GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.342.612/01
arrest van 26 augustus 2025
in de zaak van
VGZ Zorgverzekeraar N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
appellante,
hierna aan te duiden als VGZ,
advocaat: mr. H.A. Bravenboer te Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde],
advocaat: voorheen mr. J. Jansen te Venlo, nu zonder advocaat,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 13 augustus 2024 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 10760916 \ CV EXPL 23-5190 gewezen vonnis van 28 februari 2024.
5. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de op de rol van 21 januari 2025 genomen memorie van grieven met eiswijziging.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovengenoemde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
6. De beoordeling
In 2.1. van het bestreden vonnis heeft de rechtbank feiten vastgesteld. Deze feiten (voor zover relevant en niet betwist) vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Hieronder volgt een overzicht.
Partijen hebben in 2006 een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten.
Op grond daarvan is [geïntimeerde] aan VGZ onder meer premies en door VGZ voorgeschoten en voor rekening van [geïntimeerde] komende zorgkosten (eigen risico, eigen bijdrage) verschuldigd.
De procedure bij de rechtbank
In de procedure bij de rechtbank heeft VGZ aangevoerd dat zij in totaal € 11.244,39 te vorderen heeft van [geïntimeerde]. Dit bedrag bestaat uit een hoofdsom van € 8.518,61, vermeerderd met rente, kosten en BTW over de kosten. VGZ heeft echter haar vordering beperkt. Kort samengevat heeft zij gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over de openstaande hoofdsom van € 8.518,61 vanaf 11 augustus 2023. Verder heeft zij veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten gevorderd. VGZ heeft haar recht voorbehouden om ook betaling van het restant van haar totale vordering in te vorderen.
Aan haar vordering van € 2.500,-- heeft VGZ, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Op grond van de zorgverzekeringsovereenkomst en de Zorgverzekeringswet moet [geïntimeerde] premie aan VGZ betalen. Hij heeft een achterstand in betaling daarvan. Verder heeft VGZ zorgkosten voor [geïntimeerde] betaald. Deze behoren tot het eigen risico en/of de door [geïntimeerde] te betalen eigen bijdrage. VGZ heeft [geïntimeerde] verzocht de bedragen die tot zijn eigen risico en/of eigen bijdrage behoren, te betalen. Ook hier is er sprake van een achterstand aan de kant van [geïntimeerde].
VGZ heeft het totaal aan volgens haar bestaande achterstand nader onderbouwd in productie 5 bij conclusie van repliek.
[geïntimeerde] heeft erweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, hierna of in een latere uitspraak aan de orde komen.
In het bestreden eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat VGZ het bedrag dat [geïntimeerde] nog aan haar moet betalen, niet goed heeft berekend. Volgens de kantonrechter is er geen sprake van een schuld van [geïntimeerde] aan VGZ. Op grond daarvan heeft de kantonrechter de vordering van VGZ afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.
De procedure in hoger beroep
Het hof heeft na ontvangst van de dagvaarding van VGZ in hoger beroep, een mondelinge behandeling na aanbrengen bepaald. Die zitting was met name bedoeld om te onderzoeken of een minnelijke oplossing tussen partijen kon worden bereikt. Op de zitting van 7 oktober 2024 zijn alleen VGZ en haar advocaat mr. Bravenboer verschenen (hof: in het proces-verbaal is foutief vermeld dat mr. J. Jansen, de toenmalige advocaat van [geïntimeerde], is verschenen). [geïntimeerde] en zijn toenmalige advocaat zijn niet verschenen. Daarom was het niet mogelijk de zaak met partijen te bespreken.
Op 7 januari 2025 heeft het hof vernomen dat de toenmalige advocaat van [geïntimeerde] zich onttrok aan de procedure. Op de rol van 21 januari 2025 heeft de toenmalige advocaat van [geïntimeerde] zich onttrokken en medegedeeld dat zij [geïntimeerde] heeft geïnformeerd en gewezen op de gevolgen hiervan. Het hof heeft [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld zich in de procedure te laten vertegenwoordigen door een nieuwe advocaat. Er heeft zich geen nieuwe advocaat voor [geïntimeerde] gesteld.
VGZ heeft op 21 januari 2025 haar memorie van grieven genomen. Zij voert daarin twee grieven aan en concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en het alsnog toewijzen van haar vorderingen. Daarnaast heeft zij in haar memorie van grieven haar eis vermeerderd. Die vermeerdering betekent dat zij in plaats van een bedrag van € 2.500,-- (plus wettelijke rente) een bedrag van € 9.609,53 (plus wettelijke rente) vordert. Het bedrag van € 9.609,53 bestaat uit een hoofdsom van € 8.641,94, vermeerderd met incassokosten en BTW over de incassokosten.
Op grond van artikel 130 lid 3 Rv is de eiser niet bevoegd haar eis te veranderen of te vermeerderen indien de gedaagde niet in het geding is verschenen, tenzij de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan de gedaagde bekend is gemaakt. De reden voor deze bepaling is dat moet worden vermeden dat een gedaagde tot iets wordt veroordeeld waarvan hij niet weet en niet kan weten dat en waarom het is gevorderd (HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7319). Naar het oordeel van het hof is de situatie in de zaak tussen VGZ en [geïntimeerde] niet wezenlijk anders dan het geval bedoeld in artikel 130 lid 3 Rv. Weliswaar is [geïntimeerde] in het geding verschenen, maar zijn advocaat heeft zich aan de zaak onttrokken voordat de memorie van grieven met daarin de eisvermeerdering werd genomen. Aangezien zich voor [geïntimeerde] geen nieuwe advocaat heeft gesteld, moet het ervoor worden gehouden dat [geïntimeerde] niet op de hoogte is van genoemde eisvermeerdering. Uit de stukken blijkt in ieder geval niet dat hij daarmee wel bekend is. Het hof is van oordeel dat in deze zaak de eisen van een goede procesorde meebrengen dat VGZ de eiswijziging aan [geïntimeerde] moet betekenen. Het hof ziet daartoe aanleiding gelet op:
het door [geïntimeerde] in eerste aanleg gevoerde verweer (betalingsonmacht),
zijn hoedanigheid, en
de beperking van de vordering in eerste aanleg, waarop VGZ nu is teruggekomen en waarvan moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] daarmee niet bekend is.
Het hof zal VGZ in de gelegenheid stellen haar memorie van grieven tevens akte tot vermeerdering van eis, aan [geïntimeerde] te betekenen. Op de onder 7. vermelde roldatum dient VGZ stukken hierover in het geding brengen. Daaruit dient te blijken dat zij deze betekening tijdig, dat wil zeggen met inachtneming van de dagvaardingstermijn tot aan genoemde roldatum, heeft gedaan. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
Ten slotte overweegt het hof nog als volgt.
In haar dagvaarding in eerste aanleg (pag. 4) vermeldt VGZ dat zij haar vordering beperkt tot € 2.500,-- ter voorkoming van een hoger bedrag aan griffierechten voor [geïntimeerde]. VGZ licht daarbij verder toe dat zij met die dagvaarding (en een toewijzend vonnis) de ernst van de situatie aan [geïntimeerde] duidelijk wil maken. VGZ spreekt daarbij de hoop uit dat [geïntimeerde] alsnog met (de gemachtigde van) VGZ in contact zal treden om een acceptabele totaaloplossing te vinden.
In lijn daarmee geeft het hof beide partijen in overweging om in plaats van betekening van de eiswijziging en voortzetting van dit hoger beroep, te proberen alsnog een minnelijke en haalbare betalingsregeling te treffen.
7. De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak:
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, M. van Ham en C.M. Salemans en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 augustus 2025.
griffier rolraadsheer