GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.348.923/01
arrest van 26 augustus 2025
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als de vrouw,
advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen te Valkenburg,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats]
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de man,
in hoger beroep niet verschenen.
op het bij exploot van dagvaarding van 10 oktober 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 17 juli 2024, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en de man als één van de gedaagden in conventie.
1. De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen van de vrouw jegens de man kennis te nemen.
2. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/298535 / HA ZA 21-578)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen van 25 januari 2023, 26 april 2023, 21 juni 2023 en 17 juli 2024.
3. Het geding in hoger beroep
4. De beoordeling
Het verloop van de procedure blijkt uit:
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
Partijen zijn op 31 januari 1992 te [plaats A] (België) met elkaar gehuwd. Zij hebben voorafgaand aan het huwelijk (op 27 januari 1992) een huwelijkscontract gesloten. Daarin zijn partijen overeengekomen dat zij gehuwd zullen zijn onder het wettelijk stelsel met afwijkende bedingen.
Partijen hebben de Belgische nationaliteit.
De laatste gemeenschappelijk gewone verblijfplaats van partijen is gelegen te [plaats A] (België).
Bij verzoekschrift, ingekomen op de griffie van de rechtbank eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren (België) (hierna: de rechtbank Tongeren) heeft de vrouw verzocht de echtscheiding uit te spreken, een notaris aan te stellen ter vereffening en verdeling van het huwelijksvermogen, een uitkering na echtscheiding en om voorlopige maatregelen te treffen.
Bij vonnis van 5 november 2020 van de rechtbank Tongeren is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Daarbij is, voor zover in hoger beroep van belang, notaris Colson aangesteld ter vereffening en verdeling van het huwelijksvermogen. De procedure is voor het overige aangehouden. Notaris Budo heeft de aangestelde notaris, in verband met diens overlijden, vervangen.
Partijen zijn eigenaar van een onroerende zaak gelegen aan [adres] (België). In deze onroerende zaak werd een brasserie, [naam] ” geëxploiteerd (hierna: [naam] ).
De man heeft thans een relatie met [persoon A] . [persoon A] is door de vrouw in eerste aanleg eveneens gedagvaard, maar is niet bij de procedure in hoger beroep betrokken.
In deze procedure vordert de vrouw (in conventie) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. de man te veroordelen om aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 82.459,72 en een
bedrag van € 150.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;
2. de man en [persoon A] hoofdelijk te veroordelen, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd om aan de vrouw te voldoen een bedrag ad € 45.250,--, te vermeerderen met de
wettelijke rente vanaf 8 augustus 2020 tot aan de dag der algehele
voldoening;
3. de man en [persoon A] hoofdelijk te veroordelen, des dat de één betalend de ander zal zijn
bevrijd, om de door de vrouw geleden schade te voldoen, bestaande uit de winstderving, als
gevolg van het niet kunnen uitbaten van de horecagelegenheid “ [naam] ” als
gevolg van de diefstallen en vernielingen, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen
volgens de wet;
4. primair de man te veroordelen om uiterlijk binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan de vrouw af te geven de auto, merk [A] met het kenteken [B] , zulks onder verbeurte van een dwangsom, groot € 500,-- per dag, dan wel indien
aflevering van deze auto niet meer mogelijk is, de man te veroordelen tot betaling aan
de vrouw van een bedrag ad € 40.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 augustus 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;
5. de man en [persoon A] te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder begrepen
het salaris van de advocaat van de vrouw.
Aan deze vorderingen heeft de vrouw, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
De inventaris en de voorraad van brasserie [naam] behoren alleen aan haar toe. De man heeft zich in de periode tussen oktober 2019 en maart 2020 de gehele bruto omzet van de brasserie toegeëigend. Hij heeft i) het contante geld waarmee klanten betaalden, meegenomen naar zijn woning in [plaats B] , ii) de girale betalingen via zijn bankpas contant opgenomen en iii) via betalingen met zijn creditcard ten laste van de bankrekening van [naam] en door contante opnames zich in 2019 in totaal € 58.307,74 wederrechtelijk toegeëigend. In 2020 ging het om een bedrag van € 24.151,98. In totaal heeft de man zich in de periode van 31 december 2018 tot en met 9 juni 2021 € 82.151,98 wederrechtelijk toegeëigend. Deze bedragen heeft de man alleen aangewend voor zichzelf en niet (ook) ten behoeve van [naam] .
In een safeloket bij de KBC-bank in [plaats A] bevond zich een contant geldbedrag van € 150.000,--. Dat was een deel van de opbrengst van de verkoop van de onroerende zaak aan [adres] , België, dat alleen eigendom van de vrouw was en dat zij in 2016 heeft verkocht. Het geldbedrag in het safeloket behoorde daarom alleen aan haar toe. Alleen de man had toegang tot het safeloket. Bij een dwangopening van het loket in juli 2020 door een gerechtsdeurwaarder bleek dat het loket leeg was. Nu alleen de man toegang had tot het safeloket heeft hij zich een bedrag van € 150.000,-- toegeëigend.
De inventaris van [naam] is door de man, in nauwe samenwerking met [persoon A] , gestolen dan wel vernield. De schade als gevolg van de diefstal(len) wordt door de vrouw begroot op € 45.250,--. Als gevolg van de diefstallen en de vernielingen van de inventaris heeft de vrouw [naam] vanaf maart 2020 tot en met in ieder geval de dag van dagvaarding (4 november 2021) niet kunnen exploiteren. De vrouw heeft hierdoor, naast als gevolg van coronamaatregelen geleden schade, omzetschade geleden, waarvan de omvang nog niet kan worden vastgesteld.
De auto, merk [A] , kenteken [B] is alleen haar eigendom. Deze auto maakt onderdeel uit van het vermogen van [naam] . De man heeft deze auto na verbreking van de samenleving met de vrouw in oktober 2019 meegenomen. De auto heeft een dagwaarde van € 40.000,--.
De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer luidt, kort samengevat, als volgt.
Tijdens het huwelijk hebben partijen samen een horecagelegenheid/brasserie geëxploiteerd. In april 1992 is gezamenlijk het horecapand aangekocht. In 2001 is geïnvesteerd in een ingrijpende verbouwing en vernieuwing van de inventaris, waarna de brasserie onder de naam [naam] is verder gegaan. Hiervoor hebben partijen een investeringskrediet afgesloten bij KBC Bank, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk waren.
Er zijn diverse pogingen gedaan om tot een regeling te komen. Vanaf het begin was het plan dat de man de horecagelegenheid zelfstandig zou voortzetten. De afwikkeling van de echtscheiding verloopt echter zeer moeizaam; door de houding van de vrouw en haar partner is een vechtscheiding ontstaan. De discussies moeten in België worden gevoerd en houden verband met de vereffening van de huwelijksgemeenschap naar Belgisch recht, waar primair de vereffeningsnotaris een rol heeft.
De vrouw had voor het sluiten van het huwelijk een pand, maar niet het pand aan [adres] maar nr. [--] . Deze onroerende zaak is in september 2012 verkocht voor € 255.000,--. Dat er uit de verkoop van dit pand een bedrag van € 150.000,-- is vrijgekomen en zou zijn bewaard in een safeloket, blijkt niet en is niet onderbouwd. Een bedrag van € 200.000,-- is in depot (‘pandkorf’) gestort als vervangende zekerheid in plaats van een hypotheekrecht op het verkochte pand aan de bank verpand. Vanuit de pandkorf werd vervolgens periodiek op leningen /kredieten afgelost.
De man heeft zich niet de omzet van [naam] wederrechtelijk toegeëigend. De vrouw legt een overzicht van afrekening van de creditcard over, maar een onderbouwing met de maandelijkse creditcardoverzichten ontbreekt. De exploitatie van [naam] werd via de gezamenlijk rekening bij de KBC Bank gedaan. Er was een creditcard gekoppeld aan deze rekening die door beide partijen werd gebruikt. Uit de overzichten van de creditcard blijkt dat door beide partijen privé uitgaven werden gedaan. De creditcard werd ook gebruikt voor inkopen voor [naam] . Beide partijen deden contante opnamen, daarmee werden leveranciers en personeel betaald.
De [A] is niet door de vrouw bij het aangaan van het huwelijk ingebracht en daarmee op basis van het huwelijkscontract buiten het gemeenschappelijk vermogen gehouden. De [A] (bouwjaar 2006) is in 2012 verkregen. Het is onjuist dat de [A] eigendom is van de vrouw omdat deze onderdeel uitmaakt van het vermogen van de horecaonderneming; deze auto ‘staat niet (meer) op de activastaat van de onderneming’ (cva, pt. 45). Partijen hebben [naam] samen geëxploiteerd. Dat deze onderneming alleen op naam van de vrouw stond ingeschreven, betekent niet dat alle daarna gedane investeringen in inventaris en verbouwing van de onderneming, alsmede de aanschaf van een auto ertoe leiden dat sprake is van uitsluitend eigendom van de vrouw. Naar Belgisch recht is nadien sprake van vermogensvermenging. De inventaris die bij het aangaan van het huwelijk aanwezig was is later geschonken aan de lokale harmonie. In 2001 is de inrichting / inventaris praktisch volledig vernieuwd. In 2015 is het terras vernieuwd.
De vrouw heeft zelf diverse inventarisgoederen verplaatst naar een andere locatie. Daarop heeft ook de man inventaris in bewaring genomen. De goederen moeten bij de vereffening en verdeling van de huwelijksgemeenschap worden meegenomen. De lijst die de vrouw als prod. 6 heeft overgelegd is nergens op gebaseerd. Er staan ook goederen op de lijst die er nooit geweest zijn.
Omdat de man rechtmatig eigenaar is van het horecapand, heeft hij vrije toegang tot het pand. De vrouw kan hem door het aanbrengen van andere sloten niet de toegang tot het pand ontzeggen.
[persoon A] heeft een tweetal vorderingen in reconventie ingediend. Nu zij geen onderdeel uitmaakt van dit hoger beroep, kunnen die vorderingen verder onbesproken blijven.
In het tussenvonnis van 25 januari 2023 heeft de rechtbank in conventie partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag of de in dat vonnis bedoelde vermogensbestanddelen onderdeel zijn van de verdelingsprocedure bij de notaris in België.
De vrouw heeft in haar akte van 22 februari 2023 aangegeven dat de door haar ingestelde vorderingen geen onderdeel zijn van de verdelingsprocedure. De man heeft in zijn akte van 22 februari 2023 aangegeven dat deze kwestie naar Belgisch recht moet worden beoordeeld. Op basis van Belgisch recht had de vrouw deze vorderingen moeten indienen bij de betreffende notaris. De wettelijke termijn daarvoor is twee maanden. Vastgesteld moet worden dat deze vorderingsrechten teniet zijn gegaan en niet meer geldend gemaakt kunnen worden.
In het tussenvonnis van 26 april 2023 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over de door de rechtbank geformuleerde vraagstelling aan het IJI.
In het tussenvonnis van 21 juni 2023 heeft de rechtbank het IJI verzocht antwoord te geven op een aantal in dat vonnis vermelde vragen. Het IJI heeft op 28 augustus 2023 zijn rapport uitgebracht. Het IJI heeft geconcludeerd dat op grond van de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (hierna ook: HuwVermVo) de Belgische rechter bevoegd is om kennis te nemen van de voorliggende vorderingen die de vrouw jegens de man heeft ingesteld.
In het eindvonnis van 17 juli 2024 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van de vorderingen van de vrouw jegens de man kennis te nemen en de vrouw veroordeeld in de kosten van de procedure, tot aan het vonnis aan de zijde van de man begroot op € 4.800,50.
De vrouw heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. Zij concludeert tot vernietiging van het beroepen vonnis en opnieuw rechtdoende te beslissen dat de rechtbank wel bevoegd is om van de vorderingen van de vrouw op de man kennis te nemen en de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank ter verdere inhoudelijke afdoening, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties, waaronder begrepen het salaris van de advocaat van de vrouw.
De grieven van de vrouw zien op het oordeel dat de rechtbank onbevoegd is om van de vorderingen van de vrouw jegens de man kennis te nemen. Voorts komt de vrouw op tegen de proceskostenveroordeling. Het hof zal de grieven gezamenlijk bespreken.
Bevoegdheid Nederlandse rechter
De rechtbank heeft overwogen:
“2.17. [de vrouw] laat bij haar standpunt dat Brussel I -bis toepasselijk is, doorslaggevend zijn het enkele feit dat de vorderingen zijn gegrond op de stelling dat de vermogensbestanddelen, die volgens [de vrouw] alleen aan haar toebehoren, door [de man] en [persoon A] onrechtmatig zijn meegenomen en/of vernield. De rechtbank is van oordeel dat bij de beoordeling van de bevoegdheid echter ook rekening moet worden gehouden met de onderliggende rechtsverhouding tussen [de vrouw] en [de man], te weten of sprake is van een eenvoudige gemeenschap, of dat sprake is van een huwelijksgemeenschap waarvan de meergenoemde
vermogensbestanddelen deel uitmaken. In het eerste geval is Brussel l-bis van toepassing, in het laatste geval is de HuwVermVo van toepassing.
De rechtbank neemt het standpunt van het IJI ten aanzien van de toepasselijkheid van de HuwVermVo over. Dat standpunt luidt als volgt. Het tussen [de vrouw] en [de man] geldende (Belgisch) huwelijksvermogensrecht bepaalt of de vermogensbestanddelen, waarmee de vorderingen van [de vrouw] zoals weergegeven onder 3.1 tot en met 3.7 van het vonnis van 25 januari 2023 verband houden, enkel eigendom zijn van [de vrouw], zoals [de vrouw] stelt dan wel mede-eigendom zijn van [de man], zoals [de man] stelt. Omdat deze vraag alleen op basis van het toepasselijke huwelijksvermogensrecht kan worden beantwoord, moeten de vorderingen worden beschouwd als verband houdend met vermogensrechtelijke betrekkingen die ten gevolge van het huwelijk van partijen of de ontbinding daarvan bestaan. Om die reden
dient de bevoegdheid van de rechtbank te worden beoordeeld aan de hand van de HuwVermVo.
Nu de Belgische rechter zich bevoegd heeft verklaard in de echtscheidingsprocedure op grond van de Brussel II bis- Verordening, is hij ook bevoegd te oordelen over de huwelijksvermogensrechtelijke kwestie (lees: de vraag van de omstreden mede-eigendom van de vermogensbestanddelen) die bij de echtscheidingsprocedure aan de orde kan komen.
Uit het deskundigenbericht volgt immers dat op grond van het bepaalde in artikel 5 lid 1 HuwVermVo de rechter van een lidstaat die onder de werking van Brussel II-bis wordt aangezocht ter zake van ontbinding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van een huwelijk, ook bevoegd is ten aanzien van de vermogensrechtelijke gevolgen die daarmee samenhangen. Zou overigens worden aangenomen dat de voorliggende vorderingen van [de vrouw] geen verband meer houden met de echtscheidingsprocedure, dan nog is de Belgische rechter op grond van artikel 6 sub b HuwVermVo bevoegd om daarvan kennis te nemen.
Dat betekent dat de rechtbank moet terugkomen op haar beslissing dat zij bevoegd is ten aanzien van de vordering van [de vrouw] jegens [de man] en dat zij zich alsnog ambtshalve onbevoegd moet verklaren
(…)
De slotsom van het voorgaande is dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen die [de vrouw] jegens [de man] heeft ingesteld.”
De vrouw komt met haar grieven op tegen de hiervoor aangehaalde rov. 2.17, 2.18, 2.20 en 2.21 in het beroepen vonnis. Ter toelichting voert zij het volgende aan.
De vrouw baseert haar vorderingen op de Brussel I-bis verordening. Die bepaalt dat de verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. De hoofdregel (die naar het hof begrijpt inhoudt dat de man moet worden opgeroepen voor het gerecht van zijn woonplaats – art. 4 Brussel 1-bis) dient gevolgd te worden. De man was ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding woonachtig in [plaats B] . Ook ten tijde van het verrichten van de diverse onrechtmatige gedragingen was de man woonachtig in Nederland.
Alle vorderingen die door de vrouw jegens de man zijn ingesteld, hebben niets te maken met het huwelijksvermogensrecht.
Ingevolge art. 3 van de huwelijkse voorwaarden blijft de vrouw eigenaar van de goederen, waarvan zij eigenaar was op het moment van het voltrekken van het huwelijk. [naam] behoorde ten tijde van de huwelijksvoltrekking alleen de vrouw in eigendom toe. De vorderingen van de vrouw op de man zien op het onrechtmatig handelen van de man.
De parallellen die door het IJI worden gezien met de uitspraak van dit hof van 16 mei 2023 tussen partijen gaan niet op. De vorderingen in deze procedure zien op vermogensbestanddelen die niet zijn opgebouwd tijdens het huwelijk van partijen.
De man is in hoger beroep niet verschenen. Uit de stukken in eerste aanleg maakt het hof op dat de man zich ten aanzien van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op het volgende standpunt stelt.
De man deelt de conclusie van het IJI, inhoudende dat de Belgische rechter bevoegd is om van de vorderingen van de vrouw jegens de man kennis te nemen. Deze vorderingen houden immers volgens de man allemaal verband met de huwelijksgemeenschap tussen de man en de vrouw die naar Belgisch recht moet worden afgewikkeld: de ten laste van de brasserie (vermeend) verduisterde gelden, het (vermeende) bedrag van € 150.000,-- in het safeloket, de inboedel en inventaris die zou zijn vernield en/of gestolen, de vordering wegens omzetderving/schade als gevolg van de vermeende vernieling en/of diefstal van die inventaris en de [A] zijn volgens de man alle vermogensbestanddelen die deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap tussen de man en de vrouw, waarop Belgisch huwelijksvermogensrecht van toepassing is.
Het hof overweegt als volgt.
De vraag of de vermogensbestanddelen waarop de vorderingen betrekking hebben alleen eigendom zijn van de vrouw (zoals de vrouw stelt) of mede-eigendom zijn van de man (zoals de man stelt) kan alleen op basis van het toepasselijke (Belgisch) huwelijksvermogensrecht worden beantwoord. De vorderingen moeten daarom worden beschouwd als verband houdend met vermogensrechtelijke betrekkingen die ten gevolge van het huwelijk van partijen of de ontbinding daarvan bestaan.
Dat betekent dat, nu de inleidende dagvaarding van de vrouw is ingediend na 29 januari 2019 (namelijk op 4 november 2023), de vorderingen van de vrouw vallen onder de reikwijdte van de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels.
De vraag of de vorderingen van de vrouw betrekking hebben op een lopende (echtscheidings)procedure bij de Belgische rechtbank of dat zij een van die procedure onafhankelijke grondslag kennen is naar het oordeel van het hof niet relevant omdat in beide gevallen op grond van de HuwVermVo niet de Nederlandse rechter maar de Belgische rechter bevoegdheid toekomt. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Voor zover de vorderingen van de vrouw verband houden met de echtscheidingsprocedure, is op grond van art. 5 lid 1 HuwVermVo het gerecht bevoegd bij wie, overeenkomstig de Verordening (EU) nr. 2201/2003, het verzoek tot echtscheiding aanhangig is gemaakt. Vast staat dat de Belgische rechter zich bevoegd heeft verklaard in de echtscheidingsprocedure. Daarom moet het er in dat geval voor worden gehouden dat de Belgische rechter ook bevoegd is om kennis te nemen van de onderhavige vorderingen van de vrouw. De in art. 5 lid 2 HuwVermVo genoemde gevallen doen zich in deze zaak immers niet voor.
In het geval waarbij de vordering van de vrouw geen verband houdt met de echtscheidingsprocedure wordt de bevoegdheid bepaald aan de hand van art. 6 HuwVermVo. Dit artikel bevat een getrapte bevoegdheidsregel waarbij de bevoegdheidsgronden een hiërarchische volgorde hebben. Op grond van art. 6 onder b HuwVermVo is de Belgische rechter eveneens bevoegd om kennis te nemen van de onderhavige vordering.
Het voorgaande betekent dat de Nederlandse rechter onbevoegd is van de vorderingen kennis te nemen. Het hof zal het vonnis van de rechtbank daarom bekrachtigen. .
Proceskostenveroordeling
Met grief V komt de vrouw op tegen de proceskostenveroordeling. Daartoe stelt zij dat nu de rechtbank bevoegd is om van haar vorderingen jegens de man kennis te nemen, de uitgesproken proceskostenveroordeling onjuist is.
Uit het voorgaande volgt dat het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van de vorderingen van de vrouw jegens de man kennis te nemen. Dat betekent dat de grief faalt en de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in stand blijft.
5. De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof het bestreden vonnis, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.
Het hof zal met toepassing van art. 237 jo. art. 353 Rv (partijen zijn voormalige echtgenoten) de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.
6. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 17 juli 2024;
compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, A.J.F. Manders en E.F.M. van Swaaij en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 augustus 2025.
griffier rolraadsheer