ECLI:NL:GHSHE:2025:2376

ECLI:NL:GHSHE:2025:2376, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-09-2025, 200.334.530_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 02-09-2025
Datum publicatie 23-01-2026
Zaaknummer 200.334.530_01
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Vordering tot ontbinding vennootschap onder firma gevorderd, met diverse nevenvorderingen. Beroep op arbitragebeding in de VOF-akte. Verwijzing naar HR 29-04-1994 ( ECLI:NL:HR:1994:ZC1361) in rov 6.17. Het hof overweegt in rov 6.18. dat wanneer sprake is van een wijziging van eis - behoudens het in deze zaak niet aan de orde zijnde geval van een wijziging van eis op een voor het inhoudelijke debat ondergeschikt punt -, het inhoudelijke debat van partijen over de rechtsbetrekking die het onderwerp is van het geding zoals in de vorige overweging bedoeld, eveneens wijzigt. Het inhoudelijke debat tussen partijen wordt immers aangepast aan de gewijzigde eis, in dit geval ingegeven door gewijzigde feiten en omstandigheden. Onder deze omstandigheden is de eerste namens of door geïntimeerde genomen schriftelijke conclusie als bedoeld in HR 29-04-1994 de memorie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke wijziging van eis. Na een dergelijke wijziging van eis kan (opnieuw) een beroep op het arbitragebeding worden gedaan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.334.530/01

arrest van 2 september 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J. de Graaf te Nijmegen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.M.C. van de Ven te Boxmeer,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 9 januari 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/292014 / HA ZA 21-253 gewezen vonnis van 12 juli 2023.

5. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6. De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

de zaak samengevat weergegeven

[appellant] en [geïntimeerde] hebben jarenlang samen een vennootschap onder firma (hierna: VOF) gedreven. Hun onderlinge rechten en verplichtingen zijn opgenomen in een akte van 24 maart 1997 (hierna: VOF-akte). [geïntimeerde] heeft een zoon, [persoon A] , die in 2016 als werknemer in dienst van de VOF is getreden. Begin 2021 heeft de accountant een eerste concept-akte opgesteld met daarin bepalingen over de toetreding van [persoon A] tot de VOF. Over de inhoud daarvan, in het bijzonder op het punt van de (toekomstige) zeggenschapsverhoudingen binnen de VOF, bestond verschil van inzicht tussen [geïntimeerde] en [persoon A] enerzijds en [appellant] anderzijds. Op 23 maart 2021 is het tot een emotionele uitbarsting gekomen in het kantoor van de VOF waarbij [persoon A] gewelddadig tegen [appellant] is geweest. [appellant] wilde vervolgens dat [geïntimeerde] , zoals vereist op grond van de VOF akte, meewerkte aan een ontslag op staande voet van [persoon A] . [geïntimeerde] wilde dat niet. Kort daarna heeft [appellant] [geïntimeerde] voor de rechtbank gedagvaard en de ontbinding van de VOF gevorderd, met daarbij enkele nevenvorderingen. [geïntimeerde] heeft in reactie op de dagvaarding primair het standpunt ingenomen dat de burgerlijke rechter niet bevoegd is, omdat [appellant] en [geïntimeerde] zijn overeengekomen dat hun geschillen door arbiters worden beslecht. Daarnaast heeft [geïntimeerde] , subsidiair, eveneens de ontbinding van de VOF gevorderd, met daarbij enkele nevenvorderingen.

De rechtbank heeft bij vonnis van 12 juli 2023 de ontbinding van de VOF uitgesproken en zich ten aanzien van de overige vorderingen onbevoegd verklaard.

In dit hoger beroep constateert het hof dat de rechtbank de VOF heeft ontbonden en wel per 12 juli 2023 en beslist het hof niet bevoegd te zijn op de gewijzigde nevenvorderingen van [appellant] te beslissen omdat [appellant] en [geïntimeerde] met de VOF-akte zijn overeengekomen dat arbiters dat moeten doen.

De feiten in deze zaak

[appellant] en [geïntimeerde] zijn broers. [geïntimeerde] dreef aanvankelijk samen met zijn vader een groothandel in vloeibare en gasvormige brandstoffen. Op enig moment is [appellant] ook in de zaak komen werken. Na het terugtreden van hun vader hebben [geïntimeerde] en [appellant] op 1 januari 1995 de vennootschap onder firma, genaamd V.O.F. Firma [XXX] opgericht. De rechten en verplichtingen van de vennoten [geïntimeerde] en [appellant] zijn opgenomen in een VOF-akte van 24 maart 1997.

De VOF-akte bevat onder andere de volgende bepaling.

“(…)

Artikel 30; Geschillenregeling

1. Alle geschillen die betrekking hebben op deze akte of de vennootschap in het algemeen, zullen alleen uitsluitend in hoogste ressort worden beslist door drie scheidsmensen. Dit geldt ook voor feitelijke en juridische geschillen die slechts door één van de vennoten als zodanig worden beschouwd.

2. De scheidsmensen worden in onderling overleg benoemd. Van deze scheidsmensen dient er tenminste één meester in de rechten te zijn.

3. Bij gebreke van overeenstemming omtrent de benoeming van de scheidsmensen, worden deze benoemd door de voorzitter van de Kamer van Koophandel te Venlo, op verzoek van de meest gerede partij.

4. De scheidsmensen bepalen de wijze van behandeling van het geschil en doen uitspraak als goede mensen van billijkheid. Ze stellen tevens de kosten van hun werkzaamheden vast en beslissen wie deze kosten zal dragen. De uitspraak is voor de vennoten, hun erfgenamen of rechtsverkrijgenden, bindend.

5. Deze akte zal gelden als een akte van compromis.

6. Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing voor geschillen, waaromtrent in deze overeenkomst een andere regeling is getroffen.

7. De bevoegdheid van de President van de Rechtbank in kortgeding wordt door het bepaalde in dit artikel niet uitgesloten. Evenmin wordt uitgesloten het nemen van conservatoire gerechtelijke vennootregelen en de middelen om die in stand te houden. De gerechtelijke vordering tot ontbinding van de vennootschap op grond van een "wettige" reden als bedoeld in artikel 1684 van het Burgerlijk Wetboek is ook niet uitgesloten.

(…)”

[persoon A] is in 2016 in loondienst van de VOF gekomen. Begin 2021 heeft de accountant een eerste concept-akte opgesteld met daarin bepalingen over de toetreding van [persoon A] tot de VOF. Over de inhoud daarvan, in het bijzonder op het punt van de (toekomstige) zeggenschapsverhoudingen binnen de VOF, bestond verschil van inzicht tussen [geïntimeerde] en [persoon A] enerzijds en [appellant] anderzijds.

Op 23 maart 2021 is het tot een emotionele uitbarsting gekomen in het kantoor van de VOF waarbij [persoon A] gewelddadig tegen [appellant] is geweest. [appellant] wilde vervolgens dat [geïntimeerde] meewerkte aan een ontslag op staande voet van [persoon A] . [geïntimeerde] wilde dat niet. [appellant] is nog 2 dagen op het kantoor geweest en heeft daarna geen werkzaamheden voor de VOF meer verricht.

Op 7 mei 2021 heeft [appellant] [geïntimeerde] voor de rechtbank gedagvaard en de ontbinding van de VOF gevorderd, met daarbij enkele nevenvorderingen.

De procedure in eerste aanleg bij de rechtbank

[appellant] vorderde, samengevat, na wijziging van eis,

primair en subsidiair

A. de VOF wegens gewichtige redenen ex artikel 7A:1684 BW te ontbinden;

B. voor recht te verklaren dat [appellant] het recht heeft de onderneming van de VOF na de ontbinding voort te zetten, althans, in het geval [appellant] het recht van voortzetting niet toekomt, dat [appellant] recht heeft op een schadevergoeding, te vermeerderen met het aandeel van [appellant] in het bedrijfsvermogen van de VOF op het tijdstip van de ontbinding;

C. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van deze procedure;

subsidiair

A. de VOF wegens gewichtige redenen ex artikel 7A:1684 BW te ontbinden;

B. voor recht te verklaren dat [appellant] het recht heeft de onderneming van de VOF na de

ontbinding voort te zetten, althans, in het geval [appellant] het recht van voortzetting niet toekomt, dat [appellant] , in het geval [geïntimeerde] de onderneming wenst voort te zetten, recht heeft op 50% van de waarde van de onderneming in het economische verkeer, vast te stellen door een deskundige.

[geïntimeerde] vorderde, samengevat,

in het incident

- dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart;

in de hoofdzaak

- de VOF tussen partijen op grond van de artikelen 18 lid 2 en 19 lid 3 van de VOF-akte althans op grond van artikel 7A:1684 BW te ontbinden met ingang van 27 maart 2021 althans met een door de rechtbank te bepalen ingang;

- te bepalen / te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] het recht heeft om de door de VOF gedreven onderneming met ingang van de ontbinding van de VOF voort te zetten;

- te bepalen / te verklaren voor recht dat na ontbinding de voortzetting van de VOF dient te worden afgewikkeld conform de van toepassing zijnde artikelen van de VOF-akte, met name de artikelen 19 en verder;

in het incident en in de hoofdzaak

- [appellant] te veroordelen in de kosten van dit geding.

De rechtbank heeft bij vonnis in incident van 30 maart 2022 de incidentele vordering van [geïntimeerde] afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank onder andere het volgende overwogen.

“2.3. [geïntimeerde] heeft de door hem gestelde onbevoegdheid van de rechtbank om van de

hoofdzaak kennis te nemen gegrond op artikel 30 van het vennootschapscontract. Volgens

[geïntimeerde] zijn partijen overeengekomen dat geschillen met betrekking tot de vennootschap

uitsluitend aan arbiters kunnen worden voorgelegd.

Zoals uit de hiervoor aangehaalde tekst van artikel 30 van het vennootschapscontract volgt, miskent [geïntimeerde] dat in lid 7 uitzonderingen zijn opgenomen op de exclusieve bevoegdheid van scheidsmannen, waaronder de bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van een vordering tot ontbinding van de vennootschap op grond van een “wettige” reden als bedoeld in artikel 1684 van het Burgerlijk Wetboek.

Uit de dagvaarding volgt dat [appellant] in deze procedure de ontbinding van de vennootschap vordert zoals bedoeld in artikel 30 lid 7 van het vennootschapscontract. De rechtbank is dan ook bevoegd om van de vordering kennis te nemen. De gevorderde onbevoegdverklaring zal daarom worden afgewezen.”

De rechtbank heeft bij vonnis in de hoofdzaak van 12 juli 2023 (in conventie en in reconventie) de volgende beslissingen gegeven:

“5.1. ontbindt de vennootschap onder firma V.O.F. Firma [XXX] ,

verklaart zich onbevoegd om van het overigens gevorderde kennis te nemen,

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere

partij de eigen kosten draagt.”

Daartoe heeft de rechtbank onder andere het volgende overwogen.

“(…)

De rechtbank is van oordeel dat de tekst van het vennootschapscontract (…) op ondubbelzinnige wijze (in lid 1) bepaalt dat alle vennootschappelijke geschillen aan arbiters moeten worden voorgelegd, behalve - voor zover hier relevant en vervat in lid 7 - vorderingen tot ontbinding van de vennootschap op grond van artikel 7A:1684 BW. Dergelijke vorderingen zijn door partijen over en weer ingesteld en de rechtbank is bevoegd om op die vorderingen te beslissen.

[appellant] heeft aangevoerd, dat de rechtbank zich niet onbevoegd mag verklaren ten aanzien van het overige gevorderde, omdat - kort samengevat - de rechtbank al in het vonnis van 30 maart 2022 onherroepelijk heeft beslist dat de rechtbank wel bevoegd is. De rechtbank deelt deze zienswijze niet. (…) De rechtbank leest dit vonnis zo dat daarin - terecht - is geoordeeld dat de rechtbank bevoegd is te beslissen op de vorderingen die zijn gebaseerd op artikel 7A:1684 BW. Het vonnis bevat hierover uitdrukkelijke overwegingen. Het vonnis meldt evenwel niets over de bevoegdheid ten aanzien van het overigens gevorderde. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat de rechtbank hierover nog niet heeft besloten, zodat de rechtbank - na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten - daarover alsnog kan beslissen. In die zin is van terugkomen op een eerdere beslissing geen sprake; het gaat om een aanvullende beslissing.

(…)

De rechtbank zal gelet op het vorenoverwogene slechts kunnen beslissen op de over en weer ingestelde vorderingen tot ontbinding van de vennootschap op grond van artikel 7A:1684 BW. Dat de vennootschap op die grond moet worden ontbonden, is niet in geschil, zodat de betrokken vorderingen kunnen worden toegewezen. Voor een uitvoerbaar bij voorraadverklaring is daarbij geen plaats. De rechtbank zal zich ten aanzien van de overige vorderingen onbevoegd verklaren. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het geschil speelt tussen broers aanleiding om de kosten te compenseren.

(…)”

De procedure in hoger beroep bij het hof

[appellant] is van het vonnis van 12 juli 2023 in hoger beroep gekomen. Hij heeft drie genummerde grieven geformuleerd en zijn eis gewijzigd. [appellant] vordert, samengevat, het vonnis van 12 juli 2023 te vernietigen en opnieuw recht doende:

A. de VOF wegens de door [appellant] aangevoerde gewichtige redenen ex artikel 7A:1684 BW te ontbinden op een door het hof nader te bepalen datum;

B. voor recht te verklaren dat [appellant] recht heeft op zijn aandeel in de VOF per datum van ontbinding van de VOF, te berekenen op going-concern basis per de datum van ontbinding, zijnde de waarde van het kapitaal van [appellant] , te vermeerderen met de goodwill van de onderneming;

C. voor recht te verklaren dat [appellant] daarboven recht heeft op een vergoeding van de door [appellant] vanaf de datum van ontbinding van de VOF gederfde en te derven winsten over een periode door het hof in goede justitie te bepalen;

D. [geïntimeerde] te veroordelen om (in lijn met vordering sub B) aan [appellant] te betalen (a) een bedrag gelijk aan de kapitaalrekening van [appellant] per de datum van ontbinding (rekening houdende met het recht van [appellant] op 50% van het resultaat van de onderneming tot de ontbindingsdatum van de VOF en de door [appellant] tot die datum opgenomen voorschotten/ bedragen), (b) te vermeerderen met een bedrag gelijk aan 50% van de goodwill van de onderneming van de VOF per de ontbindingsdatum, welke bedragen vast te stellen door een door het hof te benoemen deskundige, althans [geïntimeerde] te gebieden medewerking te verlenen aan de benoeming van een door partijen aan te wijzen deskundige, althans [geïntimeerde] te gebieden binnen een door het hof te bepalen termijn een deskundige aan te wijzen, die samen met een door [appellant] binnen die periode aan te wijzen deskundige een derde deskundige aanwijzen, waarna deze drie

deskundigen ex artikel 21 van de VOF-akte bindend genoemde bedragen zullen vaststellen, te betalen door geïntimeerde binnen de termijn(en) als vastgelegd in artikel 23 van de VOF- akte, alsmede;

E. [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] te betalen een schadevergoeding ex artikel 7A:1684 lid 2 BW, zijnde het door [appellant] gederfde aandeel in de winsten van de onderneming van de VOF in de hypothetische situatie dat [appellant] gedurende minimaal nog vijf jaar had kunnen doorwerken, welke schadevergoeding kan worden begroot op 50% van het gemiddelde bedrijfsresultaat over de jaren 2019 tot en met 2022 van de VOF, zijnde € 168.809,75, te vermenigvuldigen met het aantal jaren dat het hof in goede justitie zal vaststellen, althans tot betaling van een schadevergoeding die het hof in goede justitie zal vaststellen;

met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

[geïntimeerde] heeft de grieven en de gewijzigde vordering van [appellant] bestreden en in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep zijn eis gewijzigd aldus dat hij, na evenals [appellant] afstand te doen van zijn vordering tot voortzetting van de onderneming, vordert voor recht te verklaren dat de ontbonden VOF overeenkomstig de bepalingen van het VOF-akte, waaronder de artikelen 25, 26 en 27 dient te worden geliquideerd;

met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van beide instanties.

[appellant] heeft de (voorwaardelijke) gewijzigde vordering van [geïntimeerde] bestreden en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de (voorwaardelijke) vordering van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in het incidentele hoger beroep.

De wijzigingen van eis

[geïntimeerde] heeft geen processuele bezwaren geuit die in de weg staan aan de wijziging van eis van [appellant] . Dat brengt mee dat de vordering van [appellant] nu luidt zoals in 6.11. is weergegeven. De wijziging van eis van [geïntimeerde] is voorwaardelijk ingesteld. Zoals verderop in deze uitspraak zal worden gemotiveerd wordt de voorwaarde waaronder [geïntimeerde] zijn vordering wijzigt niet vervuld. De vordering van [geïntimeerde] wijzigt in dit hoger beroep dan ook niet.

De bevoegdheid van het hof

[geïntimeerde] heeft in randnummer 17 van zijn memorie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke wijziging van eis aangevoerd dat hij primair zijn stelling handhaaft dat de rechtbank en het hof gelet op artikel 30 van de VOF-akte onbevoegd zijn om over andere vorderingen te beslissen dan die tot ontbinding (sec) van de VOF.

Ingevolge artikel 1022 Rv verklaart de rechter, bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten zich onbevoegd indien een partij zich voor alle weren op het bestaan van deze overeenkomst beroept, tenzij de overeenkomst ongeldig is. In deze zaak is de geldigheid van de overeenkomst niet in geschil.

De in artikel 1022 Rv vervatte regel dat de desbetreffende partij “voor alle weren” de onbevoegdheid van de rechter op grond van een arbitraal beding dient in te roepen, is een uitwerking voor dit geval van een algemenere regel die beoogt een goede procesorde te bevorderen en ertoe strekt te voorkomen dat na (het inhoudelijke) debat van partijen over de rechtsbetrekking die het onderwerp is van het geding, die partij in een laat stadium van het geding nog zou kunnen opwerpen dat de rechter op grond van regels die wegens hun zuiver processuele aard die rechtsbetrekking zelf niet raken, niet tot een beoordeling van het geschil omtrent de rechtsbetrekking kan komen. Voldoende maar tevens noodzakelijk is dat de partij de onbevoegdheid van de rechter inroept in de eerste namens of door hem genomen schriftelijke conclusie (zie: HR 29-04-1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1361).

[appellant] heeft bij memorie van grieven zijn vordering gewijzigd. Het hof overweegt dat wanneer sprake is van een wijziging van eis - behoudens het in deze zaak niet aan de orde zijnde geval van een wijziging van eis op een voor het inhoudelijke debat ondergeschikt

punt -, het inhoudelijke debat van partijen over de rechtsbetrekking die het onderwerp is van het geding zoals in de vorige overweging bedoeld, eveneens wijzigt. Het inhoudelijke debat tussen partijen wordt immers aangepast aan de gewijzigde eis, in dit geval ingegeven door gewijzigde feiten en omstandigheden. Onder deze omstandigheden is de eerste namens of door [geïntimeerde] genomen schriftelijke conclusie als bedoeld in de vorige overweging de memorie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke wijziging van eis. Nu [geïntimeerde] zich in die memorie (conclusie) met een beroep op artikel 30 van de VOF-akte op de onbevoegdheid van het hof heeft beroepen ten aanzien van alle vorderingen van [appellant] , behoudens de vordering tot ontbinding van de VOF op grond van artikel 7A:1684 BW, is dit bevoegdheidsverweer niet in strijd met de goede procesorde en tijdig. Een andere uitleg van artikel 1022 Rv, in die zin dat na een wijziging van eis niet opnieuw de mogelijkheid bestaat in het eerstvolgende processtuk een beroep op artikel 1022 Rv te doen, zou betekenen dat een partij - voormelde uitzondering daargelaten - door middel van een wijziging van eis kan bewerkstelligen dat de wederpartij de bevoegdheid van de burgerlijke rechter ten aanzien van die gewijzigde eis niet meer met een beroep op een tussen partijen rechtsgeldig overeengekomen arbitragebeding kan betwisten. Een dergelijke uitleg past niet bij doel en strekking van artikel 1022 Rv, dat een partij de bevoegdheid geeft er al dan niet voor te kiezen een vordering op grond van een inhoudelijk debat tussen partijen door de burgerlijke rechter te laten beoordelen, en de in overweging 6.17 weergegeven uitleg van dit artikel.

Aan de orde is nu het beroep van [geïntimeerde] op artikel 30 van de VOF-akte. Voor de beoordeling van dat beroep is de uitleg van dat artikel van belang. Partijen hebben het hof geen feiten en omstandigheden, zoals verklaringen of gedragingen, aangereikt die het hof bij de uitleg van artikel 30 van de VOF-akte kan betrekken. Het hof moet de uitleg van artikel 30 daarom baseren op de bewoordingen van de bepalingen van de VOF-akte, in onderling verband en samenhang bezien. Doorslaggevend blijft de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de VOF-akte, in het bijzonder aan artikel 30, mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Het hof constateert dat artikel 30 in lid 1 vooropstelt dat alle feitelijke en juridische geschillen tussen partijen die hun samenwerking in de VOF betreffen, worden beslist door arbiters. Het hof constateert vervolgens dat de leden 6 en 7 van artikel 30 concreet en specifiek die gevallen beschrijven waarvoor een uitzondering op de hoofdregel van lid 1 geldt. In lid 7 is onder andere “de vordering tot ontbinding van de vennootschap op grond van een “wettige reden” als bedoeld in artikel 1684 van het Burgerlijk Wetboek” vermeld. Lid 7 beschrijft niet als uitzondering nevenvorderingen die naast een vordering tot ontbinding van de VOF op grond van (het huidige) artikel 7A:1684 BW kunnen worden ingesteld, zoals die betreffende de voortzetting van de VOF of schadevergoeding op grond van een tekortkoming, of andere vorderingen die verband houden met de ontbinding van de VOF. In de uitleg van het hof is op grond van artikel 30 lid 7 van de VOF-akte uitsluitend de vordering tot ontbinding (sec) van de VOF van arbitrage uitgesloten. Daartoe is van belang dat de tekst van artikel 30 lid 7 verwijst naar de wettekst van artikel 1684 (oud) BW zoals die gold vóór 1 januari 1992. Artikel 1684 luidde toen: De ontbinding van maatschappen (…) kan door eenen der vennooten (…) niet anders gevorderd worden dan om wettige redenen; zoo als, indien een ander vennoot niet aan zijne verpligtingen voldoet, of eene aanhoudende ongesteldheid hem onbekwaam maakt om de zaken der maatschap waar te nemen; of andere soortgelijke gevallen, waarvan de wettigheid en het gewigt aan de beoordeling des regters worden overgelaten. Dit artikel bevatte geen bijkomende bepalingen zoals het huidige artikel 7A:1684 BW die wel kent. De tekst van artikel 30 lid 7 van de VOF-akte strekt er, bezien in samenhang met de tekst van artikel 1684 (oud) BW toe dat de vennoot die niet langer aan een samenwerking met een medevennoot in een VOF gebonden wil blijven, om dit te bewerkstelligen de ontbinding van de VOF door de burgerlijke rechter kan vorderen. Aanknopingspunten voor een andere uitleg hebben partijen het hof niet gegeven.

Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde] zich terecht op het standpunt stelt dat het hof gelet op artikel 30 van de VOF-akte onbevoegd is om over andere vorderingen te beslissen dan die tot ontbinding van de VOF. Dit brengt mee dat het hof zich onbevoegd zal verklaren ten aanzien van de gewijzigde vorderingen sub B tot en met E van [appellant] . Dit brengt ook mee dat de voorwaarde waaronder [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep zijn eis wijzigt niet is vervuld. Aan beoordeling van het incidenteel hoger beroep houdende wijziging van eis komt het hof dan ook niet toe.

[appellant] heeft in zijn grieven betoogd dat de rechtbank zich ten aanzien van de andere vorderingen van [appellant] dan die tot ontbinding van de VOF niet onbevoegd had mogen verklaren en deze had moeten toewijzen. Aan de orde is of [appellant] belang heeft bij beoordeling van deze grieven vanwege de door de rechtbank gegeven beslissing over de proceskosten. Deze beslissing houdt in dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat zij ieder de eigen kosten dragen, omdat zij broers zijn. Het hof overweegt dat [appellant] in hoger beroep zijn eis heeft gewijzigd. Uit het voorgaande volgt dat het hof zich ten aanzien van de gewijzigde vorderingen sub B tot en met E onbevoegd zal verklaren. Uit de overwegingen van het hof verderop in deze uitspraak volgt dat het hof de vordering sub A zal afwijzen. Toewijzing van de gewijzigde eis van [appellant] , hetgeen tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en een andere beslissing over de proceskosten had kunnen leiden is dan niet aan de orde.

Het hof constateert dat [appellant] geen voldoende kenbare grief heeft geformuleerd tegen de overweging van de rechtbank dat de omstandigheid dat partijen broers zijn de aanleiding is om de proceskosten tussen hen te compenseren. Dat had wel op zijn weg gelegen omdat ook indien [appellant] door de rechtbank in het gelijk zou zijn gesteld de familieband de rechtbank aanleiding zou hebben kunnen geven de proceskosten tussen hen te compenseren. Ook [geïntimeerde] heeft hiertegen geen kenbare grief geformuleerd. Het hof zal de beslissing van de rechtbank, om de proceskosten in eerste aanleg tussen partijen te compenseren daarom in stand laten, ondanks dat [geïntimeerde] veroordeling van [appellant] in de proceskosten van beide instanties heeft gevorderd.

Voor zover de grieven van [appellant] aldus moeten worden begrepen dat de rechtbank zich niet onbevoegd had mogen verklaren, de overige vorderingen van [appellant] had moeten toewijzen en daarom een proceskostenveroordeling ten laste van [geïntimeerde] had moeten uitspreken, verwerpt het hof die. Ook in eerste aanleg is immers sprake van een wijziging van eis van [appellant] , zoals het hof die hiervoor in overweging 6.18. heeft besproken, te weten bij akte wijziging van eis, genomen ter zitting van 22 september 2022. Door de rechtbank in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten heeft [geïntimeerde] in het eerstvolgende processtuk, te weten de conclusie van 14 december 2022, zich in randnummer 8 (ook) op de onbevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van de (gewijzigde) nevenvorderingen beroepen. Overigens heeft de advocaat van [geïntimeerde] , blijkens het proces-verbaal van die zitting (blz. 3 bovenaan), reeds ter zitting van 22 september 2022 verklaard dat [geïntimeerde] arbitrage wenst en dat de rechtbank onbevoegd is voor de nevenvorderingen. De rechtbank heeft dat beroep terecht gehonoreerd. Het hof onderschrijft daarom de beslissing tot onbevoegd verklaring van de rechtbank.

De vordering sub A van [appellant] en de daarbij behorende grieven betreffen de vordering tot ontbinding van de VOF. [appellant] wenst dat het hof de VOF per een door het hof te bepalen datum ontbindt op grond van de door hem toegelichte gewichtige redenen. Het hof verwerpt de grieven van [appellant] , hetgeen meebrengt dat de vordering sub A niet toewijsbaar is. Daartoe is het volgende redengevend. De rechtbank heeft de VOF al ontbonden op grond van gewichtige redenen. De rechtbank heeft geen datum genoemd per welke de VOF is ontbonden. Uit artikel 7A:1684 BW volgt dat een beslissing tot ontbinding niet met terugwerkende kracht, per een datum voorafgaand aan de uitspraak, kan worden gegeven. Artikel 230 aanhef en sub f en h Rv bepaalt dat het vonnis de beslissing en de datum van de uitspraak bevat. Hieruit volgt dat, wanneer in een beslissing tot ontbinding van de VOF geen datum is genoemd per wanneer de beslissing tot ontbinding geldt, de datum van de uitspraak waarin de beslissing is vervat, de datum is per welke de beslissing tot ontbinding van de VOF geldt. In dit geval is dat 12 juli 2023.

Nu tussen partijen niet in geschil was en is dat er gewichtige redenen zijn de VOF te ontbinden, is aan de voorwaarde die artikel 7A:1684 BW aan ontbinding van een VOF door de rechter stelt voldaan. Tot een nadere motivering van de gewichtige redenen was de rechtbank niet gehouden. Die motivering zou van belang kunnen zijn voor een of meer nevenvorderingen, maar beoordeling daarvan is vanwege de onbevoegdheid van de rechtbank niet aan de orde. Ook het hof is niet bevoegd de gewijzigde nevenvorderingen te beoordelen. [appellant] heeft daarom geen belang bij beoordeling van zijn grieven over de inhoud van de gewichtige redenen.

De slotsom

Uit het voorgaande volgt dat de grieven van [appellant] niet slagen. De vordering van [appellant] sub A wordt afgewezen en ten aanzien van de vorderingen sub B tot en met E verklaart het hof zich onbevoegd. Het bestreden vonnis van de rechtbank van 12 juli 2023 wordt bekrachtigd. Mede in aanmerking genomen dat [appellant] kosten heeft veroorzaakt voor [geïntimeerde] door in hoger beroep te gaan terwijl geen enkele grief slaagt, ziet het hof geen aanleiding om de proceskosten in hoger beroep tussen partijen te compenseren maar wordt [appellant] als de in principaal hoger beroep in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld, vermeerderd met wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraad, zoals door [geïntimeerde] is gevorderd. De voorwaarde waaronder het incidenteel hoger beroep is ingesteld is niet vervuld. Voor een kostenveroordeling in incidenteel hoger beroep is in zo’n geval geen plaats (HR 14-12-2018, ECLI:NL:HR:2018:2261).

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op:

Griffierechten € 343,00

Salaris advocaat € 2.428,00 (2 punt(en) x tarief II)

Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 2.949,00

7. De uitspraak

Het hof:

op het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep

verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de vorderingen sub B tot en met E van [appellant] ;

wijst de vordering sub A van [appellant] af;

bekrachtigt het bestreden vonnis van 12 juli 2023;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het principaal hoger beroep ten bedrage van € 2.949,00, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [appellant] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet hij € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;

veroordeelt [appellant] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.W.A. van Geloven, J.P. de Haan en M.C. Schepel en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 september 2025.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?