GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.336.160/01
arrest van 2 september 2025
in de zaak van
1. [appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [appellante sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
appellanten in principaal hoger beroep, tegens geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
hierna in enkelvoud aan te duiden als [A] ,
advocaat: mr. R.G.F. Lammers te Oss,
tegen
1. [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep, tevens appellanten in incidenteel hoger beroep,
hierna in enkelvoud aan te duiden als [B] ,
advocaat: mr. P.A.C. van Buul te Nijmegen.
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 26 maart 2024 in het hoger beroep van het, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 25 oktober 2023 (hierna: het bestreden vonnis).
5. Het geding in hoger beroep
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 26 maart 2024, waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 23 mei 2024;
de memorie van grieven met vier producties;
de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel hoger beroep met twee producties;
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.
De mondelinge behandeling d.d. 16 mei 2025, waarbij [A]
spreekaantekeningen heeft overgelegd.
Op de mondelinge behandeling heeft [A] verzocht een productie in het geding te mogen brengen, die op voorhand bij H12 formulier twee dagen voor de zitting is toegezonden. Daarover heeft mr. Van Buul namens [B] opgemerkt dat dit stuk al eerder in het geding is overgelegd. Het hof begrijpt dit aldus dat [B] geen bezwaar tegen het inbrengen van deze productie heeft. Voor zover [B] heeft bedoeld daartegen wel bezwaar te maken omdat de productie te laat is toegezonden, gaat het hof daaraan voorbij, omdat [B] niet in zijn procespositie wordt geschaad door het te laat inbrengen van een productie die al tot de gedingstukken behoort. Het stuk maakt daarom deel uit van de processtukken.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
6. Kern van de zaak
[A] en [B] zijn in 2009 een vof aangegaan. Met het aangaan van de samenwerking is de bestaande ligboxenstal, die zich op de grond van [B] bevond, uitgebouwd en nader ingericht. Voor de ligboxenstal en de nadere inrichting was financiering nodig en partijen hebben als vennoten van de vof twee geldleningsovereenkomsten afgesloten met de Rabobank, waarvoor beide partijen hoofdelijk aansprakelijk waren. Deze zaak gaat in de kern over de vraag wie in de onderlinge verhouding tussen [A] en [B] draagplichtig is voor de (rest)schuld uit hoofde van de geldlening die op 20 december 2017 € 243.103,18 bedroeg en waarvan [A] en [B] in december 2017 ieder de helft (€ 121.551,59) hebben voldaan. [A] is van mening dat [B] draagplichtig is voor de gehele restschuld en heeft betaling door [B] aan hem van het door hem aan de Rabobank voldane bedrag gevorderd. [B] is het daar niet mee eens. De rechtbank heeft [B] gelijk gegeven en de vorderingen van [A] afgewezen. Het hof zal [A] deels gelijk geven. Hieronder zal het hof toelichten hoe het tot dit oordeel komt.
7. De beoordeling
In principaal hoger beroep en incidenteel hoger beroep
De feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis in rechtsoverweging 3. vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds voldoende gemotiveerd gesteld en anderzijds niet (voldoende gemotiveerd) betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de feiten voor zover relevant in hoger beroep.
[A] en [B] hadden ieder een melkveehouderij en akkerbouwbedrijf in [plaats A] . Ook waren hun bedrijven in dezelfde straat in [plaats A] gevestigd en grensden hun landbouwpercelen (praktisch) aan elkaar.
Via een overeenkomst getekend op 22 september 2009 (hierna: de vof-akte) zijn zij, ingaande per 1 januari 2009, een vennootschap onder firma aangegaan onder de naam [A] - [B] V.O.F (hierna: de vof). De vof had tot doel de gezamenlijke uitoefening van een melkveehouderij en akkerbouwbedrijf in welk verband de vennoten gezamenlijk de agrarische bedrijven die zij tot dan ieder afzonderlijk exploiteerden, hebben voortgezet.
De artikelen 1, 16 lid 4 en 20 van de vof-akte luiden:
“ AANVANG EN DUUR ARTIKEL 1
De overeenkomst van vennootschap onder firma gaat in op 1 januari 2009 en is aangegaan voor de duur van tien jaren. Na ommekomst van deze termijn wordt de overeenkomst telkens stilzwijgend met 1 jaar verlengd indien geen opzegging heeft plaatsgevonden.
VERDELINGS- EN OVERNEMINGSBEDING
ARTIKEL 16
De voortzettende vennoot heeft, dan wel de voortzettende vennoten hebben, het recht om het volledige recht van eigendom van de onroerende zaken, waarvan door de niet-voortzettende vennoot dan wel de niet-voortzettende vennoten het gebruik en genot in de vennootschap is ingebracht, vrij en onbezwaard van de niet-voortzettende vennoten over te nemen tegen prijzen die overeenkomen met de waarde in het economisch verkeer.
OVERNAMEVERPLICHTINGEN
ARTIKEL 20
Wanneer het vermogen is verdeeld is de voortzettende vennoot verplicht de rechten, in artikel 16 binnen drie maanden na de verdeling uit te oefenen. Weigering hiervan doet de verdeling teniet.
De voortzettende vennoot is verplicht alle bedrijfsschulden voor zijn rekening te nemen.
Hij verleent de niet-voortzettende vennoot hiervoor vrijwaring.”
Partijen hebben als vennoten van de vof met de Rabobank twee geldlenings-overeenkomsten (hierna ook aan te duiden met: de geldlening) gesloten.
Op enig moment is een ligboxenstal en een stalinrichting aangeschaft / is opdracht
gegeven voor het laten maken ervan. De ligboxenstal bevindt zich op het terrein waarvan
[geïntimeerde sub 1] toen eigenaar was.
Op 3 november 2011 hebben partijen nadere afspraken gemaakt over de vof. Deze afspraken zijn neergelegd in een aanvullende overeenkomst van vennootschap onder firma (hierna: de aanvullende vof-akte). In deze aanvullende vof-akte is onder meer opgenomen:
“ ARTIKEL 1 AANVULLING ARTIKEL 4 INZAKE INBRENG
In de vennootschap is op 26 november 2009 door de vennoten sub 1 [ [A] ; toevoeging hof] en sub 2 [ [B] ; toevoeging hof] ingebracht het economisch belang van de nieuw gebouwde ligboxenstal met stalinrichting voor melkkoeien, ter grootte van 594 m2, staande en gelegen op het perceel dat juridisch eigendom is van de vennoot sub 2a [ [geïntimeerde sub 1] ; toevoeging hof]
(…) De vennoten hebben gezamenlijk in totaal € 197.576 geïnvesteerd in voornoemde ligboxenstal alsmede € 36.932 voor de stalinrichting, waterbron, rubberkoematras, en windbreekgaas met hijstrommel, zulks in de verhouding zoals weergegeven in artikel 11.4, zijnde 50% door de vennoten sub 1 en 50% door de vennoten sub 2.
ARTIKEL 2 AANVULLING ARTIKEL 16 LID 4
In aanvulling op het bepaalde in artikel 16 lid 4 wordt bepaald dat de voortzettende vennoot het recht heeft het volledige recht van eigendom van de ligboxenstal, waarvan het economisch belang is ingebracht tegen de waarde in het economisch verkeer.”
Op enig moment is de samenwerking tussen partijen duurzaam ontwricht geraakt. Partijen hebben daarop uitgebreid contact gehad over de afwikkeling van de vof, zowel mondeling als schriftelijk.
Per 1 september 2013 is de vof ontbonden.
In 2016 is [B] een procedure gestart tegen [A] . In die zaak is op 31 mei 2017 een tussenvonnis gewezen. In dat tussenvonnis van 31 mei 2017 heeft de rechtbank over de wijze waarop de vennoten moeten afrekenen over de ingebrachte economische eigendom van de ligboxenstal in rechtsoverweging 4.11 onder meer het volgende overwogen:
“Door de inbreng van de economische eigendom is de ligboxenstal met stalinrichting niet in
juridische eigendom gaan toebehoren aan de vennoten gezamenlijk, maar wel zal de
eventuele waardevermindering of -vermeerdering tussen de voormalige vennoten verdeeld
moeten worden. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van
9 mei 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BLl 127). Achterliggende gedachte is dat bij inbreng van
economisch eigendom waardeveranderingen voor rekening van de vennootschap komen.
Als een vennootschap wordt vereffend en de werkelijke waarde van een goed waarvan de
economische eigendom is ingebracht op dat moment hoger of lager is dan de boekwaarde,
dan wordt het verschil beschouwd als winst of verlies van de vennootschap. De verdeling
van de winst of het verlies zal geschieden volgens de door partijen in artikel 11.3. van die
vennootschapsovereenkomst overeengekomen winstverdeling, te weten 50%-50%.”
Op 20 december 2017 heeft de Rabobank door middel van een zogenoemde aflossingsnota voor [A] - [B] V.O.F. van [A] en [B] terugbetaling gevorderd van de geldleningen. In totaal stond op dat moment nog € 243.103,18 open.
[A] heeft in december 2017 € 121.551,59 voldaan, zijnde de helft van het openstaande bedrag. [B] heeft de andere helft voldaan aan de Rabobank.
Hierna is op 20 februari 2019 het eindvonnis gewezen in de door [B] aanhangig gemaakte procedure. Daarin heeft de rechtbank -op basis van het rapport van een benoemde deskundige- geoordeeld dat de waarde van de nieuwe ligboxenstal met stalinrichting € 114.184,- is. De waardevermindering van de ligboxenstal bedroeg naar het oordeel van de rechtbank in totaal € 78.824,- zijnde het verschil tussen de boekwaarde van € 193.008,- en de getaxeerde waarde van € 114.184,- De rechtbank heeft vervolgens -voor zover hier van belang- geoordeeld dat de waardevermindering tussen de voormalig vennoten moet worden verdeeld. Per saldo betekent dit dat [A] (onder andere) de helft van de waardevermindering, zijnde € 39.412,- aan [B] heeft moeten betalen. Ten aanzien van de geldleningen heeft de rechtbank in dat vonnis nog overwogen dat [A] aan zijn stelling dat partijen de geldleningen bij de Rabobank van in totaal € 243.359,25 ieder voor de helft hebben afgelost geen rechtsgevolgen heeft verbonden, zodat de rechtbank aan deze stelling voorbij zal gaan.
[A] heeft per e-mail van 28 maart 2019 van [B] betaling gevorderd van € 121.551,59 (zijnde het bedrag dat hij aan de Rabobank had voldaan) plus de vervallen rente. [B] heeft aan deze sommatie niet voldaan.
[A] is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van 20 februari 2019.
Dit gerechtshof heeft op 9 februari 2021 in die hoger beroepsprocedure een tussenarrest gewezen (hierna: het tussenarrest van 9 februari 2021). Hierin is met betrekking tot de door de Rabobank verstrekte geldleningen onder meer het volgende overwogen:
“3.18 (…). De geldlening bij de Rabobank is kennelijk vooral aangegaan met het oog op de financiering van de ligboxstal in 2009, zodat er in zoverre een verband bestaat tussen de lening en de ligboxstal. Bij de vorderingen waar het in deze procedure om gaat is dit verband evenwel niet van belang. Hierin wordt een beslissing gevraagd over een aantal afzonderlijke posten die verband houden met de afwikkeling van de vennootschap en niet een algehele verdeling van het vennootschapsvermogen (…).
Wat betreft de ligboxstal is de vermindering van de waarde daarvan in het economisch verkeer ten opzichte van de boekwaarde in eerste aanleg aan de orde geweest en na het inwinnen van een deskundigenbericht beslist. Daartoe heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 31 mei 2017 onbestreden vastgesteld dat de ligboxenstal juridisch eigendom is van [B] en dat de economische eigendom van de ligboxenstal met stalinrichting destijds is ingebracht in de vennootschap. De ligboxenstal met stalinrichting is niet in juridische eigendom gaan toebehoren aan de vennoten gezamenlijk: alleen de waardevermeerdering of -vermindering diende verdeeld te worden. Dat is vervolgens in het eindvonnis van 20 februari 2019 gedaan. Deze kwestie is in hoger beroep verder niet aan de orde.
Uit de vennootschapsakte kan niet worden afgeleid dat de geldlening geheel ten laste van de eigenaar van de ligboxenstal zou moeten komen.”
In het tussenarrest van 9 februari 2021 is aan [A] opdracht gegeven te bewijzen dat tussen (vertegenwoordigers van) partijen over de geldlening bij de Rabobank mondeling is afgesproken dat de rente en aflossing die voor rekening van de gezamenlijke vennoten waren gebleven na de ontbinding van de vennootschap per eind 2013 voor rekening van [B] zouden komen. Nadat getuigen zijn gehoord, heeft het hof op 1 februari 2022 eindarrest gewezen (hierna: het eindarrest van 1 februari 2022). Het hof heeft als volgt overwogen:
“6.12 (…) Wat betreft de ligboxstal is de vermindering van de waarde daarvan in het economisch verkeer ten opzichte van de boekwaarde in eerste aanleg aan de orde geweest en na het inwinnen van een deskundigenbericht is daarover beslist. Daartoe heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 31 mei 2017 onbestreden vastgesteld dat de ligboxenstal juridisch eigendom is van [B] en dat de economische eigendom van de ligboxenstal met stalinrichting destijds is ingebracht in de vennootschap. De ligboxenstal met stalinrichting is niet in juridische eigendom gaan toebehoren aan de vennoten gezamenlijk; alleen de waardevermindering of -vermindering diende verdeeld te worden. Dat is vervolgens in het eindvonnis van 20 februari 2019 gedaan. Deze kwestie is in hoger beroep verder niet aan de orde. Uit de vennootschapsakte kan niet worden afgeleid dat de geldlening geheel ten laste van de eigenaar van de ligboxenstal zou moeten komen. Zoals het hof bij de beoordeling van grief 1 heeft overwogen, is niet komen vast te staan dat partijen mondeling overeenstemming hebben bereikt over de toedeling van de rente en de aflossingen van de lening na datum ontbinding aan [B] Voor het overige is niet is gesteld of gebleken dat partijen anderszins hebben afgesproken dat de geldlening ten laste van [B] zou komen. Zoals in het voorgaande is vastgesteld, is tussen partijen met betrekking tot de afwikkeling van de vennootschap evenmin een overeenkomst tot stand gekomen. De zinsnede in de dagvaarding in eerste aanleg waar [A] op doelt betreft wel de aflossing van de geldlening maar kan redelijkerwijze niet worden gelezen als een onvoorwaardelijke toezegging van [B] om de aflossing van de gehele geldlening, met inbegrip van het aandeel van [A] voor zijn rekening te nemen. Ook overigens heeft [A] niet aannemelijk gemaakt dat [B] dit onderdeel van het vermogen van de vennootschap volledig voor zijn rekening zou moeten nemen. Voor bewijslevering is bij deze stand van zaken geen grond aanwezig.”
Met het eindarrest heeft het gerechtshof het vonnis van 20 februari 2019 van de rechtbank bekrachtigd. Partijen zijn niet in cassatie gegaan. De cassatietermijn is verstreken.
De vorderingen in het principaal en incidenteel hoger beroep
[A] heeft in eerste aanleg gevorderd [B] te veroordelen tot betaling aan
[A] van:
het bedrag van € 128.574,51, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 126.534,17 vanaf 28 maart 2019, althans de dag van dagvaarding, en
de proceskosten.
Het bedrag van € 128.574.51 is opgebouwd uit een bedrag van € 121.551,59 aan hoofdsom, vermeerderd met € 4.982,58 aan vervallen rente en € 2.040.34 aan buitengerechtelijke incassokosten.
De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De (vier) grieven van [A] komen erop neer dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en alsnog zijn vorderingen in eerste aanleg toewijst. Daarnaast heeft [A] gevorderd [B] te veroordelen tot terugbetaling van de proceskosten waartoe [A] in eerste aanleg was veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 november 2023.
[B] vindt -net als in eerste aanleg- dat de vorderingen van [A] ongegrond zijn en heeft de grieven van [A] bestreden. Verder heeft [B] incidenteel hoger beroep ingesteld en in dat verband, zo begrijpt het hof, twee grieven aangevoerd. [B] heeft in het principaal en incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot:
niet-ontvankelijkverklaring van [A] , althans afwijzing van de vorderingen van [A] , en
veroordeling van [A] in de proceskosten, primair de volledige kosten van de advocaat van [B] en subsidiair conform het liquidatietarief.
[A] heeft de incidentele grieven van [B] bestreden en in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [B] , althans ontzegging van zijn vordering met veroordeling van [B] in de proceskosten.
Omvang van het principaal en incidenteel hoger beroep
In het principaal hoger beroep liggen -kort samengevat- gelet op de grieven van [A] en de devolutieve werking van het hoger beroep, de volgende onderwerpen ter beoordeling voor:
i) (nadere) verdeling / vereffening van de schuld (artikel 3:178 en/of 3:179 jo. 3:185 BW);
ii) verdeling van de economische waarde van de ligboxenstal;
iii) artikel 20.2 van de vof-akte;
iv) regres (artikel 6:10 lid 2 BW);
v) het gezag van gewijsde van de arresten van het hof in de eerdere procedure, te weten het tussenarrest van 9 februari 2021 en het eindarrest van 1 februari 2022.
In het incidenteel hoger beroep ligt ter beoordeling voor of [A] moet worden veroordeeld in de volledige proceskosten van [B] . Daarnaast heeft [B] als separate incidentele grief ook het gezag van gewijsde van de arresten van het hof in de eerdere procedure aan de orde gesteld, zoals hij ook al deed in de procedure bij de rechtbank. Volgens vaste rechtspraak brengt de devolutieve werking van het hoger beroep mee dat wanneer het hof een of meer grieven gegrond oordeelt, het hof, binnen het door de grieven ontsloten gebied, ambtshalve alle in eerste aanleg niet behandelde en verworpen gronden of verweren van [B] -waaronder zijn beroep op het gezag van gewijsde- alsnog respectievelijk opnieuw moet beoordelen. Op dit punt was geen incidenteel hoger beroep nodig.
Het hof zal de hiervoor genoemde beslispunten hierna achtereenvolgens beoordelen en daarbij voor zover nodig betrekken hetgeen [B] heeft aangevoerd ten aanzien van het gezag van gewijsde.
Nadere) verdeling / vereffening schuld
[A] heeft in hoger beroep opnieuw gesteld dat de bij de Rabobank afgesloten geldlening alsnog -als overgeslagen goed- verdeeld moet worden en moet worden toebedeeld aan [B] (artikel 179 lid 2 BW en 3:185 BW). Voor zover deze grondslag niet slaagt, vordert [A] dat de schuld alsnog vereffend wordt dan wel dat alsnog de algehele verdeling van het vennootschapsvermogen wordt vastgesteld. Die algehele verdeling moet volgens hem plaatsvinden conform de door hem overgelegde staat van verdeling (productie 3 bij memorie van grieven), met veroordeling van [B] om [A] -kennelijk wegens overbedeling- het bedrag van € 128.574,45 te betalen. [B] heeft dit gemotiveerd betwist.
Het wettelijk kader is als volgt.
Het uitgangspunt is dat ieder van de deelgenoten in beginsel te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen. De rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, kan als een deelgenoot dat verlangt, bepalen dat alle of sommige opeisbare schulden die voor rekening van de gemeenschap komen, moeten worden voldaan voordat tot de verdeling wordt overgegaan (artikel 3:178 lid 1 en 2 BW). Als verdeling van een gemeenschappelijk goed wordt gevorderd, kan ieder van de deelgenoten -behalve enkele uitzonderingen die zich hier niet voordoen- verlangen dat alle tot de gemeenschap behorende goederen en de voor rekening van de gemeenschap komende schulden in de verdeling worden betrokken (artikel 3:179 lid 1). Als bij een verdeling een of meer goederen zijn overgeslagen, heeft dat alleen tot gevolg dat daarvan een nadere verdeling kan worden gevorderd (artikel 3:179 lid 2 BW).
Als de deelgenoten het niet eens worden, gelast de rechter de wijze van verdeling of stelt hij zelf de verdeling vast. Als wijzen van verdeling komen daarbij in aanmerking: a) toedeling van een gedeelte van het goed aan ieder der deelgenoten; b) overbedeling van een of meer deelgenoten tegen vergoeding van de overwaarde en c) verdeling van de netto-opbrengst van het goed of een gedeelte daarvan, nadat dit op een door de rechter bepaalde wijze zal zijn verkocht. (artikel 3:185 BW)
In deze zaak staat vast dat partijen de schuld aan de Rabobank in december 2017 integraal hebben afgelost. Dit betekent dat de schuld aan de Rabobank niet meer bestaat. Daarom kan het hof aan een verdeling van de schuld niet toekomen. Wat er niet meer is, kan niet meer verdeeld worden. Om dezelfde reden kan de schuld ook niet meer vereffend worden. De schuldeiser (Rabobank) is immers betaald. De situatie die zich hier feitelijk voordoet, is dat [A] van mening is dat hij een schuld, waarvoor [B] en hij hoofdelijk aansprakelijk waren, voor meer heeft afgelost dan het gedeelte dat hem, [A] , in zijn onderlinge verhouding met [B] aanging. Het bedrag van dit meerdere wil hij vergoed krijgen van [B] . Op deze situatie is artikel 6:10 lid 2 BW (regres) van toepassing en daar heeft [A] ook een beroep op gedaan. Het hof zal hier in r.o. 7.6 op ingaan.
De vordering van [A] om alsnog de verdeling van het gehele vof-vermogen vast te stellen conform de door hem overgelegde verdeelstaat met kennelijk als doel om [B] alsnog te veroordelen aan [A] wegens overbedeling het bedrag van € 128.574,45 te betalen, is ook niet toewijsbaar. In de eerste plaats heeft [A] te weinig gesteld om alsnog tot een algehele verdeling van het vennootschapsvermogen te komen. Het enkel overleggen van een verdeelstaat is daartoe onvoldoende. In de tweede plaats is -ook indien het hof wel aan een verdeling toe zou komen- het enkele feit dat de lening op die verdeelstaat onder de naam van [B] staat onvoldoende voor de conclusie dat [B] is overbedeeld. [A] stelt weliswaar dat over de verdeling van de geldlening overeenstemming bestond maar het hof komt aan de beoordeling van die stelling niet meer toe. [A] heeft in de eerdere procedure over hetzelfde document ook al betoogd dat partijen hierover overeenstemming hadden en het hof heeft in die procedure, na het horen van diverse getuigen, in het eindarrest van 1 februari 2022 onherroepelijk beslist dat niet is komen vast te staan dat partijen mondeling overeenstemming hebben bereikt of anderszins hebben afgesproken dat de geldlening voor rekening van [B] zou komen. Dat volgt uit r.o. 6.12 van dat arrest, waarin het hof destijds overwoog:
Zoals het hof bij de beoordeling van grief 1 heeft overwogen, is niet komen vast te staan dat partijen mondeling overeenstemming hebben bereikt over de toedeling van de rente en de aflossingen van de lening na datum ontbinding aan [B] Voor het overige is niet (...) gesteld of gebleken dat partijen anderszins hebben afgesproken dat de geldlening ten laste van [B] zou komen. Zoals in het voorgaande is vastgesteld, is tussen partijen met betrekking tot de afwikkeling van de vennootschap evenmin een overeenkomst tot stand gekomen. De zinsnede in de dagvaarding in eerste aanleg waar [A] op doelt betreft wel de aflossing van de geldlening maar kan redelijkerwijze niet worden gelezen als een onvoorwaardelijke toezegging van [B] om de aflossing van de gehele geldlening, met inbegrip van het aandeel van [A] voor zijn rekening te nemen. (…) Ook overigens heeft [A] niet aannemelijk gemaakt dat [B] dit onderdeel van het vermogen van de vennootschap volledig voor zijn rekening zou moeten nemen. Voor bewijslevering is bij deze stand van zaken geen grond aanwezig. (…)
Gelet op deze onherroepelijke uitspraak, is geen plaats meer voor een nieuwe beoordeling van deze stelling.
Voor zover [A] nog zou betogen dat die overbedeling van [B] volgt uit het feit dat -zoals ook staat vermeld op de verdeelstaat- de economische waarde van de nieuwe ligboxenstal met stalinrichting van € 114.184,- aan [B] is toebedeeld, kan hem dat ook niet baten. Het hof zal dit hierna onder r.o. 7.4. toelichten.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van [A] op de artikelen 3:178, 3:179 en 3:185 BW niet slaagt.
Verdeling economische waarde
Zoals hiervoor is overwogen, is de economische waarde van de nieuwe ligboxenstal met stalinrichting van € 114.184,- in het kader van de afwikkeling van de vof aan [B] toegekomen. Dit is logisch omdat de ligboxenstal met inrichting -die op de grond van [B] stond- juridisch eigendom was van [B] . Volgens [A] betekent dit echter dat alsnog de gehele economische waarde in de verdeling moet worden betrokken. Hij verwijst daarbij naar artikel 16 lid 4 van de vof-akte. [B] heeft dit betwist door te stellen dat het gezag van gewijsde aan toewijzing van de vordering op deze grondslag in de weg staat.
Het hof is van oordeel dat [B] het gelijk aan zijn zijde heeft. In de eerdere procedures hebben de rechtbank en het hof in r.o. 2.10 van het tussenvonnis van 31 mei 2017, in r.o. 3.18 van het tussenarrest van 9 februari 2021 en in r.o. 6.12 van het eindarrest van 1 februari 2022 beslist dat alleen de waardevermeerdering en waardevermindering moeten worden gedeeld (zie de relevante passages hiervoor bij de feiten onder 7.1.10, 7.1.15 en 7.1.16). Deze beslissing heeft gezag van gewijsde gekregen. Alleen dit staat er al aan in de weg dat de economische waarde alsnog in de verdeling wordt betrokken en wel in de vorm van een betaling van een bedrag aan [A] wegens overbedeling. 7.5. Artikel 20.2 vof-akte
[A] heeft zich nog op artikel 20.2 van de vof-akte beroepen, weergegeven onder de feiten in r.o. 7.1.4. [A] heeft in dat verband aangevoerd dat [B] de vof heeft voortgezet en moet worden beschouwd als voortzettende vennoot in de zin van die bepaling, en zodoende gehouden is de bedrijfsschulden van de vof op zich te nemen. Volgens [A] hadden de geldleningen ten tijde van de voortzetting door [B] van de vof als zodanige bedrijfsschulden te gelden, zo begrijpt het hof diens verdere betoog. Daartoe heeft [A] ook gewezen op de vaststelling van het hof in zijn tussenarrest van 9 februari 2021 in de eerdere procedure in r.o. 3.1. onder h:
“De vennootschap is geëindigd per 1 september 2013. In het uittreksel van de Kamer van Koophandel (…) is vermeld dat [A] per 1 september 2013 is uitgetreden. Sinds die datum wordt de vennootschap onder firma gedreven door [B] onder de naam V.O.F. [B] - [YY] .”
Het hof begrijpt de stellingen van [A] zo, dat hij zich op het standpunt stelt dat dit eerder vastgestelde feit ook in de onderhavige procedure vast staat. Het hof volgt [A] daarin niet. Voor zover [A] heeft bedoeld zich erop te beroepen dat aan deze feitenvaststelling gezag van gewijsde toekomt, is dat niet juist.
Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt (HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099). Hieruit volgt dat beslissingen waarbij een feit wordt vastgesteld, gezag van gewijsde kunnen hebben als het feit tevens (mede) tot de genomen beslissing heeft geleid en die beslissing ziet op een dezelfde rechtsbetrekking in geschil als waarover in een ander geding tussen dezelfde partijen beslist moet worden. Aan het enkel vaststellen van een feit komt geen gezag van gewijsde toe.
De door [A] genoemde feitenvaststelling is -zo volgt uit het hiervoor bedoelde tussenarrest van het hof- niet van belang geweest voor de door het hof vervolgens genomen beslissingen. [A] heeft in ieder geval geen feiten gesteld waaruit dit kan worden afgeleid. Aan het door [A] genoemde feit komt dus geen gezag van gewijsde toe.
Dit laat onverlet dat aan dit feit bewijskracht kan toekomen. Het gaat hier om de zogenaamde vrije bewijskracht, waarbij het aan de rechter is om te bepalen welke waarde daaraan wordt gehecht. Daarbij is het volgende van belang.[B] heeft zowel in de processtukken als tijdens de mondelinge behandeling in dit hoger beroep steeds betwist dat hij de vof heeft voortgezet. Hij heeft gesteld dat ieder voor zichzelf op de eigen locatie verder is gegaan en dat de vof feitelijk is gesplitst. Het vee en de machines van [A] zijn teruggegaan naar [A] en voor [B] gold hetzelfde. Ondanks de andersluidende vermelding in het handelsregister, is er feitelijk geen sprake van geweest dat hij de vof heeft voortgezet, aldus [B] . Dat blijkt volgens hem al uit het feit dat niet alles aan [B] is toegescheiden, maar dat er daadwerkelijk zaken zijn verdeeld. Bij een voortzetting zou de voortzettende vennoot alles overgenomen hebben. Ook wijst [B] in dit verband op de vaststelling door het hof in het tussenarrest van 19 februari 2021 onder 3.1.f waarin staat: “De beide families gaan uit elkaar en gaan ieder voor zich verder.”. [A] heeft tijdens de mondelinge behandeling in dit hoger beroep uiteengezet dat na de beëindiging van de samenwerking koeien en een deel van de machines naar [A] zijn gegaan, dat er door een accountant een eindbalans is gemaakt waarin alle goederen zijn gewaardeerd en dat deze toen toegekend zijn aan of [B] of aan [A] . Zo is de haspel toegekend aan [A] en een deel van het melkquotum. Wel heeft [B] een groter aandeel ontvangen.
Het voorgaande betekent naar het oordeel van het hof dat er niet van kan worden uitgegaan dat [B] de vof heeft voortgezet en als voortzettende vennoot heeft te gelden. Dat betekent ook dat artikel 20.2 van de vof-akte -dat immers alleen van toepassing is bij voortzetting- niet van toepassing is.
Regres - artikel 6:10 lid 2 BW?
[A] heeft zich nog beroepen op artikel 6:10 lid 2 BW. In feite komen de stellingen van [A] erop neer dat de schuld alleen [B] aangaat, omdat [B] na de ontbinding van de vof zowel de juridische als de economische waarde van de ligboxstal heeft (gekregen) en ook vanaf 1 september 2013 het uitsluitend gebruik daarvan heeft gehad. Doordat [A] de helft van de (rest)schuld heeft afgelost, die hem in hun onderlinge verhouding niet aanging, moet [B] dit bedrag aan [A] terugbetalen.
De meest verstrekkende stelling van [B] in reactie op deze grief is dat het hof vanwege het gezag van gewijsde niet aan beoordeling van deze grief toekomt. Volgens [B] komt aan het oordeel van het hof in het tussenarrest in r.o. 3.19 (weergegeven in 7.1.15 hiervoor) gezag van gewijsde toe, evenals aan de overwegingen/beslissingen in het eindarrest van 1 februari 2022 in r.o. 6.12 (weergegeven hiervoor in 7.1.16). Het hof volgt [B] hierin niet. Het hof heeft in die uitspraken beslist dat uit de vof-akte niet kan worden afgeleid dat de geldlening geheel ten laste van [B] als eigenaar van de ligboxenstal zou moeten komen. Verder heeft het hof geoordeeld dat ook na bewijslevering niet is komen vast te staan dat partijen mondeling of anderszins hebben afgesproken dat [B] de lening volledig voor zijn rekening zou nemen. Dit is echter iets anders dan de nu door [A] aangevoerde grondslag, te weten regres uit hoofde van artikel 6:10 lid 2 BW, omdat een van de hoofdelijk medeschuldenaren de schuld heeft afgelost voor een hoger bedrag dan hen in hun onderlinge verhouding aanging. Het gezag van gewijsde staat er niet aan in de weg dat in een ander geding dezelfde of een soortgelijke vordering wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Dit geldt ongeacht of deze andere grondslag ook al in de eerdere procedure aangevoerd had kunnen worden (zie de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099). Uit de processtukken kan niet worden afgeleid dat [A] zich in de eerdere procedure op dit artikel heeft beroepen en [B] heeft ook geen feiten gesteld waaruit dat wel kan worden afgeleid. Om die reden staat ook het oordeel van het hof in r.o. 6.12 van het eindarrest van 1 februari 2022 luidende ‘Ook overigens heeft [A] niet aannemelijk gemaakt dat [B] dit onderdeel van het vermogen van de vennootschap volledig voor zijn rekening zou moeten nemen’ niet in de weg aan beoordeling van de thans aan de orde zijnde grondslag op basis van artikel 6:10 lid 2 BW.
Dit betekent dat het hof het beroep van [A] op artikel 6:10 lid 2 BW inhoudelijk zal beoordelen. Het hof is van oordeel dat dit beroep van [A] gedeeltelijk slaagt.
Artikel 6:10 BW gaat over de onderlinge bijdrageplicht (ook wel draagplicht) van hoofdelijke schuldenaren. Volgens art. 6:10 BW moet de hoofdelijke schuldenaar in de schuld bijdragen voor het gedeelte van de schuld dat hem aangaat in zijn onderlinge verhouding tot de andere hoofdelijke schuldenaren. Heeft een hoofdelijk schuldenaar -kort gezegd- de schuld voor een hoger bedrag afgelost dan het gedeelte dat hem in zijn onderlinge verhouding met een andere medeschuldenaar aanging, dan heeft hij een aanspraak op betaling door de andere medeschuldenaar tot ten hoogste van het aandeel van die medeschuldenaar. In door een hoofdelijke schuldenaar in redelijkheid gemaakte kosten moet een medeschuldenaar bijdragen naar evenredigheid van het gedeelte van de schuld dat hem aangaat, tenzij de kosten slechts de schuldenaar persoonlijk betreffen.
Over de wijze waarop de onderlinge draagplicht van de hoofdelijke schuldenaren moet worden bepaald zijn geen algemene regels te geven. In de parlementaire geschiedenis is daarover het volgende vermeld:
“De grootte van ieders bijdrageplicht zal in de eerste plaats afhangen van hetgeen zij uitdrukkelijk of stilzwijgend omtrent hun bijdrageplicht zijn overeengekomen en van een eventuele onderlinge rechtsverhouding der schuldenaren, op grond waarvan zij zich gezamenlijk hebben verbonden (…). Is de schuld om baat aangegaan, dan is voorts van belang – en dit vooral, wanneer er tussen de schuldenaren geen andere band bestaat, dan het feit dat zij hoofdelijke medeschuldenaren zijn – in hoeverre de tegenwaarde van hun schuld ieder van hen ten goede is gekomen. (…) Tenslotte kunnen ook de beginselen van de ongerechtvaardigde verrijking nog een rol spelen. In ieder geval is het niet wenselijk – gelijk in sommige buitenlandse wetboeken is bepaald – als hoofdregel voorop te stellen dat de schuldenaren voor gelijke delen in de schuld moeten bijdragen; de uitzonderingen zouden dan belangrijker zijn dan de hoofdregel. Vanzelfsprekend is echter, indien geen van de hierboven aangegeven omstandigheden en beginselen uitsluitsel geeft, een draagplicht voor gelijke delen ook volgens het ontwerp de aangewezen oplossing. Gaat de schuld een van de hoofdelijke schuldenaren intern in het geheel niet aan, dan kunnen zijn medeschuldenaren op hem geen verhaal nemen, en kan hij omgekeerd het gehele door hem betaalde bedrag verhalen op zijn medeschuldenaren.”
Zie in dit verband ook de uitspraak van de Hoge Raad van 24 februari 2023: ECLI:NL:HR:2023:295.
Bij de beoordeling hoe in deze zaak de onderlinge draagplicht moet worden bepaald weegt naar het oordeel van het hof het volgende mee.
Tussen partijen was sprake van een contractuele zakelijke rechtsverhouding, te weten een overeenkomst van vennootschap onder firma met als doel de gezamenlijke exploitatie van de melkveehouderijen en akkerbouwbedrijven. Partijen hebben op enig moment besloten om één boerenbedrijf te vormen om vanwege de schaalvergroting en de te verwachten kostenreductie tot betere bedrijfsresultaten te komen. De aanbouw en nieuwe inrichting van de ligboxenstal hield verband met die samenwerking, omdat er behoefte bestond aan een grotere stal. Het was de bedoeling dat de samenwerking in beginsel voor tien jaar zou worden aangegaan. In de oorspronkelijke gedachte zouden beide partijen dus in ieder geval tien jaar van de ligboxenstal gebruik kunnen maken. Het was dan ook logisch dat beide partijen aan de financiering daarvan zouden bijdragen. Door omstandigheden waarvan niet duidelijk is geworden dat deze aan een van partijen te wijten is, is aan de (feitelijke) samenwerking veel eerder, namelijk na ongeveer drie jaar, een einde gekomen. Daarmee is ook aan het gebruik door [A] van de ligboxenstal (met inrichting), die immers op grond van [B] stond, veel eerder een einde gekomen en kwam de economische waarde ook niet langer aan [A] ten goede, maar enkel aan [B] . Deze economische waarde is in de eerdere procedure door een deskundige vastgesteld op € 114.184,- (zie 7.1.12). [B] kwam dus de gehele economische waarde van € 114.184,- toe, terwijl deze waarde in de oorspronkelijke gedachte van de samenwerking aan hen samen zou toekomen. In zoverre heeft [B] meer gekregen dan waartoe hij bij verdere voortzetting van de samenwerking gerechtigd zou zijn geweest. [B] heeft aangevoerd dat hij, zonder de samenwerking, nooit een aanbouw met inrichting aan de ligboxenstal zou hebben gerealiseerd, omdat de oude stal voor zijn oorspronkelijke bedrijf groot genoeg was en [B] in het kader van uitsluitend zijn eigen bedrijf geen behoefte had aan zo’n grote stal. [B] had ook geen geld om zelf meer koeien erbij te kopen en de stal vol te zetten. Het hof begrijpt dit betoog zo, dat [B] daarmee bedoelt aan te voeren dat hij na de ontbinding geen voordeel heeft gehad van de ligboxenstal. Dit staat echter haaks op de door de deskundige in de eerdere procedure getaxeerde economische waarde van de stal op € 114.184,- (eindvonnis van 20 februari 2019 onder 2.12 en 2.13.), die in de onderhavige procedure ook niet ter discussie staat. Het hof gaat daarom niet mee in het betoog van [B] dat hij geen enkel voordeel heeft gehad van de ligboxenstal. Dit door [B] genoten voordeel neemt het hof in aanmerking bij de beoordeling van de vraag in hoeverre de tegenwaarde van de schuld ieder van partijen ten goede is gekomen.Naar het oordeel van het hof kan het door [B] genoten voordeel in redelijkheid worden gesteld op de helft van de economische waarde die in de eerdere procedure door een deskundige is vastgesteld op € 114.184,-. Het hof is van oordeel dat de meest redelijke wijze waarop het voordeel van € 57.092,- dat [B] is toegekomen zich laat corrigeren is door te bepalen dat [B] in zijn onderlinge verhouding tot [A] ook € 57.092,- extra aan die (rest)schuld in hoofdsom moet bijdragen. [A] heeft het hof geen aanknopingspunten gegeven om tot een hoger bedrag te komen.
Dit betekent dat [B] een bedrag van € 57.092,- aan [A] moet betalen. Dit bedrag moet vermeerderd wordt met de over dit bedrag door Rabobank in rekening gebrachte rente. Volgens [A] bedroeg dat bedrag aan rente over de helft van de door [A] afgeloste hoofdsom (zijnde € 121.551,59) € 4.982,58, hetgeen [B] niet heeft betwist. De rente over het bedrag van € 57.092,- zal het hof dan bepalen op € 2.340,29 (immers € 57.092/ € 121.551,59 * € 4.982,58). [B] heeft niet betwist dat [A] bij e-mail van 28 maart 2019 aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van de wettelijke rente over dat bedrag. De gevorderde wettelijke rente is daarom toewijsbaar.
Buitengerechtelijke incassokosten
[A] heeft -ook in hoger beroep- aanspraak gemaakt op buitengerechtelijke incassokosten die hij “conform-BIK” begroot op € 2.040,34. Het hof is van oordeel dat deze vordering moet worden beoordeeld aan de hand van art. 6:96 lid 2 onder c, juncto lid 3 en artikel 241 Rv. Dit betekent dat [A] had moeten stellen en specificeren dat deze kosten betrekking hebben op andere verrichtingen dan de verrichtingen bedoeld in de artikelen 237 tot en met 240 Rv. Deze artikelen voorzien immers al in een vergoeding voor gemaakte kosten voor verrichtingen bedoeld in deze artikelen. Het hof is van oordeel dat [A] voor deze vordering niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. De enkele verwijzing naar een e-mail van 28 maart 2019 is daarvoor niet voldoende. Dit deel van de vordering is daarom niet toewijsbaar.
Conclusie in het principaal hoger beroep
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in het principaal hoger beroep de grieven van [A] gedeeltelijk slagen, zodat het bestreden vonnis deels moet worden vernietigd en de vordering van [A] in zoverre moet worden toegewezen dat [B] aan [A] een bedrag van € 59.432,29 (namelijk € 57.092,00 + € 2.340,29), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2019 moet betalen. De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar. Het hof zal het bestreden vonnis voor alle duidelijkheid geheel vernietigen en opnieuw recht doen, zoals hieronder onder ‘De beslissing’ staat.
Incidenteel hoger beroep - volledige proceskosten vanwege misbruik van recht
[B] heeft een veroordeling van [A] in de volledige proceskosten gevorderd, omdat [A] door het instellen van deze procedure misbruik van recht zou hebben gemaakt. Die vordering is naar het oordeel van het hof niet toewijsbaar, alleen al vanwege het feit dat [A] voor een deel in het gelijk wordt gesteld in hoger beroep. Dit betekent dat het incidenteel hoger beroep niet slaagt.
Proceskosten
Nu [A] in het principaal hoger beroep deels in het gelijk wordt gesteld maar ook deels niet, ziet het hof aanleiding om de kosten tussen partijen in eerste aanleg en in het principaal hoger beroep op zo’n manier te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit betekent ook dat de vordering van [A] om [B] te veroordelen tot terugbetaling van de proceskosten waartoe [A] in eerste aanleg was veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 november 2023, toewijsbaar is. [B] heeft daartegen op zichzelf ook geen verweer gevoerd.
Omdat [B] in het incidenteel hoger beroep, voor zover dat niet onnodig is ingesteld, volledig in het ongelijk wordt gesteld, zal [B] worden veroordeeld in kosten van het incidenteel hoger beroep van [A] . Deze zullen worden vastgesteld op:
Salaris advocaat incidenteel hoger beroep € 1.786,- (0,5 x 1 punt x tarief V))
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.964,-
Hoofdelijke veroordeling
Het hof merkt hierbij nog het volgende op. Alhoewel [B] steeds in enkelvoud is aangeduid, zien de veroordelingen tevens op [geïntimeerde sub 2] . Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van een bedrag, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
Het gevorderde in de appeldagvaarding maakte melding van de vordering van [A] tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het in deze zaak te wijzen arrest. Dat deel van het gevorderde is weggevallen in het petitum als verwoord in de memorie van grieven. Uit niets blijkt echter dat [A] heeft bedoeld zijn vordering bij gelegenheid van de memorie van grieven te verminderen. Het hof gaat er vanuit dat het hier een verschrijving betreft. Daarbij betrekt het hof dat evenzeer uit niets blijkt dat [B] een en ander wel heeft opgevat als inhoudende een eisvermindering van [A] op dat punt. Het hof zal de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring toewijzen op de wijze zoals verwoord in het hierna te volgen dictum.
8. De beslissing
Het hof:
in het principaal hoger beroep
vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch van 25 oktober 2023, en
doet als volgt opnieuw recht:
veroordeelt [B] tot betaling aan [A] van het bedrag van € 59.432,29, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2019;
compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in het principaal hoger beroep tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
veroordeelt [B] tot terugbetaling aan [A] van de proceskosten waartoe [A] in eerste aanleg is veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 november 2023;
verklaart de veroordelingen onder 8.2 en 8.4 uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
in het incidenteel hoger beroep
verklaart het beroep ongegrond;
wijst de vordering van [B] af;
veroordeelt [B] in de proceskosten van [A] in het incidenteel hoger beroep van € 1.964,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [B] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [B] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart de veroordeling onder 8.9 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.J. Korthuis-Becks, B.E.L.J.C. Verbunt en M.C. Schepel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 september 2025.
griffier rolraadsheer