ECLI:NL:GHSHE:2025:2381

ECLI:NL:GHSHE:2025:2381, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-09-2025, 200.343.993_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 02-09-2025
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 200.343.993_01
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Aanneming van werk. Wat zijn partijen overeengekomen? Bewijswaardering, partijgetuige, aanvullend bewijs.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.343.993/01

arrest van 2 september 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. N. Hollander te Groningen,

tegen

[geïntimeerde] , h.o.d.n. [XX] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. W.J. Oomkes te Vlaardingen,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 juni 2024 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 6 april 2023 en 14 maart 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9862342 CV EXPL 22-2144)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en het vonnis van 28 juli 2022.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg (inclusief de aanvankelijk ontbrekende usb-sticks en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 14 februari 2023).

3. De beoordeling

in principaal en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep

De zaak kort samengevat

[appellant] heeft met [geïntimeerde] een mondelinge overeenkomst gesloten over het stuken van zijn nieuwbouwwoning. Partijen twisten over de inhoud van de afspraken die zij hebben gemaakt. [appellant] stelt dat partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerde] de woning spuitklaar zou stuken. Omdat [geïntimeerde] dat volgens hem niet heeft gedaan heeft [appellant] schade geleden. [appellant] vordert in deze procedure vergoeding van deze schade van [geïntimeerde] . De kantonrechter heeft getuigen gehoord en geconcludeerd dat [appellant] niet is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat partijen een bepaald kwaliteitsniveau van het stucwerk zijn overeengekomen: spuit- of sausklaar. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Het hof komt bij de waardering van het bewijs tot diezelfde conclusie. Het hof zal alle vorderingen, waaronder ook de vorderingen die zien op stucstop en dagkanten, in hoger beroep afwijzen.

De feiten

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

[appellant] heeft in juni 2021 contact gezocht met [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft daarop de nieuwbouwwoning van [appellant] bezocht. Bij dat bezoek hebben partijen gesproken over stukwerk en over (vierkante meter) prijzen.

[appellant] en zijn echtgenote [persoon A] zijn beiden advocaat. In de zomer van 2021 heeft [persoon A] op haar kantoor een aantal adviesgesprekken gehad met [geïntimeerde] over het laten overkomen van zijn vrouw en dochter naar Nederland.

In de periode van 9 augustus 2021 tot 19 oktober 2021 hebben stuk-werkzaamheden plaatsgevonden in de woning van [appellant] . Deze werkzaamheden zijn (onder meer) uitgevoerd door [persoon B] (hierna [persoon B] ). Hij heeft de Tadzjiekse nationaliteit. Bij de stukken bevindt zich een door [persoon B] ondertekende verklaring waarin staat:

Ik ben [persoon B] 2021.08.02 in [A] , Nederland met advocaat Edik.

Ik ging akkoord met het bedrag van 6400 euro en ik heb het stukador afgerond op 800 vierkante meter stukador.

[appellant] heeft in de loop van de werkzaamheden meerdere contante betalingen (zwart) verricht aan [persoon B] , waaronder op 19 oktober 2021 de eindafrekening van € 2.250,-.

Nadat alle muren en plafonds gestukt waren, heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat het stucwerk niet het juiste afwerkingsniveau had om deze airless te kunnen laten overspuiten met latex. [appellant] heeft [geïntimeerde] op 2 november 2021 per aangetekende brief gesommeerd om binnen 10 dagen de in de brief omschreven gebreken te herstellen. Nadat [geïntimeerde] hieraan geen gehoor had gegeven, heeft [appellant] ONE Expertise B.V. (hierna: One Expertise) ingeschakeld om het stucwerk in zijn woning te laten beoordelen.

One Expertise heeft [geïntimeerde] schriftelijk en telefonisch uitgenodigd om bij

de inspectie op 29 november 2021 in de woning van [appellant] aanwezig te zijn. [geïntimeerde] heeft daar niet op gereageerd en was niet aanwezig bij de inspectie. One Expertise heeft

haar bevindingen uiteengezet in een expertiserapport van 27 januari 2022 (hierna: het expertiserapport). In dit rapport staat, voor zover van belang:

OMSTANDIGHEDEN:

[appellant] heeft wederpartij opdracht gegeven tot het aanbrengen van het stucwerk op de wanden en plafonds conform Groep 0 van de Oppervlaktebeoordelingscriteria stukadoorswerk binnen van het tba (Technisch Bureau Afbouw). Aangegeven is dat de wanden daarna (door een derde) worden afgewerkt met een zogenoemd airless spray afwerking.

Na het afronden van de werkzaamheden door wederpartij heeft [appellant] het stucwerk gekeurd met de aannemer die de airless spray afwerking moet aanbrengen. Bij die keuring zijn meerdere onregelmatigheden vastgesteld. (…)

BEVINDINGEN

Tijdens onze inspectie op 29 november 2021 stelden wij vast dat alle kamers waren voorzien van stucwerk. Daarbij constateerden wij de volgende gebreken:

Onvlakheden boven de 1,5 millimeter over 1,00 meter lengte;

Onregelmatigheden;

Foutieve afwerking bij de kozijnen.

(…)

OORZAAK / OMVANG VAN HET HERSTEL

De geconstateerde onvlakheid en onregelmatigheden zijn het gevolg van het ondeugdelijk aanbrengen van het stucwerk door wederpartij.

In totaal moet circa 110 m2 stucwerk opnieuw worden gedaan vanwege de geconstateerde onvlakheid boven de 1,5 millimeter per 1,00 meter.

De benodigde tijd voor het wegwerken/egaliseren van de onregelmatigheden begroten wij daarnaast op 24 uur arbeid.

VASTSTELLING

De vastgestelde herstelkosten bedragen € 2.971,80 inclusief B.T.W., conform onderstaande specificatie.

Stucwerk 110 m2 a € 14,00/m2 € 1.540,00

Herstel onregelmatigheden, 3 dagen arbeid € 1.306,80

Materiaal herstel onregelmatigheden € 125,00

Totaal, inclusief B.T.W. € 2.971,80

Vorderingen, verweer en beslissing in eerste aanleg

In de onderhavige procedure heeft [appellant] in eerste aanleg gevorderd, samengevat, een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [appellant] voortvloeiende uit de aan de dagvaarding gehechte overeenkomst van aanneming van werk. Voorts heeft hij gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van de door [appellant] geleden schade ter hoogte van € 24.781,79, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 april 2022 tot de dag dat het gehele bedrag is voldaan, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen.

Aan deze vordering heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat hij met [geïntimeerde] een overeenkomst van aanneming van werk heeft gesloten. Partijen zijn daarbij overeengekomen om de muren en plafonds in de woning spuitklaar te stuken. [geïntimeerde] heeft de werkzaamheden niet uitgevoerd zoals afgesproken.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

In het tussenvonnis van 6 april 2023 heeft de kantonrechter geoordeeld dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen om het stucwerk in de woning van [appellant] uit te voeren. Dat [geïntimeerde] de werkzaamheden feitelijk niet zelf heeft uitgevoerd, maar deze grotendeels heeft laten uitvoeren, maakt niet dat hij geen partij is bij de overeenkomst met [appellant] . De kantonrechter heeft in het tussenvonnis daarnaast geoordeeld dat de schade als gevolg van het niet gebruiken van stucstop (bij de kozijnen) en de tekortkomingen bij de dagkanten toewijsbaar is. De kantonrechter heeft [appellant] tot slot opgedragen te bewijzen dat partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] het stucwerk spuit- of sausklaar zou aanbrengen op de wanden en plafonds van de woning van [appellant] .

In het eindvonnis van 14 maart 2024 heeft de kantonrechter, na bewijslevering, geoordeeld dat [appellant] niet in bewijslevering is geslaagd. Op grond daarvan heeft de kantonrechter de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

Het doel van het principaal en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep

[appellant] heeft in hoger beroep 4 grieven aangevoerd. Hij betoogt met grief 1 dat de kantonrechter ten onrechte alle vorderingen heeft afgewezen, terwijl de kantonrechter in het tussenvonnis had overwogen dat de schade als gevolg van het niet gebruiken van stucstop en de tekortkomingen bij de dagkanten toewijsbaar is. Daarnaast heeft de kantonrechter ten onrechte de echtgenote van [appellant] aangemerkt als partijgetuige (grief 2). Met grief 3 komt [appellant] op tegen de bewijswaardering en met grief 4 tegen de proceskostenveroordeling. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 14 maart 2024 en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen, met veroordeling tot terugbetalen aan [appellant] van al hetgeen hij al aan [geïntimeerde] heeft voldaan uit hoofde van het vonnis waarvan beroep, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de grieven, bekrachtiging van het vonnis dan wel niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] , althans tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] . Daarnaast heeft [geïntimeerde] , onder de voorwaarde dat één van de grieven van [appellant] mocht slagen en dit leidt tot (gedeeltelijke) vernietiging van het vonnis van 6 april 2023 dan wel 14 maart 2024, (voorwaardelijk) hoger beroep ingesteld. Hij heeft daarbij twee grieven aangevoerd. Met grief 1 betoogt hij dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij partij is bij de overeenkomst. Met grief 2 voert hij aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de schade als gevolg van het niet gebruiken van stucstop en de tekortkomingen bij de dagkanten toewijsbaar is. [geïntimeerde] heeft (voorwaardelijk) geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 6 april 2023 en 14 maart 2024 en gevorderd [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

De bewijswaardering en de partijgetuige-verklaring

In het artikel 152 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv.) is opgenomen dat het bewijs door alle middelen kan worden geleverd en dat de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter is overgelaten (tenzij de wet anders bepaalt). Om iets bewezen te verklaren dient de rechter een redelijke mate van zekerheid te hebben dat het te bewijzen feit zich heeft voorgedaan.

Het hof is van oordeel dat de voorhanden zijnde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, niet de vereiste mate van zekerheid opleveren om te oordelen dat partijen het gestelde kwaliteitsniveau zijn overeengekomen en dat [geïntimeerde] het stucwerk spuit- of sausklaar zou aanbrengen op de wanden en plafonds van de woning van [appellant] . Het hof motiveert dit als volgt.

[appellant] heeft voorafgaand aan de getuigenverhoren bij akte nadere stukken (producties 9 tot en met 19) in het geding gebracht. Daarna zijn vier getuigen gehoord. [appellant] heeft als getuigen voorgebracht: zichzelf, [geïntimeerde] , zijn echtgenote [persoon A] en zijn vader [persoon C] (hierna ook te noemen: vader). [geïntimeerde] heeft geen gebruik gemaakt van het leveren van tegenbewijs in de contra-enquête. Het hof zal hierna nader ingaan op met name de verklaringen van de getuigen. Het hof heeft bij de bewijswaardering het volledige procesdossier betrokken, dus ook de hiervoor genoemde producties en alle andere door partijen ingebrachte producties, waaronder de op de usb-sticks aangetroffen informatie.

Artikel 164 lid 1 Rv (oud) laat de partijgetuigen-verklaring als bewijsmiddel toe. Die verklaring heeft in beginsel, zoals andere getuigenverklaringen, vrije bewijskracht zodat de rechter overeenkomstig artikel 152 lid 2 Rv vrij is in de waardering van die verklaring. Daarop brengt het bepaalde in artikel 164 lid 2 Rv (oud) in zoverre een beperking aan dat, met betrekking tot de feiten die dienen te worden bewezen door de partij die de verklaring heeft afgelegd, aan die verklaring slechts bewijs ten voordele van die partij kan worden ontleend, indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 13 april 2001, NJ 2002, 391). Dit brengt mee dat de rechter ter beantwoording van de vraag of een partij in het door haar te leveren bewijs geslaagd is, alle voorhanden bewijsmiddelen met inbegrip van de getuigenverklaring van die partij zelf, in zijn bewijswaardering dient te betrekken, doch dat hij zijn oordeel dat het bewijs is geleverd niet uitsluitend op die verklaring mag baseren (HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7933).

De beperkte bewijskracht van artikel 164 Rv. (oud) van een partijgetuige ziet enkel op een verklaring van de partijgetuige omtrent door haar (in dit geval [appellant] ) te bewijzen feiten. Andere (materieel) 'belanghebbenden' die geen procespartij zijn, dan wel daarmee kunnen worden vereenzelvigd worden niet als partij beschouwd. In zoverre is grief 2 terecht voorgesteld, [persoon A] is geen partijgetuige. Daarbij geldt onverminderd dat de rechter de volle vrijheid heeft om het resultaat van de bewijslevering in het proces zelfstandig en naar eigen bevinden te waarderen. Het hof doet dit als volgt.

[appellant] heeft over de eerste afspraak in de woning van [appellant] met [geïntimeerde] verklaard:

Er is besproken wat hij nodig zou hebben en wat het niveau van het spuitwerk zou zijn. Die dag is een prijs van € 14,- per m2 afgesproken, in plaats van € 12,- per m2. Mij wordt gevraagd waar dat gesprek was. Ik heb [geïntimeerde] een appje gestuurd, waarop hij een reactie heeft gestuurd. Ik heb hem uitgenodigd in mijn nieuwbouwwoning in [woonplaats] , dat was tussen 8 juni en 3 juli. Toen heb ik de woning laten zien en aangegeven dat ik verschillende offertes had opgevraagd bij verschillende stukadoorsbedrijven, waarbij ik heb laten zien wat alle stukadoors hadden bericht qua afwerkniveau. In die offertes was het afwerkniveau steeds spuitklaar. Ik heb letterlijk het afwerkniveau ‘spuitklaar’ genoemd en hij zei dat dat bij hem bekend was. Stukadoors hanteren verschillende afwerkniveaus, waarbij spuitklaar niveau 0 is. Ik heb het woord ‘spuitklaar’ vaak genoemd. Bij dat gesprek was mijn vader, [persoon C] , aanwezig en verder waren [geïntimeerde] en mijzelf daarbij aanwezig, wij waren met zijn drieën.

De werkzaamheden zijn tussen 9 augustus en 19 oktober uitgevoerd. Daarna heb ik [geïntimeerde] nog vaak gesproken; hij is ook verschillende keren op de bouwlocatie geweest. Hij heeft ook gezien hoe het gestuukt was. Ik heb hem gezegd dat ik een schilderbedrijf zou inschakelen om de muur te spuiten. Op dat moment zei hij zelf dat zij dat soort werkzaamheden ook konden uitvoeren. Dat was op het moment dat er al twee muren gedaan waren.

Vader ( [persoon C] ) heeft echter verklaard:

Vanaf de eerste dag ben ik getuige geweest van de gesprekken. Het eerste gesprek was in juni/juli 2022. Nadat u mij dat vraagt is het waarschijnlijk 2021 geweest.

Bij het eerste gesprek waren [appellant] , ikzelf, de meneer die hier aanwezig is (wijst [geïntimeerde] aan) en [persoon B] aanwezig. Het gesprek was in de nieuwbouwwoning van [appellant] . Tijdens het gesprek is besproken dat zij alles goed zouden afwerken, zodat wij aan het einde goed zouden kunnen verven. In het gesprek is gesproken over m2, voor zover ik mij herinner is € 11,- per m2 genoemd. [geïntimeerde] sprak Russisch tijdens het gesprek, ik versta dat want ik heb een Russische school afgerond. (…) Tijdens het eerste gesprek is tussen [appellant] en [geïntimeerde] afgesproken dat ze het op perfecte wijze zouden afwerken, de muren glad, zodat wij aan het einde goed en schoon kunnen spuiten. Ik stond erbij toen dit werd afgesproken.

Het hof stelt vast dat vader anders verklaart dan [appellant] . Vader verklaart immers dat het eerste gesprek plaatsvond in aanwezigheid van [persoon B] . Ook het door hem in eerste instantie genoemde jaartal en de m2 prijs stroken niet met de verklaring van [appellant] . Verder valt op dat [appellant] verklaart dat, nadat de werkzaamheden al waren gevorderd (op het moment dat er al twee muren waren gedaan), is besproken dat [appellant] een schilderbedrijf zou inschakelen om de muur te spuiten. [geïntimeerde] zou daarop volgens [appellant] hebben gezegd dat zij dat soort werkzaamheden ook konden uitvoeren. Het hof is van oordeel dat de eigen verklaring van [appellant] op dit punt (dat in de loop van het werk is besproken dat een schildersbedrijf komt om te spuiten), de eigen stelling van [appellant] dat voorafgaand aan de werkzaamheden duidelijke afspraken zijn gemaakt over het afwerkingsniveau, niet ondersteunt; hierin lijkt [appellant] zichzelf tegen te spreken.

Echtgenote [persoon A] verklaart dat er meerdere voorgesprekken waren, waar ook zij aanwezig was, alsook haar kinderen:

Ik ben bij een aantal voorgesprekken aanwezig geweest, zoals bij [persoon D] , en bij de kennismaking met [geïntimeerde] en [appellant] . Tijdens deze gesprekken is wel over de werkzaamheden gesproken. Over het stucwerk, dat dat ‘spuitklaar’ moest zijn, (…)

Van [appellant] heb ik gehoord dat hij tijdens een gesprek prijsafspraken heeft gemaakt met [geïntimeerde] . Bij dit gesprek was ik niet aanwezig. (…)

Meneer [geïntimeerde] ken ik al langer en heb ik een paar keer op mijn advocatenkantoor gezien.

Ook heb ik hem gezien op de verjaardag van de moeder van [persoon D] en op de uitvaart van deze moeder. Op mijn advocatenkantoor heb ik alleen korte adviesgesprekken met [geïntimeerde] gehad omdat hij zijn vrouw en dochter naar Nederland wilde laten overkomen. Hij was geen cliënt, ik heb geen dossier van hem. Deze adviesgesprekken vonden plaats voordat de stucwerkzaamheden waren begonnen.

Bij de gesprekken waarbij ik aanwezig was over de stucwerkzaamheden waren ook mijn kinderen aanwezig.

Hoewel partijen consistent lijken te verklaren over het afwerkingsniveau (spuitklaar, dan wel ‘dat ze het op perfecte wijze zouden afwerken’) lopen de verklaringen overigens naar het oordeel van het hof op essentiële punten uiteen; zowel ten aanzien van het aantal voorgesprekken dat heeft plaatsgevonden, de vraag wie daarbij aanwezig waren als de prijs die is afgesproken.

[geïntimeerde] heeft zelf verklaard dat wel is gesproken over de wens van [appellant] spuitklaar stukwerk te leveren, maar dat dit niet is overeengekomen. In zijn verklaring staat:

Mij worden voorgehouden de aantekeningen van de griffier van hetgeen bij de mondelinge behandeling is besproken. Daar werd mij gevraagd wat er met [appellant] is afgesproken. Daar heb ik gezegd dat de muren en plafonds moesten worden gestuukt. Toen is mij gevraagd of ik wist dat er gespoten moest worden. Ik zei toen dat [appellant] dat later wel gezegd heeft, maar dat dat niet voor die prijs kon. Dat zou extra werk opleveren en dat zou dus ook extra kosten. Die verklaring klopt.

Ik ben in de periode tussen 8 juni en 13 juli 2021 bij [appellant] in de woning geweest. Er zijn toen niet echt afspraken gemaakt; ik wist toen nog niet wat het woord ‘afgesproken’ betekende. Ik dacht dat het meer een gesprek was. Er is toen besproken dat er gestuukt moest worden. Ik heb toen gezegd dat het stuken van het plafond € 15,- per m2 zou kosten en de muur € 12,- per m2. Over het afwerkniveau heb ik toen gezegd dat na het stucwerk meestal geschilderd wordt. Hij zei toen dat hij het met een machine wilde laten spuiten, dat is daar besproken. Hij zei dat hij het spuitklaar wilde, waarop ik zei dat het spuitklaar maken door de schilder zou worden gedaan.

Mij wordt gevraagd wat ik versta onder ‘spuitklaar’; wanneer dat het geval is. Daarvoor moet je als stukadoor een ander materiaal gebruiken, ftnish pasta, dat erg duur is. Ik heb eens gezien dat het aanbrengen van de finish pasta door een schilder werd gedaan, maar is bij deze klus niet gebeurd. Daarvoor hanteer ik een andere prijs, geen € 15,- per m2 voor het plafond zoals hier. Het is niet dat ik het werk niet kon doen, maar de prijs wordt gewoon anders. Dat heb ik zo ook aan [appellant] verteld. De prijs van € 12 per m2 voor een muur geldt daarvoor niet. Dat heb ik ook gezegd. [appellant] gaf aan iemand te kennen die dat voor € 11 per m2 zou doen. Ik heb toen gezegd dat onze prijs per m2 € 12,- is. We hebben niks opgeschreven, dit ging allemaal mondeling. Ik kan me niet precies meer herinneren welke woorden ik exact heb gebruikt, het is ook een tijdje geleden. Ik heb gezegd dat de prijs € 12,- was en dat dat dan niet spuitklaar was.

[appellant] verklaarde net dat zijn vader bij het eerste gesprek aanwezig was, dat was niet zo. Wij waren met zijn tweeën. [appellant] heeft de woning laten zien terwijl we dat gesprek voerden. Voordat de werkzaamheden begonnen hebben we weer een gesprek gehad, ongeveer een maand voor de start. Hij heeft mij toen weer uitgenodigd in de woning, bij dat gesprek waren alleen [appellant] en ik aanwezig. Hij vertelde mij dat er een muur schuin stond, waardoor er 5 cm bijgewerkt moest worden. Er waren nog twee andere plekken waar hetzelfde aan de hand was. [appellant] zei dat die rechtgemaakt moesten worden. Er is toen niet over het afwerkniveau gesproken, dat was alleen bij het eerste gesprek zoals ik zojuist verklaard heb. Er was toen nog wel onduidelijkheid over het verschil in prijs tussen het plafond en de muur, dat die € 15,- per m2 was en niet € 12,-.

Uit de verklaring van [geïntimeerde] kan worden afgeleid dat wel gesproken is over het afwerkingsniveau. Dat voor hem duidelijk was dat dit ook zijn verantwoordelijkheid was blijkt evenwel niet uit zijn verklaring. Hij benoemt dat spuitklaar maken door de schilder zou worden gedaan.

Bij de waardering van de verklaringen acht het hof ook de taal die partijen spraken op het moment dat de gestelde afspraken zijn gemaakt van belang. [appellant] heeft bij de mondelinge behandeling bij de kantonrechter verklaard dat zijn Russisch niet zo goed is. Bij het getuigenverhoor verklaarde hij dat hij voornamelijk Nederlands met [geïntimeerde] sprak, maar soms ook Russisch. Vader heeft verklaard dat [geïntimeerde] Russisch sprak tijdens het gesprek, welke taal hij verstaat omdat hij een Russische school heeft afgerond. Voorts verklaart hij bij het getuigenverhoor dat hij zelf Armeens en Russisch spreekt en echt een heel klein beetje Nederlands. Uit de opname van het gesprek tussen partijen op 1 november 2021 blijkt dat de Nederlandse taalvaardigheid van [geïntimeerde] (zeer) beperkt is. Vast staat dat partijen niet één taal hebben gesproken die partijen op gelijke wijze of gelijkwaardig beheersen. Ook op die grond dringt de vraag zich op of [appellant] hetgeen (volgens hem en als dat al zo zou zijn) mondeling is besproken, terecht heeft mogen en kunnen opvatten als afspraken over het overeengekomen afwerkingsniveau.

Het hof ziet hierin evenwel geen aanleiding vader dan wel de tolk nogmaals te horen omtrent het gebruik van het woord ‘spuiten’ door vader bij het getuigenverhoor, welk woord door de tolk ten onrechte zou zijn vertaald met het woord ‘verven’. Niet is immers komen vast te staan dat vader bij het gesprek waarbij de gestelde afspraak is gemaakt aanwezig was.

[appellant] beroept zich ter onderbouwing van de gestelde afspraak ook op hetgeen is gebeurd nadat de werkzaamheden zijn afgerond. Hij stelt dat [geïntimeerde] (ook) toen de afspraak over het kwaliteitsniveau heeft bevestigd. Tussen partijen staat vast dat op 25 oktober 2021 in de woning van [appellant] een gesprek heeft plaatsgevonden met [geïntimeerde] , in aanwezigheid van de schilder, over de kwaliteit van het geleverde werk. Het hof stelt echter vast dat ook over de inhoud van het gesprek van 25 oktober 2021 op veel punten niet eensluidend wordt verklaard.

[appellant] stelt dat [geïntimeerde] in dit gesprek erkent dat het werk spuitklaar zou worden opgeleverd. Hij beroept zich daarbij op de opname van dit gesprek die in het geding is gebracht. De overgelegde transcriptie (door een vertaalbureau vertaald uit de Russische taal), waarbij [geïntimeerde] kennelijk wordt aangesproken als [B] , luidt als volgt:

Ik heb je daar laten zien... [B] .. ik zei, ik met deze, hij woont in [plaats A]

Aha

Ik heb met hem 11 euro afgesproken... [verder slecht verstaanbaar Nederlands, iets over geluidskwaliteit?] ik heb gezegd, nu, laten wij [onverstaanbaar]

Aha... ja... Daarna jij

Ja. Hoe is het nu bij hem, bij hem [verder niet te verstaan]

[persoon D] , we zagen later [persoon D] [verder onverstaanbaar] ..ja...aan jou ook

Ja, zoals wij hebben gesproken... ik heb ook met haar gesproken, ja, ik

Twaalf euro op deze manier, ik ken er niet, dan geef die brief aan iemand dat ik ken. Ik heb jou ook gezegd wat hij allemaal doet, ik heb gezegd, heb jij gezegd, dat zullen we ook, krijgen wij helemaal klaar, kan je schilderen. Zo hebben wij afgesproken. Dat is de afspraak, [B] . Ik heb [verder onverstaanbaar] [persoon D]

En wat heb je toen gezegd, dat hier deze... soldeernaden (spalken??) bet? Zullen zijn ...zonder deze gaat het niet...

Als het niet gaat, als het niet gaat, jij bent de specialist, waarom zeg je...

Ze maken deze soldeernaden (spalken?) zelf... ik heb het gezien [verder onverstaanbaar]

Ik maak deze soldeernaden ook, absoluut op dezelfde manier, ik zal de soldeernaad ook maken, maar wanneer., kijk [verder onverstaanbaar]

Kijk [B] ... Ja... De prijs, ja, ja... je zegt de prijs. Zelfs als het één euro is, wij hebben gezegd, je moet het doen. Dit is jouw prijs. Wil je het niet, doe het niet, maar ik zal het je laten zien. Ik heb het vandaag gedaan. Aan mij heeft het in totaal gekost...alles, alles in totaal, ja? Zo veel heeft het mij gekost

Aha

Kijk, zo veel heeft het mij gekost. Ik heb alles gedaan tot check up aan toe, alles compleet, en

alles.... Dus wat zijn de kosten hiervan voor mij? Bijna veertien en een half euro voor mij, he? En ik heb hier niet eens tijd voor mijn vader en mijn tijd. Hoe vaak dat wij hier zijn geweest ... wat wij allerlei gedaan hebben [verder onverstaanbaar] dat ik gevraagd heb. Als ik dit aan een Nederlander geef, aan een Nederlands bedrijf, zwart, he? Zwart. Vergeet dat niet.

Naar het oordeel van het hof kan uit dit gesprek geen aanvullend bewijs op essentiële punten worden afgeleid ten aanzien van de afspraak zelf dan wel de erkenning van het tekortschieten daarin door [geïntimeerde] . Uit het door [geïntimeerde] (zes maal) uitgesproken woord ‘aha’ kan die erkenning in ieder geval niet worden afgeleid. De door [appellant] zelf opgestelde ‘transcriptie’ van datzelfde gesprek tussen de schilder en [geïntimeerde] (overgelegd als productie 18 bij dagvaarding) leidt niet tot een ander oordeel. Deze ‘transcriptie’ is daartoe naar het oordeel van het hof door [appellant] te zeer ingekleurd en aangevuld.

De getuigenverklaringen bieden evenmin houvast.

Zo verklaart [appellant] over de aanwezigen:

Bij het gesprek van 25 oktober 2021 was ik ook aanwezig, net als de schilder, genaamd [C] . Die schilder, van een bedrijf uit [plaats A] , speelt verder in dit dossier geen rol. Mijn vader en mijn partner waren ook bij dit gesprek, net als [geïntimeerde] en [persoon B] .

Vader verklaart evenwel, meermaals en desgevraagd, uitdrukkelijk niet aanwezig te zijn geweest bij het gesprek na afronding van de werkzaamheden:

Bij het gesprek dat heeft plaatsgevonden nadat de werkzaamheden klaar waren was ik niet aanwezig.

Op een vraag van [appellant] antwoord ik als volgt.

Bij het gesprek dat heeft plaatsgevonden tussen [appellant] , [persoon A] , [geïntimeerde] , [persoon B] en de schilder was ik niet aanwezig. Ik heb wel een geluidsopname van dit gesprek gehoord.

Op vragen van mr. Oomkes antwoord ik als volgt .

Ik heb een geluidsopname van een gesprek gehoord. [appellant] heeft mij dit laten horen en mij vertelt dat hij dit had gekregen van de schilder. Ik heb de stem van de schilder herkend, ik heb hem gezien tijdens de werkzaamheden.

Ik heb verklaard dat ik [persoon B] tijdens de werkzaamheden heb aangesproken. Hij reageerde door te zeggen dat ze aan het eind alles glad zouden maken.

Echtgenote [persoon A] verklaart over dit gesprek:

Later, ik denk dat het herfst 2021 was, heeft er een gesprek plaatsgevonden waarbij ik, [appellant] , [persoon C] , [geïntimeerde] , de jongen die het langst heeft gewerkt (ik denk dat het [persoon B] is) en een schilder (die was voor ons aan het werk in de woning, zijn naam weet ik niet) aanwezig waren. Dit gesprek vond plaats omdat was gebleken dat [geïntimeerde] niet had gedaan wat hij moest doen. Ik heb geen verstand van stucwerk en ging ervan uit dat hij goed werk zou leveren. Toen de schilder kwam bleek dat het werk echt niet goed was. [geïntimeerde] kwam om te bespreken hoe het verder zou moeten. Het stucwerk moest ‘spuitklaar’ maar het leek nergens naar. Het was overduidelijk niet goed, ik zie het nog elke dag in mijn woning. Voor mijn gevoel erkende [geïntimeerde] tijdens het gesprek dat het niet goed was. Wij wilden het stucwerk ‘spuitklaar’. [geïntimeerde] erkende deze afspraak, dat wij dat gevraagd hadden. Het was een gesprek met veel emoties. Ik heb het gesprek zo ervaren dat [geïntimeerde] erkende dat hij fout zat. Hij zou voor een oplossing zorgen, zo heb ik het gesprek ook ervaren.

Het hof stelt over dit gesprek op 25 oktober 2021 vast dat vader, naar eigen zeggen, niet bij dit gesprek aanwezig was. Uit de verklaring van [persoon A] blijkt niet dat partijen toen nog hebben gesproken over de inhoud van de afspraak (Ik heb geen verstand van stucwerk en ging ervan uit dat hij goed werk zou leveren). Zij geeft wel een persoonlijke duiding aan het gesprek (voor mijn gevoel erkende [geïntimeerde] tijdens het gesprek dat het niet goed was), maar die duiding leest het hof niet terug in de overgelegde transcriptie.

[appellant] beroept zich ten bewijze van zijn stelling voorts op de als producties 9 en

10 overgelegde WhatsAppgesprekken. Het hof stelt vast dat hierin het woord spuitklaar niet voorkomt en overweegt dat, wat er verder zij van de inhoud, vaststaat dat [appellant] een dergelijk bericht niet naar [geïntimeerde] heeft gestuurd. Dat [appellant] deze tekst aan [geïntimeerde] heeft laten zien, waarop [geïntimeerde] zou hebben aangegeven dat hij dit afwerkingsniveau zou realiseren is niet onderbouwd, nog daargelaten dat niet vaststaat dat de taalvaardigheid van [geïntimeerde] dusdanig is dat hij een dergelijk tekst, als die hem op een telefoon wordt voorgehouden, kan begrijpen. [geïntimeerde] heeft zelf aangevoerd dat hij geen of nauwelijks Nederlands kan lezen, hetgeen het hof, na het beluisteren van het gesprek van 25 oktober 2021, niet onaannemelijk acht. Dat moet [appellant] ook duidelijk zijn geweest. Dat valt namelijk niet te betwijfelen (zoals blijkt uit de geluidsopnames).

De WhatsAppberichten die [appellant] heeft overgelegd (producties 14 , 15 en 16) drukken de wens uit van [persoon A] over de wijze waarop het (dan inmiddels verrichte) werk wordt hersteld / afgehandeld, maar ook hieruit vloeit niet voort welk afwerkingsniveau partijen zijn overeengekomen voorafgaand aan het werk.

Daarmee resteert de kwestie omtrent het gebruikte ’finish-product’. [appellant] stelt dat het door [geïntimeerde] gebruikte product Brander Plast (waarvan op 18 oktober 2021 een foto is verzonden via WhatsApp) een product betreft om een spuitklaar resultaat te verkrijgen. Het gebruik van dit product ondersteunt aldus zijn stelling dat partijen het benoemde afwerkingsniveau zijn overeengekomen, zo voert hij aan. [geïntimeerde] heeft dit betwist en aangevoerd dat om te voldoen aan het door [appellant] gestelde afwerkingsniveau een kostbaar ‘finish-product’ moet worden gebruikt, anders dan het gebruikte product Brander Plast. [geïntimeerde] heeft bij conclusie na enquête een kenmerkenblad overgelegd van het product Brander Plast. Gebruiksdoel hiervan is volgens dat blad het behang-klaar en schilder-klaar maken van wanden en plafonds. Naar het oordeel van het hof had het, gezien de met documentatie onderbouwde betwisting door [geïntimeerde] van het volgens [appellant] bedoelde gebruik van Brander Plast, op de weg van [appellant] gelegen nader te onderbouwen dat dit product is bestemd om het afwerkingsniveau spuitklaar te verkrijgen. Die onderbouwing heeft [appellant] niet gegeven. Dat had wel op zijn weg gelegen.

De slotsom luidt dat er onvoldoende aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring van [appellant] voldoende geloofwaardig maken. [appellant] is derhalve niet geslaagd in het hem opgedragen bewijs dat hij met [geïntimeerde] heeft afgesproken dat het stukwerk spuitklaar of sausklaar zou worden opgeleverd.

Onder punt 26 en verder van zijn memorie van grieven heeft [appellant] nader bewijs aangeboden. Het hof acht het gedane bewijsaanbod niet voldoende specifiek en/of niet ter zake dienend, zodat het hof daaraan voorbijgaat. De wijze van vertaling van de woorden ‘verven’ en ‘spuiten’, waarover de tolk en vader nader zouden kunnen worden gehoord, zal niet doorslaggevend zijn. Het alsnog horen van vader dan wel de tolk op deze punten zal, gezien de eerder genoemde discrepanties tussen de verklaringen van de getuigen en het gegeven dat partijen niet één gemeenschappelijke taal spreken, niet tot een ander oordeel kunnen leiden, te meer daar ook niet is vast komen te staan dat vader bij het eerste gesprek aanwezig is geweest. Over de aanwezigheid van vader bij het gesprek van 25 oktober 2021 heeft vader zelf, op vragen van zowel de kantonrechter als [appellant] uitdrukkelijk verklaard dat hij niet aanwezig was, terwijl hij van dat gesprek wel de geluidsopname heeft beluisterd. Volgens [appellant] was hij echter wel bij dit gesprek aanwezig en kan hij dat alsnog verklaren. Het hof overweegt evenwel dat zelfs als dit alsnog zou blijken dit niet tot een ander oordeel kan leiden. Immers, ook als vast komt te staan dat vader, zoals [appellant] betoogt, [geïntimeerde] én [persoon B] na afronding van de werkzaamheden heeft aangesproken op het geleverde werk, wordt hiermee geen bewijs geleverd van wat er voorafgaand aan het werk is afgesproken. Dat [appellant] en zijn vader ontevreden zijn over het geleverde werk wil het hof wel aannemen, maar dat hun klachten gegrond zijn gelet op de tussen partijen gemaakte afspraak echter niet en daar gaat het om. Ook aan het aanbod van [appellant] om [persoon B] onder ede te doen horen gaat het hof voorbij, nu [persoon B] , volgens de eigen verklaring van [appellant] , niet aanwezig was bij de totstandkoming van de afspraken met [geïntimeerde] .

De conclusie luidt dat [appellant] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs. Nu niet is komen vast te staan dat [appellant] met [geïntimeerde] heeft afgesproken dat het stukwerk spuitklaar of sausklaar zou worden opgeleverd, dienen de vorderingen die hierop zijn gegrond te worden afgewezen.

Beslissing toewijsbaarheid schade tussenvonnis

[appellant] betoogt met grief 1 in principaal hoger beroep dat de kantonrechter in haar vonnis van 6 april 2023 reeds had overwogen dat de schade als gevolg van het niet gebruiken van stucstop (bij de kozijnen) en de schade als gevolg van de tekortkomingen bij de dagkanten toewijsbaar is. Zij heeft in het eindvonnis vervolgens ten onrechte alle vorderingen van [appellant] afgewezen.

Deze grief slaagt. De kantonrechter heeft zonder voorbehoud een eindbeslissing gegeven in het tussenvonnis waarop niet meer kon worden teruggekomen zonder partijen de gelegenheid te geven zich daarover nog uit te laten. De devolutieve werking van het hoger beroep leidt ertoe dat het hof ambtshalve deze onderdelen van de vordering opnieuw moet beoordelen. Dat leidt niet tot een toewijzing om de volgende redenen.

Het hof is van oordeel dat [appellant] de vordering op deze onderdelen onvoldoende concreet heeft toegelicht. Hij heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] stucstop had moeten gebruiken bij de kozijnen en dat alle dagkanten verkeerd zijn uitgevoerd. De door hem ingeschakelde expert (One Expertise, zie hiervoor in 3.1.6) heeft echter onder ‘Bevindingen’ slechts vermeld ‘Foutieve afwerking bij de kozijnen’, maar het daarbij gelaten zonder ook maar enige toelichting daarop te vermelden, terwijl uit de schadebegroting niet blijkt dat voor herstel daarvan een post is opgenomen. Het door [appellant] in de dagvaarding genoemde bedrag is niet terug te voeren op die schadebegroting. Uit de door [appellant] overgelegde mail van 18 febuari 2022 van ProLatexspuiten blijkt slechts dat gekozen ‘kán’ worden voor stucstop en dat het ‘raadzaam’ is om dat aan te brengen langs kozijnen. Dat wil niet zeggen dat op dit punt sprake is van een tekortkoming.

Daarbij komt dat uit de door [appellant] overgelegde bonnetjes blijkt dat hij wel hoekbeschermers heeft aangeschaft, zodat niet voor de hand ligt dat die niet zijn gebruikt. Het hof is dus om meerdere redenen van oordeel dat dit onderdeel van de vordering onvoldoende concreet is toegelicht om te kunnen toewijzen.

De slotsom luidt dat de grieven niet slagen en/of niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het bestreden vonnis zal dan ook worden bekrachtigd.

Voorwaardelijk incidenteel appel

Het incidenteel appel is ingesteld onder de voorwaarde dat het principaal appel tot vernietiging van het eindvonnis zou leiden. Nu die voorwaarde niet is vervuld, behoeft het incidenteel appel niet te worden behandeld.

Proceskosten

Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Een kostenveroordeling in voorwaardelijk incidenteel appel blijft achterwege.

De kosten aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op:

- griffierecht € 798,-- salaris advocaat € 1.571,- (1 punt x tarief III)

- nakosten € 178,- (plus de verhoging die in de beslissing is vermeld)

Totaal € 2.547,-

4. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch tussen partijen gewezen eindvonnis van 14 maart 2024;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep ten bedrage van € 2.547,00, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe; als [appellant] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant]€ 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;

veroordeelt [appellant] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak zijn voldaan;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.M.T. Quaadvliet, M. van Ham en H.F.P. van Gastel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 september 2025.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?