Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 28 augustus 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-338781-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1991,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte door de rechtbank ter zake van ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 1), en ‘opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet’ (feit 2), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.
De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank en daarnaast de gronden (bewijsmiddelen en bewijsoverweging) wil aanvullen/verbeteren, zodat het opnieuw opzetten van het arrest de leesbaarheid ten goede komt.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 20 december 2022 te Breda, gemeente Breda, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5050 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij op of omstreeks 20 december 2022 te Breda, gemeente Breda, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk zonder registratie ongeveer 7100 gram ketamine, althans een of meer hoeveelheden, ketamine, in elk geval een werkzame stof, in voorraad heeft gehad en/of heeft bereid en/of ingevoerd en/of te koop aan geboden en/of afgeleverd en/of uitgevoerd of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied gebracht, dan wel in werkzame stoffen een groothandel gedreven.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij op 20 december 2022 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5050 gram, van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.hij op 20 december 2022 te Breda opzettelijk zonder registratie ongeveer 7100 gram ketamine in voorraad heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, registratienummer PL2000-2022336811, gesloten d.d. 10 april 2023, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 186.
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 december 2022 (dossierpagina’s 90-91), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op 20 december 2022 kregen wij opdracht te gaan naar [adres 2] . Ik
hoorde melder zeggen dat hij een huurovereenkomst had met een meneer [verdachte] .
Omstreeks 13.10 uur kwamen wij ter plaatse en troffen daar de melder. Ik zag in de
garagebox een vijftal boodschappentassen staan. In een van de tassen zat een zak naar het scheen hondenvoer. Op enig moment hoorde ik de melder zeggen dat hij in een van de vier boodschappentassen een vacuüm verpakt pakket zag zitten met daarin een witte substantie. Ik zag het pakket ook en pakte dit uit de boodschappentas. Ik zag direct dat er in de andere drie tassen ook overeenkomende pakketten zaten. Ik zag dat de zak ‘hondenvoer’ open was gemaakt en vervolgens weer dicht was geplakt. Ik voelde aan de zak dat er grote brokken in zaten niet gelijkend op hondenvoer. Hierdoor kreeg ik het vermoeden dat ook in deze zak verdovende middelen zaten. Hierop nam ik de pakketten met de witte substantie en de zak ‘hondenvoer’ in beslag.
2. De kennisgeving van inbeslagneming registratienummer: PL2000-2022336811-2, (pg. 6), voor zover inhoudende:
Inbeslagneming
Plaats : [adres 2]
Datum en tijd : 20 december 2022
Omstandigheden : aangetroffen in een garagebox
Beslagene
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
Geboren : [geboortedag 1] 1991
Volgnummer 1
Goednummer : PL2000-2022336811-2538692
Object : Verdovende mid (Mdma)
Totale hoeveelheid: : 5050 g
3. De kennisgeving van inbeslagneming registratienummer: PL2000-2022336811-3, (pg. 7), voor zover inhoudende:
Inbeslagneming
(dossierpagina 144)
Plaats : [adres 2]
Datum en tijd : 20 december 2022
Omstandigheden : aangetroffen in een garagebox
Beslagene
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
Geboren : [geboortedag 1] 1991
Volgnummer 1
Goednummer : PL2000-2022336811-2538693
Object : Verdovende mid (overige)
Totale hoeveelheid: : 7100 g
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 december 2022 (dossierpagina 132), met fotobijlagen (dossierpagina’s 133-134), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Op 20 december 2022 werd een onderzoek ingesteld in verband met een vermoedelijke
overtreding van de Opiumwet.
De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:
2022336811-2538692: 5050 gram kristallen.
Uit de aangeboden hoeveelheid materiaal werd door mij een representatief monster
genomen.
5. Een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 2 maart 2023 (pg. 137), nummer 2023.03.02.057, opgemaakt door de NFI-deskundige A.G.A. Sprong , met aangehecht de aanvrage onderzoek (dossierpagina’s 138-140), voor zover inhoudende als relaas van rapporteur:
(dossierpagina 137)
Registratienummer: PL2000-2022336811
Kenmerk: AAQJ9133NL
Omschrijving FO: kristallen, beige, uit 5050 gram: aantal bemonsteringen in onderzoek: een
Conclusie: bevat MDMA
(dossierpagina 139)
Gewicht bronpartij : 5050 gram
Soort verpakking bronpartij : Zak hondenvoer
Aantal verpakkingen bronpartij: 1
SIN: AAQJ9133NL
goednummer monster: 2543235
goednummer bronpartij: 2538692
6. Een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 2 maart 2023 (pg. 143-144), nummer 2023.03.01.057, opgemaakt door de NFI-deskundige A.G.A. Sprong , met aangehecht de aanvrage onderzoek (dossierpagina’s 145-147), voor zover inhoudende als relaas van rapporteur:
Registratienummer: PL2000-2022336811
Kenmerk AAQJ9132NL
Omschrijving FO: monster wit poeder
Conclusie: bevat (vrijwel) zuivere ketamine HCI
(dossierpagina 146)
Gewicht bronpartij: 7100 gram
Soort verpakking bronpartij: Doorzichtige zakken
Aantal verpakkingen bronpartij: 4
SIN: AAQJ9132NL
Goednummer monster: 2543229
Goednummer bronpartij: 2538693
7. Het proces-verbaal van Bevoegdheidsbeoordeling 21-105, (los gevoegd) d.d. 14 juli 2023, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] , inspecteur/medewerker infodesk bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ):
Op verzoek van [verbalisant 1] , hoofdagent bij Politie Zeeland West-Brabant, District De
Baronie, basisteam Markdal, heb ik een bevoegdheidsbeoordeling opgesteld betreffende
[verdachte] geboren [geboortedag 1] 1991 te [geboorteplaats 1] woonachtig op [adres 1]
, in verband met op 20 december 2022 in een garagebox aan [adres 2] aangetroffen en inbeslaggenomen vermoedelijke werkzame stoffen.
Aan verdachte is geen registratie verleend als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van
de Geneesmiddelenwet.
8. Het proces-verbaal Productbeoordeling 23-105, (los gevoegd) d.d. 13 juli 2023, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] , senior inspecteur met het aandachtsgebied statusbepaling bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd:
Op verzoek van [verbalisant 1] , hoofdagent bij de Politie Zeeland-West-Brabant, District De Baronie, basisteam Markdal, heb ik een productbeoordeling opgesteld betreffende het op 20 december 2022 aangetroffen en inbeslaggenomen product.
Het aangetroffen product is een substantie die geen farmaceutische vorm heeft. De
substantie bevat (vrijwel) zuivere ketamine volgens de door het NF1 uitgevoerde analyses.
Ketamine is een stof van chemische oorsprong. De stof ketamine heeft pijnstillende en
verdovende eigenschappen. Vanwege deze eigenschappen wordt de stof ketamine in
geneesmiddelen voor de mens toegepast.
Het product voldoet aan de omschrijving van het begrip werkzame stof als bedoeld in artikel
1, eerste lid. onder x.l, van de Geneesmiddelenwet.
9. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (dossierpagina’s 127-128), te weten een huurovereenkomst Garage betreffende [adres 2] , voor zover inhoudende:
Huurovereenkomst garage
[adres 2]
Ondergetekenden:
Naam: [getuige 1]
Hierna te noemen: ‘verhuurder’
Contact persoon: [verdachte]
Hierna te noemen: ‘huurder’
Komen het volgende overeen:
(...)
Aldus opgemaakt en ondertekend in tweevoud.
Plaats Breda
Datum 29-05-2022
10. De eigen waarneming van de rechtbank, zoals neergelegd in het vonnis waarvan beroep d.d. 28 augustus 2024, voor zover inhoudende:
De handtekening onder de huurovereenkomst en de handtekening op het identiteitsbewijs van verdachte vertonen een hoge mate van gelijkenis.
11. Het proces-verbaal van de in de zaak gehouden terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 14 augustus 2024, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte] :
Ik heb een tatoeage in mijn nek. Ook heb ik tatoeages op mijn armen.
12. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2023 (dossierpagina 150), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6] :
Bij de aanhouding van [verdachte] van [geboortedag 1] 1991 is zijn telefoon in beslag
genomen en doorzocht.
13. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 januari 2023 (dossierpagina 161), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Er is onderzoek gedaan naar de telefoon van verdachte [verdachte] . Hieruit is een gesprek naar
voren gekomen, van 21 december 2022 tussen verdachte [verdachte] en ene “ [naam] ”. In dit
gesprek vroeg “ [naam] ” of verdachte het adres kon sturen. Uiteindelijk zegt [naam]
het adres al te hebben en stuurt hij twee foto’s van een garagebox. Verdachte [verdachte]
reageerde hierop “4de deur knop beneden”. Uit onderzoek is gebleken dat het hier ging om
de garagebox waarin de verdovende middelen gevonden waren.
Ik vroeg collega [verbalisant 6] om te kijken of hij kon zien welk telefoonnummer hoorde
bij “ [naam] ”. Hieruit kwam naar voren dat dit het nummer [telefoonnummer] betrof.
Hierop keek ik in de politiesystemen en zag ik dat volgens onze systemen op 7 mei
2021 werd vastgelegd dat dit telefoonnummer hoorde bij [getuige 2] , geboren op
[geboortedag 2] 2007 in [geboorteplaats 2] . [getuige 2] woont in [adres 3] .
14. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 december 2022 (dossierpagina 125-126), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :
O: Opmerking verbalisant
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord getuige
O: Als verhuurder van de garagebox wil ik u horen als getuige in deze zaak. Ik wil u
hier dus wat vragen over stellen.
V: Hadden jullie (hof: u en de huurder) vaak contact met elkaar?
A: Nee alleen maar toen we het huurcontract gingen opstellen. We hebben elkaar toen ook 1 keer fysiek gezien dat was ook het moment toen ik hem de garagebox liet zien.
V: Kunt u de huurder voor mij beschrijven?
A:
- Man;
Ik schat hem rond de 30 jaar oud. Ik kan mij iets herinneren van een tatoeage in zijn nek en op zijn armen. Hij stelde zich toen voor met de naam [verdachte] .
15. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 januari 2023 (dossierpagina’s 163-165), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] :
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord getuige
V: Ken jij [verdachte] uit [stad] ?
A: Ja die ken ik wel.
V: Waarvan ken je die?
A: Gewoon als vriend.
V: Zie je [verdachte] vaak?
A: Ja, bijna elke dag.
Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
II.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – samengevat, en op de gronden zoals nader in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota verwoord – aangevoerd dat het bewijs tekortschiet om de betrokkenheid van de verdachte, meer in het bijzonder, de vereiste wetenschap en de beschikkingsmacht aan de zijde van de verdachte, bij het tenlastegelegde in rechte vast te stellen. Daarnaast heeft de raadsvrouw – andermaal op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat op grond van de stukken in het dossier niet de precieze hoeveelheden van de aangetroffen MDMA en ketamine kunnen worden vastgesteld. Ten slotte is door de verdediging betoogd dat niet gekomen kan worden tot een bewezenverklaring van de onder feit 2 tenlastegelegde overtreding van artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, nu niet alle zakken met daarin de beweerdelijke ketamine zijn getest en voorts niet kan worden uitgesloten dat een of meer anderen toegang hadden tot de garagebox die – kort gezegd – wel bevoegd waren om de ketamine in voorraad te hebben.
Het hof overweegt als volgt.
Anders dan de raadsvrouw, doch met de advocaat-generaal en in navolging van het eerdere oordeel van de rechtbank, acht het hof het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Het hof kan zich in overwegende mate vinden in de bewijsoverwegingen van de rechtbank en overweegt daarom met – en waar nodig in aanvulling op de rechtbank – het volgende.
Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat op 20 december 2022 in een garagebox aan
de [adres 2] in Breda ongeveer 5.050 gram van een substantie bevattende MDMA en van ongeveer 7.100 gram van een substantie bevattende ketamine is aangetroffen. De garagebox werd sinds 29 mei 2022 verhuurd aan een persoon die zich [verdachte] noemde. Deze persoon heeft de huurovereenkomst ondertekend met een handtekening die een hoge mate van gelijkenis vertoont met de handtekening van de verdachte. De verdachte heeft bovendien op 21 december 2022 een chatgesprek gevoerd met de gebruiker [naam] over de exacte locatie en aanwijzing van de garagebox.
Als uitgangspunt geldt dat de - enige - huurder van een garagebox bekend mag worden
verondersteld met de inhoud daarvan en daarover kan beschikken. Onder omstandigheden kan dit anders liggen, bijvoorbeeld als diegene een aannemelijk geworden verklaring geeft waaruit volgt dat hij geen wetenschap had van wat zich in de garagebox bevond, dan wel indien er in het dossier voldoende aanknopingspunten aanwezig zijn die (al dan niet naast verdachte) wijzen op de betrokkenheid van een of meer anderen.
De verdachte heeft ontkend ooit in die garagebox te zijn geweest, het adres van die garagebox zou hem niets zeggen, en zijn familie zou erbij betrokken zijn. Ter zake van de gestelde betrokkenheid van zijn familie heeft de verdachte zich verder op zijn verschoningsrecht beroepen (verklaring eerste aanleg).
Het hof merkt in dit kader op dat in de garagebox een viertal dozen zijn aangetroffen die zouden zijn bezorgd met als geadresseerde de vader van de verdachte in Den Haag ( [betrokkene 1] ) en als opschriften “Lege blikken”, “ [bedrijf 1] ” en “ [bedrijf 2] ” (dossierpagina’s 90-93). De verhuurder heeft de huurder maar één keer fysiek gezien bij het opstellen van het contract, waarbij hij hem toen ook de garagebox heeft laten zien. Toen stelde de huurder, een man rond de 30 jaar oud, met tatoeages in de nek en op zijn armen, zich voor als [verdachte] . Via het telefoonnummer dat op het huurcontract stond (en dat deze [verdachte] toen kennelijk heeft opgegeven), heeft de huurder zich de keer daarna voorgesteld als [betrokkene 1] (dossierpagina’s 90 en 125). Ondanks deze uit het dossier blijkende aanknopingspunten voor de betrokkenheid van een derde (de vader van de verdachte), ziet het hof met de rechtbank en de advocaat-generaal in dit geval geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij niets van die garagebox weet en er nooit is geweest, ongeloofwaardig en zelfs leugenachtig. Het is immers zijn handtekening die onder de huurovereenkomst lijkt te staan. Bovendien komt de beschrijving door de verhuurder van de persoon met wie hij het huurcontract heeft opgesteld en die hij toen ook de garagebox heeft laten zien, overeen met het signalement van de verdachte en niet van zijn vader. Volgens deze getuige was de huurder immers ongeveer 30 jaar oud, had hij een tatoeage in zijn nek en op zijn armen en stelde hij zich voor als [verdachte] , terwijl de verdachte ten tijde van het ondertekenen van de huurovereenkomst 31 jaar oud was, zijn voornaam [verdachte] is en hij inderdaad een tatoeage in zijn nek en op zijn armen heeft. De suggestie van de verdachte en de verdediging dat zijn handtekening is nagemaakt en de stelling van de verdediging dat familieleden van de verdachte bekend zouden zijn met diens handtekening en dat hij met hen geoefend heeft hoe deze te zetten, mist enige onderbouwing (los van het feit dat de verdachte dit niet heeft verklaard) en stelt het hof reeds om die reden als ongeloofwaardig terzijde. Ook voor het feit dat op de onder hem in beslag genomen telefoon over de betreffende garagebox (met [naam] ) lijkt te zijn gecommuniceerd, heeft de verdachte in het geheel geen (hem ontlastende) verklaring gegeven. Dat betekent dat het hof met de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, ervan uitgaat dat de verdachte degene is aan wie de garagebox is verhuurd en aan wie de garagebox toen ook is getoond door de verhuurder. Dat een ander of anderen dan de verdachte later (ook) toegang hebben gehad tot de garagebox en de MDMA en Ketamine daar buiten medeweten/toestemming van de verdachte zouden hebben neergezet, is niet aannemelijk geworden. Het enkele feit dat in de garagebox aan verdachtes vader in Den Haag gestuurde dozen lege blikken, enveloppen en kantoorartikelen zijn aangetroffen en dat de huurder zich de keer later telefonisch heeft gepresenteerd als [betrokkene 1] , doet daaraan niet af. Deze dozen kunnen ook door of met medeweten van de verdachte naar de garagebox zijn gebracht en hebben op zich geen relatie met de aangetroffen MDMA en Ketamine. Ook in het latere gebruik van de naam van de vader jegens de verhuurder ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van voormeld uitgangspunt. Dit gelet op het feit dat dit gebruik heeft plaatsgevonden via het telefoonnummer dat de verdachte in zijn fysieke aanwezigheid in het huurcontract heeft laten opnemen, de overige gebezigde bewijsmiddelen en verdachtes leugenachtige verklaring dat hij niets weet van de garagebox.
Hoewel noch de verdachte noch de verdediging op het navolgende een beroep heeft gedaan, overweegt het hof vanuit de verantwoordelijkheid voor een rechtvaardige beslissing nog het volgende.
In het proces-verbaal van bevindingen op dossierpagina 90 leest het hof dat de verhuurder van de garagebox op 20 december 2022 in die box is gaan kijken omdat de huurder al een aantal weken geen huur had betaald. Blijkens de latere verklaring van de verhuurder (dossierpagina 125) had de huurder (hof: de verdachte) bij het opmaken van het contract geweigerd per bank te betalen en had hij toen meteen voor een half jaar (tot eind november 2022) cash betaald. Hieruit leidt het hof af dat er kennelijk na dat halve jaar geen betalingen meer zijn gevolgd.
Dan komt de gedachte op dat als de verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan het tenlastegelegde, hij wel zou hebben gezorgd voor verdere betaling. Dat zou steun geven aan de suggestie van de verdachte dat niet hij, maar zijn familie ermee te maken zou hebben. De verdachte zou dan de garagebox voor zijn vader hebben gehuurd, blijkens het feit dat de huurder zich later aan de verhuurder als “ [betrokkene 1] ” had gepresenteerd en dozen met de naam van de vader in de garagebox zijn aangetroffen. Blijft dat de verdachte dan voorwaardelijk opzet kan worden verweten ter zake van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs. Het is immers de verdachte die de box op eigen naam heeft gehuurd onder opgave in het huurcontract van een vals adres ( [adres 4] in plaats van [adres 1] , verdachtes BRP-adres sinds 8 augustus 2013: SKDB-uitdraai van 29 april 2025) en een telefoonnummer dat zou worden gebruikt door een ander. Bovendien geeft zijn weigering om per bank te betalen en direct voor zes maanden cash af te rekenen ook aan dat hij van meet af aan niet wenste dat de garagebox naar hem was te herleiden. Tenslotte heeft de verdachte de dag na de ontdekking van de drugs met een vriend gecommuniceerd over de garagebox, terwijl hijzelf ter zake pas op 30 december 2022 is aangehouden.
Concluderend komt het hof derhalve tot het oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard.
Anders dan de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat in het dossier op deugdelijke en genoegzame wijze vastlegging is gedaan omtrent de wijze van aantreffen van de verdovende middelen, alsmede de aangetroffen hoeveelheden. Daartoe overweegt het hof als volgt.
In het proces-verbaal van bevindingen op pagina 90 van het dossier, betreffende de bevindingen in de garagebox, staat gerelateerd dat door de politie in de garage box vijf boodschappentassen zijn aangetroffen. In een van de tassen zat een zak ‘hondenvoer’. De verbalisant heeft aan deze zak gevoeld en hij voelde dat er grote brokken in zaten, die de verbalisant niet vond lijken op hondenvoer. Nu er in elk van de andere vier boodschappentassen een pakket zat met een witte substantie: twee pakketten met opschrift 2000NAAD en twee pakketten met opschrift 1500NAAD, waardoor de verbalisant vermoedde dat het mogelijk om verdovende middelen ging, rees bij de verbalisant het vermoeden dat er ook drugs in de zak hondenvoer zat, waarop de zak in beslag is genomen. Op grond van de ter zake daarvan opgemaakte kennisgeving van inbeslagneming (“5050 g, positief getest op MDMA”: dossierpagina 6), in samenhang bezien met het proces-verbaal op pagina 132 van het dossier, waarin gerept wordt over een in beslaggenomen partij verdovende middelen, bestaande uit bruine kristallen met een gewicht van 5050 gram, alsmede het rapport van het NFI en de daarbij behorende aanvrage tot onderzoek, waarin gesproken wordt over beige kristallen met een gewicht van 5050 gram, aangetroffen in een zak hondenvoer, stelt het hof vast dat de als hondenvoer aangeduide zak een hoeveelheid van 5050 gram kristallen bevatte, waarvan een genomen monster positief is getest op MDMA. De vermelding op dossierpagina 136 van “Totaalpartij 7100 gram mdma” ziet het hof als een kennelijke verschrijving: gelet op de inhoud van het proces-verbaal en het daarin vermelde goednummer moet dit worden gelezen als “Totaalpartij 5050 gram mdma”.
Voorts zijn in voormelde andere vier boodschappentassen in totaal vier vacuümpakketten aangetroffen, met daarin een witte substantie. Door de politie is gerelateerd dat het overeenkomende pakketten betrof. Uit de tot het bewijs gebezigde kennisgeving van inbeslagneming (dossierpagina 7: “7100 g, positief getest op ketamine”), in samenhang bezien met het proces-verbaal van bevindingen op pagina 91 van het dossier en het rapport van het NFI en de daarbij behorende aanvrage tot onderzoek volgt dat de inhoud van de pakketten in totaal 7100 gram bedroeg. In het dossier wordt dit aangeduid als de bronpartij. Een monster genomen van de bronpartij is positief getest op ketamine. Het hof constateert in voormeld verband dat de sin-nummers van de geteste monsters matchen met de goednummers van de onderliggende bronpartijen. Overigens leest het hof ook op dossierpagina 146, de “vier zakken van een halve kilogram per stuk”, anders dan de raadsvrouwe, als een kennelijke verschrijving. Hieraan gaat immers vooraf dat het gaat om een bronpartij van 7100 gram met goednummer 2538693.
De verweren met betrekking tot aangetroffen drugs met andere goednummers (2553857; 2553862; 2553873: dossierpagina’s 83-85) laat het hof onbesproken, omdat de verdachte ter zake van deze stoffen niet wordt vervolgd.
Onder verwerping van de ter zake gevoerde verweren, komt het hof, gelet op bovenstaande bewijsmiddelen en het vorenoverwogene, tot de in de bewezenverklaring vermelde hoeveelheden. Dat er van de vier vacuümpakketten (totaalpartij 7100 gram) slechts één monster is genomen, welke positief is getest op ketamine, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Daartoe overweegt het hof dat de pakketten een overeenkomend uiterlijk hadden, alsmede dat de pakketten min of meer tezamen als één partij zijn aangetroffen, (in vier bij elkaar staande boodschappentassen), zodat het ervoor – bij gebrek aan enige tegenindicatie – moet worden gehouden dat alle pakketten eenzelfde inhoud hadden. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet van enige aanwijzingen gebleken die nopen tot een ander oordeel.
Het hof komt tot een bewezenverklaring van een hoeveelheid van ongeveer 7100 gram ketamine, vanwege het verweer dat niet is geregistreerd wat de exacte netto hoeveelheid per zak is.
Het verweer dat geen sprake is van overtreding van artikel 38, eerste lid 1, van de Geneesmiddelenwet, omdat niet kan worden uitgesloten dat andere personen toegang hadden tot de garagebox en dat zij mogelijk wel de beschikking hadden over een registratie om ketamine in voorraad te hebben, wordt eveneens verworpen. Het hof heeft hiervoor, in het kader van de bewijsoverwegingen, reeds geoordeeld dat het de verdachte is geweest die de ketamine in de garagebox voorhanden heeft gehad. Dat andere(n) toegang hadden tot de garagebox of bij het voorhanden hebben van de ketamine betrokken zijn geweest, is niet gebleken. Nu voorts uit de bewijsmiddelen blijkt dat aan de verdachte geen registratie als bedoeld in artikel 38, eerste lid 1, van de Geneesmiddelenwet is verleend, is het bewijs voor overtreding van dit artikel in rechte geleverd. Daarbij overweegt het hof ten overvloede dat ook in het geval er naast verdachte een of meer anderen toegang hadden tot de ketamine en zij wel over een registratie beschikte(n), nog altijd geldt dat de verdachte die registratie niet had, zodat ook in dat geval een bewezenverklaring zou volgen, nu het hof bewezen acht dat de verdachte de ketamine voorhanden heeft gehad.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden. De strafeis van de advocaat-generaal is lager dan de eerder door de rechtbank opgelegde straf, zulks gelet op het tijdsverloop in deze zaak en verdachtes persoonlijke omstandigheden.
De raadsvrouw heeft – onder verwijzing naar de in de visie van de raadsvrouw vergelijkbare zaken opgelegde gevangenisstraffen en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – bepleit dat het hof de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf zo veel mogelijk voorwaardelijk zal doen zijn, met daaraan verbonden een langere proeftijd, in combinatie met een taakstraf.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij op 20 december 2022 een hoeveelheid van ongeveer 5050 gram MDMA opzettelijk aanwezig heeft gehad. Het hof overweegt dat wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat het (frequent) gebruik van harddrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het geestelijke aandoeningen betreft. De verdachte heeft door de MDMA voorhanden te hebben een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de illegale handel – en in het verlengde daarvan de productie – van MDMA, welke handel allerlei maatschappelijk ongewenste – veelal criminele – effecten en milieuschade tot gevolg heeft, waarmee voorts de openbare orde ernstig kan worden ondermijnd. Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij op dezelfde datum een hoeveelheid van ongeveer 7100 gram ketamine in voorraad heeft gehad, zonder over de daartoe vereiste registratie te beschikken. Qua werking is ketamine vergelijkbaar met harddrugs en de illegale handel van deze stof ondermijnt de samenleving en brengt ernstige risico’s voor de gezondheid en veiligheid met zich. Dit alles wordt de verdachte door het hof aangerekend.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 april 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan gedurende het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Naar het oordeel van het hof kan, ondanks de persoonlijke omstandigheden zoals die ter terechtzitting in hoger beroep zijn besproken en ook worden beschreven in een reclasseringsadvies van 19 januari 2023 opgemaakt in een andere strafzaak, maar gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanmerkelijke duur met zich brengt.
Bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf heeft het hof acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het ‘Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)’, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Deze oriëntatiepunten gaan als vertrekpunt bij het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs tussen de 5000 gram en 6000 gram, zoals ten laste van de verdachte is bewezenverklaard, uit van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Voor het in strijd met de Geneesmiddelenwet aanwezig hebben van ketamine, zoals onder feit 2 ten laste van de verdachte is bewezenverklaard, zijn geen oriëntatiepunten voorhanden. Evenwel geldt dat voor dit feit een gevangenisstraf van ten hoogste 6 jaren kan worden opgelegd en dat ketamine – zoals het hof reeds heeft overwogen – qua werking vergelijkbaar is met harddrugs. Bewezen is verklaard dat de verdachte (ruim) 7 kilo aanwezig heeft gehad. Alles afwegende acht het hof derhalve, met de rechtbank, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden.
Het hof komt daarmee tot een hogere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd en welke door de raadsvrouw is bepleit, nu het hof van oordeel is dat de door hen gevorderde en bepleite straf onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, noch in de door de raadsvrouw benoemde uitspraken ziet het hof grond om tot een andere, mildere strafoplegging te komen. Evenmin geeft het tijdsverloop in deze zaak daartoe aanleiding. Het vonnis van de rechtbank dateert van 28 augustus 2024 en het hof wijst heden 10 september 2025 arrest, zodat de redelijke termijn geenszins is overschreden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, artikel 38 van de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. C.M. Hilverda en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,
en op 10 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.