5. Het verdere geding in hoger beroep
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- het hiervoor genoemde tussenarrest, waarbij het hof [appellante] de gelegenheid heeft geboden voor inbreng van een exploot waarbij de memorie van grieven, tevens houdende eisvermeerdering, aan [geïntimeerde] zijn betekend;
- de akte van [appellante] .
Nadat arrest is gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg.
6. De verdere beoordeling
Samenvatting van het voorafgaande
[appellante] had in de memorie van grieven de (grondslag van de) eis in hoger beroep vermeerderd door haar bewering dat (bestuurder [persoon A] van) [geïntimeerde] op de mondelinge behandeling in eerste aanleg evident leugenachtig heeft verklaard en door haar vordering C tot betaling van integrale proceskosten. Dergelijke wijzigingen zijn tegen de in hoger beroep niet verschenen [geïntimeerde] volgens de wet uitgesloten, tenzij deze wijzigingen (tijdig) bij exploot aan [geïntimeerde] kenbaar zijn gemaakt. Bij het tussenarrest heeft het hof [appellante] de gelegenheid geboden voor inbreng van een exploot waarbij de memorie van grieven, tevens houdende eisvermeerdering, aan [geïntimeerde] zijn betekend.
Bij akte heeft [appellante] , kort samengevat, aangegeven dat zij heeft besloten om van die gelegenheid geen gebruik te maken, dat zij zich realiseert dat het hof de vermeerderingen daardoor zal uitsluiten en dat zij er in berust dat het hof zal beslissen op de oorspronkelijke (grondslag van de) eis.
De feiten
In dit hoger beroep dienen de volgende feiten tot uitgangspunt.
a. [persoon A] is bestuurder en enig aandeelhouder van [geïntimeerde] . [persoon B] verrichtte voor [geïntimeerde] accountantwerkzaamheden.
b. [persoon C] is bestuurder en enig aandeelhouder van [appellante] . [persoon D] verrichtte voor [appellante] accountantwerkzaamheden.
c. [appellante] was enig bestuurder van Nationaal Huidcentrum B.V. (hierna: NHC). [appellante] en [geïntimeerde] hielden tezamen de aandelen in het kapitaal van NHC, [appellante] hield 60% en [geïntimeerde] 40%.
d. Bij (aan de hierna te noemen overeenkomst voorafgaande) e-mail van 17 december 2019 heeft bestuurder [persoon C] van [appellante] aan accountant [persoon B] van [geïntimeerde] geschreven:
“Met de € 45k afschrijving op de vordering (onder de verplichting dat Eli € 30k van zijn vordering afboekt) is de pensioensituatie afgehandeld.
(…)
Ik ga ervan uit dat je Eli vandaag aangeeft dat de overeenkomst getekend kan worden.”
e. Na onderhandelingen waarin [appellante] werd bijgestaan door advocaat mr. R.J. Versteeg en [geïntimeerde] werd bijgestaan door accountant [persoon B] , heeft [appellante] bij op 17 december 2019 gesloten koopovereenkomst haar NHC-aandelen aan [geïntimeerde] verkocht. De daarvan opgemaakte - door advocaat mr. Versteeg opgestelde - schriftelijke overeenkomst (hierna: Contract) vermeldt, verkort weergegeven, in:
artikel 1.1: dat 30 december 2019 geldt als overdrachtsdatum en dat NHC wordt aangeduid met ‘Vennootschap’;
artikel 3.1: dat de koopprijs van de aandelen € 1,-- bedraagt;
artikel 5.6: dat waar verkoper [appellante] ermee instemt dat in haar rekening-courantverhouding met NHC een correctie/vermindering van € 45.000,-- heeft plaatsgevonden, in de rekening-courantverhouding tussen koper [geïntimeerde] en NHC uiterlijk per de overdrachtsdatum ten nadele van koper [geïntimeerde] een correctie/vermindering van € 30.000,- plaatsvindt en dat koper [geïntimeerde] bij niet plaatsvinden of ongedaanmaking daarvan jegens verkoper [appellante] een onmiddellijk opeisbare boete van € 45.000,-- verbeurt.
f. Bij op 18 december 2019 tussen NHC en Pensioenfonds Zorg en Welzijn (hierna: PFZW) gewezen vonnis heeft de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (zaak 7671163 UC EXPL 19-3746) afgewezen de vorderingen van NHC om:
te verklaren voor recht dat NHC niet valt onder de verplichtstelling van PFZW;
PFZW te veroordelen tot onthouding van uitvoeringshandelingen in dat verband en tot ongedaanmaking van daartoe reeds getroffen handelingen;
PFZW te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
De kantonrechter heeft NHC veroordeeld in de proceskosten van PFZW.
g. Bij notariële akte van 30 december 2019 heeft [appellante] de NHC-aandelen aan [geïntimeerde] geleverd.
h. Bij e-mail van 27 januari 2020 heeft [appellante] -bestuurder [persoon C] aan [geïntimeerde] -bestuurder [persoon A] en [geïntimeerde] -accountant [persoon B] geschreven:
“Gisteren de cijfers gekregen 2019-12, die er niet goed uit zien, mede omdat daarin
ook nog eens correcties zijn meegenomen.
(…)
Het is jammer dat met de correcties van € 45k en € 30k 2019 geen positief
resultaat zal gaan geven.”
i. Bij brief van 2 maart 2022 heeft advocaat mr. R.J. Versteeg namens [appellante] aan [geïntimeerde] geschreven:
“De afspraak was duidelijk. Zowel [appellante] als NH [hof: [geïntimeerde] ] zouden hun rekening-courantposities ten aanzien van Nationaal Huidcentrum B.V. verminderen. (…)
Van [persoon D] Consultancy werd bij brief van 21 februari 2022 het bericht ontvangen, waaruit volgt dat hem in het kader van de samenstelverklaring voor de jaarrekening 2019 van Nationaal Huidcentrum B.V. geen informatie is verstrekt over het corrigeren van de rekening-courantverhouding van NH. Die correctie is niet uitgevoerd.
Nu is gebleken dat de correctie (vermindering) van € 30.000,- ten laste van NH niet heeft plaatsgevonden uiterlijk per de overdrachtsdatum, verbeurt NH jegens [appellante] een onmiddellijk opeisbare boete van € 45.000,-. Cliënte maakt hierbij aanspraak op die boete.”
Accountant [persoon D] heeft bij brief van 31 december 2021 aan [geïntimeerde] geschreven dat hij van [appellante] :
“(…) een verzoek gekregen om een verklaring af te leggen.
Er is bij de verkoop van de aandelen NHC (…) d.d. 17 december 2019 een overeenkomst gemaakt waarin besloten is dat elk van de aandeelhouders een bedrag zou terugstorten ter hoogte van zijn percentage van het aandelenkapitaal met een totaalbedrag van € 75.000. In het geval van [X] B.V. 60% i.c
€ 45.000 en voor [Z] B.V. 40% ofwel € 30.000.
[X] B.V. stelt dat van haar kant aan deze voorwaarde is voldaan en uit de onderliggende stukken kan ik inderdaad opmaken dat er bij de eindafrekening € 45.000 is verrekend.
[X] B.V. verzoekt mij nu om een verklaring dat [Z] B.V. haar gedeelte heeft verrekend.
In de door mij gecontroleerde boekhouding en jaarrekening 2019 en de daarop afgegeven Samenstelverklaring kan ik echter geen terugstorting van uw bedrag van € 30.000 plaatsen.
De vraag is dus nu op welke wijze het bedrag van € 30.000 verrekend dan wel gestort is en op welke datum dit is gebeurd.
Ik verzoek u mij dus hierover nader te informeren (…)”
Zo nodig zal het hof hierna nog nadere feiten vaststellen.
De aan het hof voorliggende vorderingen en grieven
In het beroepen vonnis heeft de rechtbank in hoofdlijn overwogen:
dat artikel 5.6 Contract niet expliciet bepaalt wie feitelijk de correctie/vermindering van € 30.000,-- in de rekeningcourantverhouding ten laste van [geïntimeerde] en/of in de NHC-jaarstukken 2019 moest (laten) verwerken en dat partijen destijds ook niet hebben afgesproken of beseft wie daarvoor verantwoordelijk zou zijn, zodat niet kan worden geoordeeld dat een van partijen daarin tekort is geschoten (rov. 4.3 en 4.4);
dat het niet tijdig realiseren van die correctie/vermindering van € 30.000,-- de afspraak tot die correctie/vermindering niet heeft doen vervallen, zodat daar na de overdracht nog in moest worden voorzien; dat [appellante] haar vordering in dit geding uitsluitend baseert op de aan [geïntimeerde] verweten tekortkoming dat zij de correctie/vermindering van € 30.000,-- niet voor de fatale termijn van 30 december 2019 is nagekomen en bovendien niet is ingegaan op een haar door de advocaat van [geïntimeerde] op 13 april 2022 gedaan voorstel om de correctie/vermindering van € 30.000,-- ten laste van [geïntimeerde] alsnog in de NHC-jaarstukken 2019 te (laten) verwerken (rov. 4.6);
dat als [geïntimeerde] - na de ontdekking dat de correctie/vermindering van € 30.000,-- niet tijdig in de NHC-jaarstukken 2019 was verwerkt - na de overdracht al de verplichting had om de correctie/vermindering van € 30.000,-- alsnog daarin te (laten) verwerken, [geïntimeerde] ter zake daarvan niet in verzuim is geraakt (rov. 4.7).
Nu [appellante] bij akte heeft verklaard af te zien van de geboden mogelijkheid om aan te tonen dat zij de in de memorie van grieven besloten vermeerderingen van de (grondslag van de) eis heeft betekend en die daarom als ontoelaatbaar buiten beschouwing moeten worden gelaten, spitst dit hoger beroep zich toe op de door de rechtbank afgewezen vorderingen van [appellante] om [geïntimeerde] te veroordelen tot:
I. betaling van € 45.000,-- aan contractuele boete, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 31 december 2019;
II. betaling van € 1.225,-- aan buitengerechtelijke kosten;
met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
Hierbij zal het hof dus verder buiten beschouwing laten:
dat [appellante] haar vordering in hoger beroep mede wil baseren op een aan [geïntimeerde] verweten tekortkoming om de correctie/vermindering van € 30.000,-- ook na de fatale termijn van 30 december 2019 na te komen;
dat [appellante] beweert dat (bestuurder [persoon A] van) [geïntimeerde] op de mondelinge behandeling in eerste aanleg evident leugenachtig heeft verklaard;
de vermeerderde vordering C tot betaling van integrale proceskosten.
Als een grief van [appellante] slaagt, moet het hof door de devolutieve werking van het hoger beroep (binnen de omvang van de voorliggende rechtsstrijd) de in eerste aanleg door [geïntimeerde] opgevoerde maar door de rechtbank onbehandeld gelaten of verworpen verweren ook van rechtswege onderzoeken.
[appellante] legt aan vordering I tot betaling van de contractuele boete in de kern ten grondslag dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichting om uiterlijk op 30 december 2019 de correctie van € 30.000,-- ten laste van [geïntimeerde] uit te voeren, zodat [geïntimeerde] deze ingevolge artikel 5.6 Contract verschuldigd is.
[geïntimeerde] heeft als verweer in hoofdlijn tegengeworpen dat de verplichting om de correctie van € 30.000,-- door te voeren niet op haar rustte, maar op [appellante] die tot de overdracht op 30 december 2019 de enige bestuurder van NHC was. Volgens [geïntimeerde] hadden bestuurder [persoon C] en/of accountant [persoon D] die correctie tijdig in de boekhouding en jaarrekening 2019 van NHC moeten uitvoeren, althans meent [geïntimeerde] dat zij daarop heeft kunnen en mogen vertrouwen. Dat dit is nagelaten, maakt het volgens [geïntimeerde] niet alleen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [appellante] van haar de contractuele boete claimt, maar maakt volgens [geïntimeerde] ook dat zij daardoor een te verrekenen schadevordering op [appellante] heeft die minimaal het boetebedrag beloopt. Bovendien dient een eventuele boete volgens [geïntimeerde] te worden gematigd tot nihil, ontkent [geïntimeerde] de eventuele verschuldigdheid van wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten en meent [geïntimeerde] recht te hebben op de volledige proceskostenvergoeding.
Het hof verwerpt het door [geïntimeerde] opgeworpen verweer dat [appellante] geen belang heeft bij de ingestelde vorderingen of bij de in artikel 5.6 Contract bedoelde correctie van
€ 30.000,-- ten laste van haar en ten gunste van NHC. Reeds waar [appellante] meent recht te hebben op de in artikel 5.6 Contract bedoelde boete terwijl [geïntimeerde] ontkent dat zij die contractuele boete verschuldigd is, heeft [appellante] het daarvoor vereiste belang.
[geïntimeerde] wijst er op dat de ingevolge artikel 5.6 Contract verplichte correctie van
€ 45.000,-- ten laste van [appellante] pas na 30 december 2019 is uitgevoerd. Deze door [geïntimeerde] aan [appellante] toegeschreven tekortkoming of nalatigheid, ontslaat [appellante] evenwel niet van de eigen verplichtingen daaruit. Dit geding spitst zich verder toe op de inhoud van het tussen partijen overeengekomen artikel 5.6 Contract. Dat artikel luidt:
“Ten aanzien van de afrekenmethodiek (…) komen Partijen ten aanzien van de Post 'Correctie R/C aandeelhouders' overeen dat, waar Verkoper ermee instemt dat op de rekening-courantverhouding tussen Verkoper en de Vennootschap ten nadele van Verkoper en een correctie (vermindering) van € 45.000,- heeft plaatsgevonden, in de rekening-courantverhouding tussen Koper en de Vennootschap (uiterlijk) per de Overdrachtsdatum ten nadele van Koper een correctie (vermindering) van
€ 30.000,- plaatsvindt. De beide verminderingen komen derhalve ten gunste van de vermogenspositie van de Vennootschap.
Indien en voor zover op enig moment in de toekomst mocht blijken dat de correctie
(vermindering) van € 30.000,- ten laste van Koper niet heeft plaatsgevonden, of geheel dan wel gedeeltelijk ongedaan is gemaakt, verbeurt Koper jegens Verkoper een onmiddellijk opeisbare boete van € 45.000,-.”
De inhoud en betekenis van artikel 5.6 Contract dient te worden vastgesteld door uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Het hof mag zelfstandig uitleggen en hiertoe dient niet alleen een grammaticale uitleg van dat beding, maar gaat het met name om wat (de personen die optraden voor) partijen daarover vóór of bij het sluiten van de overeenkomst tegenover elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijs hebben mogen afleiden. Daarbij zijn alle omstandigheden van het concrete geval van betekenis, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.
Door de grieven 1 en 2 betoogt [appellante] dat [geïntimeerde] had moeten zorgdragen voor de correctie/vermindering van € 30.000,-- in de rekeningcourantverhouding ten laste van [geïntimeerde] en ten gunste van NHC uiterlijk op de overdrachtsdatum 30 december 2019, wat gold als een fatale termijn. Dit betoog sluit aan bij de bewoordingen van artikel 5.6 Contract dat:
“(…) in de rekening-courantverhouding tussen Koper en de Vennootschap (uiterlijk) per de Overdrachtsdatum ten nadele van Koper een correctie (vermindering) van € 30.000,- plaatsvindt (…) ten gunste van de vermogenspositie van de Vennootschap. (…)”.
Zoals [appellante] toelicht en [geïntimeerde] niet voldoende weerspreekt, was de achtergrond hiervan evenwel dat partijen vooraf een dreigende pensioenpremieclaim van PFZW op NHC voorzagen die zij toen begrootten op € 75.000,-- en dat partijen met deze bepaling wilden bewerkstelligen dat [appellante] en [geïntimeerde] ieder naar rato van hun 60%- respectievelijk 40%-participatie via hun rekening-courantverhouding tot NHC hun deel van die op € 75.000,-- begrootte claim zouden (bij)dragen. Volgens [appellante] hebben partijen met artikel 5.6 Contract beoogd om partijen gezamenlijk de lasten van de dreigende pensioenpremieclaim te laten dragen.
Mede in het licht van het destijds voor partijen kenbare feit dat [appellante] na de overdrachtsdatum 30 december 2019 niet meer (dus voor 0%) in NHC zou participeren, volgt uit de achtergrond en bedoeling van artikel 5.6 Contract dat de afgesproken overdrachtsdatum voor de correctie/vermindering in de rekeningcourantverhouding voor [appellante] als fatale datum gold en ook als een fatale termijn was bedoeld. Het hof ziet dit ook bevestigd in de nog in de onderhandelingsfase geschreven e-mail van 17 december 2019 waarin bestuurder [persoon C] van [appellante] aan accountant [persoon B] van [geïntimeerde] heeft geschreven:
“Met de € 45k afschrijving op de vordering (onder de verplichting dat Eli € 30k van zijn vordering afboekt) is de pensioensituatie afgehandeld.”
In het licht van de wetenschap dat [geïntimeerde] haar deel van de destijds begrootte pensioenpremieclaim onvermijdelijk zou (moeten) (bij)dragen, wijst de in die e-mail opgenomen verwijzing naar de afboekingsverplichting voor (bestuurder [persoon A] ) er nog niet op dat de afgesproken overdrachtsdatum ook voor de correctie/vermindering in de rekeningcourantverhouding voor [geïntimeerde] een fataal karakter had of als zodanig was bedoeld. Destijds - al vóór en bij het sluiten van de overeenkomst - wisten partijen immers al dat [geïntimeerde] na de overdracht voor de volle 100% in NHC zou participeren, zodat [geïntimeerde] haar deel van de destijds begrootte pensioenpremieclaim te allen tijde zou (moeten) (bij)dragen, dus ongeacht het moment waarop de correctie/vermindering in de rekeningcourantverhouding voor [geïntimeerde] zou plaatsvinden. In strijd met de door [appellante] voorgestane uitleg, gold de in artikel 5.6 Contract afgesproken overdrachtsdatum voor de correctie/vermindering in de rekeningcourantverhouding voor [geïntimeerde] dus nog niet zonder meer als een fatale datum of als een fataal bedoelde termijn.
Dat partijen al vóór en bij het sluiten van de overeenkomst wisten dat [geïntimeerde] haar deel van de voorziene pensioenpremieclaim te allen tijde zou (moeten) (bij)dragen, maakt onaannemelijk dat [geïntimeerde] heeft willen instemmen met het verrichten van een prestatie die
- tegen de eerdergenoemde achtergrond en bedoeling van artikel 5.6 Contract - onnodig, althans onverplicht, zou zijn. Nog onaannemelijker is dat [geïntimeerde] er in de door [appellante] voorgestane uitleg bovendien mee zou hebben ingestemd dat die onnodige, althans onverplichte, prestatie binnen een fatale termijn en zelfs nog op verbeurte van een dwangsom zou moeten worden verricht.
Voor zover [appellante] suggereert dat partijen vooraf over artikel 5.6 Contract en het daarin opgenomen boetebeding hebben onderhandeld, ontkent [geïntimeerde] dat nadrukkelijk en hoewel dat op de weg van [appellante] had gelegen, stelt [appellante] geen concrete feiten en omstandigheden waaruit desondanks een dergelijk door [geïntimeerde] gewild rechtsgevolg zou kunnen volgen, althans waaruit [appellante] een dergelijk door [geïntimeerde] gewild rechtsgevolg toch heeft kunnen en mogen afleiden. Bij al het voorgaande komt nog dat alleen [appellante] tijdens de onderhandelingen juridisch werd bijgestaan en dat haar advocaat mr. Versteeg ook nog eens het Contract en het daarin opgenomen artikel 5.6 heeft opgesteld.
De slotsom
Nu wat verder nog is aangevoerd geen concrete feiten bevat die anders doen beslissen, passeert het hof wat [appellante] verder nog te bewijzen aanbiedt en concludeert het hof dat [appellante] niet wordt gevolgd in de door haar voorgestane uitleg van artikel 5.6 Contract, dat haar grieven 1 en 2 doel missen en dat de daarop voortbouwende grief 3 - waarmee [appellante] opkomt tegen de beslissing van de rechtbank dat [geïntimeerde] niet in verzuim is geraakt - tot niets kan leiden en daarom onbesproken kan blijven. Vordering I om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de contractuele boete is niet toewijsbaar, zodat de rechtbank ook de daarop voortbouwende vordering II tot betaling van buitengerechtelijke kosten terecht heeft afgewezen. Nu [appellante] de in eerste aanleg (overwegend) in het ongelijk gestelde partij blijft, heeft de rechtbank [appellante] terecht in de proceskosten van de eerste aanleg veroordeeld. Het hof zal het beroepen vonnis bekrachtigen. Het in dit hoger beroep ongelijk krijgende [appellante] zal in de proceskosten van dit beroep worden veroordeeld, die aan de zijde van [geïntimeerde] evenwel worden begroot op nihil. Het hof beslist nu als volgt.
7. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het beroepen vonnis van 24 april 2024;
veroordeelt [appellante] tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde] ten bedrage van € 0,-- (nihil) voor dit hoger beroep;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.B. Smits en J. den Hoed en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 september 2025.
griffier rolraadsheer