2. De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord met vijf producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. De beoordeling
De feiten
Geen grief is gericht tegen de vaststelling door de kantonrechter van de feiten (rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis). Het hof neemt de door de kantonrechter vastgestelde feiten in dit hoger beroep evenzeer tot uitgangspunt:
a. [geïntimeerde] heeft op 23 augustus 2019 in zijn hoedanigheid van middellijk bestuurder van de besloten vennootschap Easy Moves B.V. (hierna: Easy Moves) aangifte tot faillietverklaring van Easy Moves gedaan.
b. Tijdens de behandeling in de raadkamer van de aangifte op 27 augustus 2019 heeft de rechter aan [geïntimeerde] de vraag gesteld of faillissement het juiste instrument is om tot afwikkeling van de vennootschap te komen. De griffier heeft in de zittingsaantekeningen opgenomen dat de rechter aan [geïntimeerde] heeft voorgehouden dat de curator niet kan worden betaald en dat er maatschappelijke kosten worden gemaakt, terwijl er geen noodzaak tot faillissement is. De rechter heeft de mogelijkheid van ontbinding van Easy Moves door middel van turbo liquidatie aangedragen. Vervolgens is de zaak een week aangehouden om [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen om zich te beraden over de vraag of hij de aangifte tot faillietverklaring al dan niet wil intrekken. [geïntimeerde] heeft het verzoek gehandhaafd.
c. Op 3 september 2019 heeft de rechtbank Limburg, locatie Roermond, het faillissement van Easy Moves uitgesproken en [appellant] tot curator aangesteld.
d. [appellant] heeft tegen het vonnis tot faillietverklaring van Easy Moves geen verzet ingesteld.
e. De rechter-commissaris heeft tot dusverre € 15.993,43 aan voorschotten op het salaris van [appellant] toegekend. [appellant] heeft in totaal € 1.267,03 uit de faillissementsboedel ontvangen. Voor het overige is het salaris van [appellant] onbetaald gebleven.
De vordering van [appellant] in de procedure bij de kantonrechter
In de procedure bij de kantonrechter heeft [appellant] gevorderd, zakelijk weergegeven, de veroordeling van [geïntimeerde] tot voldoening van het salaris van [appellant] conform de salarisvaststellingen van de rechtbank ten bedrage van € 15.993,43 plus P.M., met rente en kosten. [appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat [geïntimeerde] misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om aangifte te doen tot faillietverklaring van Easy Moves. De aangifte tot faillietverklaring is door [geïntimeerde] gedaan met de kennelijke bedoeling om van een rechtspersoon met schulden, zijnde Easy Moves, af te komen, terwijl [geïntimeerde] wist of in ieder geval behoorde te weten dat deze persoon in staat van faillissement een lege dan wel nagenoeg lege boedel zou hebben. Tijdens de zitting waarop de faillissementsaanvraag is behandeld, is door de rechtbank gewezen op de mogelijkheid van een turboliquidatie. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 18 december 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3636) had [geïntimeerde] voor de weg van de turboliquidatie moeten kiezen. Het door [geïntimeerde] gemaakte misbruik van de bevoegdheid tot het doen van faillissementsaangifte levert een onrechtmatige daad op tegenover [appellant] en/of de boedel, aldus nog steeds [appellant] in de procedure bij de kantonrechter.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd, zakelijk samengevat, tot niet-ontvankelijkheid van [appellant] dan wel tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [appellant] in de kosten. Op het verweer van [geïntimeerde] wordt hierna ingegaan voor zover dat voor de beoordeling in hoger beroep van belang is.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de vordering van [appellant] afgewezen en [appellant] in de kosten veroordeeld, met rente.
Het hoger beroep
[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd, die alle zijn voorzien van een toelichting. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.
[geïntimeerde] heeft de grieven gemotiveerd bestreden en geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het bestreden vonnis en niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] althans verwerping van diens grieven, met veroordeling van [appellant] in de kosten en de nakosten. Op hetgeen [geïntimeerde] ter bestrijding van de grieven heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan, voor zover dat voor de beoordeling in hoger beroep van belang is.
De grieven van [appellant] slagen niet. Het hof zal hierna uiteenzetten waarom dat zo is. Het gevolg zal zijn dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en [appellant] zal worden veroordeeld in de proceskosten op de wijze zoals verderop in dit arrest zal worden bepaald.
De processuele hoedanigheid van [appellant] in dit geding
De vordering die [appellant] in dit geding heeft ingesteld, strekt ertoe dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling aan [appellant] van diens door de rechtbank vastgestelde salaris voor de door hem als curator verrichte werkzaamheden (vergelijk rechtsoverweging 3.2 van dit arrest). Bij die vordering heeft [appellant] als curator een persoonlijk belang en zij moet daarom worden beschouwd als te zijn ingesteld voor zichzelf (“pro se”), en niet namens de boedel van Easy Moves. Het hof wijst hiertoe ook op de eigen verklaring van [appellant] tijdens de mondelinge behandeling op 24 mei 2024 bij de kantonrechter (proces-verbaal, pagina 2, net onder het midden). Op de betekenis daarvan voor dit hoger beroep komt het hof verderop in dit arrest terug.
De omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep
Met grief 1 keert [appellant] zich, onder aanvoering van diverse hierna te bespreken argumenten, tegen rechtsoverweging 4.8 van het bestreden vonnis. Daarin overwoog de kantonrechter dat het enkele feit dat [geïntimeerde] heeft erkend dat hij op het moment van de aangifte tot faillietverklaring wist dat Easy Moves in faillissement een nagenoeg lege boedel zou hebben onvoldoende is om te concluderen dat [geïntimeerde] misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om aangifte tot faillietverklaring te doen, gelet op de in rechtsoverweging 4.7 van het bestreden vonnis aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3269) en het betoog van [geïntimeerde] dat, hoewel hij wist dat het faillissement van Easy Moves een nagenoeg lege boedel zou hebben, hij desondanks een gerechtvaardigd belang had bij de aangifte tot faillietverklaring.
Met grief 2 komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 4.13 van het bestreden vonnis dat [geïntimeerde] een gerechtvaardigd belang had bij de aangifte tot faillietverklaring, gelet op, kort gezegd, de stellingname van de verhuurder van het pand waarin Easy Moves was gevestigd ten aanzien van onbetaald gebleven huurpenningen.
Met grief 3 richt [appellant] zich tegen het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 4.14 van het bestreden vonnis, verkort weergegeven, dat [geïntimeerde] door aangifte tot faillietverklaring te doen en niet te kiezen voor turbo-liquidatie, niet alleen recht heeft gedaan aan zijn eigen belang, maar ook aan dat van de schuldeisers van Easy Moves.
Grief 4 is gericht tegen de conclusie van de kantonrechter in rechtsoverweging 4.15 van het bestreden vonnis dat, gelet op het oordeel dat [geïntimeerde] een gerechtvaardigd belang had bij de aangifte tot faillietverklaring, van misbruik van bevoegdheid door [geïntimeerde] geen sprake is. Uit de door [appellant] op deze grief gegeven toelichting volgt dat zij naast de drie andere grieven geen zelfstandige betekenis heeft zodat zij in zoverre geen aparte bespreking behoeft.
310. De grieven van [appellant] lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof overweegt daarover als volgt.
Misbruik van bevoegdheid bij de aangifte tot faillietverklaring?
Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] ten tijde van de aangifte tot faillietverklaring wist dat de boedel nagenoeg geen tegoed had. De vraag die partijen verdeeld houdt, ook in hoger beroep, is of [geïntimeerde] onder de omstandigheden van deze zaak misbruik van zijn bevoegdheid tot het doen van aangifte tot faillietverklaring heeft gemaakt en zodoende een onrechtmatige daad heeft gepleegd.
Ter toelichting op zijn grieven en ter nadere onderbouwing van zijn standpunt dat [geïntimeerde] door het faillissement van Easy Moves aan te vragen misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt, heeft [appellant] , zakelijk samengevat, het volgende aangevoerd.
[geïntimeerde] heeft de aangifte tot faillietverklaring gedaan met de kennelijke bedoeling om van een rechtspersoon met schulden af te komen, terwijl [geïntimeerde] wist dat Easy Moves in staat van faillissement een lege althans nagenoeg lege boedel zou hebben, en dat crediteuren en faillissementskosten, waaronder het salaris van de curator, niet of slechts ten dele zouden kunnen worden voldaan. In het geval de bestuurder weet of redelijkerwijs moet begrijpen dat een rechtspersoon in staat van faillissement een lege dan wel nagenoeg lege boedel zal hebben, rust op hem de plicht om tot turbo-liquidatie over te gaan, waartoe [appellant] wijst op het bepaalde in artikel 2:19 lid 4 BW. Dit is niet in strijd met hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn hiervoor al genoemde uitspraak van 22 december 2017, zo betoogt [appellant] verder.
[geïntimeerde] heeft kort voor de faillissementsaangifte tienduizenden euro’s weggesluisd naar zichzelf althans naar rechtspersonen die aan hem toebehoorden, zo vervolgt [appellant] zijn betoog. Die gelden, (deels) afkomstig van de verkoop in augustus 2018 van het klantenbestand van Easy Moves en de verkoop in oktober 2018 van fitnessapparatuur van Easy Moves, had [geïntimeerde] kunnen aanwenden om de verhuurder van de door Easy Moves gehuurde bedrijfsruimte te betalen althans daarmee een regeling te treffen. Dat [geïntimeerde] welbewust een andere keuze heeft gemaakt waardoor Easy Moves daarna vrijwel niets meer in kas had, dient volledig voor diens rekening te komen. Het is [appellant] geenszins bekend dat de verhuurder aan [geïntimeerde] te kennen heeft gegeven dat hij persoonlijk dan wel één van zijn bedrijven aansprakelijk zou worden gesteld als betaling van de achterstallige huurpenningen zou uitblijven.
Op geen enkele wijze valt aan te nemen dat het kiezen van de weg van de turboliquidatie eerder tot aansprakelijkheid van [geïntimeerde] of één van zijn bedrijven zou hebben geleid dan in het geval van een faillissement. Ook in een faillissementssituatie bestaat het risico van persoonlijke aansprakelijkstelling. Bovendien geldt dat als aanvankelijk wordt gekozen voor de weg van de turboliquidatie, dit niet uitsluit dat er uiteindelijk toch faillissement volgt, aldus nog steeds [appellant] .
Het hof overweegt over het voorgaande als volgt.
Artikel 3:13 lid 1 BW bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen, voor zover hij haar misbruikt. Daarbij geldt als uitgangspunt dat degene die een bevoegdheid toekomt, haar ook mag gebruiken. Dat degene die een bevoegdheid toekomt misbruik maakt door haar te gebruiken, is de met terughoudendheid aan te nemen uitzondering. Het tweede lid van artikel 3:13 BW bepaalt dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. De in het tweede lid van artikel 3:13 BW opgenomen opsomming van gevallen is niet limitatief bedoeld. Artikel 3:13 lid 3 BW bepaalt dat uit de aard van de bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt. Artikel 3:13 BW is via de schakelbepaling van artikel 3:15 BW van overeenkomstige toepassing op processuele bevoegdheden zoals het aanvragen van een faillissement (vergelijk HR 10 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8255).
Niet in geschil is dat de bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement van een rechtspersoon kan worden misbruikt. Het debat tussen partijen gaat over de vraag of daarvan in deze zaak sprake is. Of dat zo is, hangt af van de concrete omstandigheden die in deze zaak zijn voorgevallen. Naar het oordeel van het hof brengen de omstandigheden die in deze zaak aan de orde zijn mee dat geen sprake is van misbruik door [geïntimeerde] van de bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement van Easy Moves. Dat oordeel baseert het hof op het volgende.
Onjuist is het standpunt van [appellant] , zakelijk weergegeven, dat als een rechtspersoon, zoals in dit geval Easy Moves, in de situatie komt te verkeren dat er geen of nagenoeg geen baten zijn, haar bestuur de plicht heeft om te kiezen voor een turbo-liquidatie op de voet van artikel 2:19 lid 4 BW, in plaats van voor een eigen faillissementsaangifte (memorie van grieven, randnummers 8 tot en met 14). Met de rechtbank (rechtsoverweging 4.7 van het bestreden vonnis) is het hof van oordeel dat uit de uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3269) volgt dat de enkele omstandigheid dat degene die het faillissement van een rechtspersoon aanvraagt weet dat de boedel van de rechtspersoon (nagenoeg) leeg is, niet het oordeel rechtvaardigt dat degene die de faillissementsaanvraag deed misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt. Daarvoor is dan ook nodig dat degene die de faillissementsaanvraag deed, bij die aanvraag geen voldoende gerechtvaardigd belang heeft.
Verder is het hof met de rechtbank (rechtsoverweging 4.15 van het bestreden vonnis) van oordeel dat [geïntimeerde] een gerechtvaardigd belang had bij de aangifte tot faillietverklaring. Daarbij gaat het naar het oordeel van het hof bovendien om een voldoende gerechtvaardigd belang. Daarvoor is het volgende redengevend.
In de rechtsoverwegingen 4.10 tot en met 4.12 van het bestreden vonnis is de kantonrechter ingegaan op de gevolgen van een mogelijke keuze door [geïntimeerde] voor een zogenoemde turbo-liquidatie en heeft deze afgezet tegen de gevolgen van de door [geïntimeerde] daadwerkelijk gekozen optie van de faillissementsaanvraag. Daarbij concludeert de kantonrechter dat doordat bij een faillissement, in tegenstelling tot een turbo-liquidatie, een transparante afwikkeling van het vermogen van de rechtspersoon plaatsvindt en de curator daarbij onderzoekt of het bestuur zijn taken goed heeft vervuld en of de schuldeisers niet zijn benadeeld, een schuldeiser minder snel zal overgaan tot aansprakelijkstelling van het bestuur dan bij een turbo-liquidatie. Het hof verenigt zich met wat de kantonrechter dienaangaande heeft overwogen en maakt de rechtsoverwegingen 4.10 tot en met 4.12 van het bestreden vonnis tot de zijne.
Hierbij is verder van belang dat [geïntimeerde] in de procedure bij de kantonrechter heeft betoogd, zakelijk weergegeven, dat hij een voldoende gerechtvaardigd belang had bij het aanvragen van het faillissement van Easy Moves, omdat [[-]] Vastgoed II B.V. (hierna: [[-]] Vastgoed), de verhuurder van de door Easy Moves gehuurde bedrijfsruimte, zich tegenover Easy Moves op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van een huurachterstand. Daarbij heeft [[-]] Vastgoed Easy Moves gesommeerd tot betaling van de achterstallige huurtermijn. In dat verband heeft [[-]] Vastgoed ook te kennen gegeven gronden te zien voor bestuurdersaansprakelijkheid. Het hof wijst op de door [geïntimeerde] in hoger beroep bij memorie van antwoord overgelegde brieven van en namens [[-]] Vastgoed van 28 februari 2019 en 22 juni 2019 (producties 1 en 4). Daarbij tekent het hof aan dat [appellant] procedureel de gelegenheid is geboden zich bij akte uit te laten over de producties van [geïntimeerde] bij diens memorie van antwoord, maar om hem moverende redenen ervan heeft afgezien een akte te nemen.
Met de rechtbank (rechtsoverweging 4.15 van het bestreden vonnis) is het hof van oordeel dat het dreigen door [[-]] Vastgoed met bestuurdersaansprakelijkheid wegens de gestelde huurachterstand van Easy Moves voor [geïntimeerde] een reëel risico met zich bracht dat [geïntimeerde] als (middellijk) bestuurder daarvoor aansprakelijk zou worden gehouden in het geval dat [geïntimeerde] niet voor de transparante vereffening via de aangifte tot faillietverklaring had gekozen, maar voor turbo-liquidatie. Ook is het hof met de rechtbank van oordeel dat [geïntimeerde] door aangifte tot faillietverklaring te doen, het risico op (persoonlijke) aansprakelijkstelling aanzienlijk beperkt zag. [geïntimeerde] had daarom een gerechtvaardigd belang bij de aangifte tot faillietverklaring. Dat belang kan ook als voldoende gerechtvaardigd worden beschouwd, omdat een (persoonlijke) aansprakelijkstelling als bestuurder, indien aan de orde, voor de aansprakelijk gestelde bestuurder in het algemeen als belastend is te beschouwen, zowel in financiële zin als anderszins.
Over het door [appellant] gestelde wegsluizen door [geïntimeerde] van aan Easy Moves toebehorende gelden naar zichzelf of rechtspersonen die aan hem toebehoren, kort voor het faillissement, overweegt het hof het volgende.
In dat verband heeft [appellant] concreet aangevoerd dat Easy Moves na de verkoop van haar klantenbestand in augustus 2018 en haar fitnessapparatuur in oktober 2018 een bedrag van in totaal € 24.740,- ter beschikking had ter voldoening van de openstaande huurtermijnen. [geïntimeerde] heeft er in zijn hoedanigheid van middellijk bestuurder echter voor gekozen om het bedrag dat was gemoeid met de verkoop van de fitnessapparatuur (€ 15.490,-) op 29 oktober 2018, dezelfde dag als de dag van de verkoop, door te storten naar twee van zijn andere juridische entiteiten, terwijl daarnaast onduidelijk is wat er met het voor het klantenbestand ontvangen bedrag (€ 9.250,-) is gebeurd. Een en ander rechtvaardigt de conclusie dat [geïntimeerde] willens en wetens [appellant] als curator in het faillissement van Easy Moves heeft opgezadeld met een grote hoeveelheid werk zonder dat daar een grote hoeveelheid werk tegenover staat.
[geïntimeerde] heeft de stellingen van [appellant] gemotiveerd bestreden en daarbij aangevoerd, vergezeld van een aanbod tot bewijslevering door getuigen, dat Easy Moves de hiervoor genoemde verkoopopbrengsten heeft aangewend ter voldoening van opeisbare vorderingen van derden. Daarbij noemt [geïntimeerde] : de aan [geïntimeerde] toebehorende entiteiten Fysio Active [locatie] en Fysio Active [locatie] , verhuurder [[-]] Vastgoed, personeelsleden en de boekhouder. Voorts heeft hij aangevoerd dat geen cent van de hiervoor bedoelde verkoopopbrengsten in zijn eigen zak is gevloeid. Dit alles is door [appellant] niet weersproken, ondanks dat hij procedureel in de gelegenheid is gesteld om na de memorie van antwoord van [geïntimeerde] een akte te nemen, welke gelegenheid hij echter ongebruikt voorbij heeft laten gaan. [appellant] heeft zodoende met betrekking tot het door hem gestelde wegsluizen van aan Easy Moves toebehorende gelden door [geïntimeerde] , en de daaraan te verbinden gevolgen, niet voldaan aan de op hem rustende stelplicht en bewijslast. Alleen al hierom kan op deze basis niet tot misbruik van de bevoegdheid tot het aanvragen van faillissement worden geconcludeerd. Voor zover [appellant] daarmee mede heeft bedoeld te betogen dat het gestelde handelen van [geïntimeerde] als (indirect) bestuurder van Easy Moves heeft te gelden als onrechtmatig, ook los van de vraag of dat handelen onder de omstandigheden van deze zaak kwalificeert als misbruik van bevoegdheid, stuit dat betoog eveneens af op de omstandigheid dat [appellant] niet heeft voldaan aan de op hem rustende stelplicht en bewijslast. Daarbij acht het hof ook van belang dat een dergelijke onrechtmatige daad-vordering moet worden beschouwd als een aan vordering namens de gezamenlijke schuldeisers van Easy Moves die door de curator q.q. moet worden ingesteld, terwijl in deze zaak vaststaat dat [appellant] zijn vordering voor zichzelf heeft ingesteld en voor zichzelf procedeert.
Het hof concludeert dat op geen van de door [appellant] aangevoerde gronden kan worden aangenomen dat sprake is van misbruik van bevoegdheid door [geïntimeerde] bij de aangifte tot faillietverklaring. Niet gebleken is dat sprake is van een van de in lid 2 van artikel 3:13 BW omschreven gevallen. Ook overigens is niet gebleken van misbruik van bevoegdheid of een onrechtmatige daad jegens [appellant] . [geïntimeerde] heeft voldoende onderbouwd dat sprake was van een situatie waarin een faillissement onafwendbaar was. In het bijzonder is niet voldaan aan de vereisten voor misbruik van de bevoegdheid in het geval van aangifte tot faillietverklaring volgens de rechtspraak van de Hoge Raad. In het onderhavige geval had [geïntimeerde] , zoals hiervoor is overwogen, een voldoende gerechtvaardigd belang als bedoeld in de uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3269). In die uitspraak heeft de Hoge Raad ook overwogen dat een voldoende gerechtvaardigd belang kan zijn om de ontbinding van de rechtspersoon te bewerkstelligen. In dit geval was dit belang dus aanwezig, mede gelet op het feit dat in het kader van een overname het klantenbestand en personeel van Easy Moves was overgenomen.
De slotsom
Uit het voorgaande volgt dat geen van de grieven slaagt. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Voor zover [appellant] zijn in eerste aanleg gedane bewijsaanbod heeft gehandhaafd in hoger beroep, is dit onvoldoende concreet en specifiek. In zijn memorie van grieven heeft hij geen bewijsaanbod geformuleerd.
Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op:
griffierecht € 798,-
salaris advocaat € 1.214,- (1 punt x tarief II)
nakosten € 178,- (plus de verhoging vermeld in de uitspraak).
De totale kosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] bedragen zodoende € 2.190,- plus de verhoging zoals vermeld in de uitspraak.
4. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zoals vastgesteld op € 2.190,-, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [appellant] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart dit arrest wat betreft de onder 4.2 opgenomen veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. B.E.L.J.C. Verbunt, J.P. de Haan en P.V. Eijsvoogel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 augustus 2025.
griffier rolraadsheer