GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummers 200.345.596/01 en 200.345.531/01
arrest van 2 september 2025
in de zaak met zaaknummer 200.345.596/01 van:
ASR Schadeverzekering N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als ASR,
advocaat: mr. S.C. Banga te De Bilt,
tegen
1. Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,gevestigd te Den Haag,
hierna aan te duiden als NN,
geïntimeerde,
advocaat: mr. T. Hussein te 's-Gravenhage
2. [XX] Bouw B.V. tevens voorheen h.o.d.n. Aannemersbedrijf [YY] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna aan te duiden als [XX Bouw B.V.] ,
geïntimeerde,
advocaat mr. E. Beele te Tilburg.
alsmede in de zaak met zaaknummer 200.345.531/01 van:
[A] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [A] ,
advocaat: mr. M.J. de Groot te Hilversum,
tegen
[XX] Bouw B.V. voorheen tevens handelend onder de naam Aannemersbedrijf [YY] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [XX Bouw B.V.] ,
advocaat: mr. E. Beele te Tilburg,
als vervolg op het tussenarresten van 25 februari 2025, waarbij dit hof voeging van de onderhavige zaken heeft bevolen.
5. Het geding in eerste aanleg
Zowel ASR als [A] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 november 2023 met zaak-/rolnummer C/01/374358 / HA ZA 21-648. Dit vonnis is gewezen tussen ASR als eiseres, NN en [XX Bouw B.V.] als gedaagden en [A] als interveniënt. Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
6. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure in de onderhavige zaken blijkt uit voormelde tussenarresten. In de zaak met zaaknummer 200.345.596/01 zijn daarna memories van antwoord genomen door NN en [XX Bouw B.V.] .
Vervolgens heeft op 30 juni 2025 een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij het hof de onderhavige zaken gevoegd heeft behandeld. Tijdens deze mondelinge behandeling hebben de advocaten van partijen spreekaantekeningen voorgedragen en overgelegd.
Het hof heeft ten slotte een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de in het tussenarrest van 25 februari 2025 genoemde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
7. De beoordeling
Feiten
In rov. 3.1 tot en met 3.11 van het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal die feiten hierna, vernummerd tot rov. 7.1.1 tot en met 7.1.11, weergeven.
[A] heeft met [XX Bouw B.V.] een aannemingsovereenkomst gesloten voor het verbouwen van zijn rietgedekte woning (hierna ook: het werk). Op die overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden voor Verbouwingen 1998, zoals opgesteld door de Vereniging Eigen Huis en het Nederlands Verbond van Ondernemers in de Bouwnijverheid (de AVV 1998) van toepassing. In de AVV 1998 is onder meer het volgende bepaald:
Artikel 3: Oplevering
(…)
2. Onder oplevering wordt verstaan de datum waarop het werk aan de opdrachtgever wordt opgeleverd, nadat een rapport van eventuele tekortkomingen is opgemaakt en door partijen is ondertekend.
(…)
4. De bij oplevering geconstateerde en erkende tekortkomingen worden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 15 werkbare werkdagen, hersteld. Deze termijn geldt ook als de aannemer besluit om een door hem aanvankelijk niet erkende tekortkoming alsnog te herstellen.
5. Als gelet op de aard of omvang van de tekortkomingen in redelijkheid niet van oplevering kan worden gesproken, zal de aannemer na overleg met de opdrachtgever een nieuwe datum noemen waarop het werk gereed zal zijn voor oplevering. (…)
Artikel 4: Serviceperiode
Na de oplevering geldt een serviceperiode van 3 maanden. (…)
Artikel 5: Aansprakelijkheid na afloop van de serviceperiode
1. Na de serviceperiode is de aannemer niet meer aansprakelijk voor tekortkomingen aan het werk tenzij: a. het werk of enig onderdeel daarvan een tekortkoming bevat die door de opdrachtgever redelijkerwijs niet eerder dan op het tijdstip van ontdekking onderkend had kunnen worden; b, het werk of enig onderdeel een ernstige tekortkoming heeft. Een tekortkoming is slechts als ernstig aan te merken als die de hechtheld van de constructie of een wezenlijk onderdeel daarvan aantast of in gevaar brengt, hetzij het werk ongeschikt maakt voor zijn bestemming.
De werkzaamheden hebben plaatsgevonden in 2015/2016. [persoon A] Openhaarden B.V., hierna te noemen: [persoon A] , heeft een houtkachel en een rookgasafvoerkanaal geplaatst.
Rond 11 maart 2016 heeft [A] de woning betrokken. Op 21 maart 2016 is door [A] en [XX Bouw B.V.] een document ondertekend met de titel “Opleverlijst:”.
Op zaterdag 2 april 2016, tussen 15.00 uur en 16.00 uur, heeft [A] de houtkachel aangestoken die was gesitueerd bij het overdekte terras van de aanbouw van de woning. Hij had dat in de periode ervoor al circa elf keer eerder gedaan. Omstreeks 17.21 uur zag hij rookontwikkeling ter hoogte van de achterzijde van de aanbouw, bij het overdekte terras. Hij heeft de brandweer gebeld, die ter plaatse is gekomen. De brandweer heeft geconstateerd dat er inderdaad rookontwikkeling was. Vlammen waren er niet te zien. De brandweer heeft zich in de uren erna beperkt tot het nathouden van het dak en het inpandig nevelen.
Op enig moment heeft de brandweer besloten het dak open te zagen. [A] heeft toen voor het eerst vuur gezien, waarna de brandweer is begonnen met het weghalen van de nokpannen van het rieten dak. Daarop zijn de vlammen naar buiten geslagen en vanaf dat moment lukte het de brandweer niet meer om het vuur onder controle te krijgen. Uiteindelijk is het riet verwijderd en zijn de houten panelen van het dakbeschot en de rest van het dak van de uitbouw gesloopt en nagenoeg geheel verwijderd, waarna uiteindelijk rond middernacht het sein brandmeester gegeven kon worden.
[A] was tegen brand verzekerd bij ASR. ASR heeft € 1.116.004,50 (exclusief wettelijke rente en kosten) uitgekeerd.
[A] had zijn woning op 25 maart 2016 verkocht voor € 2.500.000,= . Na de brand is de koopovereenkomst door de kopers ontbonden. [A] en de kopers zijn daarna opnieuw in onderhandeling getreden en hebben op 6 juli 2016 een nieuwe koopovereenkomst gesloten met een (ver)koopsom van € 1.561.000,=. De kopers hebben de aannemingsovereenkomst voor herstel van het woonhuis overgenomen.
[XX Bouw B.V.] had voor het werk een CAR-verzekering afgesloten bij NN. Op deze verzekering zijn de “Aanvullende voorwaarden doorlopende C.A.R.-verzekering 650-92” van toepassing. Op het polisblad staat vermeld:De verzekering voor
de bouwtermijn is van
kracht gedurende : Maximaal 18 maanden
Onderhoudstermijn : Maximaal 12 maanden
Verzekerde rubrieken Verzekerde bedragen:
Rubriek I het werk
als maximum verzekerde som voor het werk : € 5.000.000,- (exclusief BTW.
Rubriek III
premier risque als maximum per gebeurtenis
te vergoeden bedrag voor schade aan
bestaande eigendommen opdrachtgever : € 1.000.000,-
In de toepasselijke polisvoorwaarden 650-92 is onder meer bepaald:
(…)
A.2.1 Brand
Onder brand is te verstaan een door verbranding veroorzaakt en met vlammen gepaard gaand vuur buiten een haard, dat in staat is zich uit eigen kracht voort te planten.
Derhalve is onder andere géén brand:
- zengen, schroeien, smelten, verkolen, broeien;
- doorbranden van elektrische apparaten en motoren;
- oververhitten, doorbranden, doorbreken van ovens en ketels.
Artikel A.3 Verzekeringstermijn
A.3.1
De verzekering vangt aan op de op het polisblad vermelde ingangsdatum en eindigt:
- ten aanzien van de bouwtermijn op de op het polisblad vermelde einddatum of zoveel eerder als het werk is opgeleverd;
- ten aanzien van de onderhoudstermijn, indien medeverzekerd, op de dag na het verstrijken van het voor deze termijn genoemde aantal maanden na de hierboven bedoelde oplevering;
... Derhalve zijn (is) uitgesloten schaden en/of aansprakelijkheid voor schaden die buiten de verzekeringstermijn(en) ontstaan zijn, ongeacht het tijdstip waarop zij worden veroorzaakt.
Voorwaarden rubriek I: het werk
(…)
Artikel I.1 Dekking tijdens de bouwtermijn
Tijdens de bouwtermijn dekt de verzekering de schade die een verzekerde lijdt als gevolg van:
- beschadiging van het werk, ongeacht door welke oorzaak, met terzijdestelling van artikel 249 Wetboek van Koophandel;
- diefstal van bouwcomponenten.
Artikel I.2 Dekking tijdens de onderhoudstermijn
De verzekering dekt de schade die een verzekerde lijdt door beschadiging van het werk tijdens de onderhoudstermijn:
- veroorzaakt door een verzekerde tijdens werkzaamheden uit hoofde van verplichtingen volgens de onderhoudsbepalingen van het bestek of de aannemingsovereenkomst;
- waarvan de oorzaak ligt voor het begin van de onderhoudstermijn, mits de oorzaak verband houdt met de totstandkoming van het werk.
Artikel I.5 Uitsluitingen
Naast de algemene uitsluitingen zijn van de verzekering uitgesloten:
(…)
b. beschadiging door brand en/of ontploffing tijdens de onderhoudstermijn van het werk;
Voorwaarden rubriek III: bestaande eigendommen opdrachtgever
(…)
Artikel III.1 Dekking
Tijdens de bouw- en onderhoudstermijn dekt de verzekering de schade die de opdrachtgever lijdt door beschadiging van bestaande eigendommen van de opdrachtgever, mits de beschadiging direct wordt veroorzaakt door de uitvoering van het werk en mits de beschadiging is veroorzaakt onder verantwoordelijkheid van een verzekerde.
Artikel III.3 Uitsluitingen
Naast de algemene uitsluitingen zijn van de verzekering uitgesloten:
a. beschadiging door brand en/of ontploffing
(…)
Er zijn diverse onderzoeken verricht naar de (oorzaak van de) brand, door:
- onderzoeksbureau I-Tek namens ASR (producties 8 en 12 van ASR);
- HBS Expertises/Brand Technisch Bureau namens [A] (contra-expert);
- EMN Forensic namens NN/ [XX Bouw B.V.] (productie 19 van ASR);
- Biesboer Expertise namens [persoon A] .
[persoon A] is op 16 november 2021 failliet verklaard. De procedure ten opzichte van [persoon A] is geschorst.
Geschil in eerste aanleg
In eerste aanleg vorderde ASR, samengevat,
te verklaren voor recht:
a. a) dat NN de door ASR aan [A] vergoede schade dient te dragen door uitkering te doen aan ASR;
b) dat NN gehouden is om aan ASR te vergoeden de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en/of ter verkrijging van voldoening buiten rechte en/of de kosten van verweer in en buiten rechte;
c) dat [XX Bouw B.V.] aansprakelijk is voor de brandschade op 2 april 2016;
d) dat [XX Bouw B.V.] de onder de brandverzekering aan [A] uitgekeerde schade dient te vergoeden aan ASR;
e) dat [XX Bouw B.V.] de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en/of ter verkrijging van voldoening buiten rechte dient te vergoeden aan ASR;
f) dat [persoon A] aansprakelijk is voor de brandschade op 2 april 2016;
g) dat [persoon A] de onder de brandverzekering aan [A] uitgekeerde schade dient te vergoeden aan ASR;
h) dat [persoon A] de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en/of ter verkrijging van voldoening buiten rechte dient te vergoeden aan ASR;
i. i) dat [XX Bouw B.V.] , [persoon A] en NN hoofdelijk aan te spreken zijn voor de brandschade op 2 april 2016 en dat zij op grond daarvan hoofdelijk gehouden zijn de onder de brandverzekering door ASR aan [A] uitgekeerde schade en de door ASR in deze procedure gevorderde kosten te vergoeden aan ASR;
[XX Bouw B.V.] te veroordelen tot betaling van bedragen van € 25.000,=, € 121.681,81; € 892.219,00; € 5.328,22; € 20.565,18; € 4.576,61; € 15.733,05, alle bedragen te vermeerderen met rente;
[persoon A] te veroordelen tot betaling van bedragen van € 25.000,=, € 121.681,81; € 892.219,00; € 5.328,22; € 20.565,18; € 4.576,61; € 15.733,05, alle bedragen te vermeerderen met rente;
NN te veroordelen tot betaling van bedragen van € 14.912,82; € 10.087,18; € 208.872,68; € 892.219,00; € 5.328,22; € 20.565,18; € 4.576,61; € 15.733,05, alle bedragen te vermeerderen met rente;
[XX Bouw B.V.] , [persoon A] en NN te veroordelen in de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen.
[A] vorderde in eerste aanleg, samengevat,
I) te verklaren voor recht dat [XX Bouw B.V.] aansprakelijk is voor de brandschade op 2 april 2016 en uit dien hoofde de niet uit hoofde van verzekering uitgekeerde schade dient te vergoeden aan [A] ;
II) [XX Bouw B.V.] te veroordelen tot betaling van:
A. € 110.440,= (schade door verlaging verkoopprijs woning na brand (gederfde winst));
B. € 45.884,50, althans een bedrag van € 8.472,= (kosten van vervangende woonruimte);
C. € 9.500,= (verlies aan inkomsten in verband met bestede tijd aan afwikkeling brandschade: 19 dagdelen van € 500,=),
alles te vermeerderen met wettelijke rente en de kosten van de procedure.
NN en [XX Bouw B.V.] hebben gemotiveerd verweer gevoerd.
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank alle vorderingen van ASR en [A] afgewezen, met proceskostenveroordelingen ten laste van hen.
Geschil in hoger beroep
ASR heeft (in de zaak met zaaknummer 200.345.596/01) twintig grieven – aangeduid met Romeinse cijfers als grieven I tot en met XX – aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep. Voor de vorderingen van ASR in hoger beroep jegens NN en [XX Bouw B.V.] verwijst het hof naar het petitum van de memorie van grieven van ASR op blz. 48 en 49. Kort gezegd, eist ASR dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen, met veroordeling van NN en [XX Bouw B.V.] tot terugbetaling van hetgeen zij heeft betaald ingevolge het vonnis waarvan beroep vermeerderd met rente, alsmede met veroordeling van hen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.
NN en [XX Bouw B.V.] hebben ieder bij een eigen memorie van antwoord de grieven bestreden. Zij hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van ASR in de proceskosten in hoger beroep.
[A] heeft (in de zaak met zaaknummer 200.345.531/01) twaalf grieven - aangeduid met Romeinse cijfers als grieven I tot en met XII – aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. De grieven I tot en met XI zijn gelijkluidend aan de grieven van ASR in het hoger beroep van ASR jegens NN en [XX Bouw B.V.] . [A] heeft daar een eigen grief XII aan toegevoegd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep. Voor de vorderingen van [A] in hoger beroep jegens [XX Bouw B.V.] verwijst het hof naar het petitum van de memorie van grieven van [A] op blz. 10 en 11. Kort gezegd, eist [A] dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen, met veroordeling van [XX Bouw B.V.] tot terugbetaling van hetgeen hij heeft betaald ingevolge het vonnis waarvan beroep vermeerderd met rente, alsmede met veroordeling van [XX Bouw B.V.] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.
[XX Bouw B.V.] heeft de grieven bestreden. Zij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [A] in de proceskosten in hoger beroep.
Plan van behandeling
Zoals hiervoor is aangegeven, hebben ASR en [A] meerdere grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd. Het hof komt in deze zaak niet direct tot een eindarrest. Het hof zal in dit tussenarrest de grieven niet afzonderlijk bespreken. In plaats daarvan zal het hof een aantal onderwerpen behandelen en met betrekking tot die onderwerpen beslissingen nemen. Vervolgens wordt uitgelegd waarom het hof aanleiding ziet voor een nadere mondelinge behandeling, en welke doelen die mondelinge behandeling dient.
Fouten en causaal verband
ASR en [A] stellen dat er fouten zijn gemaakt bij de installatie van het rookgasafvoerkanaal. Het gaat (in elk geval) om de volgende fouten:
Fout 1: Volledige omkasting ontbrak in strijd met de installatievoorschriften.
Fout 2: Er was geen sprake van brandwerendheid conform de installatievoorschriften.
Fout 3: Er was brandbaar materiaal (een kunststof mantelbuis) aanwezig aan de binnenzijde van de gedeeltelijke omkasting.
Fout 4: Er was onvoldoende afstand tussen de rookgasafvoerpijp en brandbare materialen.
[XX Bouw B.V.] heeft onder meer het verweer gevoerd dat de ontstaansplaats en de oorzaak van de brand niet meer kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit verweer doelt treft. Volgens de rechtbank staat de oorzaak van de brand niet vast, en kan die vanwege de mate van destructie door de brandweer kennelijk ook niet worden vastgesteld.
Het hof komt tot een andersluidend oordeel, mede op basis van de – eerst in hoger beroep bekend geworden – informatie van de brandweer en de antwoorden van [A] op vragen van het hof tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. Daarvoor is het volgende redengevend.
Het hof volgt ASR en [A] in hun stelling dat er genoemde installatiefouten zijn gemaakt. Deze stelling wordt voldoende onderbouwd met de I-Tek rapporten (producties 8 en 12 van ASR). De deskundigheid van I-Tek staat niet ter discussie. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van I-Tek. Bovendien vinden deze bevindingen bevestiging in het EMN-rapport (productie 19 van ASR).
Hiertegenover heeft [XX Bouw B.V.] onvoldoende gemotiveerd betwist dat genoemde fouten zijn gemaakt. [XX Bouw B.V.] heeft wel betwist dat deze fouten gemaakt zijn, maar heeft deze betwistingen zelf niet voldoende onderbouwd, bijvoorbeeld aan de hand van een deskundigenrapport. Dat er in de rapporten geen foto’s zijn opgenomen van het rookgasafvoerkanaal op het moment van ontstaan van de brand, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat genoemde fouten voorafgaand aan de brand zijn hersteld.
Het hof vat genoemde fouten als volgt samen: er was sprake van constructiefouten met betrekking tot het rookgasafvoerkanaal.
Voorts staat voor het hof vast dat er door deze fouten sprake was van een brandonveilige constructie van het rookgasafvoerkanaal. ASR en [A] hebben voldoende toegelicht dat de constructie door de gemaakte fouten niet voldeed aan de geldende brandveiligheidsnormen, het Bouwbesluit en de toepasselijke installatievoorschriften voor het rookgasafvoerkanaal. Het hof verwijst opnieuw naar de I-TEK rapporten alsmede naar het EMN-rapport. Ook op dit punt acht het hof de betwistingen van [XX Bouw B.V.] onvoldoende, om de eerdergenoemde redenen.
Vast staat dat, na de verbouwing van de woning waarbij een houtkachel en een rookgasafvoerkanaal is geplaatst, op zaterdag 2 april 2016 brand is ontstaan in de woning. Volgens zowel de deskundigenrapporten als de informatie van de brandweer is de brand ergens in het dak ontstaan. De vraag is of de constructiefouten met betrekking tot het rookgasafvoerkanaal kunnen worden aangemerkt als oorzaak van de brand. Het hof beantwoordt deze vraag, anders dan de rechtbank, bevestigend. Daartoe wordt als volgt overwogen.
ASR en [A] hebben voldoende onderbouwd dat de ontstaansplaats van de brand is gelegen in/rondom de dakdoorvoer van het rookgasafvoerkanaal. Dit blijkt uit de I-Tek rapporten, het EMN-rapport en de informatie van de brandweer (productie 20 en 21) in onderling verband en samenhang bezien. Die informatie van de brandweer bestaat uit een uitruk beschrijvingsformulier alsmede een toelichtende brief van een juridisch adviseur. Dit wordt ook ondersteund door de verklaring van [A] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. Deze verklaring strookt ook met de verklaring van [A] die is opgenomen in het eerste I-TEK rapport (blz. 49-53).
Die verklaringen komen er op dit punt op neer dat [A] de kachel heeft aangedaan en op enig moment rook zag en daarna de brandweer heeft gebeld. Daarbij heeft [A] aangegeven dat de kachel was gesitueerd in de nieuw gerealiseerde uitbouw, dat het rookgasafvoerkanaal via de betonnen vloer naar de grote kamer boven de keuken en het overdekte terras voerde, dat nadat hij de kachel had aangestoken hij bij de uitbouw waar het overdekte terras is gesitueerd enige rook naar buiten zag kringelen en dat toen hij vervolgens naar binnen liep en in de keuken kwam, hij rook bij de spotjes in het plafond naar buiten zag kringelen. Het hof ziet geen aanleiding om deze waarnemingen van [A] in twijfel te trekken.
Het hof heeft onder ogen gezien dat de deskundigen in hun rapporten niet met zoveel woorden een concrete oorzaak voor het ontstaan van de brand aanwijzen. Zoals de rechtbank heeft aangehaald, vermeldt I-TEK in dat kader: “Als gevolg van de door de brandweer zeer destructief uitgevoerde sloopwerkzaamheden kon de exacte ontstaansplaats, alsmede de oorzaak van de brand niet meer worden vastgesteld”.
Het hof merkt evenwel op dat voor bewijs in het burgerlijk procesrecht niet steeds is vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan, maar kan volstaan dat deze voldoende aannemelijk worden (zie HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182, rov. 3.4.3). In dit geval staat niet onomstotelijk vast dat brand is veroorzaakt door de constructiefouten met betrekking tot het rookgasafvoerkanaal. In de gegeven omstandigheden, zoals hiervoor weergegeven, acht het hof dit causaal verband evenwel wel voldoende aannemelijk.
Daarbij is ook van belang dat er geen aanwijzingen zijn dat de brand door een andere oorzaak zou kunnen zijn ontstaan (vgl. HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1353, rov. 4.3). Het hof heeft [A] ook hierover tijdens de mondelinge behandeling bevraagd. Er is geen enkel aanknopingspunt voor de gedachte dat de oorzaak van de brand gelegen is in de elektrische installatie in het dak van de aanbouw. Ook heeft [A] desgevraagd ontkend dat er bijvoorbeeld vuurwerk zat in de verhuisdozen die hij had opgeslagen in de kamer boven de keuken.
Onderaanneming
Zoals hiervoor in rov. 7.1.1. is vermeld, heeft [A] met [XX Bouw B.V.] een aannemingsovereenkomst gesloten voor het verbouwen van zijn woning. En zoals in hiervoor in rov. 7.1.2. is vermeld, heeft [persoon A] de houtkachel en het rookgasafvoerkanaal geplaatst.
ASR en [A] stellen dat [XX Bouw B.V.] kwalificeert als hoofdaannemer en dat [XX Bouw B.V.] als hoofdaannemer destijds [persoon A] heeft ingeschakeld als onderaannemer. Volgens [XX Bouw B.V.] was zij geen hoofdaannemer. Zij stelt dat [persoon A] in opdracht handelde van [A] . [A] zelf heeft [persoon A] ingeschakeld, aldus [XX Bouw B.V.] .
Op grond van de gedingstukken en het tijdens de zitting verhandelde stelt het hof vast dat [A] bij [persoon A] langs is geweest om de haarden uit te kiezen, dat hij de prijs daarvoor is overeengekomen met [persoon A] en dat de offertes van [persoon A] aan [A] zijn gericht. Vervolgens zijn de offertes en de werkzaamheden voor het plaatsen van de houtkachel en het rookgasafvoerkanaal door [persoon A] met [XX Bouw B.V.] besproken. De architect van [A] heeft aangegeven waar de haarden geplaatst en geïnstalleerd zouden moeten worden. De haarden zijn geleverd aan [XX Bouw B.V.] en daarna zijn de werkzaamheden uitgevoerd. [persoon A] heeft de houtkachel en het rookgasafvoerkanaal geplaatst, maar [XX Bouw B.V.] is daarbij ook betrokken geweest. Die betrokkenheid bestond, naar eigen zeggen (memorie van antwoord, randnummer 28), uit het maken van uitsparingen zodat de haarden en het rookgasafvoerkanaal konden worden geplaatst en het metselen van de schouw van de houtkachel.
Naar het oordeel van het hof hebben ASR en [A] voldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat in dit geval sprake was van onderaanneming. Het hof verwijst naar de opsomming in randnummer 32 van de memorie van grieven van ASR, die [A] tot de zijne heeft gemaakt (zie randnummer 23 van zijn memorie van grieven). In het bijzonder heeft het hof daarbij in aanmerking genomen dat gezien de aannemingsovereenkomst [XX Bouw B.V.] de hoofdaannemer was van het gehele werk en zij zich ook als zodanig heeft gedragen. [persoon A] stuurde, evenals de andere leveranciers, haar facturen aan [XX Bouw B.V.] , welke ook werden betaald door [XX Bouw B.V.] . Ook zijn de haarden opgenomen in het meer- en minderwerk (productie 18 van [A] ).
Gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken mocht [A] ervan uitgaan dat [XX Bouw B.V.] ook ten aanzien van de werkzaamheden van [persoon A] als hoofdaannemer zou optreden. [XX Bouw B.V.] moest dit ook redelijkerwijs begrijpen. Voor zover [XX Bouw B.V.] had gewild dat dit anders was, had het op haar weg gelegen als (ervaren) aannemer om hierover destijds aan [A] als particulier voldoende duidelijkheid te verschaffen. Dit heeft [XX Bouw B.V.] niet gedaan. Niet gebleken is dat [A] , [XX Bouw B.V.] en [persoon A] hebben besproken wat de juridische relaties tussen hen zouden zijn.
Uit het voorgaande volgt dat [XX Bouw B.V.] op grond van artikel 7:751 BW in verbinding met artikel 6:76 BW alsmede artikel 2 lid 8 van de algemene voorwaarden behorende bij de aannemingsovereenkomst, op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk is voor fouten van [persoon A] met betrekking tot de constructie van het rookgasafvoerkanaal. Dit laat de eigen aansprakelijkheid van [XX Bouw B.V.] uit hoofde van de aannemingsovereenkomst onverlet. Dat betekent ook dat in het midden kan blijven wie – [XX Bouw B.V.] of [persoon A] – bij de uitvoering van de werkzaamheden welke van de geconstateerde fouten heeft gemaakt.
Oplevering
De rechtbank heeft de stelling van ASR en [A] (in eerste aanleg) dat er van oplevering van het werk op 2 april 2016 nog geen sprake was, verworpen. Het hof verwijst naar hetgeen de rechtbank in rov. 5.5 tot en met 5.7 van het vonnis waarvan beroep heeft overwogen. Het hof onderschrijft dit oordeel van de rechtbank. Daarbij wijst het hof er in het bijzonder op dat [A] de woning op 11 maart 2016 al had betrokken en hij op 21 maart 2016 het document met de titel “Opleverlijst” (productie 5 van ASR), dat geldt als rapport in de zin van artikel 3 lid 2 AVV 1998, heeft ondertekend. Dat er gebreken aan het werk zijn, maakt dat niet anders.
Het vorenstaande brengt mee dat de brand na de oplevering van het werk is ontstaan. ASR heeft € 1.116.004,50 (exclusief wettelijke rente en kosten) uitgekeerd (zie hiervoor rov. 7.1.6). In dit geval wil ASR als woonverzekeraar verhaal nemen op [XX Bouw B.V.] als aannemer en op NN als CAR-verzekeraar.
ASR en [A] hebben in hoger beroep aangevoerd dat voor zover [XX Bouw B.V.] zich heeft beroepen op het feit dat het werk als opgeleverd op 21 maart 2016 moet worden beschouwd, waarmee zijn aansprakelijkheid voor gebreken zou zijn komen te vervallen, dit verweer dient te worden verworpen. Daarbij hebben zij een beroep gedaan op artikel 7:758 lid 3 BW en artikel 5 lid 1 sub a AVV alsmede op artikel 4 en 5 lid 1 sub b AVV.
[XX Bouw B.V.] heeft in dit verband naar voren gebracht dat zij niet heeft gesteld dat oplevering in de weg staat aan aansprakelijkheid. Wel betwist zij aansprakelijk te zijn op andere gronden, onder meer op de grond dat [persoon A] geen onderaannemer is van [XX Bouw B.V.] (welk verweer het hof hiervoor in rov. 7.6 heeft verworpen).
Gelet op het voorgaande zal het hof ervan uitgaan dat het feit dat op 21 maart 2016 is opgeleverd, niet in de weg staat aan aansprakelijkheid van [XX Bouw B.V.] voor de brandschade op 2 april 2016.
Tussenconclusie
Op grond van al het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat [XX Bouw B.V.] aansprakelijk is voor de brandschade op 2 april 2016. ASR en [A] hebben ook betoogd dat [XX Bouw B.V.] de op haar rustende waarschuwingsplicht en de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. Gelet op hetgeen is overwogen in rov. 7.6.6., behoeven deze aansprakelijkheidsgronden geen bespreking meer.
Dekking onder de CAR-verzekering
Zoals hiervoor is vermeld, wil ASR als woonverzekeraar verhaal nemen – naast op [XX Bouw B.V.] als aannemer – op NN als CAR-verzekeraar. ASR stelt zich op het standpunt dat NN als verzekeraar gehouden is de brandschade te vergoeden. NN heeft dit weersproken. Zij meent dat er geen dekking is onder de CAR-verzekering.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de onderhavige schade niet verzekerd is onder de CAR-verzekering. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, het volgende overwogen (in rov. 5.3 tot en met 5.12 van het vonnis waarvan beroep).
Ten eerste heeft de rechtbank beoordeeld of er sprake is van dekking onder rubriek I.1 van de CAR-polis. Dit betreft de dekking tijdens de bouwtermijn (zie hiervoor rov. 7.1.9). De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord, om reden dat op grond van de polisvoorwaarden de allrisk dekking eindigt zodra het werk is opgeleverd en het werk als opgeleverd moet worden beschouwd.
Ten tweede heeft de rechtbank beoordeeld of er sprake is van dekking onder rubriek I.2. Dit betreft de dekking tijdens de onderhoudstermijn. Deze vraag heeft de rechtbank eveneens ontkennend beantwoord, en wel op grond van artikel I.5, welk artikel van de verzekering uitsluit beschadiging door brand. Het beroep op deze uitsluiting heeft de rechtbank in de gegeven omstandigheden niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geacht.
Ten derde heeft de rechtbank beoordeeld of er sprake is van dekking onder rubriek III. Dit betreft de dekking voor schade aan bestaande eigendommen. De rechtbank heeft ook deze vraag ontkennend beantwoord, met onder meer als motivering dat NN ter zake een beroep heeft gedaan op de in haar voorwaarden opgenomen uitsluiting voor beschadigingen door brand (artikel III.3 sub a) en dat dit een dekkingsuitsluiting betreft waar NN een beroep op mag doen.
ASR is niet eens met deze beoordeling van de rechtbank. Zij heeft in hoger beroep bepleit vanuit verschillende invalshoeken dat de onderhavige schade wel verzekerd is onder de CAR-verzekering.
Naar het voorlopig oordeel van het hof – het hof wenst over verzekeringsrechtelijke aspecten van deze zaak nader te worden voorgelicht, zie hierna rov. 7.10 – heeft de rechtbank het vraagstuk van de CAR-dekking juist beoordeeld. Het hof komt immers evenals de rechtbank tot het oordeel dat er sprake is van oplevering (zie hiervoor rov. 7.7). Voorts deelt het hof, voorshands oordelend, het oordeel van de rechtbank dat de schade is veroorzaakt door de brand en NN zich mag beroepen op genoemde dekkingsuitsluitingen.
Nadere mondelinge behandeling
Het hof ziet aanleiding een nadere mondelinge behandeling te gelasten. Het doel van die mondelinge behandeling is tweeledig. Ten eerste wenst het hof nader voorgelicht te worden over bepaalde aspecten van de onderhavige zaak (zie hierna rov. 7.10.2). Ten tweede ziet het hof mogelijkheden voor een minnelijke regeling (zie hierna rov. 7.10.3).
Het hof wenst nader te worden voorgelicht over verzekeringsrechtelijke aspecten van deze zaak.
Zoals uit het voorgaande blijkt, zou de uitkomst van deze procedure kunnen zijn dat [XX Bouw B.V.] wel aansprakelijk is, maar dat de schade niet kan worden verhaald op NN als CAR-verzekeraar. Dit is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ook besproken met partijen.
ASR heeft er terecht op gewezen dat [XX Bouw B.V.] een verzekeringsplicht had. Het hof verwijst naar artikel 2 lid 12 AVV (productie 2 van ASR). Op grond daarvan was [XX Bouw B.V.] verplicht tegen de risico’s als omschreven in leden 6 en 9 van dat artikel voldoende verzekerd te zijn.
[XX Bouw B.V.] heeft aangevoerd dat zij zich afdoende/adequaat heeft verzekerd. Zij stelt dat zij de gebruikelijke verzekeringen heeft afgesloten en daarnaast een aanvullende dekking voor de onderhoudsperiode.
Tussen partijen is niet in geschil dat [XX Bouw B.V.] voor de onderhavige verbouwing, naast een CAR-verzekering, ook een aansprakelijkheidsverzekering (AVB) heeft afgesloten. Ook deze AVB-verzekering heeft [XX Bouw B.V.] bij NN afgesloten. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen ook opmerkingen gemaakt over de dekking onder de AVB-verzekering.
Uit de overgelegde producties blijkt dat [XX Bouw B.V.] destijds de aansprakelijkheidsstelling van ASR en [A] heeft doorgestuurd aan NN als CAR-verzekeraar en AVB-verzekeraar. Vervolgens heeft NN (als AVB- en CAR-verzekeraar) buitengerechtelijk discussie gevoerd met ASR. Het hof verwijst naar de correspondentie die is overgelegd als producties 9 en 10 van ASR en producties B en C van NN.
Het hof merkt op dat in die buitengerechtelijke discussie NN dekking onder de AVB-verzekering heeft afgewezen omdat niet aangetoond is dat er sprake is van aansprakelijkheid van [XX Bouw B.V.] (zie onder meer de e-mail van 28 december 2020 van NN). Het hof heeft in de voormelde tussenconclusie (rov. 7.8) geconcludeerd dat [XX Bouw B.V.] wel aansprakelijk is, mede in aanmerking genomen dat zij aansprakelijk is voor de fouten van haar onderaannemer [persoon A] .
Het hof wenst nader voorgelicht te worden over de vraag of [XX Bouw B.V.] voldaan heeft aan haar verzekeringsplicht voor de verbouwing. Daarbij dient ook de omvang van de dekking onder de CAR-verzekering en de omvang van de dekking onder de AVB-verzekering van [XX Bouw B.V.] bij NN aan de orde te komen. In het bijzonder verzoekt het hof partijen zich erover uit te laten of, en zo ja in hoeverre, de schade door de brand gedekt is door de AVB-verzekering.
Om proceseconomische redenen verzoekt het hof partijen hierover een akte te nemen, van maximaal 5 pagina’s, en deze akte uiterlijk tien dagen voor de te houden mondelinge behandeling aan de wederpartijen en aan de raadsheer-commissaris te doen toekomen. Aan het niet nemen van deze akte zal het hof de consequenties verbinden die het geraden acht.
Het hof ziet mogelijkheden voor een minnelijke regeling, nu het hof heeft geconcludeerd dat [XX Bouw B.V.] aansprakelijk is. Daarbij kan relevant zijn dat er mogelijk AVB-dekking is, terwijl dat – gegeven de vorderingen van ASR en [A] en hetgeen zij daaraan ten grondslag hebben gelegd – in deze procedure niet aan orde is.
Tijdens de te houden mondelinge behandeling zal de raadsheer-commissaris daarom een minnelijke regeling beproeven. Voor de hand ligt dat daarbij ook over concrete schikkingsbedragen worden gesproken. In dat kader zal ook de schade-omvang aan de orde komen. Voor zover de zaken niet volledig kunnen worden geschikt, zal ook een deelschikking aan de orde kunnen zijn.
Ten aanzien van de vorderingen van [A] merkt het hof op dat het financiële belang daarvan relatief beperkt is. Zijn vorderingen hebben betrekking op de niet uit hoofde van verzekering uitgekeerde schade (zie hiervoor rov. 7.2.2). Voorts gaat het hof er vooralsnog van uit dat in hoger beroep enkel de schadepost onder A nog aan de orde is. Dit betreft de gestelde schade door verlaging verkoopprijs woning na brand (gederfde winst) van
€ 110.440,=. Zo heeft [XX Bouw B.V.] het althans begrepen (memorie van antwoord, randnummer 39). [XX Bouw B.V.] heeft deze schadepost bovendien gemotiveerd betwist (zie memorie van antwoord, randnummers 44 tot en met 47).
Ten behoeve van het welslagen van de schikkingspoging, verzoekt hof partijen ruim voorafgaand aan de te houden mondelinge behandeling met elkaar in contact te treden en alvast de mogelijkheden voor een minnelijke regeling te verkennen. Indien partijen erin slagen de zaken (geheel of gedeeltelijk) buiten rechte te schikken, stelt het hof het op prijs dat partijen dit zo spoedig mogelijk berichten aan de raadsheer-commissaris.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
8. De uitspraak
Het hof:
bepaalt dat partijen – natuurlijke personen in persoon en rechtspersonen deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is – vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor mr. J.P de Haan als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder rov. 7.10 vermelde doeleinden;
bepaalt dat de advocaten de zaak desgewenst aan het begin van de zitting maximaal 10 minuten mogen toelichten, bij voorkeur aan de hand van spreeknotities;
verwijst de zaak naar de rol van 16 september 2025 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;
bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van de zitting zal vaststellen;
verzoekt partijen de hiervoor onder rov. 7.10.2 bedoelde akte uiterlijk tien dagen voor de zitting te doen toekomen aan de wederpartijen en aan de raadsheer-commissaris;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, K.J.H. Hoofs en E.H. Pijnacker Hordijk en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 september 2025.
griffier rolraadsheer