artikel 9.1.”

c. In de hiervoor vermelde bepalingen 3.2-3.5 betreffende de koopprijs wordt telkens verwezen naar artikel 9.1 van de overeenkomst. Dat artikel luidt als volgt:

Artikel 9 Betaling openstaande posten en garantstelling

Koper heeft uit hoofde van voor Verkoper verrichte diensten een vordering op Verkoper ter hoogte van een bedrag van € 72,596,52, zoals blijkt uit Bijlage 5. Verkoper zal zich inspannen om deze schuld zo spoedig mogelijk af te lossen. Partijen komen overeen dat indien de hiervoor bedoelde schuld nog niet volledig is afgelost op de betaalmomenten van de tranches van de Koopprijs zoals genoemd in artikelen 3.2 tot en met 3.5, de door Koper te betalen Koopprijs verrekend zal worden met de hiervoor bedoelde vordering van Koper op Verkoper.”

d. [geïntimeerde 1] heeft zich in de overeenkomst van 8 juli 2016 borg gesteld voor de nakoming van de in artikel 9.1 genoemde betalingsverplichting van zijn vader tegenover [appellante] ten bedrage van € 72.596,52 en is met het oog daarop partij geworden bij de overeenkomst. Ook [geïntimeerde 2] heeft, als echtgenote van [geïntimeerde 1] , de overeenkomst medeondertekend. De borgstelling is vastgelegd in artikel 9.2 van de overeenkomst (hierna: de borgstelling). Artikel 9.2 luidt:

“Garant stelt zich tegenover Koper bij wijze van zelfstandige verbintenis onherroepelijk garant voor de nakoming van de hiervoor bedoelde betalingsverplichting van Verkoper jegens Koper. Garant stelt voorts al zijn bestaande en toekomstige vorderingen op Verkoper achter bij de vordering van Koper op Verkoper.”

e. Tussen [appellante] en vader [geïntimeerde 1] is een geschil ontstaan over de hoogte/berekening van de koopprijs en (onder meer) de aanspraak van [appellante] op schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige concurrentie door vader [geïntimeerde 1] . Dat geschil is inzet geweest van een procedure tussen [appellante] en vader [geïntimeerde 1] bij de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, onder zaak- en rolnummer C/01/334505 / HA ZA 18-353 (hierna: de eerdere procedure). Vader [geïntimeerde 1] is lopende de eerdere procedure overleden.

f. Bij brief van 21 januari 2020 hebben [geïntimeerden] primair de nietigheid van de borgstelling ingeroepen, subsidiair hebben zij de borgstelling vernietigd en meer subsidiair hebben zij de borgstelling met onmiddellijke ingang opgezegd dan wel ingetrokken.

g. Bij brief van 24 januari 2020 heeft [appellante] aan [geïntimeerden] bericht dat zij zich met de stellingname van [geïntimeerden] in de brief van 21 januari 2020 niet verenigt.

h. Bij vonnis van 21 september 2022 heeft de rechtbank in de eerdere procedure, zakelijk weergegeven voor zover hier van belang, de overeenkomst geldig geoordeeld, vader [geïntimeerde 1] schadeplichtig geoordeeld wegens onrechtmatige concurrentie en de vereffenaars van de nalatenschap van vader [geïntimeerde 1] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 259.536,27. De rechtbank is tot dat bedrag gekomen door vast te stellen dat vader [geïntimeerde 1] aan [appellante] een schadevergoeding verschuldigd was van € 354.000,27, en daarmee een bedrag van € 94.464,00 te verrekenen. Laatstgenoemd bedrag was volgens de rechtbank de koopsom die [appellante] nog verschuldigd was aan vader [geïntimeerde 1] uit hoofde van de overeenkomst. Daarbij baseerde de rechtbank zich op de berekeningen van de in de eerdere procedure door de rechtbank als deskundige benoemde [persoon B] (hierna: de deskundige), zoals opgenomen in de brief van de deskundige aan de rechtbank van 22 maart 2022.

i. Bij dagvaarding van 23 november 2022 heeft [appellante] het onderhavige geding aanhangig gemaakt.

De procedure bij de rechtbank

In de procedure bij de rechtbank heeft [appellante] gevorderd (enigszins verkort weergegeven):

1. voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] de overeenkomst, waarin [geïntimeerde 1] zich tot borg gesteld heeft jegens [appellante] voor de nakoming van de betalingsverplichtingen van vader [geïntimeerde 1] , niet rechtsgeldig hebben vernietigd;

2. [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling aan [appellante] van € 72.596,52, met rente;

3. [geïntimeerden] te veroordelen in de proceskosten, met rente.

[geïntimeerden] hebben verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna worden ingegaan, voor zover het in hoger beroep van belang is.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten, met rente.

Het hoger beroep

[appellante] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en het alsnog toewijzen van de vorderingen van [appellante] met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, met rente.

[geïntimeerden] hebben de grieven van [appellante] bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellante] in het hoger beroep respectievelijk bekrachtiging van het bestreden vonnis, eventueel onder aanvulling dan wel verbetering van gronden, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de beide instanties, met inbegrip van nakosten.

De grieven van [appellante] slagen niet. Het hof zal hierna uiteenzetten waarom dat zo is. De uitkomst zal zijn dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en dat [appellante] zal worden veroordeeld in de proceskosten op de wijze zoals opgenomen in het laatste deel van dit arrest, het zogenoemde dictum.

De bespreking van de grieven

In de kern richten de grieven van [appellante] zich alle tegen de uitleg die de rechtbank heeft gegeven aan de hiervoor in rechtsoverweging 3.1 onder c en onder d weergegeven artikelen 9.1 en 9.2 van de overeenkomst, en de gevolgen die de rechtbank aan die uitleg verbindt. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof overweegt als volgt.

Op grond van hetgeen aan de orde is gekomen tijdens de mondelinge behandeling in de procedure bij de rechtbank (proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 6 februari 2024, pagina 2) staat tussen partijen vast dat op grond van het bepaalde in artikel 9.2 van de overeenkomst [geïntimeerde 1] zich tegenover [appellante] tot borg heeft gesteld voor de verplichting van (de nalatenschap van) vader [geïntimeerde 1] tegenover [appellante] tot betaling van het in artikel 9.1 van de overeenkomst genoemde bedrag van € 72.569,52 wegens voor vader [geïntimeerde 1] verrichte diensten (zie ook hiervoor rechtsoverweging 3.1 onder d). Tussen partijen is in geschil of [appellante] , onder de omstandigheden die in deze zaak aan de orde zijn en de uitleg die aan de contractuele borgstellingsregeling moet worden gegeven, tegenover [geïntimeerde 1] nog een beroep toekomt op de borgstelling van artikel 9.2 van de overeenkomst. Volgens [appellante] is dat het geval. [geïntimeerden] bestrijden dat.

Ter onderbouwing van haar standpunt betoogt [appellante] , zakelijk samengevat, het volgende.

De rechtbank heeft zich bij de uitleg van artikel 9.2 ten onrechte gebaseerd op de stelling van [geïntimeerden] dat [geïntimeerde 1] slechts een beperkt risico zou lopen. De contractueel vastgelegde betrokkenheid van [geïntimeerde 1] als borg was juist een uitvloeisel van het risico dat vader [geïntimeerde 1] de schuld die hij had aan [appellante] als bedoeld in artikel 9.1 van de overeenkomst, niet zou voldoen. De afspraak die [appellante] en [geïntimeerde 1] met elkaar hebben gemaakt, is dat [geïntimeerde 1] garant zou staan voor de betalingsverplichting van vader [geïntimeerde 1] , en niet dat de borgstelling pas aan de orde zou zijn als verrekening niet meer aan de orde was. Daartoe wijst [appellante] ook op de titel van artikel 9 van de overeenkomst: ‘betaling openstaande posten en garantstelling’.

De borgstelling - een zelfstandige verbintenis met een eigen inhoud - kan niet anders worden uitgelegd dan dat [geïntimeerde 1] de schuld van vader [geïntimeerde 1] zou voldoen als deze niet door vader [geïntimeerde 1] bevrijdend werd betaald of werd verrekend met de uit de overeenkomst voortvloeiende koopsom, zo voert [appellante] verder aan. De borgstelling van artikel 9.2 is niet gekoppeld aan de verrekening die is opgenomen in artikel 9.1 zodat de borgstelling ook aan de orde kan zijn voor zover er geen verrekening heeft plaatsgevonden dan wel verrekening op andere wijze dan is overeengekomen in artikel 9.1.

De uit de overeenkomst voortvloeiende koopsom, zoals bepaald op basis van het deskundigenbericht in de eerdere procedure, is niet hoger dan de schuld; zij is nog nihil. Voor zover op [appellante] uit hoofde van de koopsom een betalingsverplichting rust tegenover (de nalatenschap van) vader [geïntimeerde 1] is deze tenietgegaan door verrekening met de door (de nalatenschap van) vader [geïntimeerde 1] aan [appellante] te betalen schadevergoeding wegens de door vader [geïntimeerde 1] jegens [appellante] gepleegde onrechtmatige concurrentie. De rechtbank is bovendien buiten de rechtsstrijd van partijen getreden voor zover haar oordeel zo moet worden begrepen dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om [geïntimeerde 1] aan te spreken nu de door [appellante] aan vader [geïntimeerde 1] verschuldigde koopsom op andere wijze is verrekend dan hetgeen volgt uit het bepaalde in artikel 9.1 van de overeenkomst.

Het hof volgt het betoog van [appellante] niet. De redenen daarvoor zijn de volgende.

De toepasselijke uitlegmaatstaf

Het hof stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak de vraag wat partijen met (een) bepaald(e) beding(en) in een tussen hen tot stand gekomen overeenkomst zijn overeengekomen niet kan worden beantwoord enkel op grond van een (zuiver) taalkundige uitleg van de bewoordingen van het desbetreffende beding. Steeds komt het - overeenkomstig de in artikel 3:33 en 3:35 BW neergelegde wilsvertrouwensleer - aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten; daarbij kan van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). In het algemeen kunnen ook omstandigheden in de uitvoeringsfase van de overeenkomst medebepalend zijn voor de uitleg van een daarin opgenomen beding (HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741). Concreet betekent dit voor deze zaak dat om vast te stellen wat partijen met de in geschil zijnde borgstellingsbepaling van artikel 9.2 zijn overeengekomen, moet worden nagegaan, in het licht van de omstandigheden van deze zaak, wat met het oog op die borgstellingsbepaling de zin is die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

De uitleg van de borgstelling, gelet op haar bewoordingen en de verdere contractuele context

Over de uitleg van de borgstelling van artikel 9.2 van de overeenkomst hebben [geïntimeerden] betoogd, zakelijk weergegeven, dat zij deze bij het aangaan ervan zo hebben begrepen, mede gelet op de erin gebruikte bewoordingen en hetgeen daaruit evident blijkt ook wat betreft de samenhang met het bepaalde in artikel 9.1 van de overeenkomst, dat zij op grond daarvan tegenover [appellante] pas financieel zouden hoeven bijspringen als vader [geïntimeerde 1] de in artikel 9.1 genoemde vordering wegens verrichte diensten ter grootte van ruim € 72.569,52 niet zelf zou voldoen en verrekening met de koopsom geheel of gedeeltelijk niet mogelijk zou blijken. Naar het oordeel van het hof brengen de omstandigheden in deze zaak mee dat de door [geïntimeerden] bepleite uitleg dient te worden gevolgd. Daarvoor acht het hof het volgende van belang.

Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat de overeenkomst door de advocaat van [appellante] is opgesteld en voor het eerst in concept aan [geïntimeerden] is voorgelegd op 7 juli 2016, dus één dag voor de ondertekening van de overeenkomst. Niet gesteld of gebleken is dat partijen over de borgstelling van artikel 9.2 hebben onderhandeld. Verder staat als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken vast dat [geïntimeerden] in de aanloop naar en ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst en de daarin opgenomen borgstelling, geen bijstand van een advocaat hadden. Door [appellante] is weliswaar bij herhaling gesteld, onder verwijzing naar haar in de procedure bij de rechtbank overgelegde producties 9 en 10, dat [geïntimeerden] wel (professioneel) werden bijgestaan (door een advocaat), maar die producties als zodanig geven daarover geen duidelijkheid. Productie 9 bevat een veelheid aan tussen diverse betrokkenen, waaronder [geïntimeerde 1] , gewisselde e-mailberichten op 8 en 10 juli 2016, dus kort vóór en na de ondertekening van de overeenkomst, maar zonder dat daaruit duidelijk blijkt dát [geïntimeerden] (professioneel) werden bijgestaan (door een advocaat) en door wie dan precies. Het had op de weg van [appellante] gelegen om dat concreet te verduidelijken. Het hof gaat er daarom aan voorbij. Ook productie 10 vormt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen onderbouwing van de stelling van [appellante] dat [geïntimeerden] (professioneel) werden bijgestaan (door een advocaat).

Onder de zojuist besproken omstandigheden komt naar het oordeel van het hof bij de uitleg van de borgstelling van artikel 9.2 van de overeenkomst groot gewicht toe aan de bewoordingen waarin zij is gesteld, bezien vanuit de verdere context van de overeenkomst, en de redelijke verwachtingen die [geïntimeerden] daaraan mochten ontlenen omtrent de betekenis en reikwijdte van de borgstelling. Duidelijkheidshalve citeert het hof hier nogmaals de borgstelling zoals opgenomen in artikel 9.2:

“Garant [ [geïntimeerde 1] , toevoeging hof] stelt zich tegenover Koper [ [appellante] , toevoeging hof] bij wijze van zelfstandige verbintenis onherroepelijk garant voor de nakoming van de hiervoor bedoelde betalingsverplichting van Verkoper [vader [geïntimeerde 1] , toevoeging hof] jegens Koper. (…).”

Afgaande op deze bewoordingen gaat het om een (onherroepelijke) borgstelling “voor de nakoming van de hiervoor bedoelde betalingsverplichting van vader [geïntimeerde 1] tegenover [appellante] ”. Zoals hiervoor (in rechtsoverweging 3.9) is overwogen, staat tussen partijen vast dat het daarbij gaat om de in artikel 9.1 genoemde verplichting van (de nalatenschap van) vader [geïntimeerde 1] tegenover [appellante] tot betaling van een bedrag van € 72.569,52 wegens voor vader [geïntimeerde 1] verrichte diensten.

De verdere context voor de verwachtingen die [geïntimeerden] redelijkerwijs mochten hebben omtrent de betekenis en reikwijdte van de borgstelling van artikel 9.2 wordt geboden door hetgeen in artikel 9.1 is bepaald. Duidelijkheidshalve citeert het hof hier ook nogmaals die bepaling:

“Koper heeft uit hoofde van voor Verkoper verrichte diensten een vordering op Verkoper ter hoogte van een bedrag van EUR 72.596,52, zoals blijkt uit Bijlage 5. Verkoper zal zich inspannen om deze schuld zo spoedig mogelijk af te lossen. Partijen komen overeen dat indien de hiervoor bedoelde schuld nog niet volledig is afgelost op de betaalmomenten van de tranches van de Koopprijs zoals genoemd in de artikelen 3.2 tot en met 3.5, de door Koper te betalen Koopprijs verrekend zal worden met de hiervoor bedoelde vordering van Koper op Verkoper.”

Gelet op de in artikel 9.1 gebruikte bewoordingen dient het daarin bepaalde met betrekking tot de vordering waarvoor [geïntimeerde 1] zich op grond van artikel 9.2 borg heeft gesteld, redelijkerwijs zo te worden begrepen dat op grond daarvan voorop stond dat vader [geïntimeerde 1] zijn best zou om de schuld aan [appellante] van € 72.596,52 zo spoedig mogelijk zelf af te lossen. Verder dient hetgeen in artikel 9.1 is overeengekomen redelijkerwijs zo te worden begrepen dat wanneer vader [geïntimeerde 1] daarin niet of maar gedeeltelijk zou zijn geslaagd op de betaalmomenten van de tranches van de koopprijs zoals bedoeld in de artikelen 3.2 tot en met 3.5 van de overeenkomst, de door [appellante] aan vader [geïntimeerde 1] te betalen koopprijs zal worden verrekend met de vordering van [appellante] op vader [geïntimeerde 1] ter grootte van € 72.569,52. Gelet daarop mochten [geïntimeerden] naar het oordeel van het hof redelijkerwijs verwachten dat hetgeen was overeengekomen inhield dat, voor zover op de hiervoor bedoelde betaalmomenten van de diverse tranches van de koopprijs de vordering van [appellante] op vader [geïntimeerde 1] wegens verrichte diensten nog geheel of gedeeltelijk onvoldaan zou zijn gebleven, de door [appellante] eventueel aan vader [geïntimeerden] te betalen (tranches van de) koopprijs zouden worden aangewend voor verrekening met die vordering, en niet voor verrekening met een eventuele andere vordering van [appellante] op vader [geïntimeerde 1] .

Het voorgaande wordt niet anders doordat artikel 9.2 bepaalt dat [geïntimeerde 1] de borgstelling bij wijze van zelfstandige verbintenis is aangegaan. [appellante] betoogt daarover in feite slechts dat [geïntimeerde 1] zodoende “een niet-accessoire verbintenis op zich [heeft] genomen met een eigen, andere inhoud” (memorie van grieven, randnummer 20). [appellante] laat echter na concreet toe te lichten wat volgens haar die “eigen, andere inhoud” van de verbintenis is, terwijl zij ook nalaat toe te lichten wat de relevantie is van haar stelling dat de borgstelling een “niet-accessoire” verbintenis zou zijn. Dit betoog van [appellante] kan dan ook niet gelden als een grief, althans niet een voldoende kenbare grief, tegen het door de rechtbank in het bestreden vonnis gehanteerde uitgangspunt dat sprake is van een borgtocht. Daarbij betrekt het hof dat haar raadsman tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat zijns inziens sprake is van een borgstelling (proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 6 februari 2024, pagina 2) en dat [geïntimeerden] het betoog ook niet hebben opgevat als een grief tegen dat uitgangspunt van de rechtbank (memorie van antwoord, randnummer 24). Daarvan uitgaande, wordt ook het bepaalde in artikel 7:851 lid 1 BW van belang: de borgtocht is afhankelijk van de verbintenis van de hoofdschuldenaar waarvoor zij is aangegaan. Hier is de ‘verbintenis van de hoofdschuldenaar waarvoor zij is aangegaan’ de vordering van [appellante] op vader [geïntimeerde 1] ten bedrage van € 72.569,52 wegens verrichte diensten en de borgtocht is dus daarvan afhankelijk, en dat dan naar het oordeel van het hof in de vorm en op de voorwaarden zoals in artikel 9.1 vastgelegd en hiervoor is uiteengezet.

Vaststaat dat vader [geïntimeerde 1] op de betaalmomenten van de uit de artikelen 3.2 tot en met 3.5 van de overeenkomst voortvloeiende tranches van de koopprijs zijn schuld aan [appellante] van € 72.569,52 wegens verrichte diensten nog niet had voldaan. Ook staat vast dat [appellante] uit hoofde van de in de overeenkomst neergelegde transactie uiteindelijk een koopprijs verschuldigd was van ruim meer dan het bedrag van de hiervoor bedoelde schuld van vader [geïntimeerde 1] aan [appellante] . Op grond van de hiervoor uiteengezette redelijke uitleg van de borgstelling van artikel 9.2 in combinatie met het bepaalde in artikel 9.1 heeft in de verhouding tussen [appellante] en [geïntimeerden] te gelden dat de vordering van [appellante] op vader [geïntimeerde 1] ter grootte van € 72.569,52 moet worden geacht te zijn verrekend met het bedrag van de door [appellante] aan vader [geïntimeerde 1] verschuldigde koopprijs. Daaraan kan niet afdoen dat de rechtbank in de eerder tussen [appellante] en (de nalatenschap van) vader [geïntimeerde 1] gevoerde procedure aanleiding heeft gezien het bedrag van de koopprijs te verrekenen met een andere vordering van [appellante] op (de nalatenschap van) vader [geïntimeerde 1] , te weten die ter zake van schadevergoeding wegens onrechtmatige concurrentie.

De slotsom

Het voorgaande voert tot de conclusie dat de grieven van [appellante] niet slagen. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Het betekent ook dat de andere verweren die [geïntimeerden] in dit geding tegen de vordering van [appellante] hebben opgeworpen, geen behandeling meer behoeven. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen.

Het hof zal [appellante] veroordelen in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] , welke worden begroot op:

- griffierecht € 798,00

- salaris advocaat € 3.319,50 (1,5 punt maal tarief IV)

- nakosten € 178,00 (plus de verhoging die in de beslissing is vermeld)

Totaal € 4.295,50

Het hof zal voorts bepalen dat dit bedrag aan kosten moet worden vermeerderd met de wettelijke rente, zij het op de wijze zoals in het dictum zal zijn bepaald.

Voor het veroordelen van [appellante] ook in de kosten van de procedure bij de rechtbank, zoals in hoger beroep gevorderd, ziet het hof geen plaats omdat de rechtbank in het bestreden vonnis al een kostenveroordeling heeft uitgesproken.

4. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] ten bedrage van € 4.295,50, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als [appellante] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,- en de kosten van betekening;

te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien voldoening uitblijft, gerekend vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest;

verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling onder 4.2 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.E.L.J.C. Verbunt, E.H. Schulten en Chr.F. Kroes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 augustus 2025.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?