GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.347.223/02
arrest van 2 september 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. B.H.A. Augustin te Urmond,
tegen
Enexis Netbeheer BV,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Enexis,
niet verschenen in hoger beroep, verstek verleend,
op het bij exploot van dagvaarding van 26 september 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 juni 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en Enexis als eiseres.
1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 11069103 \ CV EXPL 24-2233)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
[appellant] heeft daarna de processtukken overgelegd.
Het hof heeft vervolgens een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. De beoordeling
De vaststaande feiten en de kern van het geschil
Het gaat in deze zaak naar de kern genomen om de vraag in hoeverre [appellant] aan netbeheerder Enexis een vergoeding moet betalen voor elektriciteit en gas die [appellant] heeft afgenomen terwijl hij geen leveringsovereenkomst had met een energieleverancier.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. Enexis is aangewezen als netbeheerder in de zin van artikel 1 onder k en artikel 10 lid 3 van de Elektriciteitswet 1998, en in de zin van artikel 1 lid 1 onder e en artikel 2 lid 1 van de Gaswet 1998.
b. [appellant] heeft in het verleden bij energieleverancier Essent een overeenkomst gehad voor de levering van elektriciteit en gas aan [adres] .
c. Bij brief van 16 juni 2022, gericht aan [appellant] op het genoemde adres, heeft Enexis aan [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:
“Uw energieleverancier Essent heeft ons geïnformeerd dat zij de leveringsovereenkomst per 01-07-2022 voor elektriciteit op uw adres Lindelaan 33 te Kessel lb wil beëindigen. In deze brief leest u wat de gevolgen daarvan zijn.
Rol Enexis Netbeheer bij ontbreken leveringsovereenkomst
Voor de energievoorziening hebt u een energieleverancier en een netbeheerder nodig. De energieleverancier verkoopt de energie. Iedereen die energie af wil nemen, heeft een
leveringsovereenkomst met een energieleverancier nodig. De netbeheerder verzorgt het transport van energie en beheert het netwerk. Enexis Netbeheer is de netbeheerder in uw regio. Een energieleverancier kunt u kiezen, een netbeheerder niet.
Voorkom afsluiten
Als u na 01-07-2022 nog steeds energie wilt blijven afnemen, hebt u een geldige leveringsovereenkomst voor uw aansluiting nodig. Neem hiervoor direct contact op met uw huidige of een nieuwe energieleverancier. (…)
Als wij op 01-07-2022 geen bericht van een energieleverancier hebben ontvangen, starten wij de werkzaamheden om u af te sluiten van energie. (…)
Let op: Financiële gevolgen
De kosten voor het afsluiten brengen we bij u in rekening. Dit geldt ook voor de heraansluitkosten als we u daarna weer moeten aansluiten. De kosten zijn afhankelijk van de plaats waar we de energievoorziening afsluiten.”
d. Bij brief van 30 juni 2022 heeft Enexis [appellant] nogmaals gewezen op hetgeen zij reeds bij de brief van 16 juni 2022 had meegedeeld.
e. Enexis heeft aan [appellant] een factuur van 15 mei 2023 gezonden met factuurnummer [A] ten bedrage van € 169,76 inclusief btw voor het afsluiten van de toevoer van elektriciteit en gas naar [adres] . Het hof zal deze factuur hierna aanduiden als factuur A.
f. Enexis heeft aan [appellant] voorts een factuur van 15 mei 2023 gezonden met factuurnummer [B] ten bedrage van € 7.936,20 inclusief btw voor de afname van elektriciteit en gas op [adres] in de periode van 1 juli 2022 tot 11 mei 2023 zonder contract met een energieleverancier. Het hof zal deze factuur hierna aanduiden als factuur B.
g. Op blz. 1 van factuur B staat onder meer het volgende:
“Hierbij ontvangt u een factuur voor nog niet eerder in rekening gebracht verbruik op het adres: [adres] .
Het betreft de periode van 01-07-2022 tot 11-05-2023.
Dit verbruik is ontstaan doordat de meterstanden waarmee u bent afgemeld niet aansluiten bij de meterstanden waarmee de nieuwe contractant is aangemeld.
De door ons gehanteerde standen zijn als volgt:
(…)
Totaal bedrag € 7.936,20”
h. Op blz. 2 van factuur B is een specificatie van het genoemde totaalbedrag opgenomen. In die specificatie zijn onder meer afgenomen hoeveelheden elektriciteit en gas vermeld.
i. [appellant] heeft de facturen A en B ondanks aan hem gezonden aanmaningen onbetaald gelaten.
Het geding bij de kantonrechter
In de onderhavige procedure vorderde Enexis in het geding bij de kantonrechter veroordeling van [appellant] tot betaling van € 9.277,13, vermeerderd met de wettelijke rente over € 8.886,26 vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, zijnde 12 april 2024.
Het bedrag van € 9.277,13 bestaat uit:
€ 8.105,96 aan hoofdsom;
€ 390,87 aan wettelijke rente over de hoofdsom, berekend tot 25 maart 2024;
€ 780,30 aan incassokosten.
Het bedrag van € 8.886,26 bestaat uit de bovengenoemde hoofdsom van € 8.105,96 vermeerderd met de bovengenoemde buitengerechtelijke incassokosten.
De hoofdsom van € 8.105,96 bestaat uit de het bedrag van factuur A (€ 169,76 inclusief btw voor het afsluiten van de energieaansluitingen) en het bedrag van factuur B (€ 7.936,20 inclusief btw voor de afname van energie zonder contract met een energieleverancier).
Aan deze vordering heeft Enexis, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
[appellant] is het bij factuur A in rekening gebrachte bedrag verschuldigd omdat [appellant] energie heeft afgenomen op [adres] zonder contract te hebben met een energieleverancier, en Enexis daarom de levering van elektriciteit en gas aan dat adres heeft moeten afsluiten overeenkomstig de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas.
[appellant] is het bij factuur B in rekening gebrachte bedrag verschuldigd omdat [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt doordat hij in de periode vanaf de beëindiging van zijn leveringsovereenkomst door zijn energieleverancier per 1 juli 2022 tot 11 mei 2023 elektriciteit en gas heeft afgenomen zonder dat [appellant] had gecontracteerd met een energieleverancier, en Enexis in die periode aan [appellant] elektriciteit en gas en bijkomende diensten heeft geleverd.
[appellant] heeft verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
In het beroepen vonnis van 26 juni 2024 heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld.
Er zijn geen aanwijzingen dat Enexis geen opdracht aan Bosveld Incasso en Gerechtsdeurwaarder B.V. heeft verstrekt tot het incasseren van de door [appellant] verschuldigde bedragen of dat Bosveld Incasso en Gerechtsdeurwaarder B.V. anderszins niet bevoegd zou zijn tot het namens Enexis aanhangig maken van de onderhavige procedure (rov. 4.3, eerste deel).
[appellant] heeft geen verweer gevoerd tegen de grondslag van de vordering en tegen de verschuldigdheid van de gevorderde bedragen. De vordering wordt daarom als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken toegewezen (rov. 4.3, tweede deel).
Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter, samengevat:
[appellant] veroordeeld om aan Enexis € 9.277,13 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 8.882,26 vanaf 12 april 2024;
[appellant] in de proceskosten veroordeeld;
het meer of anders gevorderde afgewezen.
Het geding in hoger beroep
[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft op basis van die grieven geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van Enexis, met veroordeling van Enexis in de proceskosten.
Enexis is niet verschenen in hoger beroep en heeft dus in hoger beroep geen verweer gevoerd tegen de grieven. Dat laat onverlet dat het hof wel acht moet slaan op de stellingen die Enexis in het geding bij de kantonrechter aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd.
De omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep
[appellant] heeft geen voldoende duidelijke grief gericht tegen de toewijzing van het ter zake factuur A gevorderde bedrag van € 169,76. Dit onderdeel van de vordering is dus niet ter beoordeling aan het hof voorgelegd.
Over grief I: de periode waarover [appellant] elektriciteit en gas heeft afgenomen zonder leveringsovereenkomst met een energieleverancier
Door middel van grief I betoogt [appellant] dat de kantonrechter er ten onrechte vanuit is gegaan dat de leveringsovereenkomst tussen [appellant] en energieleverancier Essent per 1 juli 2022 is beëindigd. [appellant] heeft een betalingsoverzicht van Essent overgelegd, en onder verwijzing naar dat overzicht gesteld dat hij de voorschotfacturen van Essent over de maanden juli en augustus 2022 heeft betaald en dat Essent die betalingen als ontvangen heeft geaccordeerd. Volgens [appellant] kan daarom niet worden aangenomen dat de energieleveringen aan zijn adres vanaf 1 juli 2022 ten laste van Enexis zijn gekomen.
Enexis heeft niet op dit verweer van [appellant] gereageerd en niet betwist:
dat Essent aan [appellant] voorschotfacturen over juli en augustus 2022 heeft gezonden;
de [appellant] die voorschotfacturen heeft betaalt;
dat Essent die betalingen van [appellant] over de maanden juli en augustus 2022 heeft ontvangen en als zodanig in haar boekhouding heeft verwerkt.
Gelet op deze onbetwiste feiten kan naar het oordeel van het hof niet als vaststaand worden aangenomen dat de leveringsovereenkomst tussen Essent en [appellant] al per 1 juli 2022 is beëindigd.
[appellant] heeft naar het oordeel van het hof echter niet voldoende betwist dat zijn leveringsovereenkomst met Essent in elk geval per 1 september 2022 is beëindigd. Uit zijn stellingen en het door hem overgelegde overzicht volgt immers dat aan hem over de periode na augustus 2022 geen voorschotten meer in rekening zijn gebracht en dat Essent vervolgens tot een eindafrekening is overgegaan.
[appellant] heeft in de toelichting op de grief verder niet voldoende gemotiveerd betwist dat hij in de periode van 1 september 2022 tot 11 mei 2023 op het adres Lindelaan 33 in Kessel elektriciteit en gas heeft afgenomen zonder een leveringsovereenkomst te hebben met een energieleverancier. Het voorgaande voert tot de conclusie dat [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt doordat hij in de periode vanaf 1 september 2022 tot 11 mei 2023 elektriciteit en gas heeft afgenomen zonder dat [appellant] had gecontracteerd met een energieleverancier, en Enexis in die periode aan [appellant] elektriciteit en gas en bijkomende diensten heeft geleverd.
Grief I heeft dus ten dele doel getroffen, in die zin dat de periode waarover is komen vast te staan dat [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt, korter is dan door de kantonrechter is aangenomen.
Over grief II: de hoogte van de vordering voor de afname van elektriciteit en gas zonder contract met een energieleverancier (factuur B)
Grief II is naar de kern genomen gericht tegen de toewijzing van het ter zake factuur B gevorderde bedrag van € 7.936,20. In de toelichting op deze grief betoogt [appellant] naar de kern genomen het volgende.
Als Enexis al aanspraak zou kunnen maken op een vergoeding voor het energieverbruik over de periode van 1 juli 2022 tot 11 mei 2023, is het over die periode gevorderde bedrag onredelijk hoog gelet op het feit dat het adres slechts een eengezinswoning betreft en [appellant] volgens de door hem bij de memorie van grieven overgelegde productie bij Essent een voorschot betaalde van slechts € 180,-- per maand en bovendien bij de eindafrekening nog een bedrag van € 867,10 van Essent heeft terugontvangen.
Het hof constateert dat de periode waarover Enexis het bedrag van € 7.936,20 vordert, afgerond 10,5 maanden betreft. Als het genoemde bedrag wordt gedeeld door 10,5, volgt daaruit een verbruik (inclusief de gebruikelijke bijkomende kosten) van € 755,83. Dit bedrag is naar het oordeel van het hof niet goed te verenigen met de navolgende door [appellant] gestelde en door Enexis niet betwiste feiten:
[appellant] was tot de einddatum van zijn contract bij Essent voor elektriciteit en gas een maandelijks voorschot van slechts € 180,-- per maand verschuldigd;
[appellant] heeft bij op grond van de door Essent gemaakte eindafrekening nog € 867,10 terugontvangen;
De woning waaraan de energie is geleverd, betreft slechts een eengezinswoning.
Om bovenstaande reden ligt het op de weg van Enexis om een nadere toelichting te verstrekken op het door haar op grond van factuur B gevorderde bedrag van € 7.936,20, en over de vraag waarom dat bedrag voor rekening van [appellant] zou moeten worden gebracht. Enexis kan die toelichting echter niet geven, omdat zij in dit hoger beroep niet is verschenen. Bij deze stand van zaken heeft het hof onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat het door Enexis gevorderde bedrag van € 7.936,20 voor rekening van [appellant] komt voor de afname van energie zonder contract met een energieleverancier.
Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de vordering van Enexis wel ten dele kan worden toegewezen. Het hof stelt daarbij het volgende voorop. Volgens artikel 6:212 lid 1 BW is hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. Deze uit art. 6:212 voortvloeiende verbintenis tot schadevergoeding is een wettelijke verplichting tot schadevergoeding in de zin van Afdeling 10 van titel 1 van boek 6 BW, zodat de algemene regels van het schadevergoedingsrecht (art. 6:95 e.v. BW) er op van toepassing zijn.
Zoals hiervoor onder rov. 3.5.4 geoordeeld, strekt in dit hoger beroep tot uitgangspunt dat [appellant] in de periode vanaf 1 september 2022 tot 11 mei 2023 elektriciteit en gas heeft afgenomen zonder dat hij had gecontracteerd met een energieleverancier, dat Enexis in die periode aan [appellant] elektriciteit en gas en bijkomende diensten heeft geleverd, dat Enexis (zoals zij in eerste aanleg onweersproken stelde) hiertoe niet is overgegaan op de voet van artikel 10 van de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas en dat [appellant] daardoor ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van Enexis. [appellant] is daarom een schadevergoeding aan Enexis verschuldigd.
Het hof neemt bij de begroting van de door [appellant] verschuldigde schadevergoeding het onbetwiste feit tot uitgangspunt dat [appellant] aan zijn vorige energieleverancier een maandelijks voorschot verschuldigd was van € 188,--. Verder staat op grond van de door [appellant] bij de memorie van grieven overgelegde productie 1 vast dat die energieleverancier bij de eindafrekening aan [appellant] € 867,10 heeft terugbetaald. Omdat geen van partijen iets heeft gesteld waarop een andere aanname kan worden gebaseerd, zal het hof aannemen dat die eindafrekening betrekking heeft op een periode van een jaar, en dat op de door [appellant] betaalde voorschotten dus (€ 867,10 : 12 =) € 72,26 per maand is terugbetaald. Dit leidt tot de veronderstelling dat de kosten van het energieverbruik van [appellant] in het laatste jaar van de leveringsovereenkomst bij Essent gemiddeld (€ 188,-- min € 72,26 is) € 115,74 per maand hebben bedragen. Er zijn – alleen al niet nu Enexis haar vordering op dit punt niet concretiseerde en niet onderbouwde met verifieerbare bescheiden waaruit blijkt hoeveel elektriciteit en of gas zij in de betrokken periode (naar schatting) zou hebben vervoerd naar het aansluitadres van [appellant] – geen aanknopingspunten gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat dit verbruik nadien is gewijzigd. Op grond van hetgeen het hof naar aanleiding van grief I heeft geoordeeld, moet [appellant] aan Enexis een vergoeding voor dit gebruik betalen over de periode van 1 september 2022 tot 11 mei 2023, dus over afgerond 8,5 maand. Het hof zal de door [appellant] aan Enexis uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking verschuldigde vergoeding daarom, deels schattenderwijs, vaststellen op 8,5 maal € 115,74 is € 983,79. De stellingen van Enexis bieden tegenover het door [appellant] gevoerde verweer onvoldoende houvast om de vergoeding op een hoger bedrag vast te stellen. Anderzijds biedt het door [appellant] gevoerde verweer onvoldoende aanknopingspunten om de vergoeding op een nog later bedrag vast te stellen.
De conclusie is dat grief II ten dele doel heeft getroffen en dat ter zake factuur B, mede gelet op het slagen van grief I, slechts een bedrag van € 983,79 toewijsbaar is.
Over de buitengerechtelijke kosten
[appellant] heeft op grond van zijn grieven geconcludeerd tot afwijzing van alle vorderingen van Enexis. In de grieven ligt ook voldoende duidelijk besloten dat de vordering ter zake buitengerechtelijke kosten niet of slechts ten dele toewijsbaar is, als het door Enexis ter zake factuur B gevorderde bedrag niet of slechts ten dele toewijsbaar is.
Uit hetgeen het hof in het voorgaande heeft overwogen, volgt dat aan Enexis een hoofdsom van € 1.153,55 toewijsbaar is (€ 169,76 ter zake factuur A en € 983,79 ter zake factuur B). In verband daarmee zal het hof de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten overeenkomstig de daarvoor geldende tarieven vaststellen op € 173,03.
Over grief III: de proceskosten van het geding bij de kantonrechter
Grief III is gericht tegen de veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het geding bij de kantonrechter. Volgens [appellant] hadden de vorderingen van Enexis geheel moeten worden afgewezen en had Enexis daarom moeten worden veroordeeld in de proceskosten van het geding bij de kantonrechter.
Uit hetgeen het hof in het voorgaande heeft overwogen, volgt dat de vordering van Enexis slechts ten dele toewijsbaar is. Beide partijen moeten daarom worden beschouwd als deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. Het hof zal de proceskosten van het geding bij de kantonrechter daarom compenseren tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen.
Conclusie en afwikkeling
Uit het bovenstaande volgt dat het beroepen vonnis vernietigd moet worden. Het hof zal, opnieuw rechtdoende:
[appellant] veroordelen om aan Enexis een hoofdsom van € 1.153,55 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, zijnde 12 april 2024;
[appellant] veroordelen om aan Enexis ter zake buitengerechtelijke kosten € 173,03 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, zijnde 12 april 2024;
de proceskosten van het geding bij de kantonrechter compenseren tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen.
Het hoger beroep heeft in belangrijke mate doel getroffen. Het hof zal Enexis daarom als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof zal deze kosten aan de zijde van [appellant] vaststellen op:
- explootkosten nihil (op het exploot zijn geen explootkosten
vermeld)
griffierechten € 349,--
salaris advocaat € 858,-- (1 punt x tarief I)
nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
+
Totaal € 1.385,--
Al het bovenstaande leidt tot de hieronder vermelde uitspraak.
4. De uitspraak
Het hof:
vernietigt het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 11069103 \ CV EXPL 24-2233 tussen partijen gewezen vonnis van 26 juni 2024 en, opnieuw rechtdoende:
veroordeelt Enexis in de proceskosten van het hoger beroep van € 1.385,--, te betalen binnen veertien dagen na heden; als Enexis niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet Enexis € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.B. Smits en J. den Hoed en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 september 2025.
griffier rolraadsheer