ECLI:NL:GHSHE:2025:2310

ECLI:NL:GHSHE:2025:2310, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26-08-2025, 200.344.548_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 26-08-2025
Datum publicatie 07-01-2026
Zaaknummer 200.344.548_01
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Tekortgeschoten in nakoming aannemingsovereenkomst bij aanleggen tegelpad.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.344.548/01

arrest van 26 augustus 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. T.J.K. van Santen te Amsterdam,

tegen

Grondverzet [XXX] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. D. Bercx te Nijmegen,

op het bij exploot van dagvaarding van 30 juli 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 12 juni 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10729617/ CV EXPL 23-4762)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

Feiten

In overweging 2.1 tot en met 2.8 heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal deze feiten hierna weergeven, vernummerd tot rov. 3.2.1 tot en met 3.2.8 en voorzien van een enkel aanvulling.

[geïntimeerde] drijft een onderneming die zich bezighoudt met grondverzet, bestrating,

sloop en overige werkzaamheden op het gebied van grondwerkzaamheden.

[geïntimeerde] heeft op 7 december 2019 aan [appellant] een offerte uitgebracht voor onder andere het uitvoeren van grondwerken, het leveren en plaatsen van keerwanden en de aanleg van een drainagesysteem in de tuin bij de nieuwbouwwoning van [appellant] . Partijen hebben vervolgens op basis van deze offerte een aannemingsovereenkomst gesloten.

De werkzaamheden zijn in het tweede kwartaal van 2020 uitgevoerd. [appellant] heeft de twee facturen die [geïntimeerde] voor het werk heeft gestuurd, betaald. Het gaat om bedragen van € 11.397,60 en € 2.202,20.

Nadat [geïntimeerde] klaar was met het werk, heeft [persoon A] , handelend onder de naam “ [handelsnaam] ”, een tegelterras achter het huis aangelegd met aansluitend aan dat terras een tegelpad langs de rechterzijde van het huis.

In juni 2020 heeft [appellant] bij [geïntimeerde] geklaagd over verzakkingen in het tegelpad. In het najaar van 2020 heeft [geïntimeerde] de tegels opnieuw gelegd. Het betonbed waarin de tegels lagen, is daarbij opnieuw aangebracht en verdicht. Er zijn geen aanpassingen geweest aan de ondergrond.

In februari 2021 heeft [appellant] zich opnieuw tot [geïntimeerde] gewend met opnieuw klachten over verzakking van hetzelfde tegelpad. [appellant] heeft opnieuw om herstel gevraagd. [geïntimeerde] is daar niet op ingegaan, ook niet nadat hij in gebreke is gesteld.

[appellant] heeft een deskundige ingeschakeld om de oorzaak en de omvang van de schade te onderzoeken en vast te stellen. [geïntimeerde] was bij dit onderzoek aanwezig. De deskundige komt in zijn rapport tot de conclusie dat is nagelaten de aangebrachte leem- c.q. kleihoudende grond laagsgewijs te verdichten, waardoor deze, in combinatie met de grotere hoogte waarover is aangevuld, niet geschikt is om te dienen als ondergrond voor bestratingen, omdat dit leidt tot verzakkingen. De deskundige begroot de kosten van herstel op een bedrag van € 14.064,68.

[geïntimeerde] is bij brief van 6 december 2022 (nogmaals) in de gelegenheid gesteld tot herstel als aangegeven in het deskundigenrapport. [geïntimeerde] is daartoe niet overgegaan, waarna [appellant] bij brief van 28 december 2022 zijn vordering tot nakoming van de overeenkomst heeft omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding.

De procedure bij de kantonrechter

In eerste aanleg vorderde [appellant] - verkort weergegeven - veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van:

€ 14.064,68 aan (vervangende) schadevergoeding, te vermeerderen met een inflatiecorrectie en prijsverhogingen n.a.v. de stijging van de grondstofprijzen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 15 mei 2023, althans de dag van dagvaarding, tot de dag der voldoening;

€ 915,65 aan buitengerechtelijke kosten;

€ 802,05 aan deskundigenkosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 6 december 2022 tot aan de dag der voldoening;

de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] geen deugdelijk werk heeft geleverd, gezien de conclusie in het deskundigenrapport. [geïntimeerde] is met de nakoming van de overeenkomst in verzuim. [appellant] heeft na het uitbrengen van de omzettingsverklaring op die grond recht op vervangende schadevergoeding, aldus [appellant] .

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

In het vonnis van 12 juni 2024 heeft de kantonrechter van de rechtbank Limburg de vordering van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.

De procedure in hoger beroep

[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen met dien verstande dat in hoger beroep zijn eis is verminderd. Aan (vervangende) schadevergoeding vordert [appellant] een bedrag van € 7.351,86 (in plaats van€ 14.064,68), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2023, althans vanaf de dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering tot vermeerdering van dit bedrag met inflatiecorrectie en prijsverhogingen heeft [appellant] ingetrokken. Daarnaast vordert [appellant] in hoger beroep aan buitengerechtelijke kosten € 742,59 (in plaats van € 915,65). De overige vorderingen heeft hij gehandhaafd met een proceskostenveroordeling in beide instanties.

[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep.

Het hof ziet aanleiding om de grieven gezamenlijk behandelen, nu deze er in de kern op neerkomen dat de vordering in volle omvang opnieuw ter beoordeling aan het hof wordt voorgelegd. Ter toelichting betoogt [appellant] dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder de aannemingsovereenkomst. Volgens [appellant] wist [geïntimeerde] , althans had zij moeten begrijpen dat er door [appellant] een tegelpad zou worden aangelegd, onder meer omdat in de offerte ‘bestrating’ staat vermeld. Door [geïntimeerde] is bij de uitvoering van de werkzaamheden de aangebrachte grond niet laag voor laag aangetrild, terwijl zij als professioneel handelend grondverzet-/tuiniersbedrijf wist dat de grond nog zou inklinken. [appellant] is hierover niet geïnformeerd. Hierdoor is [geïntimeerde] aansprakelijk voor de door [appellant] geleden schade, aldus nog steeds [appellant] .

Het hof stelt het volgende voorop. Tussen partijen is niet in geschil dat partijen in december 2019 een overeenkomst van aanneming hebben gesloten ter zake het uitvoeren door [geïntimeerde] van grondwerken, het leveren en plaatsen van keerwanden en de aanleg van een drainagesysteem in de tuin bij de nieuwbouwwoning van [appellant] . Om te kunnen beoordelen of [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst is het allereerst van belang om vast te stellen wat partijen hebben afgesproken. Dit dient te geschieden aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf. Daarbij is niet alleen een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract van belang, maar ook de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Naar het oordeel van het hof leidt toepassing van de hierboven vermelde Haviltex-maatstaf tot de vaststelling dat [appellant] mocht verwachten dat [geïntimeerde] haar werk zo zou opleveren dat de ondergrond geschikt zou zijn voor het aanleggen van een tegelpad. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.

In de bijlage bij de offerte van [geïntimeerde] van 3 december 2019 staat vermeld: “Leveren en verwerken korrel mix dikte 40 cm gem onder bestrating”. De offerte met bijlage heeft [appellant] geaccepteerd en de vraag is wat onder de term ‘bestrating’ moet worden verstaan. Volgens de Van Dale wordt hieronder verstaan: straatstenen. [appellant] heeft betoogd dat hieronder dan ook tegels vallen. [geïntimeerde] heeft namens [geïntimeerde] in hoger beroep aangegeven dat het een term is die standaard wordt gebruikt. Onder deze term vallen volgens hem niet alleen tegels maar bijvoorbeeld ook grind.

Naar het oordeel van het hof is het aan [geïntimeerde] om duidelijk aan te geven waaruit haar werkzaamheden bestaan. Als zij in de offerte melding maakt van het door haar verrichte werk “onder bestrating” dan mag [appellant] ervan uitgaan dat het werk geschikt is om daarop tegels te laten aanbrengen. Dat volgens [geïntimeerde] onder de term ‘bestrating’ ook grind kan vallen, maakt het voorgaande niet anders. Er is niet gesteld of gebleken dat [appellant] [geïntimeerde] heeft medegedeeld dat door hem grind zou worden aangebracht op het tuinpad. Dat [geïntimeerde] betwist dat op voorhand is gesproken met de tegelzetter is voor de beoordeling niet van belang. Het hof betrekt daarbij de omstandigheid dat [appellant] een consument is die bij de uitvoering van de werkzaamheden door [geïntimeerde] mag vertrouwen op de deskundigheid en professionaliteit van [geïntimeerde] aangezien zij een onderneming exploiteert die zich bezighoudt met grondverzet, bestrating, sloop en overige werkzaamheden op het gebied van grondwerkzaamheden (zie 3.2.1). Van een dergelijke onderneming mag worden verondersteld dat zij bekend is met het inklinken van aarde nadat deze is aangebracht, zodat het op haar weg ligt om ervoor zorg te dragen dat de ondergrond bij oplevering voldoende geschikt is voor het aanbrengen van ‘bestrating’, nu daaronder ook valt het aanbrengen van een tegelpad.

Nu is vastgesteld aan welke eisen het werk van [geïntimeerde] moest voldoen, staat eveneens vast dat het werk van [geïntimeerde] niet aan deze eisen voldeed. [geïntimeerde] heeft immers niet betwist dat zij de grond niet laag voor laag verdicht heeft aangebracht en heeft nagetrild. Ter zitting in eerste aanleg heeft [geïntimeerde] verklaard: “Als bekend was geweest dat er bestraat zou worden, dan was er gezegd dat het zo niet kon.” Dit betekent dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst.

Dit blijkt eveneens uit het door [appellant] overgelegde inspectierapport van [YYY] Bouwadvies van 6 december 2022: de verzakkingen op het tegelpad van [appellant] zijn het gevolg van het niet verdichten en natrillen van de grond door [geïntimeerde] . Daarmee staat vast dat de door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden niet voldeden en tevens dat daardoor de verzakking is veroorzaakt. Hiermee is aldus het causaal verband gegeven tussen de tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en de door [appellant] dientengevolge geleden schade. Dit leidt tot de conclusie dat de grieven slagen nu naar het oordeel van het hof [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden schade. Hetgeen [appellant] verder ten grondslag heeft gelegd aan zijn vordering, behoeft gelet op de voorgaande conclusie geen bespreking meer. Vanwege het namens [appellant] bij brief van 6 december 2022 aangezegde verzuim en de daarna op 28 december 2022 uitgebrachte omzetting van zijn vordering tot nakoming in een vordering tot vervangende schadevergoeding zal het hof moeten oordelen in hoeverre deze vordering tot vervangende schadevergoeding toewijsbaar is.

[appellant] grondt zijn vordering op artikel 6:87 BW en wenst vervangende schadevergoeding. Op het moment dat de omzettingsverklaring [geïntimeerde] heeft bereikt, verkeerde [geïntimeerde] reeds in verzuim en is de oorspronkelijke verbintenis, het alsnog correct nakomen van de overeenkomst, omgezet in een verbintenis tot betaling van vervangende schadevergoeding. De omvang van deze schadevergoeding wordt bepaald aan de hand van de objectieve waarderingsmethode, waarbij wordt uitgegaan van de vervangingswaarde in het economisch verkeer. Het gaat in dit geval om de vermogensvermindering die ten tijde van de niet-nakoming door [appellant] is geleden ten opzichte van de situatie waarin hij zou zijn geraakt bij behoorlijke nakoming van de verbintenis.

In het door [appellant] overgelegde deskundigenbericht begroot de deskundige de herstelkosten op een bedrag van ongeveer € 14.000,-- inclusief btw. Als bijlage 3 bij dit rapport bevindt zich een offerte voor de herstelkosten ter hoogte van € 12.347,01.

Ten verwere hierop stelt [geïntimeerde] dat de hoofdvordering van [appellant] in ieder geval laatstgenoemde offerte als uitgangspunt moet nemen. Zij betwist dat voor het herstel nieuwe tegels moesten worden aangeschaft. Het hof verwerpt dit verweer. In eerste aanleg heeft [appellant] onbetwist gesteld dat [geïntimeerde] eerst zelf een hersteloperatie heeft uitgevoerd en dat zij daarbij “nieuwe tegels” heeft gelegd. Bovendien acht het hof de betwisting, gelet op de met een deskundigenbericht onderbouwde stelling van [appellant] , onvoldoende onderbouwd.

Het beroep van [geïntimeerde] op schending van art. 21 Rv doordat bij memorie van grieven door [appellant] geen melding is gemaakt van een ingrijpende verbouwing terwijl die op het moment van indiening al in gang zou zijn gezet, wordt door het hof verworpen. Dit feitelijk gegeven is, gelet op de hiervoor aangehaalde maatstaf, van geen belang.

De vordering zal dan ook worden toegewezen voor een bedrag van € 5.634,19 (zijnde € 12.347,01 minus het bedrag waarmee [appellant] zijn vordering in hoger beroep heeft verminderd, te weten € 6.712,82), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2023.

De kosten voor het deskundigenbericht zijn op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 sub b BW eveneens toewijsbaar. Dit rapport vormt een onderbouwing voor de gestelde toerekenbare tekortkoming van [geïntimeerde] . Het gaat immers ook om de oorzaak van de verzakking. Het verweer dat de kosten nodeloos zijn gemaakt omdat de verzakking zichtbaar was, verwerpt het hof dan ook.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn deels toewijsbaar. Er is immers meer verricht dan een enkele sommatie en volgens de staffel heeft [appellant] dan, berekend over het toe te wijzen bedrag van € 5.634,19, recht op € 656,71.

Slotsom en afwikkeling

De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd gelet op het slagen van de grieven en dat de vordering van [appellant] deels wordt toegewezen.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. Daarnaast zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:

dagvaardingskosten € 132,42

griffierechten € 693,-

salaris advocaat € 812,- (2 punten x tarief II) +

Totaal € 1.637,42.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:

appeldagvaarding € 139,42

griffierechten € 798,-

salaris advocaat € 1.716,- (2 punten x tarief I)

nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) +

Totaal € 2.831,42.

4. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen:- een bedrag van € 5.634,19, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 15 mei 2023 tot de dag der algehele voldoening,- een bedrag van € 802,05 ter zake de kosten van de deskundige, te vermeerderen met de

wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 6 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening en,

-een bedrag van € 656,05 ter zake buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg ter hoogte van € 1.637,42 en het hoger beroep ter hoogte van € 2.831,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.C. van Campen, J.M.H. Schoenmakers en G.F.A.M. de

Graauw en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 augustus 2025.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?